Een luid gesnurk stelde hem geheel gerust.—

„Hij heeft een emmer drank in,” fluisterde hij den jongens toe, en

terwijl hij hem voorzichtig den stok uit de slappe neerhangende hand

nam, zei hij overmoedig:

„En hier heb ik zijn wapen.”

„Nu naar boven,” juichte Karel.

„Als je je kop niet houdt, knijp ik je keel dicht,” zei Ambro boos.

Nu ging het heel voorzichtig naar boven.

„Pas op, dat je hem niet aanraakt,” waarschuwde Ambro, want Alebes zat

op de tweede trede van de trap en nam deze bijna geheel in beslag.

Eindelijk was de laatste man veilig voorbij hem gegaan.

En nu ging het in groote haast naar boven.

Toen ze eenmaal het platform op den toren bereikt hadden werd een luid

hoeratje aangeheven. Zóó luid, dat niettegenstaande den „emmer drank”,

Alebes er van wakker schrok, zich de oogen uitwreef en het onraad boven

op den toren bespeurde.

„Bl...sche apen,” was het eerste wat hij zei, en ik zal jullie de

verdere liefelijke benamingen maar besparen die Alebes ten beste gaf:

en ’t waren er heel wat, want Alebes was, zooals ik reeds zeide,

oud-gediende bij het O.-I. Leger en de reeks vloeken die hij in minder

dan geen tijd kon uitstooten was schier eindeloos.—

Het eerste wat hij hierna deed was... grijpen naar zijn stok... mis!

Weer volgde een reeks vloeken.

Hij stond op, waggelde onvast op z’n dronken onderdanen heen en weer,

en besloot eveneens den toren te bestijgen. Het grootste deel van zijn

zelfvertrouwen was weliswaar verdwenen met z’n doornstok, maar hij

vertrouwde nog genoeg op de kracht van zijn handen om den strijd tegen

dat kleine gespuis aan te durven.

Plotseling hoorden de jongens den langzamen sloffenden tred van „het

monster”.

Nu was er geen ontkomen meer aan, want hooger dan ze nu waren, konden

ze niet en beneden werd hun de pas afgesneden door het dronken monster.

Werkelijk, op dit oogenblik zonk hen de moed in de schoenen.

„Misschien vermoordt ie ons wel,” fluisterde Chris.

„Ga jij dan maar voor,” lachte Ambro, wien de humor zelfs in dit

benauwde oogenblik niet verliet.

Bevend van angst drukten zij zich tegen den toren-wand en ze voelden

zich gelijk Klein-Duimpje met zijn broertjes bij het naderen van den

reus met het groote mes.

„Nou is het met ons gedaan,” snikte Paul, die de jongste en minst

dappere van het troepje was.

Dit deed hen allen toch even lachen en Ambro spoorde het aan tot moed.

Plotseling daalt hij de trap af, regelrecht het monster tegemoet. Voor

deze iets kan zeggen, grijpt Ambro zijn hand en zegt smeekend:

„Och, mijnheer, kunt u mij ook zeggen of mijn vader en moeder nog in de

grot bij de goudvisschen zijn. Ik heb ze hierboven gezocht en daar zijn

ze niet. Ik ben hier vreemd.”

Een gebrom van Alebes volgde op die woorden. Wantrouwend keek hij met

zijn lodder-oogen den jongen aan.

Maar Ambro’s wakkere oogen keken zoo vertrouwenwekkend in de zijne, dat

het monster er voor bezweek.

„Ga maar es mee,” bromde hij. „Zalle me es kijke.”

Ambro had zijn doel bereikt. Achter den rug van Alebes gaf hij den

jongens, die angstig het gesprek afgeluisterd hadden, eenige teekens

die ze onmiddellijk begrepen.

Even zacht als ze gekomen was, daalde nu de bende weer omlaag, steeds

een eindje achter het monster blijvende en eenmaal bij de tweede trap

gekomen, rende ze allen, Ambro inbegrepen, als een troep vluchtende

geiten de treden van de eerste trap af.

Boven stond Alebes wezenloos naar hen te kijken, tè beteuterd zelfs om

te vloeken.

Hij zag ze wegrennen over de paden en verdwijnen achter de boschjes en

hij bleef eenzaam achter, want niet alleen den stok, maar ook zijn

geliefde flesch hadden de „lammelingen” hem ontnomen.

Op een veilig plaatsje aangekomen, maakten de jongens halt en

zegevierend hield Ambro de gekaapte flesch in de hoogte.

Hij goot het walgelijk riekende vocht er uit en zei lachend:

„Alsjeblieft Alebes, daar ligt je borrel.”

Het hol van Kaan · 第 9 / 28 题