Ge zijt allen wel eens in een bioscoop geweest, niet waar? Hebt ge dan
wel eens gezien, hoe de film-helden en -heldinnen vóór het begin van de
film één voor één levensgroot op het doek kwamen?
Zoo zou ik u zoo gaarne de helden uit dit boek voorstellen.
Dan zou Ambro, de held van dit verhaal met z’n ondeugende, open gelaat
U guitig toelachen.
Chris zou zeker een half norsch, half spottend gezicht getrokken
hebben.
Puckie zou een scheef-getrokken mond hebben van ingehouden lach.
Paul, met even schuin-gebogen hoofd, zou met lieven blik de zaal in
kijken.
Piet, in de houding van een Indianen-Opperhoofd, zou met
onverschilligen blik naar u kijken.
Karel en Wim allebei met iets guitigs-verwonderds.
En Bob?... Ik denk, dat er weemoed in zijn blik zou zijn geweest.
Nu ik mijn helden dus aan het publiek heb voorgesteld, wil ik er nog
even bij vertellen, dat ze hun ondeugende rollen gespeeld hebben in
Rotterdam en ze den leeftijd hadden van tien tot twaalf.
Het stel was vanaf de bewaarschool trouwe kameraden en daar ze allen,
zonder uitzondering pientere, vlugge jongens waren, bleven ze ook op de
groote school steeds in dezelfde klas en zoo bleef het oolijke
jongensclubje steeds bijeen.
Wat al streken door die bengels werden uitgehaald, wordt in dit verhaal
beschreven.
De verschillende ouders van de jongens waren allen lid van den
Dierentuin en die tuin was, in de oogen der ouders een veilige
bewaarplaats voor hun jongens. Af en toe ging er eens ’n pa, moe of
groote zus kijken, wat ze wel uitvoerden, en dan kwamen ze altijd een
der clubgenooten tegen, die vol ijver zei: „Ik weet waar ze zijn, ik
zal ze wel even roepen.”
En al heel gauw kwamen ze dan als zoete joggie’s aangewandeld, een boek
of cahier in de handen en vol verhalen over de apen die weer zoo leuk
waren, of de leeuwen die net gevoerd werden.
„Het groote mensch” ging dan volkomen gerustgesteld heen.
Daarna dingen de jongens weer kalm verder, net zoolang, tot ze bij een
stil plekje waren. Hier vormden ze een kring om den oudsten jongen, een
zekeren Ambrosius Verbrugge, die de hoofdleider van het clubje was.
„Dat liep weer netjes af,” verklaarde deze op plechtigen toon. En dan
tot den jongen die ze was komen roepen toen het groote mensch kwam
opdagen:
„Bob, je hebt je best gedaan, je krijgt daar straks je belooning. Wie
moet er nu op post?”
„Ik,” zei een kleine, dikke snuiter en meteen haastte hij zich langs
denzelfden weg waarvan ze zooeven gekomen waren en posteerde zich op
een bank, vlak bij den ingang van den dierentuin.
Oogenschijnlijk zat hij ijverig te lezen in het boek dat hij in de
handen hield, maar in werkelijkheid hield hij den ingang in het oog en
monsterde iederen persoon die binnenkwam.
Na een half uur zou hij weer afgelost worden. Zoo luidde het reglement
van de club.
Maar nu gaan we eens zien wat die andere jongens uitvoerden.
Daar hebben we het troepje. Ze loopen lachend en babbelend voort, maken
een praatje met de oppassers, kijken eens naar de verschillende
beesten, maar loopen hoe langer hoe verder den tuin in tot ze
stilhouden bij een rhododendron-boschje. Het is een groot en heel dicht
begroeid boschje en ’t ligt er rustig en afgelegen.
Piet Kaan, een der club-genooten had op een mooien dag het plan
geopperd om op handen en voeten in het boschje te kruipen en daar
plannen te beramen voor een nieuw spel.
Terwijl een der jongens als post uitgezet werd om te kijken of er geen
tuinman of suppoost in den omtrek was, kropen de anderen op handen en
voeten het boschje in.
En dáár werd dien dag het groote plan beraamd, het plan, waardoor ze
vele maanden een reeks van prettige dagen hadden.
Kaan inspecteerde nauwkeurig het boschje en kwam tot de ontdekking, dat
met hier en daar wat wegsnijden van takken en stammen het boschje een
prachtig roovershol zou zijn.
Dit plan had de volle instemming van de overige Club-genooten en men
besloot hun schuilplaats dan voortaan het hol van Kaan te noemen, want
Piet Kaan had ’t toch maar ontdekt.
’t Klonk zoo echt roover-achtig, het hol van Kaan en ze zagen in
gedachten al vreeselijke meesterlijke dingen gebeuren in hun spelonk.
Er werd verder besloten, met de grootst mogelijke omzichtigheid te werk
te gaan, want ze wilden lang plezier hebben van hun hol. Het was dus
zaak, het heele suppoostenleger te slim af te zijn, en dit kon alleen
bereikt worden door steeds posten uit te zetten, terwijl de anderen dan
bij ’t geringste sein van dien post zorgden het hol juist aan den
tegenovergestelden kant te verlaten, als waarvan de suppoost kwam.
Verder moest er een post uitgezet bij den ingang van den dierentuin om
te kunnen waarschuwen als er familieleden kwamen controleeren wat hun
jongens uitvoerden.
Ook dit voorstel werd met algemeene stemmen aangenomen.
Toen ze den daaropvolgende keer bijeen kwamen in het hol van Kaan, had
een der roovers een vel perkament meegebracht en hierop werden alle
notulen van het reglement neergeschreven en omdat ’t echter en
griezeliger was, prikte Ambrosius Verbrugge zich in den arm, drukte
eenige bloeddruppels uit en de bewoners van het hol van Kaan zetten
allen hun namen onder het gewichtig document, „met bloed geschreven”.
Dit had hij gelezen in het aardige jongensboek van Mark Twain, „Tom
Sawyer”.
En dit is nu eigenlijk de inleiding van mijn verhaal. Jullie kunt je nu
wel zoo’n beetje voorstellen, hoe de bengels daar zaten, en ik ga je nu
alle booze streken vertellen, die in het hol van Kaan beraamd werden.
Ze waren dan weer eens op een mooien dag bijeengekomen, toen een der
jongens voorstelde een paar stoelen uit de nabij gelegen sociëteit te
halen en die naar hun hol te sleepen.
De posten werden verdubbeld en tot bizondere waakzaamheid aangezet.
Toen slopen zes jongens uit het hol, en gingen langzaam en telkens
omkijkend, naar de sociëteit, die op dit oogenblik geheel verlaten was,
en na eenige oogenblikken kwamen de zes roovers terug, ieder een stoel
met zich dragend.
Voetje voor voetje ging het terug naar ’t hol, waar ze de witte vlag
(een zakdoek aan een stokje gebonden) zagen wapperen, ten teeken, dat
alles veilig was.
Die zes stoelen waren een genot voor ze, want het op den grond zitten
beviel ze toch niet op den duur, ’t lag er zoo vol takjes en... er was
thuis al eens geïnformeerd waardoor de broeken toch zoo vuil waren aan
den achterkant!
Ambrosius vond, dat ’t nu in hun hol de veiligste plaats was om alles
te doen wat ze thuis niet durfden, uit angst van betrapt te worden.
„Laten we beginnen,” zei hij en z’n ondeugende oogen glinsterden van
pret. „Met al onze centen bij elkaar te leggen en daarvoor telkens een
Wilson of Nick Carter te koopen.”
„Jô, fijn!” vonden de heeren eenparig. Zoo kochten ze iederen week een
spannend detective-verhaal en dat werd dan in hun hol door een der
jongens voorgelezen. En altijd zorgden ze er voor dat de posten
afgewisseld werden en die het verhaal dan op hun gemak konden lezen.
„VAN M’N EIGEN VERDIENDE CENTEN.”
Terwijl ze daar zoo gezellig zaten en genoten van het
detective-verhaal, kwam Ambrosius, de hoofdman op een nieuw idee.
„Zeg jongens,” zei hij en z’n stem daalde tot een zacht gefluister.
„Zeg, wat zouden jullie er van zeggen, als we in ons hol eens... ’n
pijpje zouden rooken?”
„Heb jij ’t al eens gedaan?” vroeg Piet Kaan.
„Ikke niet,” antwoordde Ambrosius.
„Maar eens moet de eerste keer zijn en... ik durf best hoor!”
„Je wordt er zoo misselijk van,” zei Bob van Eest.
„Neen, je krijgt er buikpijn van,” meende Karel Boekers.
Ambrosius dacht eens na, ’t was wèl een moeilijk geval. ’t Zou zoo echt
zijn, een pijp te rooken in hun hol.
„Weet je wat,” zei hij. „Ik zal mijn Vader vragen of ik rooken mag, en
heeft hij er niets op tegen, dan doe ik ’t.”
„Flauwerd,” riep Wim Bolk. „Moet je dat aan je vader vragen!”
Maar de vuist van den hoofdman deed hem zwijgen.
Toen Ambrosius ’s avonds met vader een eindje omfietste, deed hij z’n
niets kwaads vermoedende vader plotseling de vraag of hij rooken mocht.
Vader scheen niets gesticht over die vraag, vond hem nog véél te jong.
„Maar wanneer mag ik dàn rooken, Vader?” hield zoonlief vol.
„Weet je wat, baas, laten we afspreken dat je mag rooken als je zelf
geld verdient.”
„Dat duurt nog zoo akelig lang,” klaagde Ambrosius.
„Net lang genoeg om te maken dat je geen al te hinderlijke gevolgen van
het rooken hebt. Geloof me, jongen, rooken is over ’t algemeen genomen,
niet gezond, maar zeker niet als je nog zoo jong bent.”
Ambrosius was ’t verdere van den avond wat stil, vader dacht dat het
kwam door de teleurstelling, maar daar was nu eenmaal niets aan te
doen.
Had zijn vader kunnen zien wat er in het brein van zijn vindingrijke
spruit omging, dan zou hij zeker niet zoo gerust zijn geweest.
Toen de roovers weer bij elkaar kwamen in hun hol ging Ambrosius
plechtig in hun midden staan en verzocht de jongens zich om hem heen te
scharen.
„Jullie weet, dat mijn vader mij toestond te rooken, wanneer ik zelf
geld verdiende. Nu—ik heb een middel gevonden om centjes te verdienen
en daarvan zullen we, als de buit binnen is, pijpjes en tabak koopen.”
„Wat is ’t?” vroegen de jongens nieuwsgierig.
Ambrosius haalde met een gewichtig gebaar iets uit zijn broekzak. Allen
verdrongen zich om hem heen om toch goed te kunnen zien wàt daar te
voorschijn kwam.
Het was een tamelijk breed wit lint, waarop met keurige, groote letters
het woord „Gids” geschreven stond. ’t Leek wel, of ’t er op gedrukt
was.
„Waar dient dat nou voor?” vroeg Piet Kaan.
„Dat zal ik je zeggen, jôh. Over eenige dagen krijgen we de
Septemberplaag, oftewel, de buitenmenschen die den dierentuin komen
bezichtigen. Nou heb ik al zoo vaak gezien dat die boertjes van buuten
steeds naar de verschillende beesten loopen te zoeken en dan telkens
aan een suppoost moeten vragen waar dit of dat is. Zie ik nu zoo’n stel
loopen, dan zet ik gauw dit lint om m’n pet en maak ze wijs, dat ik een
vaste gids ben en leid ze netjes voor een duppie of zoo den tuin rond.”
De roovers waren stil van bewondering. Die Ambro toch, hoe kòn ie ’t
zoo bedenken!
„Wat zeggen jullie ervan?” vroeg de hoofdman, die wel gevleid was door
die stille bewondering, maar toch graag eens hoorde hoe ze het plan
vonden.
Toen klonken er allerlei geestdriftige uitroepen als echt jôh! fijn!
gepiept! enz.
Maar ze vonden het niet rechtvaardig, dat Ambro alle pijpjes zou
betalen; als ze heel zuinig waren, kon er nog best een pijp van 2
centen af en dan gaven ze nog wat bij aan de tabak.
Zoo gezegd, zoo gedaan. Eenige dagen daarna liep Ambro trouw achter de
goede buitenlui aan en als geen suppoost hem kon betrappen werd de pet
opgezet en bood hij zijn diensten als gids aan, die door de goedmoedige
boertjes graag aanvaard werden.
Hij kreeg ’t dan steeds erg warm, klaagde over zoo’n warme pet op je
hoofd, en liep al gauw met de pet in de hand naast ze. Zoo hadden de
suppoosten heelemaal geen verdenking op hem.
Hij leidde de menschen werkelijk bizonder goed rond, want hij kende
overal den weg en wist leuke dingen van de verschillende beesten te
vertellen.
’t Gebeurde dan ook menigmaal, dat de boertjes vol bewondering zeiden:
„Wa’n meroakel voorlijk jong!” En daar de buitenlui als ze zoo’n dagje
uitgaan niet op de centjes zien, kreeg hij meestal een fooitje dat zijn
verwachting ver te boven ging.
En toen kocht de rakker van zijn zelf-verdiende geldje een pak tabak en
voor ieder een pijp.
En er gingen vreugdekreten op in het hol van Kaan toen de buit binnen
was, en ze allen in een kring om hun hoofdman gezeten, hun eerste
pijpje rookten.
De posten buiten snakten naar het oogenblik waarop ze ook hun aandeel
in de rookpartij zouden krijgen en het half uur duurde deze keer wel
bizonder lang.
„Willen we er nog een opsteken,” vroeg na een tijdje Ambro dapper, maar
hij voelde zich toch niet zoo prettig als anders.
„Dank je,” zei Bob van Eest lusteloos. „Een is genoeg voor de eerste
keer.”
Dit vonden de anderen ook en hoe ’t kwam begrepen ze zelf niet, maar er
was dien middag niet zoo’n pret in het hol als op de anderen dagen.
Al gauw stelde er een voor wat vroeger naar huis te gaan, hij had
honger, jokte hij.
Ambro had dien middag geen trek in eten, iets wat bijna nooit gebeurde.
„Wat ziet de jongen bleek,” zei z’n moeder ongerust. „Hij zal toch niet
ziek worden!”
Vader keek hem eens onderzoekend aan.
„Scheelt er iets aan, baas?” vroeg hij.
Ambro durfde hem toch niet te best aankijken.
„Ik ben wat misselijk,” stamelde hij. „Mag ik van tafel opstaan?”
Toen hij een tijdje later, heel bleek op den rand van zijn bed zat,
kwam vader eens even bij hem.
„Hoofdpijn ook?” vroeg vader. „En maagpijn ook hè?”
„Van... van... m’n eigen verdiende centen,” stamelde Ambro.
„Wàt zeg je daar?” vroeg vader en keek hem wat ongeloovig aan.
En toen vertelde het joggie onder horten en stooten hoe hij aan ’t geld
was gekomen en toch eigenlijk de belofte aan vader niet gebroken had.
Vader moest even lachen om het geval, ’t was ook niet onaardig gevonden
van den schelm.
Dat het kwaad hier zichzelf strafte vond vader heel best.
„TUSSCHEN HEMEL EN AARDE.”
Het was op een Zaterdagmiddag. De jongens zaten wat lusteloos bij
elkaar in het hol. De nieuwe „Nick Carter” was uit, een knok-partijtje
tusschen Wim Bolk en Bob van Eest was net geëindigd en nu wisten ze
niets te bedenken om zich te vermaken.
„’t Hol is saai vandaag,” vond Piet Kaan.
„Laten we de apen gaan plagen,” stelde Paul Vermeeren voor.
„Jakkes nee! dat hebben we al zoo vaak gedaan,” beweerde Karel Boekers.
„Ik weet wat,” zei Ambro, die wel nooit uitgeput scheen in het bedenken
van nieuwe pretjes.
Er was direct algemeene belangstelling. Als Ambro met een voorstel op
de proppen kwam, kon je gelooven dat ’t leuk was.
„Laten we naar de havens gaan en keet schoppen.”
„En als ze ons dan hier komen zoeken,” angstigde Karel Boekers.
„Och klets!” viel Piet Kaan hem in de rede. „Er komt bijna nooit iemand
kijken, ze gelooven ’t nu wel, hoor!”
„Nou,” vroeg Ambro. „Willen we gaan?”
Ze voelden er allemaal wel wat voor, ’t was allicht leuker dan in ’t
hol, waar ’t vandaag een saaie boel was.
In minder dan geen tijd stonden ze buiten den Dierentuin en gingen naar
het vlak bij gelegen terrein van de Hollandsche Spoor, waar ze de
sleeperswagens wisten te staan die af en aan reden naar de havens.
De Rotterdamsche sleeper is goedhartig en als er plaats is neemt hij
graag gratis een stuk of wat van die bengels achter op zijn wagen meê.
Ze klommen dus gauw op de wagens; dit spaarde hun de lange wandeling
naar de havens uit.
En zoo ging de reis over de hobbelende keien stapvoets naar hun nieuw
feestterrein. Bij de Maasbrug gekomen, commandeerde Ambro: „Uitstappen
heeren!” en door het gewoel van karren en menschen glipten de bengels
naar de losplaats van een groote Engelsche boot, die aan „de Boompjes”
(een kade te Rotterdam) gemeerd lag.
„Kijk die kist es fijn bengelen,” riep Karel Boekers en hij wees naar
een groote hijschkraan waaraan juist een kist omhoog werd geheschen, om
vanaf de kade in het ruim van het schip te worden neergelaten.
„Ik durf er best aan te gaan hangen en de reis meemaken,” riep Ambro.
Alle jongens lachten hem uit.
„Wat een opschepper,” riepen ze in koor. „Dat durf je toch niet.”
Nu was er voor Ambro geen grooter schande denkbaar, dan aangezien te
worden voor een jongen die niet durft. Dan werd de jongen roekeloos en
was hij in staat tot de onzinnigste daden. Zonder een oogenblik te
denken aan de gevolgen gaf hij dan onmiddellijk toe aan zijn lust tot
waaghalzerij. Zoo ook nu.
„Dat zullen we eens zien,” riep hij. „Als de bootwerkers me niet in de
gaten hebben, zullen jullie me een luchtreis met de kist zien maken.”
Nu geloofden de jongens hem, want hij deed steeds wat hij zei en ’t was
niet de eerste maal dat zijn vriendjes misbruik maakten van zijn
eergevoel.
De bootwerkers deden machinaal hun werk. Het aantal kisten leek wel
onuitputtelijk, gestadig ging de ketting omhoog en omlaag.
Ambro stond dicht bij de mannen die de haken om de kist sloegen en
daarna het sein tot ophijschen gaven.
En vóór de mannen, vóór de jongens wisten wat er gebeurde, had Ambro,
vlug als een kat, een sprong gemaakt en daar hing hij aan de ketting
die om de kist was geslagen en die reeds anderhalve meter van den grond
verwijderd was. Door ’t geraas van de stoommachine hoorde de bestuurder
van de kraan niets van het angstige roepen der bootwerkers en ging dus
kalm met zijn werk voort.
In den beginne juichten de jongens toen ze Ambro daar zegevierend
tusschen hemel en aarde zagen zweven.
Maar Ambro’s stralend gezicht kreeg plotseling een uitdrukking van
schrik. De kist was wel drie meter van den grond verwijderd en begon te
draaien om vervolgens in het ruim af te dalen.
Ambro begon te gillen, want hij voelde dat zijn krachten hem gingen
begeven. Nu zweefde hij boven het ruim, en verwachten zijn vriendjes
die luid jammerend op de kade stonden, met angst het oogenblik waarop
hij den ketting zou moeten loslaten en in het ruim te pletter vallen.
Bleek van schrik stonden een paar bootwerkers dat alles aan te zien.
Een bonk van een kerel nam vlug een besluit, daalde ijlings langs een
touwladder in het ruim af en stelde zich met geopende armen onder den
kleinen waaghals, om hem zoo noodig, op te kunnen vangen.
En jawel, de kleine handen konden den ketting niet langer vasthouden,
met een harden gil viel hij naar beneden, maar kwam gelukkig ongedeerd
in de armen van zijn redder terecht.
Op de kade slaakte men een zucht van verademing en een kreet van
blijdschap weerklonk, toen men de bootwerker met de lichte last in zijn
armen op het dek van het schip zag komen.
Hier zette hij den bengel neer en gaf hem, ten aanschouwe van de
omstanders op de kade, een duchtig pak voor zijn broek.
Ambro jammerde luid, want de krachtige vuist van den bootwerker kwam
niet malsch aan.
„Ja, schreeuw maar,” beet deze hem toe.
„Ik zal je die streken wel eens afleeren, roekelooze aap! als je mijn
jongen was, ik zou je de ribben kraken, maar an ’n andermans goed maak
ik me handen niet vuil.”
Eindelijk vond hij het genoeg en kon Ambro, nog snikkend, naar de
vriendjes terugkeeren.
Deze ontvingen hem met een zekere verlegenheid. Ze voelden zich mede
schuldig aan de roekelooze daad van hun makker.
Ze liepen zachtjes-aan terug en er werd niet veel gesproken op die
wandeling.
Ambro had z’n tranen gedroogd en vond, dat een Hollandsche jongen niet
zoo lang moest blèren.
„Deed ie je erge pijn?” vroeg een der jongens schuchter.
„O man, hou op,” zei Ambro. „Ik dacht dat ie me kraakte. Maar wat een
reuzen-vent, zeg, om zoo gauw naar beneden te hollen en mij te redden.”
„Je was dood gevallen, of had misschien je ruggegraat gebroken op al
die kisten,” zei Wim Bolk en hij huiverde.
„Verbeeldt je, jôh! Dan hadden vader en moeder nu misschien al de
boodschap gekregen,” zei Ambro en tranen stonden in z’n heldere
kijkers.
Ze brachten hem allen naar huis en ze moesten hem allemaal „een poot”
geven.
Ambro ging stil naar zijn kamertje en daar bleef hij een poosje
nadenken over de lotgevallen van dien middag.
Er rijpte een plan in z’n hoofd. Die bootwerker, die hem gered had,
kijk, die moest ie nou een pleiziertje doen. Maar nu wat goeds te
bedenken...
Wacht, had hij niet gezegd: als je mijn jongen was, zou ik je de ribben
kraken...
Dan moest ie ook een zoontje hebben, misschien wel net zoo’n jog als
hij.
Eer hij ’t zelf wist, zat hij voor ’t kastje waar al zijn speelgoed in
opgeborgen was en liet zijn oogen gaan over al het moois.
Daar had je z’n spoortrein, met al de goederenwagens en de rails, die
wel wat verbogen, maar toch nog best te gebruiken waren. En de
goocheldoos, waar je al die leuke toeren mee kon doen.
Zouden vader en moeder het goed vinden? Moeder was niet thuis, nu kon
hij het niet vragen... en als hij tot morgen wachtte, kon hij zijn
redder misschien niet zoo makkelijk vinden, tusschen de andere
bootwerkers.
Neen, hij moest meteen op stap gaan. Hij twijfelde weer tusschen den
spoortrein en de goocheldoos, het was zijn liefste speelgoed. Al het
andere kon hem niet zoo heel veel schelen.
Toen nam hij de twee dingen, pakte alles stevig in en ging er mee op
weg. Het was een zwaar pak en hij moest het een heel eind sjouwen, maar
de gedachte aan de verrassing die hij nu den bootwerker ging brengen,
maakte dat hij geen vermoeidheid voelde.
Eindelijk was hij bij de haven aangekomen en al heel gauw had bij zijn
redder ontdekt, schuchter ging hij achter hem staan en zacht trok hij
den man aan den kiel.
„Zoo drommelsche aap, ben je daar weer?”
Ambro duwde hem het pak in de handen,
„Voor uw zoontje,” zei hij verlegen, want hij wist op het oogenblik
niets beters te bedenken.
De bootwerker nam het pak aan, maakte het langzaam open en toen hij
daar dat mooie speelgoed zag, verhelderde een blijde lach z’n ruwe
gelaatstrekken. De andere bootwerkers kwamen om hem heen staan,
bewonderden allen mee.
Ambro stond klein en verlegen tusschen al die groote kerels.
Daar voelde hij ineens een zware hand op z’n schouder.
„Je bent een goed jong,” zei de harde stem van den bootwerker. „Geef me
de vijf.”
Ambro legde z’n kleine jongenshand in de door werken verêelte hand van
den bootwerker en onderdrukte een kreet toen deze hem krachtig de hand
schudde. Toen holde hij zonder meer iets te zeggen weg, want hij voelde
iets akeligs in z’n keel komen, net of hij moest huilen, en dáár
schaamde de jongen zich voor.
Vóór hij dien avond naar bed ging, vertelde hij alles aan zijn ouders
en hoewel hij een zware berisping kreeg, konden zij niet nalaten dien
avond hun jongen een extra teedere nachtkus te geven.
’N KWARTJE ’N RAT!
Wim Bolk was een echte liefhebber van visschen en op een mooien
voorjaarsmiddag zat hij de bewoners van het hol van Kaan te vermaken
met al z’n visch-verhalen, waarbij woorden als: ik had tuk, enz.,
grooten indruk op de roovers maakten. Dat hij den eenen dag een
snert-baarsie, den anderen weer een reus van ’n karper ving, geloofden
ze allen gaarne.
„Laten we vandaag wormen gaan zoeken en morgenochtend met z’n allen om
vijf uur op stap gaan, dan kunnen we tot half negen blijven visschen,
net fijn,” zei Wim.
„Ja, ja,” riepen de jongens vol vuur. „Laten we ’t doen.” Ze hadden
bijna allemaal een hengel en die er geen had, zou er een te leen
krijgen van een broer van Wim.
„Die had al z’n bullen toch zoo echt in orde,” beweerde Wim trotsch.
„Waar zullen we de wormen gaan zoeken?” vroeg Bob van Eest.
„Onder de graszoden langs de paadjes, daar vind je ze bij hoopen,” zei
Wim.
De roovers verlieten hun hol en zochten een lang paadje op. Een voor
een wipten ze de graszoden op, smeten die tamelijk onverschillig midden
over het paadje en begonnen ijverig te zoeken.
Wim wist het maar best, je vond er een massa wormen. De zakdoeken
werden te voorschijn gehaald en daarin werden de wormen opgeborgen.
Vies uitgevallen waren ze niet, je hoeft een zakdoek toch niet
uitsluitend voor je neus te gebruiken, vonden de jongens.
Terwijl ze daar zoo ijverig aan het zoeken waren, kwam eensklaps een
tuinman aangewandeld. Met vertoornde blikken keek de gevreesde man naar
de mooie graszoden, die wanordelijk in het midden van het wandelpad
lagen.
Voor ze wisten wat er gebeurde stond hij achter ze en had Karel Boekers
al in de kraag van z’n blouse te pakken.
De anderen wilden eerst het hazenpad kiezen, maar ze bedachten gelukkig
bijtijds, dat het gemeen zou zijn Karel nu aan zijn lot over te laten.
Dus bleven ze waar zij waren en wachtten gelaten af, hoe er over hun
lot beschikt zou worden.
„Jullie schavuiten,” barstte de man in hevige verontwaardiging los.
„Dat benne nou jongens van nette ouwers! Schame moste jullie je!”
Na deze booze woorden haalde de man een boekje en potlood uit zijn zak,
zette eerst een groote lorgnet op het topje van z’n neus, keek er boos
over heen en vroeg dan op het rijtje af hun namen.
„En nu geen konkelefoesie’s,” waarschuwde hij nog eerst. „Maar je
echte, ware naam, hoor!”
Ze gaven allen hun namen op, die door den man in langzaam, zeker
schrift genoteerd werden.
„En nou allemaal marsch den tuin uit,” commandeerde hij barsch.
„Enne... jullie zalle d’r wel meer van hooren.”
Die laatste bedreiging liet niet na grooten indruk op de jongens te
maken.
Alsof de man ze op de hielen zat, holden ze dan allen in gestrekten
draf den tuin uit.
Den volgenden morgen aan het ontbijt werden de respectievelijke Pa’s
verrast met een grooten brief van den directeur van den dierentuin,
waarin hij de wandaden van hun spruiten vermeldde en verzocht hun
jongen bij hem op ’t bureau te sturen.
Hierop volgde natuurlijk van vader’s kant een niet malsch standje voor
de jeugdige zondaars, plus een flinke portie straf.
Dit alles leek ze echter nog niet zoo erg als dit komen bij den
directeur op zijn bureau.
Wie weet wat hen daar nog wachtte!
Op den afgesproken dag stonden ze als zoete, lieve joggie’s in het
bureau van den directeur.
Deze, een lange, al grijzende heer, met diepe doordringende oogen, zat
in een leuningstoel en speelde met... een jong leeuwtje.
Hij aaide het over den kop en het mooie, jonge beest hapte naar de
slanke hand, die zoo kalm en toch gebiedend op zijn kop rustte.
De jongens keken vol verbazing naar dit schouwspel. ’t Was ook waarlijk
geen alledaagsch gezicht. En van de eene verbazing vielen ze in de
andere. Want, op den rand van het groote schrijfbureau zat, in
onverstoorbare kalmte een nootje peuzelend, een schattig, klein aapje.
Het keek hem met z’n verstandige, kleine oogjes zoo grappig aan.
De Directeur liet ze eens even rustig kijken, deed, alsof hij niet zag,
hoe ze met gebogen hoofden, tersluiks de heele kamer doorgluurden. Hij
moest toch wel even lachen om die deugnieten op een rijtje, allen met
brave gezichten, de petjes in de hand, in angstig afwachten.
Maar hij dacht dan weer aan de wanorde in zijn onberispelijken tuin
en... daar volgde het verhoor.
Zijn stem klonk ijzig-koud toen hij de jongens ondervroeg en die
strenge oogen keken door alles heen.
Tsjonge, ’t was geen appelepap, vonden de jongens.
Hij besloot zijn rede door ze te vertellen, dat ze voor dezen keer nog
niet gestraft werden, doch zoodra hem weer ’t minste vergrijp tegen de
reglementen van den Dierentuin ter oore kwam, zou hen minstens voor den
tijd van een maand het verblijf in den tuin ontzegd worden.
Toen konden ze gaan!
Oef! zeiden ze, toen ze buiten stonden.
En ze namen zich voor het hol van Kaan voor een tijdje niet te
bezoeken, want ze zouden nu wel in de gaten gehouden worden.
Ze trachten zich in den tuin op andere wijze te vermaken.
Dat ging eenige dagen heel goed en ze voelden zich trotsch op het feit,
dat ze al zóó ’n tijd rondliepen zonder kattekwaad uit te halen.
Daar kwam op een dag Wim Bolk met het bericht op school, dat ze op het
bureau van den Dierentuin voor iederen rat die je in den tuin ving een
kwartje betaalden.
Er scheen bij den eendenvijver een ware rattenplaag te zijn en ze
hoopten op die manier het kwaad te bestrijden.
„Van wie weet je ’t?” vroeg Ambro, die het bericht wat onwaarschijnlijk
vond.
„Van ’t neefje van Alebes,” zei Wim.
Even moet ik jullie vertellen, dat die bewuste „Alebes” waar de jongens
het over hadden tot het personeel van den Dierentuin behoorde en omdat
hij nogal eens misbruik maakte van sterken drank en zijn neus daardoor
een verdacht rooden punt had, de jongens hem „Alebes” noemden, daar ze
vonden, dat die neustop veel overeenkomst met een rijpen aalbes had.
Van dien beruchten man hooren jullie nog wel eens in het verhaal.
„Hoe ken jij het neefje van Alebes?” vroeg Bob, nu ook twijfelend.
„Die gaat bij mij op gymnastiek,” zei Wim en nijdig liet hij er op
volgen:
„En als ik lieg, dan lieg ik in commissie, hoor!”
Ambro, die veel zin in de rattenjacht had zei vergoelijkend: „Nou, ’t
neefie van Alebes zal ’t toch wel weten.”
Ja, dat vonden ze nu toch ook en men besloot brood en stukjes vleesch
mee te nemen en dat onder de brug bij den eendenvijver te leggen, dan
zouden de ratten wel te voorschijn komen.
Ze wapenden zich allen met een stevigen kei en gingen toen over de
brugleuning op den loer liggen.
Ze zagen dien eersten middag niets en ze begonnen al te twijfelen aan
de woorden van des Alebes’ neef.
Maar den dag daarop, tjoep, ging het in den vijver en daar zwom een
reus van ’n rat.
„Nou op z’n kop mikken, jongens,” vuurde Wim aan.
Plomp, daar vloog de eerste kei door het water.
De rat zwom ongedeerd verder, maar de eenden, verschrikt door dien
plotselingen plons in het water, repten zich al snaterend en kwekkend
angstig voort.
„Daar gaat ie,” gilde Piet Kaan. „Nou ’m d’r een achterna gooien!”
Wel vier keien werden den vluchtenden rat achterna gegooid, echter
zonder hem te raken.
Het spektakel in den eendenvijver werd hoe langer hoe erger, de eendjes
kwekten angstig en zochten een goed heenkomen.
En de jongens, de roekelooze domme jongens, vergaten hun goede
voornemens, hun belofte aan den directeur en gooiden uit alle macht met
keien, steeds in de hoop den rat te kunnen treffen.
„Wat is dat hier voor een herrie,” galmde een stem achter hen.
Juist vloog er weer een kei door het water. De suppoost, die achter hen
stond, pakte Wim Bolk, die den kei gesmeten had, bij z’n arm en
rammelde hem door elkaar.
„Gooien jullie met keien!” riep de man verontwaardigd.
„We zijn op de rattenvangst,” zei Wim heel kalm, in het volste besef,
dat hij hier iets deed wat in het belang van den dierentuin was.
De oogen puilden uit ’s mans hoofd.
„Op de rattenvangst!!!” galmde hij hem na. „Op... de... rattenvangst!!!
Dat zal jullie geleerd worde! Mee, naar ’t bereau!”
„Nee, nou is de boot an!” riep Wim in heilige verontwaardiging. „En ’t
màg!”
„Wàt mag!” riep de man woedend.
„En... enne...,” stotterde Wim, niet meer zoo zeker van z’n zaak.
„En... je krijgt op ’t bureau voor iederen dooden rat een kwartje.”
„Ja, dat is zoo,” riepen de anderen gauw. „De neef van Alebes zei het
zelf!”
Het werd den man groen voor de oogen. Wat waren dat allemaal voor
praatjes van die jongens.
„Mee naar ’t bereau!” zei hij nijdig. „Ik heb met jullie praatjes niks
te maken!”
Tegenstribbelen gaf niet, en daar gingen ze dan in optocht, de suppoost
vlak achter hen, naar het bureau, waar ze dezen keer ontvangen werden
door den onder-directeur.
Hier bleek, dat het neefje van Alebes Wim een mooie poets had gebakken.
En de onder-directeur hield er volstrekt geen rekening mee, dat ze
meenden ter goeder trouw gehandeld te hebben. Ze waren toch oud genoeg,
om te weten, dat je in een vijver waar eenden rondzwemmen niet met
keien gaat mikken.
Weer moesten ze hun namen opgeven en bij het noteeren daarvan bleek
hem, dat ze voor eenige dagen ook al kwaad bedreven hadden. En toen
volgde onmiddellijk de straf.
Een maand verwijderd uit hun geliefd verblijf.
’t Was hard—maar verdiend.