HET „MONSTER”.

Het duurde een geruimen tijd eer de oude pret en de lust tot

schelmenstreken bij de roovers terugkeerde.

De herinnering aan het droevig ongeluk met Bob was nog te versch, zoo

heel gauw konden ze niet weer ongedwongen spelen, daarvoor misten ze

den aardigen makker te veel.

Daarbij kwam nog, dat de ouders van de jongens, angstig geworden door

het ongeluk, dat toch te wijten was aan roekeloos spel, ze een tijdlang

scherp onder toezicht hielden.

’t Is echter begrijpelijk, dat flinke, gezonde knapen niet al te lang

treuren over het verlies van een vriendje. En al dachten ze nog heel

vaak aan Bob, hun spel nam ze toch al gauw weer geheel in beslag.

Bovendien konden de ouders hun jongens niet al te lang van hun vrijheid

berooven. Er werd ze nog eens danig op ’t hart gedrukt nu geen

roekelooze daden te doen en dan mochten ze weer over hun vrije middagen

beschikken.

Intusschen was de maand waarin ze niet in den Dierentuin mochten komen,

om.

Wat was dàt een vreugde!

Hoe fier wandelden ze den portier voorbij, ze mòchten nu immers!

’t Gaf ze een ontroering toen ze daar weer op hun geliefd grondgebied

stonden. ’t Was immers een stuk uit hun vroolijk jongensleven.

Ze begonnen, alsof ze nog nooit den Dierentuin gezien hadden, gelijk

vreemdelingen op kwartjes-dagen door den tuin te wandelen; bleven voor

alle beesten staan en begroetten ze als oude, lieve bekenden.

Ze liepen uiterst behoorlijk, ze praatten zelfs niet luid. Maar... wien

jongensbloed door d’aadren vloeit... die is niet lang in zoo’n brave

stemming te houden.

En toen ze „de rots” genaderd waren, was „Alebes” de aanleiding van hun

eerste booze gedachte na hun wederoptreden in den tuin.

Hun keurig gedrag had misschien juist een half uur geduurd.

Plotseling roept Wim: „Kijk es, jongens, Alebes leeft ook nog, hij ziet

weer paars van den drank.”

Alebes was een gepensionneerd korporaal van het Oost-Indisch leger, een

man van ongeveer 55 jaar.

Zijn werkkring bestond in het bewaken van „de rots” en hoofdzakelijk

moest hij oppassen dat geen kinderen beneden de 16 jaar zonder geleide

dit grootsche!!! monument betraden, want er werd teveel gelegenheid

geboden aan jeugdige liefhebbers van „gletscher-beklimmen” om tochten

te ondernemen op de rotsblokken, die zich verhieven tot een 20 Meter

hoogen toren, van welks hoogte de bezoekers een mooi uitzicht op den

tuin werd geboden.

Die rots bezat vele aantrekkelijkheden. Daar hadt je een grot waarin

goudvisschen-kommen uitgehouwen waren.

O, het prachtige goudgeflonker van die diertjes in die donkere grot.

En dan waren er roode glaasjes in den rotswand, waarin je, als je er

doorkeek, de tuin in een tooverachtig rooden schijn zag, terwijl ze

door de grot een geheimzinnig rood licht wierpen.

Dit alles had voor de meeste kinderen een groote bekoring; ze voelden

zich als in een tooverwereld.

De roovers stonden voor de steenen trap, die toegang gaf tot de rots.

Ze klommen die op, maar alvorens bij de tweede trap te komen, die naar

den toren voerde, moesten ze voorbij „het monster”.

„Het monster” was de tweede bijnaam van Alebes. En het hing

voornamelijk af van de hoeveelheid drank die dit monster verzwolgen

had, of er kans was ongestraft voorbij te gaan om daarna den toren te

kunnen beklimmen.

Alebes was steeds gewapend met een stevigen doornstok en menige

jongensrug kon getuigen van de hardheid en degelijkheid van het hout.

Was Alebes nuchter, dan hanteerde hij met veel vaardigheid zijn wapen

en stond met ware doodsverachting lijf en rots te verdedigen.

„Alebes slaapt,” fluisterde Ambro. „Als we nu zachtjes doen, dan kunnen

we ’t best wagen. Ik zal wel voor gaan en probeeren hem stilletjes den

stok af te nemen. Laten we nu achter elkaar gaan.”

En daar gingen ze, voetje voor voetje de steenen trap op, angstig

omkijkend als er grint onder hun voeten kraakte.

Alebes sliep den slaap der „schuldigen”!!

Ambro boog zich zacht over hem heen om zich te overtuigen of zijn slaap

wel echt was.

Het hol van Kaan · 第 8 / 28 题