De jongens zaten allen bij elkaar in het hol. Het was winter en het hol
was niet zoo dicht begroeid als anders, doch door al het gewir-war van
takken waren ze toch moeilijk te ontdekken.
„Wat zijn we hier in langen tijd niet geweest,” zei Ambro.
„Als ze ons maar niet door de takken heen zien,” zei Puckie Voortman,
die na een lange ongesteldheid zich weer bij de roovers had
aangesloten.
„Wat is de grond hier vochtig,” vond Piet Kaan.
„Nou ja, ’t is geen zomer,” zei Ambro.
„Waarom was jij vanmorgen niet op school?” vroeg Wim aan Ambro.
„Ik heb zitten teekenen langs den Overschieschen Weg. Den molen heb ik
gemaakt.”
„’t Zal wat moois zijn,” spotte Wim.
„Nou, hier heb ik ’m,” zei Ambro.
De jongens verdrongen zich om Ambro, teneinde de teekening goed te
kunnen zien.
„Verduiveld, dat ’s aardig,” zei Puckie bewonderend.
De andere jongens waren ook vol lof en Piet Kaan voorspelde, dat Ambro
nog eens een beroemd schilder zou worden.
Ambro lachte. „Kan je denken!” zei hij.
„Ik word koekebakker, kan je fijn taartjes voor noppes eten.”
„Meen je het heusch?” vroeg Paul ongeloovig.
„Neen hoor,” zei Ambro en dan liet hij er ernstig op volgen:
„Ik zou ’t liefst clown in een circus worden.”
„Valt geen spat mee te verdienen,” meende Chris.
„Met het schilderen zeker wel,” spotte Ambro.
„En een clown gaat twintig jaar voor z’n tijd dood.”
„Dat lieg je! August de Domme werd zeventig.”
„Dat zegt niks,” hield Chris vol. „Als ie kruidenier was geweest, zou
ie de honderd gehaald hebben.”
„Clown of detective zou ik willen worden,” zei Ambro peinzend.
„Geen klein verschil,” meent Karel. „Ik wil officier worden.”
„Ajakkes!” zegt Paultje. „Dat doe je nou ook om het mooie pakje.”
En dan laat hij er waanwijs op volgen:
„Mijn oom is ook officier en die zegt, dat ie er al spijt van had, een
jaar nadat hij ’t geworden was. Hij is in Indië geweest, zie je, en
daar maken ze een boel mee.”
„Je lijkt wel een oud mannetje, Paul,” lachte Karel. „Ik vind ’t toch
wàt een fijn leven. Vol avonturen is het en iederen dag wat anders.”
„Dat zeg je nu, als jongen, maar oom zegt, dat je daar naderhand heel
anders over denkt, vooral, als je een oorlog hebt meegemaakt.”
„Ik heb al lang genoeg van jullie gezwam,” viel Ambro de twee praters
wat ruw in de rede.
„Ik ga bootje varen bij de ronde bank.”
Dat vonden alle jongens best, ze hadden ’t meer gedaan en ’t gaf altijd
reuzen-pret. Ze gingen een zeil-wedstrijd houden. Daartoe maakte ieder
z’n eigen bootje.
De romp van het schip bestond uit een stuk boomschors, het zeil met den
mast werd voorgesteld door een eendenveertje.
„Effe kijke of er niemand aankomt,” en ze gluurden voorzichtig door de
takken.
„Ja warempel, daar heb je Willem van de beeren.”
Willem reed voorbij met een wagen vol bloederig vleesch waarmee hij z’n
pleegkinderen ging voeren.
„Kom maar, jongens,” zei Ambro. „Het terrein is nu veilig.”
En achter elkaar slopen de jongens het boschje uit.
De groote bank was dichtbij en stond vlak bij den grooten vijver.
„De wind is gunstig,” zei Ambro, die z’n nat gemaakte vinger omhoog
stak. Nu haalden ze hun zakmessen te voorschijn en begonnen kerven te
maken in de mooie, dikke platanen. Heele stukken schors haalden zij er
op die manier af.
In het gras vonden ze bij hoopjes de eendenveertjes liggen. Het
voornaamste was nu, om de juiste grootte te vinden van schors en
veertjes, alsook de plaats waar het veertje op het schip bevestigd
moest worden.
„Zijn jullie klaar?” vroeg Ambro.
Allen waren gereed en zes bootjes werden gelijktijdig te water gelaten
en kregen nog een laatste duwtje van den maker. Dan was ’t een feest
voor de jongens om te kijken wat er ging gebeuren met hun vaartuigjes.
„Wie zou ’t eerst aan den overkant zijn?”
„Ik zie ’t al,” zei Ambro. „Die van Karel gaat ’t hardst. Net als de
vorige keer. Hij is de beste bootenmaker van ons allen.”
’t Scheepje van Paul draaide als razend in ’t rond.
„Jij hebt je mast verkeerd gezet.”
De wind was de bootjes inderdaad gunstig. Langzaam dobberden ze al
verder en verder van den kant en met kleine rukjes staken ze ’t breede
water over.
Vol spanning keken de jongens naar de liliput-vloot.
„Ik ben jullie al drie meter voor,” riep Karel, die trotsch was op z’n
schuitje.
„De mijne doet niets dan draaien,” klaagde Paul.
„Jij kan beter een malle-molen maken dan een schip,” plaagde Chris hem.
Midden op den vijver aangekomen, kreeg de vloot het hard te verduren en
twee bootjes werden door een rukwind omver geworpen en vergingen met
man en muis.
Een ander bootje werd aangevallen door een eendje, dat nog nooit in z’n
leven zoo’n vreemdsoortig ding in zijn gebied zag ronddrijven.
De mast werd weggepikt en ’t afgetuigde schip nu door den stroom
meegevoerd.
„Ik ben er bijna,” riep Karel en liep naar den overkant van den vijver.
Daar aangekomen haalde hij zegevierend zijn scheepje naar binnen.
„Lang leve „de Karel Boekers”,” riepen de jongens. „De snelste zeiler
van het land, hiep hôj!”
Plotseling roept Karel: „Jongens, daar komt de lange Loese, hij is vast
weer op vangst uit.”
In vollen draf rende hij terug naar zijn makkers aan den overkant, die
op ’t hooren van dien naam hun spel in den steek lieten en gingen
beraadslagen wat ze zouden doen, nu hun aardsvijand, de Lange Loese, in
aantocht was.
Die „Lange Loese” was veel grooter en sterker dan een van hen allen en
zijn grootste amusement bestond in plagen van kleinere jongens, ze
gevangen te nemen en als slaven uit den ouden tijd te behandelen.
Zijn koninklijk verblijf (want hij voelde zich heelemaal vorst) was
gelegen in het beneden rotshol, dat voor jong en oud toegankelijk was
en waaraan de sombere legende verbonden was, dat daar eens een oude
water-Chinees den hongerdood gestorven was.
„Hij heeft er nog drie bij zich,” riep Ambro, die achter een boom het
naderend onheil bespiedde.
„We kunnen ze met ons zessen toch niet aan,” zei Paul.
„Hij zit alweer in de piepzak,” plaagde Karel.
„Net doen of we ze niet zien, dan zullen ze ons misschien niets doen,”
stelde Paul voor.
„Ik zal mijn leven duur verkoopen,” zei Ambro op gezwollen toon. „Niet
dan over mijn lijk komen ze ’t rotshol binnen.”
Van beenen maken, was geen kwestie, want de „stelten” van de lange
Loese deden de jongens denken aan de zevenmijlslaarzen van den reus.
Enkele kleinere jongens hadden den wedloop wel eens gewaagd, maar in
minder dan geen tijd hadden zij den ijzeren greep in hun nekvel
gevoeld, om daarna als gevangen slaaf meegevoerd te worden naar lange
Loese’s paleis.
„Had ik nou me boksbeugel maar bij me,” zuchtte Ambro. „Maar die heeft
vader me gisteren afgepakt. Daar is-t-ie, jongens, gewoon doorloopen,
niet naar ’m kijken.”
De lange Loese was zich volkomen bewust van den grooten indruk die hij
op de kleinere jongens maakte.
Nu kreeg hij ze in de gaten, en een kwaadaardige grijns kwam om z’n
wreeden mond.
„Bereidt u voor op den dood,” schreeuwde hij den jongens toe. „Uw
laatste uur heeft geslagen.”
Kleine Paul verstopte zich achter Ambro, die, nu er niets meer te
redden viel, besloot zich dapper te verdedigen.
„Van jou ben ik niet bang, lange lijs,” riep hij overmoedig.
Op hetzelfde oogenblik werd hij bij den kraag gepakt, Paul incluis,
terwijl de drie helpers van lange Loese de andere jongens
overmeesterden.
„Naar het rotshol,” gebood de lange.
„Ophangen zullen we ze! O, ik heb zoo’n mooi touwtje voor jullie!”
Niettegenstaande Ambro zich heftig verweerde door in het rond te slaan
en te trappen werd het zestal het rotshol binnengesleurd en daar flink
bewaakt.
Om hulp schreeuwen gaf ze niet, want er was niemand in den omtrek te
bespeuren. Zelfs Alebes, die een verdieping hooger troonde, scheen
niets te hooren. Hij was zeker weer onder bedwelming van het
geliefkoosde vocht.
„Ik ga de strop ophangen,” riep de lange Loese.
De Koe, een van z’n makkers, een stevige, dikke knul, was hem daarbij
behulpzaam. Paul vroeg angstig aan Karel: „Ze zullen ons toch niet
ophangen?”
„Dat zou best kunnen,” plaagde Karel. „In dit hol hebben er meer den
dood gevonden.”
Het huilen stond Paul nader dan ’t lachen.
Lange Loese, was, zooals ik reeds zeide, een groote plaaggeest, maar,
tot waarlijk slechte dingen was hij niet in staat.
„De strop is klaar,” zei hij met vervaarlijk stemgeluid. „Twee aan twee
moeten ze bengelen. Eerst vijf minuten onder de armen en dan om den
nek. En,”... voegde hij er grijnzend aan toe. „Dàt zal wel geen vijf
minuten duren!!!”
De Koe, die meelij had met het angstige gezicht van Paul, stelde zijn
heer en meester voor, het zestal eerst als slaaf te laten dienen, maar
de lange Loese meende, dat die apen toch tot niets in staat waren en
het maar beter was, ze ineens op te hangen. Terwijl hij nog druk bezig
was met een vrij dik touw aan de rotspunten te bevestigen, werd hij
plotseling omver gegooid door de Koe, die een hevigen zet van Ambro
kreeg.
Ambro had zich lang stil gehouden en kalm overwogen hoe hij het beste
de gevangenis kon ontvluchten.
Hij had zich daarom aanvankelijk rustig gehouden en zijn bewakers
hadden dan ook weinig acht op hem geslagen.
Van die achteloosheid maakte Ambro nu gebruik om met een bliksemsnellen
vaart tegen de Koe aan te loopen, die op zijn beurt den langen Loese
weer omver wierp.
Nu rende hij, zooals hij nog nooit gerend had. En vóór de andere
jongens hem konden nazetten, was hij hen reeds zóó ’n eind voor, dat
van inhalen geen sprake meer was.
De lange Loese schold op de bewakers, die nu met verdubbelden ijver het
resteerend aantal gevangenen in de gaten hielden.
Chris fluisterde Karel in: „Je zult zien, Ambro gaat hulp halen, hij
laat ons nooit in den steek.”
„Nu Ambro weggeloopen is, is de lange Loese natuurlijk nog veel
woester,” huiverde Paul.
„Nou,” gebood de lange. „’t Moet nou maar gebeuren, jullie gaan dan nu
maar een voor een. Jullie zult het voor je weggeloopen vriend moeten
ontgelden.”
„Kom jij hier,” schreeuwde hij tot Chris, die moedig naar voren kwam.
„Steek je armen in de twee lussen. Bind vast, de Koe, en dan hijschen.”
Chris werd onder de armen vastgebonden en daarna omhoog geheschen aan
een overhangend rotsblok.
Bang was Chris in ’t minst niet, want al spartelend maakte hij allerlei
grimassen, trok malle gezichten, zoodat zelfs Paul moest lachen.
„Als je niet stil hangt, krijg je er nog stokslagen bij,” beloofde hem
de lange Loese.
Chris wist wat dat zeggen wilde. Als het slaan gold, kende de lange
Loese geen genade.
„M’n armen gaan pijn doen,” klaagde Chris,
„Het touw striemt zoo.”
„Dàt moet ook,” stelde de Koe hem gerust. Maar nu gebeurde er iets, dat
hen allen verschrikt deed opzien.
Plotseling stormden vier groote jongens, met Ambro voorop het hol
binnen en grepen onder luid geschreeuw den verbaasden langen Loese en
z’n helpers beet.
„De wraak is zoet,” juichte Ambro. „Nou zien jullie eens wat het is,
kleinere jongens aan te vallen.”
Ambro had namenlijk de hulp ingeroepen van een paar groote H.B.S.’ers
die hij goed kende en die schik in hem hadden om z’n vermaarde
guitenstreken.
Het waren stevige, pootige boys en dat voelde de lange Loese aan den
lijve.
O, wat kreeg hij er van langs.
Chris was intusschen door Ambro uit z’n benarde positie bevrijd en de
helpers van den langen Loese konden na een flink pak slaag de beenen
nemen.
Maar met hun hoofdman was nog niet afgerekend.
Een eindje van de rots af, stond een handkar.
De lange Loese werd nu met z’n eigen touw gebonden en voor ’t eerst
zagen de kleinere jongens een angstigen trek op het anders zoo
grijnzende gezicht van hun langen vijand.
Een der H.B.S.’ers nu had een goede straf voor hem bedacht.
„Hij moet voor de kar gespannen,” beval hij. „Jullie zessen gaan er in
en hij moet jullie trekken.”
„Ja, ja,” juichten de jongens. „Dat is goed!” En zoo werd lange Loese
voor de handkar gespannen en stond hij met een beteuterd gezicht te
wachten wat er met hem gebeuren ging.
„Instappen heeren,” riep Ambro. „De diligence vertrekt.”
En met een rietje tikte hij op het hoofd van den langen Loese, die, of
hij wilde of niet, op een drafje loopen moest, want van achteren duwden
acht krachtige armen de kar voort
Zoo zouden zij zeker een rit door den geheelen dierentuin gemaakt
hebben, als Manus van de eenden niet verschenen was, die z’n kar
opeischte.
Lange Loese werd dus weer bevrijd en kon het hazenpad kiezen.
Vooreerst zouden de jongens zeker geen last meer van hem hebben.
„Toch ben ik lekker niet opgehangen,” schreeuwde Paul, nu moedig, hem
na.
„Ja nou maak je praats,” zei Ambro. „Maar straks geloofde je al voor de
haaien te zijn.”
Het was laat geworden. De jongens verlieten al pratend den tuin om zich
naar huis te begeven.
Het was weer een fijne middag geweest Voor hen was het goed afgeloopen
en lange Loese kreeg een flinke les.