"Dat, slapende op de kant van 't naaste beekskens oever,
Een adder boos van aard in mijnen boezem gleê;
Zij pikt mij in mijn herte! o, reikt mij hand op steê[242],
Brengt mij fluks beddewaarts, eens ijzig vuurs vernielen
Een heete ijskegel is de kwelgeest mijner zielen[243]."
Hoe vele ga!s helaas! o, wicht, te fel en bits!
Met uwen honig mengt uw invergifte[244] flits!
De maagd, die op 't vermaal[245] der velden plag te weyen,
Te lachen, springen, en te dansen met haar reyen,
Lieft de eenzaamheid, is droef, en bij haar zelven[246] stom,
Steent, mijmert, en verzucht, en weet niet eens waarom.
De rijkdom, 't prat geweld der naalden opgetogen
Haar stelt der Jebuzeên bolwerken naakt voor oogen.
In 't kristalijn des Nijls verschijnt haar de Jordaan,
In Memfis Solyme[247], en steeds t' elken weder aan
Haar hand bootst op 't stramien, van zelf en ongeboden,
't Beeld en schoon voorhoofd van de vorst en prins der Joden:
Dien, als hij voorslag[248] vast van d' heil'ge tempel maakt,
Juist op een zelve tijd het ander tweeling raakt:
De pijl hecht in 't gebeent, de ramp zit in zijn âren,
De slaap doet niet in slaap zijn zoete smerten varen,
Faronide is zijn hert, Faronide is alleen
De eenige stoffe van zijn hooge wonderreên.
Hij voedt een burgerkrijg in zijn gemoed van binnen.
Nu rijst de alziende zon, om 's aardrijks lijst[249] te winnen,
Nu sticht ze 's middags brand, nu rust ze in schaduw frisch,
Maar zijne min steeds op haar heete middag is.
Hij temt zijn peerden als voorheen niet zoo vermetel,
Hij leest noch schrijft, noch klimt op zijnen rechters zetel,
Om hooren 's weduws klacht, noch zorgt voor 't hofgezin,
Hij stelt geen wet meer, hij ontvangt ze van de min.
Gezanten, die beraân[250] dees feeste gaat betrachten[251],
Met tafereelen noch met ringen wilt bevrachten
Uw koets; de schrandre min heeft lang 't afzetsel zoet
Gesneden, met zijn schicht, in 't diepst' van haar gemoed;
D' een steeds in d' ander leeft, zij hebben, zeldzaam perten[252]!
Verwisseld tegen een elkanders vuurge herten;
Veel min genoegens 't hert vindt in als buiten haar,
Maar 't wenscht met zijnen gast te huwen 't lijf te gaâr.
't Gebeurt welhaast, de maagd men uit de prangende ermen
Haars moeders rukt en trekt, die al beroerd[253] gaat kermen,
En blijde is te gelijk, en schreyende en ontsteld,
De vader, oude stok[254], dus haar vertrek verzelt:
"Mijn kind, mijn zoete zorg, Osiris leide uw wegen,
De loyende[255] Isis brenge uw huis eerlang den zegen
Eens guldenen geslachts, en met uw dagen nu
De kuische liefde groei van Salomon en u!"
Vrouw, maagd, kind, jong en oud, gezonde en kranke menschen
Van toornen[256] volgen haar met wenken en goê wenschen.
De stille Nijl woelt min als hij wel anders doet.
Het Zuiden strekt schips wind en onwind voor den vloed.
Haar voetzool 't land alsins welriekende doet schijnen:
Haar ooge vruchtbaar maakt de Arabische woestijnen.
't Is Idumeër feeste; alsins men, al den dag,
Niet dan kromhoornen hoort, gepijp, en trommel-slag.
Als mieren krielet[257] volk bekranst te veldwaarts inne,
En juicht en roept: "veel heils! veel heils de koninginne!
O, dat ze een loot gelijk', dien de overschaauwde voet
Van een te weeldig hout bleekverwig treuren doet,
Maar van een zoeter wind haar elders op laat kweeken,
En trotsch haar ruigte doet ten blonden Hemel steken:
't Lacht t' haarwaarts al, daar[258] in nieuwe aard' zij willig tiert,
En met gulde' app'len zij den gantschen lusthof ciert."
Van 't rijke Sion men kan straten zien noch raken.
't Beneênste is getapijt met ruiggehaard scharlaken,
De zijden zijn van zij', 't borduursel onbevlekt
Die voor de stralen van te heeten zon bedekt;
Men dringt, men stoeit te hoop; een tij[259] van menschen heden
Volgt golvende alsins na de maget[260] aangebeden.
De jonffren worpen[261] van de daken even zeer
Op haar weêrlichtend[262] hoofd een bloemenregen neêr,
Jeloers, dat telken niet haars kaakskens tweelingrozen
Die rozen schande aandoen, die van naturen[263] blozen.
Ten leste komt ons hier der vorsten eere en pracht:
Dees twee gelieven, als ter maanden halver dracht
De klare zon en maan malkandren hel belonken,
En worpen minlijk toe d' een d' ander duizend vonken.
Zij zijn te gaâr gelijk schoon, jeugdig, groen, en blij,
Gelijk in aardigheid; en wie niet van nabij
Noch huif, noch mutse[264] ziet haar gulden hoofden cieren,
Waant 't zijn Adonissen, of 't zijn twee Venus-dieren[265],
Uit vreeze beven reê dees leerlings van de min:
Haar eerste ontmoeten schijnt t' ontstellen hert en zin.
De zoete bernkool[266], die inwendig broeit, mitsdezen
Schiet roode vlammen door haar teder vrouw'lijk wezen,
Haar tonge stamelt, en haar starende oogen stil
Een schaamzaam[267] lamfer, schijnt[268], uit schaamt' bedekken wil.
O prachtig' hymen! maar waar voerdy mij om hooge?
Ben ik reed' Heidensch niet omtrent die zaal'ge boge,
Daar hooge en leeger Goôn, en mindren, blij van geest
Maaltijden, sprongen om, op Thetis' bruiloftsfeest[269]?
Van 't Idumeesche land Juppijn de groot'[270] hier, onder
Zijn lichte voeten, treedt den vuurge' en heeten donder,
Verliest zijn majesteit door 't lachende gelaat,
Van koning hoovling wordt, van vorst een onderzaat,
Den kleinsten heel gelijk; en evenwel te meere
Blinkt op zijn aangezicht al steeds de veinzende[271] eere.
Meer als een Febus hier, meer als een Musa licht[272]
Op 't gulde boogsken springt, en 't lieflijk maatgedicht[269],
Zoo aardig, dat bijna arcadische[273] en pilaren
Opspringen op 't gedreun van zang en zoete snaren.
Veel Juno's schouw ik hier en veel Minerven aan,
En veel Dianen, die in looze strikken vaân
Wel duizend heeren, naar dat rijkdoms lust en liefde,
Of eer of schoonheids brand haar 't herte kwetste en griefde.
Veel aardig' Hebens, en meer als een Chiron hier
Om dienst begaan, omtrent de bedden[274] goedertier
Den nectar schaffen op; de disch ontvangt met belgen
De schootlen die, gebeeld[275], de ambrosia verzwelgen.
Wel honderd Marsen hier, oon bloeddorst op de been,
Wel honderd Hermens voên tien duizend vrolijkheên.
Tien-tien[276] Oreades, Pans, Satyrs narrisch[277] vlijen
Zich[278], aan te stellen tien-tien[276] zotte mommerijen:
Want, ik en weet niet hoe, Gods knechten in 't gemeen
Inzuipen 't zoet vergif van woeste uitheemsche zeên.
Van zoo veel beelden, daar een ander zich aan kwijten
Mag, en die cieren met zijn heerlijke tapijten[279].
Ik onder 't tijdverdrijf wil kiezen eenen dans,
Die met wijszoet vermaak zij vergezelschapt gants,
Kuisch' heilge defte[280] dans, dans, die te zonderlingen
Aan Sal'mons grootheid past en aan mijn heilig zingen.
De lekkre schootlen nu gelicht[281], na 't dralen lang,
De dans vangt aan te gaan, in 't wijde en ruim bevang
Eens zaals, die klaar, die rond, Augustisch[282] altemale,
Te recht men noemen mag des werelds groote zale.
O welken wellust! te zien hupplen zij aan zij
In 't rond, langs hooge muur, een bende vrouwen blij
En helden; haar oog licht als Farus[283] blinkt in 't duister,
Haar lijf gecierd is met klinkanten[284], schoon van luister!
't En is geen aars'len, maar een glijding zoet van pas;
Eenstemmigheid haar toom is, zij gaan even ras;
D' een luistert naar den gang des and'ren, juist en even,
Die 't ziet, waant dat ze van één geest zijn voortgedreven;
Al snellen zij, men zou 't noch zeggen, noch vermoên:
Zij posten[285], tusschen tien-tien-duist schreên die ze doen,
Een schreê zij rugwaarts gaan: de een ronde doen ze op de ander,
En vruchtbaar lonken zij in 't loopen op malkander.
In 't midden van de vloer zich sluyerwijs verspreedt
Een hemelsblaauwe riem, gemarbeld[286] lang en breed
Met beelden, daar met vlam betogen wij aanschouwen
En dansen zien te hoop vijf heeren en twee vrouwen[287].
Hier danst een oude stok, met zijnen mantel lang[288]
En bruingraauw, stijf omgord met een blaauwe adderslang,
Die knaagt haar krunkelsteert, en kunstelijk ik spore
Ruit, vierkruid, en komijn, alruin en[289] mandragore
Voortskruipen in zijn kleed, waarin geschilderd zijn
Naar 't leven het kameel, de beer, den ezel, 't zwijn:
De wakkre vogel-kraan luid schreeuwt met veel geschals hier,
De paauw zijn steert opsteekt: hij draagter tot een hals-cier
Een groote cornalijn, daar 's kunst'naars ijzer dicht
Den tijd in sneê met zijn drievoudig aangezicht.
Zijn treden zijn gewis, zijn aanzicht nors van 't veinzen,
Zijn lichaam is wel hier, maar elders zijn gepeinzen.
D' heer[290] Zadok gaat'er met een gang, kloek, gaauw, en vlug,
Braaf is hij, vro[291], en hupsch: op zijnen stijven rug
Een zijdenkleed, wiens verwe op[292] 't blanke tin wil trekken,
Met groote plooyen zich en vouwen uit gaat strekken,
Gebeeld met eekel, aar, met lelie, violet,
Olijf, mirobalaan: geboord, en rond omzet
Met aarnen[293], droef[294] van pluim, met heerlijke faisanten,
En met gejukte toornverschuddende[295] elefanten,
Bezaaid met esmerald, en diamantscherp ook,
En hoog en leeg doorvoerd met zoete geur en rook[296].
De derde[297] op 't zelve plein[298] verhaast nog meer beneden
Van zijn soldaatsche dans de woeste krijgsmans treden;
't Gelaat is enkel vuur, en menig Jaspis schoon,
En menige Amethist, op d' appel klaar ten toon
Van zijn krom slagzweerd blinkt: van hoofdscheêl tot den tenen
Blaauwt het gereten staal om 't moedig lichaam henen,
't Goud op zijn beuk'laar vlamt, wiens rand, alom verguld,
Met peerden snel te voet en wolven is gebuld[299]:
En d'ommeloop des schilds gecierd is en beladen
Met 't loofwerk van Euforb' en Scammonye bladen.
Wie zijdy, schoone[300]! die met 't vuur uws oogs steekt aan
Den hemel, en de locht, en de aarde, en d' oceaan?
O, aller schoonen schoonste! u zelven ons wilt mellen[301]:
Wien tortel, mussche, en duif, bij nacht bij daag verzellen
Met groote eerbiedigheid: wiens gulden vlechthaar blinkt,
Dat met roô rozen, thijm, en myrten is omringd;
Die eenen cestes[302] gordt welriekende om uw lenden,
Daar aardig nest'len in der minneguitjens benden:
Om wiens gewaad een boord van veel granaten loopt,
Gezoomd met klaar beryl, met safier toegeknoopt:
Wiens voet verkleinende, in 't verklaard gewelf der sterren
Nu volgt der dansers vorst, nu voordanst weêr van verren:
Zijt gij 't o schoone! niet, die met een kuischzoet vuur,
Onz' eega's herten in één hert smolt en natuur?
En deze, die u volgt met aangename stappen[303],
Deed hij behend niet die schoontalige[304] boodschappen?
O, ziet, wat vreemder dracht! zijn mantel kakelbont
Geboord met beekskens van kwikzilver schijnt in 't rond,
En elke streep, die door 't scharlaken men ziet zwieren,
Strekt tot een vlok aan 't einde agaatsteen of porfieren:
Een koppel honden vast vervolgen hier den das:
Daar weêr den loozen vos: daar 't geitken snel en ras:
De leeuwerk, nachtegaal, en 't sijsken ongevangen
Gebootst op 't schijngeboomt, de vlerken latend' hangen,
Haar keel schijnt zwellen doen, en, met zoet veldgeschrei,
Al kwinkeleerend' te beschamen den schalmei.
D'eerdrook[305], de pimpernel, en petercelieblâren
Beschaauwt 't gevlochten loof van zijn gekrunkeld' haren.
Hij keert, hij draait, hij is vrijpostig net bespraakt;
Veel kleine kringen in zijn groote rond' hij maakt:
Zijn geschakeerde loop zich hier en gins gaat spreeden,
En nog[306] verzelt één maat deze ongeregeldheden.
Ruimbaan, o ieders walg! onheilige, aan een kant!
Noch lot noch deel hebt ge aan dees heilge wellusts brand;
Maar, zuivre zielen, komt! doorsnijdt gij vrij 't gedrange,
Tza, wint de voorplaats, dat dit paar[307] verzade[308], eerlange,
Ons oog met haar gelaat, dat overschoone paar:
Alleen, alleen de feest wordt aangesteld om haar.
O, 'k zie ze dicht hierbij, help God! wat fakkel licht er!
Ik kan ze dulden niet, o eerste klaarheids stichter!
O, zonne van de zon! helaas! de punten hier
Wat van uw stralen koelt, en matigt wat uw vier,
Met uitgestorte glans uw zuster gaat verrassen;
't Is uit met mij, ik kan niet meer, ik keer tot asschen.
O zaalge weêrgaân! nu 't met oorlof niet kan schien,
Uw bevrunde aangezicht oon hinder aan te zien,
Duldt, dat ik uwen dans, uws cieraads gulden stukken
En zoete woorden, in mijn dichten uit mag drukken.
De koningin haar haar (haar, waarvan distileert
Steeds frissche dauw) draagt in veel krollen gefrizeerd:
D'een vloeit ten voeten neêr in heldre lokskens, de ander
Rijst met lang peerlesnoer gebonden aan malkander.
Haar keurs damast is, met een zilvren frangiën-zoom,
Geloof werkt rijklijk met het zilver van een stroom,
Met maankruid, met kouwoerd[309] heel uitheemsch gaâr[310] geweven,
En met het dier vermaald, dat bij de locht moet leven[311].
Wat wildy, Musa! met een errenstig pinceel,
In 't breede afmalen al haar schoonheid in 't geheel:
Van al de schoonheid, glans, gunst, rijkdom uitgescheyen[312],
Daar d' hemel meê beschonk de huppelende reyen
Zij moeder is alleen, en, als een kristalijn[313],
Den dans-aanschouw'ren zij'r af[314] jont den wederschijn.
Een hoed[315], geweven gaâr[310] van bloemen die wel gaayen,[316]
Citroenen, aren, en clytien die steeds draayen,
En met robijn borduurd, balais, en chrysolijt,
Bekroont 't straalworpend hoofd des bruidegoms[317] altijd.
Zijn gesaffraande kraag tot spelwerk[318] heeft wel honderd
Karbonk'len, rood als vuur, de balsem uitgezonderd[319],
De ceder, de kanneel, de lauwer rijk gebeeld,
Elk met haar ranken ciert zijn plooyen opgestreeld[320].
De witgevlerkte zwaan hem toejuicht, met vermaken,
Een nieuwe lofzang op zijns mantels gulde laken.
De fenix hier zijn nest en grafstéê bouwen wil.
Uit 't nat rijst 't met pantsier gewapend crocodil.
De maayer zwert-gebraân zein[321], garven haast ontvielen,
En snelle vrees hem fluks ent vleug'len aan zijn hielen.
De felle leeuw worpt vuur en vlam uit d' oogen beus[322],
En slingersteertend' hij, door bakhuis, muil en neus,
Zijn gramschap eislijk slijpt[323], en d' adren gaat ontspannen
Om een welriekend rot van panters aan te rannen[324]:
Als juist den braven haan met purpren vederbos
Zijn trotsche kop verciert: een kuif, half peersch en ros,
En half verguld, men op zijn kruin hoog uit ziet steken,
En langs zijn stijve borst, met spikklen bont bestreken,
Een roode baard vloeit: in zijn geelgroen oogen leît
De schrik gelegerd, en zijn leden zijn bespreid
Met ongesponnen goud: zijn korte bek zich krommet:
Zijn voet gespoord in 't treên gelijk een krijgsman brommet:
Zijn groote steert zich in twee welfde[325] takken takt:
Met vleugelruisschen hij zijn lenden ribbezakt[326]:
Hij zingt[327], zoo 't schijnt, en met zijn bijzijn en trotsch brallen
Hij van de sterke leeuw de kuif en moed doet vallen.
Dees zalige eegaân, met een welbedreven spoor[328],
Nu hupp'len achterwaart, nu zijlings, nu weêr voor:
Zij dansen, zoo het schijnt, d' Hispanische _pavane_,
En nochtans nimmer men haar lieve dans ziet gane[329]
Uit 's gordels kringk[330], die met gesternde dieren, breed
En wijd vermaald, alsins 't plaveisel onderscheet[331].
Als de eedle bruidegom naar Silo's berg gaat wandren[332],
Ontluiken duistderlei[333] schoon bloemen elk voor andren[334]:
Als hij d' Olijfberg groet, hij, waar zijn lichte treê
Ook loopt, duist vlokskens laat van nevel, rijm, en snee:
Want 't glinst'rig vloersel met zijn aarzelen[335] geslagen,
D' onruste wevertreên gelijk is, in die dagen.
Nu kussen zich dees twee, nu aarsling[336] zij weêr gaan,
En zien malkand'ren nu bedroefd, nu lachende aan,
Nu voorwaarts, nu ter zij, met ongelijke gangen.
De koninklijke maagd men merk'lijk ziet ontvangen
Verandringe in 't kristal haars voorhoofds, schoon verjongd,
Naar maat' haar 't helder ooge haars bruidegoms belonkt:
Dat, zooder[337] hindernis komt plotslijk tusschen beide
De twee geliefkens, wordt zij droef alsof ze schreide;
Het schijnt al of ze storf, haar helder oog gaat uit,
Zoo werkt kuisch' heil'ge brand in zoo verheven bruid,
Maar dit 's ten aanzien van haar maatzang niets met allen,
Haar Engelen-geluid zij houwen[338] met bevallen
Met zorgbetoover[339] luit, viool, en voetgelicht[340],
En houden dus gespraak met lieflijk maatgedicht[341]:
"O klaargeoogde maagd! wat zijdy schoon te achten,
Mijn lief! hoe lieve ik u! mijn duifken, wit van schachten!
O God! hoe lieve ik u, ach! 'k ben mij zelfs niet meer,
Ik sterve om u, mijn lief! om u verrijze ik weêr:
Wat zijdy schoon in 't oog! hoe lieve ik u, mijn herte!
Al wakende ik bezwijm, ik flaauwe, ik stort met smerte.
Door 't stralen uws gezichts, en slapende evenwel[342]
Voel waken in mijn schoot mijn zuur en zoet gekwel.
Wat stort uw zoete pruik[343] voor reuken, mijn vriendinne!
Watte amber, wierook stort uw zoeten adem inne
Twee fijne purpren draân! wat myrre, zoo veelvoud,
Ontvloeit uw vingren, die gereept[344] zijn met schoon goud!"
"Mijn vrund, hoe zoet is mij de reuk van uw genuchten[345]!
Wat stort uw zoete locht al heim'lijk-zoete luchten
In mijn ontsteken borst! en watten honig niet
Ontvloeit uw zoete keel, die beek en gulden vliet!
Mijn bloem, een lely, roos mids[346] in 't gebloemt gekropen,
Een roze, een lely is, de een toe en de ander open:
Dees bloeme met mijn hand ik d' eerste afplukken wil,
Die rieken, kussen, in mijn boezem steken stil.
Als d' app'laar gij, mijn lief, zijt onder de andre boomen,
En vrucht èn bloezem hebt gij uit één stam bekomen:
De vrucht ik smaken wil, de bloezem rieken, ach!
En in uw koele schaauw gaan leegren nacht en dag."
Den schoonen avondstond terwijl, met haar azuren
Koetswagen, sleept een schaar van kleine en mindre vuren;
De willekomme[347] slaap doet de oef'ning wijken dra,
En de beneênste[348] bruid volgt 's Hemels Venus na.
Dees Hymen uitgevierd, geen andere worm den koning
En knaagt, noch droomt niet el[349] als aan des Heeren woning,
Zijn schatkist open staat, geen onkost hij en schouwt[350],
En 's kunstnaars zinnen hij verlet[351] en bezig houdt.
Wel tien duist handen men fluks zweeten ziet en ijlen,
In alle bosschen men slechts hamers hoort en bijlen,
En d' haarge toppen nu van d' heilge Libanus
Naar 't water rollen, om op Sion stijgen flus:
Men snijdt in balk en deel de bosschen met de zage,
Het groote steengebergt vast krimpt van daag te dage;
Met bijtels, hamers, de steenhouwer, eer men 't meent,
Doorsnuffelt 't stijf gedarmt' van 't hemel-hoog gesteent':
Hij venstert een gebergt, dat rijst naar boven eislijk,
En temt fluks den porfier van d' eeuwen onverbrijslijk.
D' een de gebakken steen doorkloven[352] heeft met vier,
En d' ander die begraaft in een diepe afgrond hier,
Den marbel[353] gepolijst met kunstig' handen veerdig,
Ja, marbel, 't voorhoofd[354] van 't gebouw eens konings weerdig:
Dees houwt een pijlers kop: een bult[355] die, met zijn hand:
Een tegenbult[356] verzoet dees: die een voet-vierkant:
Dees maakt een hanebalk: die een beschot ter zijden:
Dees schaaft de delen glad: die gaat ze kunstig snijden.
Bezielt doô cedren, en met 't schett'ren van een hout,
Gebeeren[357], stemmen wekt, en zuchten menigvoud.
En andren, met 't begrijp[358] van d' heil'ge muur, gerezen
Doen, met haar stout bedrijf, den Hemel zelven vreezen:
Men werkt met lust, nog klaagt de kunstenaar altijd,
Dat in midzomer hem de dag te haast ontglijdt.
De druivenlezers zoo, al zingende uit genuchten,
Met 't snoeimes kromgebekt afsnoeyen Bacchus vruchten
In 't vaatjen zoet van reuk: en trossen gaauw en vlug
Haars handgifts zware last met kromgebogen rug,
En, tot de lenden in de mostkuip neêrgestegen,
Al hupplend' vloeyen doen een purpren druiven-regen.
Men ploegt d' onlust te spijt,'t werk ziet men spoên met lust,
Wie 't 's morgens heeft gezien, wanneer de zonne rust,
Erkent, hoe 't groeit: de alwijze en ingoed' Heer der heeren
Aan dezen arbeid schijnt zich zelf te willen keeren,
En 's nachts te werken, als een zoete rust op 't bed
Der metsers[359] zeenwen en gebeenten houdt verlet[360].
Groot-koning! van waar kwam dat reuzen-hert[361] gekropen,
Van zoo veel bergen tot een lichaam op te hoopen?
Met watte wagens, met wat sterke rollen dan
Men dees vierkanten lomp[362] zoo wijd verslepen kan?
Wat krommer vastigheid van opgehangen bogen
Ten bonten wolken draagt dat pak hoog opgetogen?
Indien op 't buitenwerk ik met mijn oogen let,
De mets'laar heeft gevoegd den kant des steens zóó net,
Dat, zoo hij zijn gebouw niet kakelbont deê schijnen,
Met Syrische allebast en herde serpentijnen,
Met honderd gadingen[363] van marber, vast en klaar[364],
Men waande, of d' heele muur een enkel vierkant waar.
Zoo 't binnenwerk wij zien, het buitenst' wij verfoeyen,
Een rijkdom men alsins uitmuntend' hier ziet gloeyen,
De wanden, 't vloersel, en de zolders opgebouwd
Met cedren zijn beplakt[365], de cedren weêr met goud,
En al de plaastering, met loof gevoêrd van binnen,
Met bloemwerk, wild kouwoerd, en lodder[366] Cherubinnen.
Van d' heilge ciersels ik gewag doe noch vermaan,
Die in weerdije verr' 't gebouw te boven gaan:
De kunst de stoffe antwoordt[367], de stof 't gebruik te wonder[368],
O kunstenaar volmaakt! gij bootste uw werk bijzonder
Na 's werelds ide[369], en zoo als voormaals ongefeild
In loten driederlei de wereld wierd gedeild;
En dat de almachtig' hand des Heeren schiep volkomen
Een aardsch, een hemelsch, een heel Godlijk uitgenomen[370]:
Met bloemen, voglen, en met beesten cierend' 't eerst,
Met fakklen 't ander, en met deugden 't alderveerst'[371]:
Als God, aan 't schildren, met schoon blaauw de baren krulde,
De velden groende alom, en 't krom gewelf verguldde:
Als hij 't gesteente schonk zijn verwen licht van straal,
De bloemen spikkelde, en gaf glansen aan 't metaal.
Beeldsnijende, doorwrocht de stronken en de blâren
Der planten, met zoo veel fraai beelden, draân, en âren,
En, gieter[372], bootste ons nog zoo veel gedaanten hier
Van posten snel gewiekt[373], veel visch, en menig dier.
In driën deeldy nog dit Godshuis driemaal heilig:
't Een 't Alderheiligst is, daar niemand wandelt veilig
Als[374] God, de Cherub, en Hij, die stadhouder trotsch
Is van Melchisedech, ware, eeuwig zone Gods.
Het binnenste portaal is slechts voor de Levieten[375],
Die helder zon op zon toeworpen d' Isralieten
De stralen van haar leere, en, met 's wets honigsap
Haar[376] voedende, ingelijfd zijn 's Hemels borgerschap.
Het voorpoortaal gij schikt voor die ik minder reken,
Voor 't leeggezeten volk en de algemeene leken,
En, werkman ondermengd[377], gij alsins wonder zoet
Appelles, Fedrus'[378] kunst, en Miron bloeyen doet.
Dit staal u zoo behaagt, dat gij daarna gaat maken
Uws Goddelijken geests langdurige nachtwaken:
Uw boek, gemarberd rijk met _Spreuken_ in Gods taal,
Men rijkelijken mag toe-eignen 't voorpoortaal,
Dewijl het ons verzorgt d' huiswetten nog op heden,
Bijzondre leeringen, en burgerlijke zeden:
En dat de stralen, die hij uitschiet overhoop[379],
Vast oogen meerendeels op 't menschelijk beloop.
In 't binnenste poortaal de _Prediker_ wil schijnen
(Die met zijn voeten kneênde[380] al wat de mensch met pijnen
Vergaart van aangenaam, goed, kostlijk, schoon, en dier)
In 's Hemels herberge ons te voeren wijd van hier,
En roepende: ijdelheid, gans ijdel 's werelds zegen,
Al 's menschen heil is in de vreeze Gods gelegen!
't Geheimste is dit gezang[381], daar, met verborgen spel[382],
Aan 's werelds Koning gij gaat houwen Israël:
Daar gij weêrschallen doet 't zoet bruiloftslied alreede
Van Christus en zijn Kerk: daar d' heilge ziele in vrede
Gespraak houdt met haar God, de locht hoort met 't gebed[383],
In 't vuur zijns stralend' oogs, haar[384] loutert rein en net,
Zijn min geniet, en in zijn heilig bed gerieflijk
Den mond der liefden zelfs mag kussen zoet en lieflijk.
"O, God!" zegt Salomon, na dat hij heeft voltooid
Des Heeren huis, "groot[385] God! die, mij bevolen ooit
Den bouw liet uws Paleis, helaas! maakt mij, o Heere!
Daar levend' steen af[386], wekt in Davids zaad zijn eere.
Oneindlijk Koning, die behelst[387] de oneindlijkheid,
Monarch, die in uw troon zit naar uw Majesteit,
In d' afgrond naar gerecht, alom naar uw vermogen:
O Vader! herbergt[388] hier, om ons uw hulp te toogen:
Mag 't zijn in twijfelzaak zoo spoeit u tot den eed[389],
Ontwerret dezen knoop, straft strengelijk en wreed
De stoute meineed ook, en maakt niet, dat men zondig