’t Is hartje winter; de tijd van schaatsenrijden, op de prik zitten en
sneeuwballen gooien. Zalige, heerlijke wintertijd!
Voor eenigen der jongens is echter een pretje begonnen, dat ze minder
aangenaam stemt, ze vinden het een zuren appel, waar je maar doorheen
moet bijten.
De ouders van Ambro en Karel hebben n.l. besloten, teneinde hun jongens
wat nettere manieren te laten leeren, ze op dansles te doen bij
juffrouw Hesterman.
Deze juffrouw nu, was een toonbeeld van netheid, wat ook geen wonder
was, want ’t goede mensch deed immers zaken in „nette manieren”.
Ik vrees, dat de jongens van haar artikel niets willen weten.
We zullen zien!
De jongens sputterden vreeselijk tegen het plan van hun ouders en Ambro
beweerde, dat ie, als ’t er op aankwam, nog liever naar school ging.
En zoo zien we dan op een kouden winteravond, waarop de sneeuw ’n paar
voet hoog ligt, Karel, met zijn dansschoenen in een wit-flanellen zakje
gepakt, onder den arm, zich door de donkere straten naar de dansles
begeven.
Achter hem loopt een klein heertje, dat plotseling naast hem komt
loopen en met een eenigszins vreemde stem vraagt of hij zich hier in de
Tuinderstraat bevindt.
„Neen, Mijnheer,” zegt Karel, die ’t gezicht van ’t heertje in ’t
donker niet goed kan onderscheiden.
„Dan moet U eerst rechtuit en dan bij den hoek rechts afslaan.”
„Dank u wel,” zegt het heertje op denzelfden krakenden toon en blijft
naast hem voortloopen.
„’t Is koud vanavond,” zegt hij dan en al pratend loopen ze samen voort
in de richting van de dansles.
Bij een lantaarn gekomen, kijkt Karel eens even naar het gezicht van
zijn begeleider, geeft dan een schreeuw van verbazing en barst in een
schaterlach uit, als hij in het heertje Ambro herkent.
„Wel verdraaid!” giert Karel, „Ambro in een lange, met een kaasbol op
z’n hersens!”
„Hoe is ie?” vraagt Ambro, terwijl hij zich trotsch als een pauw
opricht en zich van alle kanten door Karel laat bewonderen. Ambro ziet
er potsierlijk uit en ’t is hem aan te zien, dat broek noch hoedje hem
toebehooren.
De broek is hem een eind te groot, zoodat de stof bij de pijpen als een
harmonika op z’n schoenen ineen valt; daarentegen is het hoedje hem
veel te klein en balanceert heel mal op z’n ronden kaaskop.
Maar de twee jongens vinden ’t prachtig en zien die kleine gebreken wel
over ’t hoofd.
Als Karel eindelijk uitgekeken is vraagt hij: „Hoe kom je er aan?”
„Van me neef geleend,” zegt Ambro blij. „Thuis weten ze er niets van,
ik ben me stiekum even bij hem gaan verkleeden en na de dansles ga ik
het goed weer verwisselen.”
„’n Reuze-bak,” zegt Karel en samen verkneuteren ze zich in de pret.
Onder al dit praten en lachen zijn ze eindelijk genaderd aan ’t huis
van juffrouw Hesterman.
Ze schellen vrij onzacht aan en worden open gedaan door een kittig
dienstmeisje, met tullen muts met lange banden.
Direct trekt Ambro aan de uitdagende lange slierten en roept:
„Tingelingeling, wie is daar?”
Het meisje is woedend en zegt smalend: „Dat draagt een lange broek!!”
Ambro schaamt zich wel een beetje over het feit dat zijn gedrag niet in
overeenstemming is met de lengte van z’n broekspijpen en loopt haastig
door.
Het meisje wijst ze daarop de kleedkamer en verdwijnt.
„Wij zijn de eersten,” zegt Karel.
Een tweede meisje verschijnt en wijst hun de plaats waar hun schoenen
bewaard moeten worden.
De jongens ontdoen zich van hun schoenen.
Dan komen vier nieuwe gezichten binnen, alle jongens van ongeveer
denzelfden leeftijd als Ambro en Karel.
„Goeden avond, heeren,” zegt Ambro. „Moeten jullie ook springen
leeren?”
De jongens, weinig toeschietelijk, brommen iets terug, waarop Karel
minachtend zegt:
„Kunnen jullie niet antwoorden? Wat een kevers.”
Op hetzelfde oogenblik vliegt er een laars naar hem toe, die een groote
moddervlek nalaat op de muurvlakte van z’n hoogen witten boord.
„Dàt laat je je niet doen,” zegt Ambro woedend. „Geef pit, Boekie, knok
’m op z’n kanes!”
Rang, pats!
Eenige welgeraakte meppen volgen en dan werpt Karel zich op den langen
roodharigen slungel die z’n boord, z’n glorie zoo gemeen bedierf.
„Ik zàl je! rooje vuurtoren!” schreeuwt Karel woedend.
De vechtersbazen maken een helsch kabaal.
Ambro meent de zaak te kunnen redden door het electrisch licht uit te
draaien. Maar in ’t donker wordt de strijd voortgezet en timmert Karel
met een spiksplinternieuwe dansschoen op z’n beleediger los.
Plotseling gaat de deur open en hoort men angstige vrouwenstemmen
vragen wat er toch gebeurt en waarom het licht uit is.
Dan wordt het licht opgedraaid en staat juffrouw Hesterman midden in de
kamer.
Het is een lange dame, met een scherp vogelgezicht. Ze is heel deftig
gekleed, in een ruischende zijden japon, die haar eenigszins
wesp-achtige gestalte nauw omsluit.
„Wat is dat hier voor een kabaal,” zegt ze boos.
„Ze maken kennis met mekaar, juffrouw,” lacht Ambro.
„Schandelijk, schandelijk,” zegt de juffrouw verontwaardigd.
„’t Wordt tijd dat jullie nette manieren leert, men zou bijna zeggen,
dat jullie uit een achterbuurtje kwaamt.”
„Kalm maar, juffrouw,” sust Ambro.
„’t Is al gedaan.”
De beide ruziemakers laten elkaar los en zien er, nu fel beschenen door
’t electrisch licht, zeer onbetamelijk en gehavend uit.
„De rooie vuurtoren” vertoont een blauw oog, zoodat met de kleur van
zijn haar zijn gelaat wel een veelkleurig schilderspalet gelijkt.
De met zooveel zorg gefabriceerde scheiding in Karel’s haardos is
verdwenen en z’n bol toont veel overeenkomst met een stoffer.
De mooie boord is in zwijm gevallen en het keurige, lichte dasje
bengelt als een touwtje op zijn rug.
„Jullie ziet er fraai uit,” zegt de juffrouw boos. „Als er ooit weer
zoo’n schandaal in mijn huis mocht plaats hebben, dan zet ik de
belhamels die het veroorzaken voor goed het huis uit.”
„Je hoort ’t,” zegt Ambro met een veelbeteekenend, kwasi-ernstig
gezicht.
De vechtersbazen doen angstige pogingen om hun toilet weer eenigszins
in orde te brengen.
„Nu voortmaken, jongeheertjes, de les gaat beginnen,” zegt de juffrouw
en verlaat de kamer.
„Tòch lag je onder,” zegt Karel sarrend tegen den langen slungel.
„Nou niet weer beginnen,” komt Ambro tusschenbeide.
Dan gaan ze allen te zamen, achter de juffrouw aan naar de danszaal.
Ambro, die geen rekening houdt met den gladden parket-vloer der
danszaal, glijdt uit en komt vrij onzacht op z’n zitvlak terecht.
„Bèns!” gilt hij door de zaal. „’t Lijkt waarachies wel ijs.”
„Ik heb spijkers onder m’n schoenen,” zegt Karel heel kalm. „Ik kan
niet vallen.”
Juffrouw Hesterman, die dit hoort, komt hard aangehold, in grooten
angst voor haar mooien vloer.
Doch dan ziet ze dat de bengel dansschoenen aan heeft, en boos over z’n
plagerij, dreigt ze hem met een spitsen vinger.
Aan den wand der zaal staan aan één kant lange banken met fluweelen
zittingen, aan den anderen kant vele stoeltjes op een rij.
Op de banken zitten ongeveer veertien meisjes, ook van den leeftijd der
jongens, in aardige, witte jurkjes gekleed, breede witte linten in het
haar, kousen en schoentjes in dezelfde kleur.
„Net een rij opgeprikte kapellen,” smaalt Ambro.
De jongens moeten op de stoelen plaats nemen.
Eensklaps roept Karel hardop: „Kijk es, Ambro, de zittingen van die
stoelen kan je omkeeren.”
Met draait hij de houten zitting om en komt een mooie, rood-satijnen
zitting boven.
„Veel zachter,” zegt Karel en wil er op gaan zitten.
Maar de juffrouw, die het alweer zag, komt naar hem toe en zegt nijdig:
„Wil je dit wel eens laten! Die zittingen mogen jullie niet gebruiken,
die worden alleen gebruikt als er feestjes zijn.
„En nu wil ik verder geen last van jullie hebben, denk erom.”
Juist als de juffrouw de les wil beginnen, wordt er op de deur geklopt
en op haar „binnen” betreden twee jongens de zaal.
Ze zijn van een heel ander slag dan de andere jongens en zullen zeker
’t hart van de juffrouw stelen, want ’t zijn toonbeelden van netheid.
„’t Is vast een tweeling,” zegt Ambro. „Ze lijken precies op elkaar.”
En dan tot de jongens: „Zeg, jij moet een rood strikje aandoen, en jij
een blauw, anders kunnen we jullie niet uit elkaar houden.”
Het keurig-nette tweetal zegt boe noch ba, ze kijken alleen met
verachtelijk opgetrokken neusjes naar den kleinen man in den langen
pantalon die zoo staat op te scheppen.
Dit zwijgen prikkelt Ambro.
„Wacht even,” zegt hij. „Jullie zijn tòch te onderscheiden, jij hebt
een puist op je neus en jij een pitje in je kin! Jongens, gezicht op
Berg en Dal!!” en schaterend wendt Ambro zich af van de twee
parkietjes.
Juffrouw Hesterman gaat midden in de zaal staan, klopt met haar spitse
vingertoppen tegen elkaar en commandeert:
„Stilte, meisjes en jongens.”
„’t Spul gaat beginnen,” roept Karel.
De juffrouw stampvoet van woede: „Stilte heb ik gezegd! Heb je ’t
verstaan?”
En dan gaat ze kalm verder:
„Nu komen de jongenheertjes op een rij voor me staan. Luister nu goed
naar wat ik je zeg en doe precies na wat ik je voor doe.”
Ambro trekt tot groot vermaak van de jongens net zoo’n pruimenmondje
als de juffrouw en zet z’n lichaam precies in de houding van de
gecorsetteerde dame.
„Ik zal beginnen jullie de buiging te leeren.”
Tegelijkertijd neemt ze, om goed te laten zien hoe ze de voeten moeten
zetten, met twee nuffige vingers aan weerskanten een tip van haar toch
al niet langen rok op, plaatst haar hooggehakte schoentjes naast elkaar
en verzoekt ze hetzelfde te doen.
Ambro, ondeugend als hij steeds is, trekt ook vol gratie z’n beide
broekspijpen een eind omhoog.
Nijdig zegt de juffrouw: „Dàt hoeft niet, mijnheertje Verbrugge, en u
moet me nu niet meer lastig vallen, want ik wensch u niet nogmaals te
verbieden, u staat hier niet als clown.”
„Zij wel,” fluistert Ambro in Karel’s oor.
De heele rij jongens staat nu volmaakt naar den zin van juffrouw
Hesterman.
„Heel goed is ’t zoo,” zegt ze voldaan.
„Wanneer we nu het lichaam doorbuigen, blijven de armen ongedwongen
omlaag hangen, zoo ook de handen. Kijk, flauw gebogen.”
Bij de heeren-buiging blijkt het corset van de juffrouw haar parten te
spelen en ze blijft halverwege steken.
De heele rij buigt nu. Maar ’t lijkt meer op jongens die haasje-over
gaan springen, uitgezonderd natuurlijk Berg en Dal, die voor buigen in
de wieg zijn gelegd.
„Héél goed, jongenheertjes Otto en Eugène,” zegt ze waardeerend.
„Jullie hebt me volmaakt begrepen.”
„Ik krijg pijn in m’n rug,” zegt Ambro, die nog altijd gebukt staat.
Nu worden ze een voor een onder handen genomen en na korten tijd buigen
ze allen als volleerde saletjonkers.
„Nu gaan de jongenheertjes weer zitten en komen een voor een ’n buiging
voor mij maken. En ik zeg jullie eens en voor altijd, dat ’t mijn
wensch is, dat jullie bij komen en gaan steeds op die manier je
compliment voor me komt maken.”
„Wat een flauwe kul,” fluistert Karel met een scheefgetrokken mond
Ambro in.
Na deze proeve van wellevendheid komen de meisjes aan de beurt.
Ze zijn veel gemakkelijker te regeeren dan de jongens... tenminste...
op de dansles.
Op één wenk van de juffrouw kwamen alle witte kappelletjes van de bank
gevlogen.
„Groot ballet bij Carré,” spot Ambro.
De jongens moeten nu wachten tot de veel moeilijker dames-buiging is
geleerd. En als dat afgeloopen is, is ook de eerste dansles voorbij.
„De volgende week verwacht ik jullie op hetzelfde uur, en ik hoop, dat
de verschillende jongenheertjes zich dan wat fatsoenlijker zullen
gedragen, de eerste indruk was verre van beschaafd. Jullie kunt gaan.”
„Berg en Dal” stappen te zamen naar de juffrouw en maken voorbeeldig de
pas-geleerde buiging.
Vijf andere jongens doen het hen zeer onbeholpen na.
Ambro is al bij de deur, als hij door de juffrouw teruggeroepen wordt.
Ze wijst hem erop, dat hij haar nog niet gegroet heeft.
Hij kijkt even om het hoekje van de deur en terwijl hij haar amicaal
toewuift, roept hij: „Dag juffrouw, houdt u maar haaks.” En weg is de
bengel.
Het schoenen-verwisselen geschiedt deze keer zonder hindernissen.
Kareltje en de Vuurtoren hebben blijkbaar vrede gesloten, want ze
zitten broederlijk naast elkaar te babbelen.
„Berg en Dal” zijn nog niet in de kleedkamer verschenen, zij hebben
toestemming van de juffrouw gekregen zich te verkleeden in een kamertje
aan den anderen kant der danszaal.
Eindelijk zijn de meesten klaar en ze moeten zich door een haag van
dienstboden werken die allen in den corridor staan om hun
respectievelijke jongejuffrouwen af te halen.
Buiten ligt als een wit tapijt, de verschgevallen sneeuw.
„Dat belooft wat,” zegt Ambro, vergetend dat hij een hard hoedje op
heeft.
„Zeg dàt wel,” antwoordt Karel en tegelijkertijd vliegt Ambro’s
kaashoed door een welgemikten bal van Karel door de lucht.
„Had ik nou dat lamme ding maar niet op,” zucht Ambro.
„Ik breng ’m vast niet heel thuis en dan zal je me neefie hooren.”
„Stil, jong, de deur gaat open,” zegt Karel zacht.
Ingepakt als twee bakerkinderen verschijnen Berg en Dal op de stoep.
„Pats! Midden in hun facie,” roept Ambro.
De twee slachtoffers loopen in vollen draf langs de huizen der stille
straat voort.
Nadat Ambro en Karel al wat uit de deur kwam bekogeld hadden, namen ze
afscheid van elkaar en ging elk zijns weegs.
Ambro versnelt zijn pas, want hij bedenkt met schrik, dat hij z’n
huiswerk nog moet maken en ook nog het geleende goed terug moet
brengen.
Daar passeert hij de brug bij de Westersingel. Een plotselinge
rukwind... en z’n hoed ligt in ’t water.
„Die is naar de maan,” mompelt hij in zichzelf.
Beteuterd kijkt hij ’t hoedje na, dat vol loopt en zinkt.
„Niets aan te doen,” bedenkt hij. „Daar gaat voor een paar maanden m’n
weekgeld aan,” en bedroefd vervolgt hij zijn weg, nog uitgelachen door
een paar straatbengels die hem naroepen:
„Hij komt weer boven!”
Zoo eindigde Ambro’s eerste dansles.