EEN DROEVE DAG.

Een maand verwijderd uit den Dierentuin. Dàt wil wat zeggen voor de

jongens.

Naar de havens durven ze niet te best, het voorval met Ambro ligt ze

nog te versch in het geheugen.

Visschen? Nou ja, dat is leuk voor ’n keertje, maar als je urenlang aan

den waterkant moet staan en je hebt haast nooit beet, dan gaat de

aardigheid er gauw af.

Chris de Jonge komt met een nieuw plan voor den dag.

Ze moesten eens naar de Schie gaan wandelen, daar heb je de

bergplaatsen van Stor’s Houthandel en daar kunnen ze op de balken

oorlogje spelen.

Algemeene instemming.

Op een Woensdagmiddag trekken ze er met hun allen heen.

Het is het schaft-uur der werklieden en ze kunnen zich dus een

kostelijk uurtje vermaken.

De stapels balken die aan den kant liggen stellen een vesting voor. De

jongens hebben zich in twee partijen verdeeld, waarbij de aanvallende

partij woest tegen de balken opklautert om den vijand er langs den

anderen kant af te drijven.

Na een verwoeden strijd behaalde Ambro’s partij de overwinning en zag

men Ambro’s figuurtje boven op den stapel hout, triomfantelijk

zwaaiende met een zakdoek aan een stok, waarna hij de vlag boven op den

top van den houtberg plantte.

De strijd was dus geëindigd.

„Nou weet ik wat fijns,” zegt Bob. „We gaan ballekie springen, dàt is

zoo echt!”

De werklieden zijn nog aan het schaften,—ze vermoeden niets kwaads.

In het water liggen groote hoeveelheden hout, balken en planken. Er

liggen lagen van een en meerdere op elkaar.

Het loopen op de dubbele lagen hout is volkomen ongevaarlijk.

Maar—de heeren wenschten zich anders te vermaken.

Ze loopen op balken van één laag. Als je nu op zoo ’n balk loopt, zinkt

hij! Daarom springen ze vlug van den één op den ander en zoo kunnen ze

een heel eind afleggen, om eindelijk weer op een dubbele laag te komen,

waar ze dan veilig staan.

Die balken zijn vreeselijk glad van ’t in het water liggen en ze zijn

gedeeltelijk bedekt met kroos.

De werklieden hebben dan ook als ze daarop werkzaam zijn, spijkers

onder de klompen, teneinde uitglijden te voorkomen.

De jongens hebben dolle pret en ze weten niet van ophouden. Ze volgen

elkaar vlug op bij het springen en merken niet, dat de dubbele

balkenlaag waarop ze terecht moeten komen een flink eind afgedreven is.

Nu moet Bob springen. De jongen is geheel onvoorbereid op den grooten

afstand tusschen de balken, doet den sprong, komt in het water terecht

en verdwijnt onder de balkenlaag.

Ontzaglijk was de schrik der jongens en onmachtig hun vriendje te

helpen beginnen ze luidkeels te gillen en om hulp te roepen.

Ambro, die de meeste tegenwoordigheid van geest heeft, rent zoo hard

als hij kan naar den houtzaagmolen, waar hij wist dat de werklieden

zaten te schaften.

Deze waren al op het luide geschreeuw komen toeloopen en repten zich

naar de plaats des onheils.

Met lange boomen maakten zij openingen tusschen de balken. Een ervan

dook onder de laag, maar kwam direct daarna weer boven om adem te

halen.

Onmiddellijk daarop dook hij weer naar beneden en deed hij nogmaals een

poging om den jongen te redden.

Toen hij voor de tweede maal boven kwam had hij hem stevig vast en met

behulp van de andere werklieden kwamen beiden aan den oever.

Bob bewoog zich niet.—Ze legden hem op zijn rug in het gras en trachten

door krachtige armbewegingen de levensgeesten op te wekken.

Inmiddels was een der jongens een dokter gaan halen.

Al heel gauw kwam deze ter plaatse en stelde alles in het werk om den

armen jongen tot bewustzijn te brengen.

Het was echter vergeefsche moeite.

„Hij is dood,” zei de dokter en zijn stem klonk bewogen.

De jongens begonnen hevig te snikken.

Daar lag nu hun vroolijke makker zoo bleek en bewegingloos in het gras,

en de zon scheen zoo heerlijk, de vogeltjes zongen zoo lustig. Hoe kòn

het.

Ze wilden het niet gelooven en telkens weer keken ze naar het bleeke

gelaat met de gesloten oogen.

„Hoe heet je vriendje?” vroeg dokter. „En waar woont hij?”

Ze gaven snikkend zijn naam en adres op.

„Ik ken zijn vader,” zei dokter ontroerd.

„Ik zal zelf naar zijn kantoor gaan en hem de vreeselijke tijding

brengen.”

Inmiddels hadden de werklieden Bob zachtkens opgetild en droegen ze hem

naar den houtzaagmolen, waar ze hem bedekten met eenige oude kleeden,

in afwachting dat het lijkje naar huis getransporteerd kon worden.

De dokter begaf zich naar zijn rijtuig, maar vóór hij instapte riep hij

de jongens, die zielig-stil bij elkaar stonden, bij zich.

„Kom eens hier jongens,” zei hij zacht. Ze kwamen schoorvoetend

aanloopen en bleven bij zijn koetsje staan.

„Kunnen jullie begrijpen, jongens, hoe zwaar ’t mij valt de vreeselijke

tijding aan zijn ouders te gaan brengen?

„Stel je eens even voor, dat nu je eigen vader en moeder zoo’n tijding

kregen.”

Weer begonnen de jongens zacht te snikken.

„Kijk eens, jongens, ik was zelf als kind een echte wildebras, maar

nooit heb ik aan spelletjes meegedaan waaraan bepaald levensgevaar

verbonden was. Dat had ik mijn moeder eens en voor goed beloofd.

„En leer dat van mij, zoolang je zelf niet kunt zwemmen en bewezen hebt

jezelf uit het water te kunnen helpen, zoolang is het

onverantwoordelijk spelletjes te doen waarbij je in het water kunt

vallen.—Dag jongens.”

Dokter reed weg en de jongens bleven verslagen staan. Ze spraken heel

zacht met elkaar, alsof ze bang waren, het makkertje dat daar gindsch

in den houtzaagmolen lag, in zijn rust te storen.

Dan verlieten ze heel langzaam en met gebogen hoofden de plaats des

onheils.

Twee dagen later werd Bob begraven.

Het was een treurigen stoet die zich vanaf het sterfhuis naar den

doodenakker begaf.

Een aantal volgkoetsen reed achter den lijkwagen, want de vrienden en

kennissen van de familie van Eest hadden veel van den vroolijken,

flinken knaap gehouden en wilden hem nu begeleiden naar zijn laatste

rustplaats.

Op het kerkhof wachten alle jongens uit zijn klas met hun onderwijzer

den stoet af.

Dicht tegen elkaar aangedrongen stonden de roovers uit het hol van

Kaan. Hoe droef en bleek zagen hun anders zoo overmoedige, vroolijke

jongensgezichten.

Toen de baar langs hen ging, trad Ambro naar voren en legde een grooten

bloemtak met lange witte linten op de baar.

In zwarte letters stond op het lint gedrukt: Rust zacht Bob. Je trouwe

kameraden.

Zeer onder den indruk verlieten zijn makkers de begraafplaats, de

droevige gebeurtenis zou hen niet gauw uit het geheugen gaan.

Het was hun een les voor het leven.

Het hol van Kaan · 第 7 / 28 题