U voortaan houde en achte onwetende en onkondig.

Verliest de boom zijn blos, zoo hagels d' akkren slaan,

Zoo de âren ijl en leêg, zoo ons verwaaide graan

Ons honger zeggen toe, zoo, met veel ijzren banden,

Gij sluit van 's Hemels sprong de poorten, met uw handen,

En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen;--

Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên.

Zoo wij gevangen in uitheemsche landen kermen,

Zoo ons in krijg bezwijkt 't geluk, het hert, en de ermen,

En wij ootmoedig 't oog slaan op dit huis alleen,

Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch ons gebeên!

Zoo uwer wondren faam den vreemdeling hier wenken,

Om hooren uw geheim, u t' offren zijn geschenken,

En in dit huis zijn kniên te krommen naar beneên,

Zoo hoort, almachtig God! verhoort doch zijn gebeên!

Verhoort van d' Hemel hem, en trekt, door weldoens koorden,

In uw gewijde Kerk, Oost, Westen, Zuiden, Noorden!"

't Uitmuntende verstand van Isrels koning is

Zoo heldren tortse, dat vergeefs men die gewis

Met onkunde overstulpt: zijn licht zich alsins toogen

Gaat, en zijn bliksemstraal licht glinsterig in d' oogen

Des geens, die wijs den toom van 't burgerlijk beleed[390]

Der teêre[391] Arabers met haar hand te mennen weet:

Die binnen Saba heerscht, daar steedsche[392] lentens telen

Den wierook zoet van reuk, den myrre, en roô kaneelen,

Daar iedermans kantoor eens konings schat inhoudt,

De vaten zilver zijn, de bedspon[393] louter goud,

Met uitgelezen steen de muur bekleed oon[394] breuken,

Met strikken ingewrocht, afbeeldingen, en spreuken:

En nochtans zoo veel heils en grootheên laat ze staan,

Om komen Salomon zijn zeên te merken aan,

Zijn leering leenen 't oor, zijn stad bezien met vreugden,

De schole des geloofs, en vaste burcht der deugden.

Gij, die 't oog toesluit voor dees groote klaarheid meest

Die in onze eeuwe blinkt, wiens aangeklopte[395] geest,

Voor dolingen vermuft[396] de waarheid uit gaat sluiten,

Die langzaam nacht en dag klopt aan uw poorten buiten,

En die, om op te doen, u niet eens keert noch wendt,

Om met God spreken en zijn dobbel Testament:

Hoe vreesdy niet, dat dees princes, ten jongsten dage,

Van groote ondankbaarheid en traagheid u verklage?

Die vrouwe, die monarche en Heidene[397] met lust

De wellusten versmaadt, haar goud, en zoete rust:

Dweerst[398] met veel moeite en kost, en met langdurig zwieren,

Een weg, belegerd van struikroovers en van dieren,

En andren Hemel gaat bezoeken, met de wensch,

Om eenmaal mond aan mond te spreken met een mensch.

Zij kwist geen tijd, maar gaat beschouwen, al verwonderd,

De trotsche schoonheid van Gods tempel uitgezonderd[399]

De bollewerken van veel steden, hoog naar eisch,

Een uitgelezen troon, een prachtig trotsch paleis,

Wiens muren kostlijk zijn, en d' huisraad nog veel rijker;

't Getal der knechten zijn rijk hof ciert statelijker,

Meer haar geschiktheid nog: men hoort' er geen gerucht.

Elk van den haren op zijn ampt let heel beducht[400]:

En zoo als te gelijk de duim geroerd het leven

Den zenuwsnaarkens kan van een quiterne[401] geven,

En om verrijken nog zijn tooverig gezang

Verwekt een middelbare, een hooge, een leege klang[402]:

Met één woord, Salomon, met één gebeer[403], met wenken

Beroert de stoeten van zijn knechten, die gedenken

Heel gaauw aan haren plicht: elk neemt zijn les in acht,

En ieder gaat gekleed met een bijzondre dracht.

Eer zij vertrok van haar welriekende eilands-kuste,

Met zware raadselen haar[404] dees princes toerustte,

Belust den koning met verwerde vragen knap[405]

T' ontmoeten, om te zien zijn groote wetenschap.

Ziet welken Oedipus[406]! de voorspraak[407], die ervaren

Voor 't vierschaar heeft bijna versleten al zijn jaren,

En eindigt niet zoo haast een twijfel, lang bepleit,

Die 't oud gebruik haast wijst, of 's lands gewoonheid scheidt[408],

Of geestig hij ontknoopt dees Gordiaansche strikken,

Ziet door dees nachten heen, en speelt alle oogenblikken

Met twijfelingen, die eer zweeten deên met pijn

Een dapper school-sofist, Druides, of Bramijn[409]:

En wetende dat, hoe een goed zich uitbreidt stijver

Hoe 't altijd grooter wordt, 't geloove hij vol ijver

Haar in te scherpen tracht, en gaat, naar wensch, gemein

Haar maken[410] 't kostlijk goed van zijn gezegend brein:

"Hoe zeer beklage ik u, afgodisch volk! die zotlijk

Goud, zilver, hout," spreekt hij, "en kalk aanbidt bespotlijk,

En door de schijnreên laas! der magi[411] onderrecht

Zoo vele pakken hebt den menschen opgelegd:

Daar is, mevrouwe! één God, één hoogste, één ongeboren,

Een Vorst van de eeuwigheid, zelf d' eeuwigheid verkoren.

Oneindlijk, afgescheên van als[412], in allen doch,

Beginslen-aanvang, en 't eind van alle einden nog,

Der lichten schoonste licht, der wezens hoogste wezen,

Der machten zuivre daad, der daden macht geprezen,

Oorzaak van allen ook, alziender, goedheids zee,

Des levens leven en het meer des schoonheids meê,

Onoverwinnelijk, en sterrenvoogd bekwame,

Die zelf eenvormig vormt zoo veel gestalten t' zame:

Een zelve[413] is 't, éénen God; wie de eenheid loochent, ziet,

Maakt, godlooze atheïst! de Godheid gants tot niet;

In Gode de eenheid staat, de Satan tweeheid stichtet,

De groote wereld heeft één zon maar, die haar lichtet,

De kleine[414] maar één ziel, en beids zij hebben één

Groot God, in wezen één, in drien[415] onderscheên.

De leên, die, welgedeeld, staan dit gesticht gelaten[416],

Dit lijf vervult met vreê, met weêrliefde, en met maten[417],

Dees welgeschikte kerk, met rijkdom rijk begift,

Deze uitgegoten kunst, en mag niet zijn geschift

Als met één zin, en hij maar van één Meester worden

Gedeeld, gelijk zijn werk één Meester houdt in orden:

Want anders zou men, in slagordeningen, zaan[418]

Wel honderd duizend zien malkandren randen aan,

Een burgerlijken krijg zou 't aardrijk onderhouwen[419],

En dees beroerden[420] al zijn ondergang fluks brouwen.

Dewijl van eeuwigheid God is oneindlijk dan,

En in zich meer als een eindloosheid vaten kan,

Vermids de macht van d' een geen mate stelt den andren,

Of eer zijn naam vernielt en wezen met malkandren:

Wat houdt gij, Heid'nen! dan, als in 't gevangenhuis,

D' Oneindlijke bemuurd in een benaauwde kluis?

Of waarom sluit gij hem in eenen stronk[421] verachtlijk?

Of waarom schilderdy d' Onzienlijke onbedachtlijk?

En waarom offerdy den driemaal Hooge meest[422]

Al t' zamen vleeschlijke eer, daar hij is zuiver geest?"

"Maar," zegt ze, "waarom dus, gestut door onze werken[423],

Bant gij de Onsterflijkheid in 't binnenste eender kerken[424]?

Besluit hem in een ark[425], en beestlijken hem voedt

Met beestenvleesch, en niet met myrre en wierook zoet?"

"Dit huis, zoo heilig als in schoonheid uitgenomen,

God," zegt hij, "niet besluit, maar wel de schaar der vromen

Die hem aanbidt, en eert, en wanen[426] niet, och arm!

Dat dien, die de aarde neemt en Hemel in zijn erm,

Een kofferken vervaat[427], maar 't bond van durige eeuwen,

Het statige[428] verbond, dat de afkomst der Hebreeuwen

Met God den Heer verbindt, de vrome aan 's vromen zaad,

En aarde en Hemel met dees' plaats verknoopen gaat.

Kortom, onze offerande, ons wasschingen, ons smoken

Is geen verzierde[429] dienst, zoo[430] dikmaal wordt gesproken:

God is d' insteller, die ons innerlijk gemoed

In d' hoop zijns Zoons met al deze elementen[431] voedt,

En zichtlijk ons hier mede aan d' offer doet gedenken,

Die eens in Kristus bloed zal onze zonden drenken.

Komt, komt, o Heere! dan, o, einder van de wet!

Groot Koning, groot Profeet, Hoogpriester onbesmet!

Komt, driemaal Groote komt! ons toevlucht, die wij wenschen,

Voorspreker, en rantsoen, en Rechter aller menschen!

Zoet Slachtlam, sterke Leeuw, genezende Serpent!

Noodscheidsman tusschen ons en d' Hemel in het end!

Komt, komt, o Waarheid! wit[432], en bijstand, en verlangen

Van onzen offer! o, Messias! wilt aanvangen

In Sion te gebiên, en, in den geest ge-eerd,

Dees booze wereld in een gulden tijd verkeert!

Dees koninginne aanveerd en wilt als d' eerst'ling dulden

Van 's werelds koningen, legt op u onze schulden

Zoo wèl, dat wij, ontkleed van Adams kwaden aard,

Met d' heilige Englen in den Hemel zijn verklaard[433]!"

Zeer na flaauwt[434] de vorstin, bezweken van verwondren,

En spreekt: "Heer koning! steeds, in 't vliegen en stijf dondren,

De faam al grooter wordt, en, snaterbek in schijn[435],

De deugden grooter maakt, als zij wel daadlijk zijn:

En de eedle geesten zijn gelijk de tafereelen,

Die wel gedaan in 't oog met meer verwondren spelen

Van verre als van nabij: maar zoo veel als voorwaar

Uwe eere elks kroon verdooft, blinkt uw deugd boven haar[436]:

Uw lof oon weêrga nog uws leernens[437] prijs behindert,

En 't nijdige gerucht uws wijsheids roem vermindert."

* * * * *

O, Schotsche koning[438]! 't zelfde ik van u spreek lofzaam[439]:

't Wijdrennende gerucht van uw gevlerkte faam

De zee mij kruisen dede en, van de grens van Spanjen,

Bezoeken avontuurs[440] de kust van uw Bretanjen.

Wat zag ik, och, maar och! wat zag ik niet, goê God!

O, werelds wonderwerk! o koning! uitgelot[441]

Van d' Hemel tot iets groots! o, roem van vorstenhoven!

'k Zag zooveel, dat mijn ziel mijn oog niet kost[442] gelooven:

Een grijze brein, die 't hoofd eens jongelings beslaat,

Mans' moedigheid, bedekt met vrouwelijk gelaat,

Een rijp verstand, een geest snel, wakker, en dierweerdig[443],

Een redeneering, die diepzinnig is en veerdig;

In éénen geest Virgiel en Cicero[444] gestoofd,

En 's Hemels gaven al gegoten in één hoofd.

Volherdt, o goed[445] monarch! wilt eere op eere laden,

En, effen[446] als uw lof is minder als uw daden,

Maakt, dat uw voorzaat zij gevorderd door uw daân,

Dat uwe aanstaande daân verleên te boven gaan;

U zelf beheerscht, en wijs godvruchtig, vroom, ten lesten

't Geurig getuignis van mijn veerzen wilt bevesten[447]!

_EINDE_

[1] Naar de oude beteekenis van 't woord, voor _machtigen_.

[2] Eene latere lezing van die verzen zie in Van Lenneps _Nalezing_.

[3] Germanisme voor _schittert_.

[4] Rijmshalve voor _opgetast_.

[5] Voor _zwaait_.

[6] _Doodt_.

[7] Thans _dan_.

[8] _uitstekend_.

[9] _krans_, verg. boven bladz. 76b, aant. 553.

[10] _opmerkende_, _in aanmerking nemende_.

[11] _proefstuk_.

[12] Germ. voor _eens_.

[13] Grieksch voor _puikbeeld_ en hier door _overkijker_ vertaald.

[14] _Laat het_.

[15] Germ. voor _voorhoudt_, _voor de voeten_ of _tegen-werpt_.

[16] Zoo lees ik voor _heerlijk_, dat geen zin geeft.

[17] Voor _getroffen_, _gekwetst_.

[18] Thans _rij_; in Overijsel zegt en zingt men echter nog steeds van

"_bonte, bonte riege_".

[19] _Al is hem_.

[20] Thans tot _kerk_ (gelijk _zake_ tot _zaak_) geslonken.

[21] Min gelukkig voor _lengte_.

[22] _houdt in_ (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord).

[23] Germ. voor _geschiedenissen_.

[24] Voor _éénheid_.

[25] Gelijk reeds herhaaldelijk voor _lager_.

[26] Germanisme voor _kinderspel_ of iets derg.

[27] In de oorspronkelijke uitgave en die van _Heins_; de desbeluste

lezer kan ze dus daar, of anders in Van Lenneps _Nalezing_ naslaan.

[28] Voor _bewonderenswaardige dingen_.

[29] _afbeeldsel_.

[30] Voor _gij die_, gelijk steeds in 't Hoogd.

[31] Thans _liederen_ en _gemoederen_ (zie reeds vroeger).

[32] _molensteen_.

[33] Voor _ijver_ of liever _naarstigheid_, dat eigenlijk hetzelfde

woord (_neerst_ voor _eernst_) is.

[34] _in eens_.

[35] Van een nachtegaal gesproken, minder natuurlijk.

[36] _vrees_ (verg. 't Hoogd. _fürchten_).

[37] _tak om op te nestelen_.

[38] _snel_.

[39] _telkenmale verpoost, rust_ gij.

[40] _volop_.

[41] _vallende_ (naar de eigenlijke beteekenis van 't woord).

[42] _te gader_, _zaam_.

[43] Thans _niets_.

[44] _Mozaïek werk_ (niet van Mozes, maar van 't Grieksche _museion_ af

te leiden).

[45] _verscheiden_.

[46] _onderrichten_.

[47] Versta: Gods geheime stem.

[48] Hij wien.

[49] _mededinger_.

[50] _de rijksgebruiken_.

[51] _u beradende_, _bedacht_.

[52] Minder gelukkig voor _hof-gewelf_.

[53] Gallicisme voor _doolhof_ (daar die op Creta, naar 't zeggen, door

Dedalus was aangelegd).

[54] _noodlot_.

[55] Voor _Meden_- en _Perzen-land_; verg. boven, bladz. 46, aant. 283.

[56] _myter_: het suikerbroodachtige hoofddeksel der Meden.

[57] _voegt_, dat men oudtijds ook _vuegt_ en omgekeerd _veugt_ spelde,

gelijk _dueght_ voor _deugd_, enz.

[58] Israëls Richterstoel.

[59] Hier voor _nazitter_ (op den koningstroon Israëls).

[60] _Binnen_, _midden uit_.

[61] Anders _oor-ringen_.

[62] _Doen zij zich inbeelden_.

[63] Hier in goeden zin, _schrander_.

[64] Rijmshalve voor _onderdrukker_.

[65] _doorbrenger_.

[66] _levend water_.

[67] Voor _beiden_; zie boven bladz. 81, aant. 136.

[68] _het eerst van allen_.

[69] Zonder zijn _leven te ontzien_.

[70] _minzaam_.

[71] Anders _lieftallig_ of eig. _lieftalig_.

[72] Gallicisme (gelijk het ook thans nog dikwijls gemaakt wordt, als

vertaling van _ces_) voor _dier_.

[73] _voor den dag haalt_.

[74] _terugnemen_.

[75] _fopt_.

[76] Voor _argwanend_.

[77] Anders _wees_.

[78] _schraal_, _karig_.

[79] _dringt_, _noopt_.

[80] _koud_: (nam. _van bloed_, en dus _koelbloedig_).

[81] _ondernemen_.

[82] _als een ontembare held_.

[83] Zoo lees ik, voor 't onzinnige _gewonnen_.

[84] _plataan loof_.

[85] _lichaams-oefening_.

[86] Rijmshalve voor _ergens_, _hier of daar_.

[87] _omgedraaide_ (verg. nog ons _wiel_ en _wieling_).

[88] _schiet_, _vliegt over_.

[89] In zijn oorspronkelijke beteekenis, maar blijkbaar grootendeels

rijmshalve en als stopwoord: _daarna_.

[90] _Medgezel_, _krijgsmakker_.

[91] _merkt op_, _houdt in 't oog_.

[92] _al te langdurige natheid_.

[93] _versmachten_.

[94] Rijmshalve voor _steelt_ (tenzij men _levensdeelen_ leze, daar

_telen_ hier geen zin geeft).

[95] _van maan en zon_.

[96] Nam. de _wereld_.

[97] Thans _te bewonderen_.

[98] Gelijk steeds, voor _lager_.

[99] _verguldsel_ (verg. 't Fransche _vermeil_).

[100] Voor _schepterdrager_; verg. met Van Lennep, _vendrig_ en

_bliksemdrig_.

[101] Minder gelukkig, in verband met _hooren_, voor _opzichters_,

_beheerders_.

[102] _deugt niet voor vorst_ (eig. _is als vorst niet te dulden_).

[103] _verbrokkelen_.

[104] _bron_.

[105] Men ziet hoe onachtzaam Vondel steeds met het enkel- en meerv.

van 't werkw., in verband met het steeds meer in onbruik rakende

voorn.w. van den tweeden persoon omspringt. Gelijk hij hier steeds (zie

bijv. boven _scheid_ en _weert_ in één versregel) meer- en enkelv.

dooreen gebruikt, zoo plaatst hij hier het enkelv. van 't voorn.w. bij

't meerv. van 't werkw., en gebruikt 't eerste blijkbaar alleen om den

rijm.

[106] _verschiet_.

[107] _Houdt_, _handhaaft ze_.

[108] Thans minder welluidend, en daarom verkeerdelijk _daarnaar_.

[109] Thans _liederen_.

[110] _uit die vier_.

[111] Voor _drilt_.

[112] Thans _vat_.

[113] Gallicisme voor _stoutmoedig_.

[114] Voor _onderlegging_ of _nederlaag_.

[115] Gallicisme voor _beschilderd_.

[116] Thans _kan_.

[117] Voor _schitterend van robijnen_.

[118] De bekende Goudrivier der oudheid; verg. boven, bl. 30, aant. 25.

[119] Waarschijnlijk met zinspeling op de Engelsche munt der Angelotten

(ook elders wel _engelen_ genoemd); eigenlijke Engelen zouden hier

geheel te onpas komen.

[120] Geheel verouderd voor _zonder_ (verg. 't Hoogd. _ohne_).

[121] _voordeel_.

[122] _naauwlijks_.

[123] _schamelheid_, _berooidheid_ (naar de oorspronkelijke beteekenis

van 't woord; verg. _snoeyen_).

[124] _Overwinning_.

[125] Voor _zwellen_.

[126] _Karmel_, in Palestina.

[127] Wel wat plat voor 't afgrazen der achterzij van een Godgewijden

berg.

[128] Rijmshalve voor _korenveld_ of _-akker_.

[129] Voor _naauwlettende inspanning_.

[130] Germanisme voor _vrees_.

[131] _aarde_.

[132] _hel_.

[133] Germ. voor _glans_; verg. boven, bl. 81, aant. 115.

[134] Maatshalve voor _waren_, _zouden zijn_.

[135] _goederen_; verg. vroeger.

[136] _inzonderheid_.

[137] _kinderlijk_.

[138] Gallicisme voor _kudden van Abraham_, d. i. _Abrahams volk_.

[139] _vlinder_.

[140] _verschroei_.

[141] Maatshalve voor _vorst_.

[142] _veilig_.

[143] Rijmshalve voor _doe toenemen_ of derg.

[144] _zonder_, zie boven.

[145] _temperament_; Gallicisme voor de _eigenaardigheid_.

[146] _gesprek_, _kout_.

[147] Door geleerdheid verlicht.

[148] Voor _een anders_.

[149] Thans tot _zon_ geslonken.

[150] Wansmakelijke voorstelling van den _dauw_.

[151] Rijmshalve voor _beginsel_.

[152] _voor der teef_.

[153] Thans _behendig_, _loos_.

[154] _bevrijdt_, _behoedt_.

[155] _in_.

[156] Nam. _de metalen_.

[157] _klimop_.

[158] _past_ (d. i. Bacchus).

[159] _behendige_.

[160] _getallen_.

[161] _nuttige_; verg. _heilzaam_, _leerzaam_.

[162] _vatten_.

[163] Een herinnering van den Gasconschen dichter aan zijn vaderland,

maar die bij Salomo vrij te onpas komt.

[164] _verheldert_, _verlicht_.

[165] _stort_.

[166] _gedraagt hij zich als_.

[167] _wet_, _scherpt het_.

[168] _pleitgedinger_.

[169] _listen_ (verg. nog ons parten spelen.)

[170] Thans _looze_.

[171] Anders _zomers_ (voor jaren.)

[172] _besliste als scheidsrechter_.

[173] _verstikt_.

[174] _Toen_.

[175] Voor _bijslaap_.

[176] Hier in zijn eigenlijke beteekenis van _kreng_.

[177] Voor _kerk_-, d. i. _heiligschennis_.

[178] _ouderdom_.

[179] _muskus_, en dit bijtend voor _stank_.

[180] _het lastig leven_.

[181] _dan toch_, _nochtans_.

[182] _gebaar_.

[183] _beladen_.

[184] Thans tot _lachtet_ verzwakt.

[185] _vederdons_.

[186] Rijmshalve, maar min gelukkig voor _eer 't ochtend werd_.

[187] hare vlokken.

[188] Thans _'tgeen_, maar in de volkstaal nog gebruikelijk (verg. ook

_gunder_ of _ginder_.)

[189] _spelers_.

[190] _van den dobbelsteen_.

[191] _mijmert_; 't woord wordt anders meer in onedelen zin gebruikt.

[192] _Het kenmerkt noch beschuldigt_.

[193] _In zijn mijmerend overleg_.

[194] _waarborg_, _waarmerk_.

[195] _ontbreekt_, _ontgaat_.

[196] Versta: _hij zich_.

[197] _instelling_, _wet_ (verg. 't Hoogd. Gesetz.)

[198] _worde_.

[199] _ten slotte_.

[200] _verdeelt het_.

[201] _ontroering_.

[202] In 's dichters tijd nam.

[203] _zamelt in_, _plukt_.

[204] Voor _alles_.

[205] _jufferen_ (verg. 't Hoogd. _Jungfer_).

[206] Juister ware geweest: _'t Onsterflijk zaad is voor_.

[207] _echtbreuk_ (verg. 't Hoogd. _Ehe_ en 't oude _ee_ voor wet).

[208] _neigt altijd ten val_.

[209] _zich_.

[210] _bederf_ (eig. _melaatsheid_, van den armen Lazarus afgeleid).

[211] _naar_.

[212] _zoo verergerde_, _bedierf_.

[213] _met een bloemtapijt overdekken_.

[214] _slaat er_.

[215] Venus, die hier zeker geen minder vreemde vertooning maakt dan

Peru of de Pyreneën.

[216] Thans ongelukkig verouderde Nederlandsche uitgang voor de

Fransche op -_es_ of _esse_.

[217] Gelijk steeds herhaaldelijk, voor _ouderdom_.

[218] _weg-werpt_.

[219] _genot_.

[220] _tooverzangen_.

[221] _De beladen tak_.

[222] Nam. een ei.

[223] _toont_.

[224] Thans verouderd voor _appelboom_ (verg. echter _hazelaar_).

[225] Letterlijk _gaauwdiefjens_, _guitjens_ (dat wij beiden dan ook

nog steeds in gelijken zin bezigen).

[226] Het _vlindertjen_.

[227] _bedriegt_.

[228] _poos_.

[229] Anders _borstjens_ (verg. 't Hoogd. _bursche_ en ons

adel-_borst_).

[230] Eig. _mienetjens_ (verg. 't Fransche _mine_ en _minauderie_).

[231] _overal_.

[232] Voor _boog_ (en dus eig. _halven kring_).

[233] _toen_.

[234] _pronk_.

[235] _streek hare lokken glad_.

[236] _platte steenen_, _plaveisel_.

[237] _toevertrouwd aan_.

[238] _vrij golvende lokken_.

[239] _lokken_, als vroeger.

[240] Wellicht liet zich hier beter _'s linkers_ (d. i. _van den

deugniet_) lezen.

[241] Staat eig. voor _lijk-_ of _blijkteeken_, _kenmerk_.

[242] _op staanden voet_.

[243] Thans _ziel_.

[244] _door en door venijnige_.

[245] _schitterend_, _bont_ (eig. 't Fr. _vermeil_).

[246] _in zich zelf gekeerd_.

[247] Jeruzalem.

[248] _over-slag_ (verg. vroeger), _plan_, _ontwerp_.

[249] _kim_.

[250] _welberaden_.

[251] _in 't werk stellen_.

[252] _vreemde dingen_.

[253] _ontroerd_.

[254] _verstijfde grijzaart_; verg. boven, bl. 72, aant. 451.

[255] _loeyende_ (verg. _rooyen_ en _uitroeyen_, enz.)

[256] _torens_.

[257] _krielt het_.

[258] Thans _waar_.

[259] Anders _vloed_.

[260] Thans _maagd_.

[261] _werpen_ (verg. vroeger).

[262] _schitterend_, _blinkend_.

[263] Thans _natuur_.

[264] Waardoor zij zich namelijk, als vrouw en man, kenteekenen.

[265] Zooveel als _schoone wichten_.

[266] _kool vuurs_.

[267] _schaamachtig_.

[268] Zaamgetrokken uit _schijnt het_.

[269] "Toen Thetis, 't is al lang geleên, met Peleus zou gaan trouwen."

[270] Versta: Salomo, de Jupijn van 't Id. land.

[271] _zich ontveinzende_.

[272] _los_, _luchtig_.

[273] Nam. _bogen_, voor _arcaden_.

[274] _de tafelbedden_.

[275] Met _snij-_ of _beeldhouwwerk versierd_.

[276] Voor _tienmaal tien_.

[277] _kluchtig_.

[278] _schikken_, _zetten er zich toe_.

[279] Voor _tafereelen_.

[280] _deftige_.

[281] Gallicisme voor: _nadat de lekkere schotels nu weggenomen zijn_.

[282] _keizerlijk_, _weidsch_.

[283] De bekende baak der oudheid.

[284] _blinkende sieraden_ (verg. 't Fransche _clinquant_).

[285] _staan_.

[286] _gemarmerd_.

[287] De zeven dwaalsterren Saturnus, Jupiter, Mars, Venus, Mercurius,

Zon, en Maan.

[288] _Saturnus_.

[289] Men zou _of_ lezen kunnen, daar (naar Van Lennep's juiste

opmerking) beiden één zijn.

[290] Als algemeene titel aller geestelijken (van daar ons _Heer_-oom).

De Joodsche priester vertegenwoordigt hier _Jupiter_.

[291] Thans voor 't zaamgestelde _vrolijk_ geheel verouderd; verg.

echter 't Hoogd. _froh_, 't oude ver-_froyen_ en ons _vreugde_.

[292] _naar_.

[293] _arenden_.

[294] _somber_.

[295] _met torens beladen_.

[296] _reuk_.

[297] _Mars_.

[298] _'tzelfde vlak_.

[299] _gedreven_.

[300] _Venus_.

[301] Voor _melden_.

[302] _gordelriem_.

[303] _Mercurius_.

[304] _welbespraakte_.

[305] Anders _koegras_ of _duivekervel_.

[306] _toch_, _nochtans_.

[307] Zon en Maan.

[308] Thans _verzadige_.

[309] Anders _heggerank_ of _wilde wijngaard_.

[310] _te gader_, _te zaam_.

[311] _de kameleon_.

[312] Rijmshalve voor _uitgelezen_.

[313] Voor _spiegelglas_.

[314] _van_.

[315] _krans_.

[316] _paren_.

[317] Salomo als zinnebeeld van Kristus, den bruidegom der Kerk.

[318] _speldewerk_; verg. desbelust _Tesschelschade Roemers en hare

vrienden_, bl. 8.

[319] _uitnemende_ (verg. vroeger).

[320] _goed gestreken_.

[321] Anders _zeissen_ of _zeis_ (verg. bl 9, aant. 46).

[322] _boos_.

[323] Min gelukkig voor _scherpt_, _aanzet_.

[324] Rijmshalve voor _randen_.

[325] _gewelfde_.

[326] _slaat_.

[327] Gallicisme voor _kraait_.

[328] Rijmshalve voor _pas_.

[329] Voor _gaan_.

[330] den _dierenriem_.

[331] _teekent_.

[332] Verouderd voor _wandelen_.

[333] Voor _duizenderlei_.

[334] _de een voor de ander_.

[335] Verkeerdelijk voor _voetstappen_, _gang_.

[336] _rugwaarts_.

[337] Voor _zoo er_.

[338] _huwen_, _paren_.

[339] _zorgstillende_.

[340] Voor _dans_.

[341] In navolging (naar de oude kantteekening) van "het geestelijk

gesprake tusschen Christus en de Kerke, beschreven in het schoon boek,

genaamd het Lied der Liederen (Hooglied)."

[342] Rijmshalve voor _evenzeer_.

[343] _geurige lokken_.

[344] _geringd_.

[345] _naam_, _lof_.

[346] Gelijk reeds meer voor _midden_; verg. aldaar ook _beids_ voor

_beiden_.

[347] _welkome_.

[348] _laagste_, _onaanzienlijkste_.

[349] _anders_ (verg. _elders_).

[350] _schendt_.

[351] Zie vroeger, en ben. 360.

[352] Voor _doorkliefd_.

[353] _marmer_.

[354] _den voorgevel_.

[355] _ronding_ (naar buiten).

[356] _tegenronding_ (naar binnen).

[357] _Gebaren_.

[358] _den omvang_.

[359] Thans _metselaars_.

[360] _van den arbeid afhoudt_.

[361] _die reuzenmoed_.

[362] Voor _plompen brok_.

[363] _soorten_.

[364] _helder_, _doorschijnend_.

[365] Min gelukkig voor _beschoten_ of _bedekt_.

[366] _lonkend_ (gelijk 't oog van 't bekende Constantijntjen).

[367] _stemt overeen met_.

[368] _verwonderlijk wel_.

De complete werken van Joost van Vondel. De Heerlijkheid van Salomon · 第 3 / 4 段