Al zwakker David wierd, en 't lemmet van zijn leven

OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:

Gespreid geprinte tekst is gemarkeerd met _liggende streepjes_. Klein

kapitaal is weergegeven met HOOFDLETTERS. De originele spelling en

interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met correcties bevindt zich aan

het einde van de tekst. Dit boek bevat een aantal referenties naar

andere delen uit De complete werken van Joost van Vondel, namelijk

Project Gutenberg e-book 30473, 48113, 48607 en 48956.

DE COMPLETE WERKEN

VAN

JOOST VAN VONDEL.

DE HEERLIJKHEID VAN SALOMON,

OF

_HET TWEEDE DEEL VANDE VIERDE DAG DER TWEEDER WEKE_,

GEDICHT BIJ

WIJLEN DEN E. G. DE SALUSTE, HEERE VAN BARTAS,

DE FENIKS VANDE FRANSCHE POËTEN,

ENDE NU UIT HET FRANSCH IN NEDERDUITSCH VERTAALD.

_CHRISTUS_.

Hier is meer als Salomon.

De Vertaalder aan Keizeren, Koningen, en allen geweldigen[1] op aarden.

Klinkert.[2]

Gij, die van peerlen, goud, en diamanten schimmert[3],

Goôn! in wiens voorhoofd God zijn beeld heeft ingedrukt,

Die 't purper kraken doet, en kreukt uw haar, gejukt

Met glanzig kroonengoud, te weeldig opgetimmerd[4]:

Wordt niet jeloers, wanneer gij Salomon ziet brallen,

Die op zijns vaders troon der rijken scepters zweit[5],

En, met de bliksems van zijn heil'ge Majesteit,

Ontschept[6] en doodverwt die voor hem op 't aanzicht vallen.

Hoe sterk zijn glorie straalt, nog is 't maar enkel rook;

Zijn pracht en praal verwelkt, zoo smilt uw blijdschap ook;

Zijt dan op sterflijk leen hovaardig noch vermetel:

Geen rijk bestendig is als[7] 't Hemelsch Koninkrijk

Daar Jezus heerscht, die u, Monarchen! algelijk

Geweldig dagen zal ter vierschaar voor zijn zetel.

DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.

DE VERTAALDER WENSCHT ZIJNEN VRUND,

DEN HEER

DIERICK KORVER

ALLES GOEDS.

Het gene de voortreffelijke Michel de Montaigne in 't algemeen van een

uitnemende[8] poëtisch werk getuigt, daar hij schrijft: La bonne, la

supreme, la divine est au dessus des regles de la raison. Quiconque

en discerne la beauté d'une veüe ferme & rassise, il ne la void pas:

non plus que la splendeur d'une esclair. Elle ne prattique point

nostre jugement: elle le ravit & ravage;--dat zelve mogen wij in 't

bijzonder van dit juweel spreken: waar in de Heere van Bartas schijnt

hem zelven te overtreffen, en uit de heerlijkheid des grooten Salomons

zijnen glans te scheppen. Want gelijk hier de stoffe uitnemende is,

alzoo is ook de kunst ongemeen, en de gedichtlievende lezer wordt van

een aardsche tot een Hemelsche glorie opgetogen: zoo dat hij, Salomon

vergetende, opstijgt voor de voeten van Christus, aller Koningen

Koning, wien alle macht in Hemel en op Aarde gegeven is, en in dewelke

de volheid der Godheid lichamelijk woont, en alle schatten van wijsheid

en kennisse verborgen zijn. Heeft ons oordeel dan in zulken Goddelijken

licht geschemeroogd: hebben onze tedere oogen kwalijk zoo heilige

bliksemen konnen verdragen: en is hier Salustius niet als Salustius

uitgedrukt: dat willen wij geerne toestaan. Evenwel, mijn Zangeresse

leergierig heeft, om haar feilen aangewezen te zien, haar zelve willen

onderwerpen uwe A. oordeel, hetwelk zij heeft ervaren te wezen gezond,

rijp en bezadigd; zoo dat ze wenscht, indien de Rijmers malkanderen

eenmaal uitdagen, om zonder bloedstortinge om den palm of lauwerhoed[9]

te kampen: dat uwe A. de voorplaats onder de scheidsmannen moogt

bekleeden, ten einde het vonnis te billijker gestreken werde. Ontvangt

dan, jonstige Korver! mijn geleende veerzen, en doet ons die eere, dat

gij onze feilgrepen op de kant aanteekent, opdat wij ze aanmerkende[10]

namaals beteren.

t' Amstelredam, dezen 28. van Loumaand 1620.

Uwe A. verplichte Vrund

J. V. VONDELEN.

VOORREDEN.

Ik hebbe, Lezer, meermaals voorgehad, mijn plompe handen aan dit

zuivere te slaan; maar vreeze heeft mij altijd doen aarzelen, omdat ik

ontzag, met ongewijde vingeren deze arke aan te tasten: en liet mij

vastelijk voorstaan, dat geen gemeen priester of Leviet, maar wel een

hooger als ik geoorloofd was, zijn voetzool in dit heilige der heiligen

te zetten. Mijn gevoelen hier in wierd versterkt, vermids het loflijk

getuigenisse, dat de aldertreffelijkste verstanden van dit puikjen

gaven: gelijk dan, neffens andere, zijnen uitlegger Simon Goulart hier

van luidskeels trompettet in deze woorden: s'ensuit la _Magnificence_

ou seconde partie du quatriesme jour de la seconde Sepmaine, ou

Salomon est proposé esleu pour successeur a son pere. Sa sapience,

son mariage, son Temple basti a l'Eternel, y sont si magnifiquement

descrits, qu'en cest eschantillon le Sieur du Bartas semble avoir

voulu surmonter soy-mesme, & par ses riches inventions debatre avecq

la dignité d'un si sublime sujet. Dat is: volgt de _Heerlijkheid_ of

het tweede deel van de vierde dag der tweeder weke, alwaar Salomon

wordt voorgesteld als zijns vaders gekoren nazaat; zijn wijsheid,

zijn houwelijk, zijnen tempel Gode gebouwd, wordt er zoo heerlijk

beschreven, dat in dit munster-staal[11] de Heere van Bartas schijnt

hem zelven te willen overtreffen, en met zijn rijke versieringen te

worstelen met de weerdigheid van zoo hoogwichtige stoffe.--Het was dan

niet zonder oorzaak, dat ik mij hier aan vreesde te bezondigen. Maar

gelijk mij vreeze somtijds dede deinzen, alzoo noopte mij wederom een

heimelijke hertstocht, om eenmaal[12] te zien, hoe ik deze Fransche

Venus met een Neêrlandsch gewaad en hulsel zouden mogen tooyen en

opsmukken, en met Apelles ten toon zetten, om van nutte berispers mijn

werk te laten keuren. Ik wikte. Ik waagde 't. Lezer, verwondert u niet

dan wij onder alle zijn puikrijmen dit paragon[13], dezen overkijker,

hebben uitgekeurd: zoo doen ook die gene, die diamanten onder diamanten

uitpikken. Latet[14] u ook niet vreemd toeschijnen, dat wij wat tijds

met vertalen spillen: een berooid huisraad moet veeltijds van anderen

wat ter leen bezitten. En zoo gij ons voorwerpt[15] die boerterij van

d' ekster, die onder de paauwen met geleende veêren dacht te pronken,

wij voelen, dat wij deerlijk[16] getakt[17] en op ons zeer geraakt

zijn, want wij brageeren met het gene eens anders is. Maar eer gij u

aan onze rijmen ergert, zoo bidde ik, dat gij eerst deze dingen op de

rijge[18] overweegt: 1. dat wij u een vertalinge en geen eigen vindinge

ter hand stellen. 2. dat wij zoetelijker hadden mogen vloeyen, zoo wij

ons niet naauwer aan de text wilden binden. 3. dat mijn moeder mij

geen beter Nederduitsch geleerd heeft. Mag ons dit niet afwasschen,

en blijfdy evenwel daar op staan, dat wij met Faëthon ons onderwonden

hebben, den zonwagen te mennen: ik hebbe niet te zeggen, dan mij daar

mede te troosten, dat men ten minste nog van mij getuige:

Hic situs est Phaëthon currus auriga paterni,

Quem si non tenuit, magnis tamen excidit ausis.

DAT IS:

Alhier ligt Faëthon verslagen,

De voerman van zijns vaders wagen:

Die, of hem is[19] den toom ontgaan,

Nochtans heeft vrij wat stouts bestaan.

Lezer, ik hebbe gezeîd. Leest nu het kort inhoud van onze overzettinge,

daar na de vertalinge van het uitstekendste gedicht dezes goddelijken

poëets, en oordeelt heuschelijk van onze misslagen.

HET INHOUD.

De poëet beschrijft heerlijk in dit boek de Heerlijkheid van Salomon,

de Zone Davids, het afzetsel, gedurende zijn wijze regeeringe, van

den waren Salomon, de vrede-Vorst, Jezus Christus, de Zone Godes, en

Bruidegom der Kerken[20]. Zijn voorreden vervat een noodzakelijke

vertooninge van het onderscheid tusschen hem en de andere poëten

dezes tijds, voornamelijk in de langheid[21] van zijn voorgenomen

werk, alwaar hij zich zediglijk ontschuldigt: daar na, volgens

zijn voornemen, komt ter zaken[20]: en als het eerste lid van zijn

verhaal stelt David voor, die met uitnemende leerstukken zijnen zone

onderwijst, om hem bekwaam te maken tot de regeeringe des koninkrijks:

beschrijvende de voornaamste deugden, waarmede een goed vorst zich

geduriglijk behoort te vergezelschappen, daar na de kwade, waar van

het hem betaamt zich te wachten: het welk besloten wordt met de

overlijdinge dezes grooten konings.

Het tweede lid begrijpt[22], hoe God aan Salomon verschijnt, wien

glorie, rijkdom, gezondheid en wijsheid aangeboden worden. Hij, van

den heiligen Geest gedreven, stelt, en met goede reden, de wijsheid

boven alle de andere, waarmeê hem God begaaft, om zijn gaven in hem

te kroonen. Daar na stelt de poëet voor oogen deze wijsheid van

Salomon, bestaande in de kennisse van alle goddelijke, natuurlijke, en

aardsche zaken, voornamelijk in de bestieringe zijner onderzaten, en

in de bedieninge des gerechts; waartoe hij bijbrengt een aanmerkelijk

voorbeeld, genomen uit de heilige geschichten[23], uit de tien

hoofdstukken van het eerste boek der Koningen, waar uit dit heele

poëetsche werk getogen is.

In het derde lid, hebbende aangewezen de gelukzaligheid van Salomon,

zoo verhandelt hij zijn houwelijk met de vorstinne van Egypten:

het welk, vereischende de alderschoonste streken van een warachtig

poëtelijk pinceel, veroorzaakt ook, dat onze uitnemende dichter in

70 veerzen vervolgt een schoone lusthof, waaruit de minneboefjens

vertrekken, die Salomon en Faronida tot onderlinge minne bewegen, waar

op het houwelijk wordt in het werk gesteld. Te dezer oorzaak hebben

het vertrek van Egypten, de aankomste van deze vorstinne te Jeruzalem,

de ontmoetinge van den koning met haar, en haar bruiloftsmaal hare

bekwame beschrijvinge. Ende overmids dat dit houwelijk van Salomon iet

wat grooters beteekent, als de grootheid zelf, te weten: de verborgen

eenigheid[24] van Jezus Christus met zijn kerke, de poëet, willende

de Lezer omhooge voeren tot deze goddelijke betrachtinge, neemt de

zake wat leeger[25]: en onder het deksel van Salomons bruiloftsfeest

te vereeren, vertoont ons een wonderbaarlijke dans, te weten der

Hemelen: alwaar vaste en dwalende sterren een zoo juist afgepaste

beweginge hebben, dat alle andere beweginge ten aanzien van deze

maar lomperij[26] is. Onder andere past hij tot deze goddelijke dans

zon en maan, en bij de zon stelt hij voor oogen Salomon en Christus,

bij de maan, de vorstinne van Egypte en de kerke. Dit alles ziet men

hier afgemaald in veerzen, die een oneindelijke schoone betrachtinge

behelzen, en een ernstiger overweginge vereischen als dit kort begrip:

inzonderheid, zoo men waarneemt het gene hij daar aan hecht van het

heilig gesprake des bruidegoms met zijne bruid. Wij hebben kortelijk

deze dingen op de kant aangeteekend[27], om alle heilige gemoederen te

bekoren, de meeninge des poëets veel grondiger na te vorschen.

Het leste lid begrijpt geen mindere verwonderinge[28] in de

beschrijvinge van de bouwinge dezes heerlijken Salomons tempel,

gesticht naar de groote wereld, en ingetogen in de drie boeken dezes

wijzen vorst, wiens gebed gedaan in de inwijdinge des tempels hier bij

gevoegd wordt: En volgende de aankomste van de koninginne van Saba

te Jeruzalem: alwaar zij navorscht de wijsheid des konings, die haar

onderwijst in de kennisse des eenigen waren Gods, waar uit vloeit de

met rechte verwonderinge des koningins.

Eindelijk, het zij men waar neemt Salomons onderwijzinge, het zij

de verschijninge Godes om hem te zegenen, of zijn wijsheid, of zijn

glorie, of zijn houwelijk, het afzelsel[29] van al onze gelukzaligheid,

of zijnen tempelbouw, of zijn gansche gelegenheid huiselijk,

burgerlijk, en geestelijk, gedurende zijn godsdienstigheid, het zij de

bouwinge en schoonheid des gedichts dat alles voor oogen stelt: men

moet bekennen, dat met recht dit boek den titel draagt van

De Heerlijkheid van Salomon.

Wat zijdy zalig! die gij[30], abel van verstand,

Uw rijmen-mate stelt naar dat uw ijver brandt;

Die moêgeblokt, met uws ervaren breins verschoonen,

Uw hers'nen niet verduft: die steeds met and're toonen

Gaat uiten, met een zang, nu deftig, nu weêr zoet,

Wat u voorvallen mag en eerst loopt te gemoet:

Die met opschriften nu, nu wederom met lieden[31],

Doet smoken 't vuur, dat uw gemoeden[31] brengt aan't zieden.

Maar, mijnen roem, mijn eed den Hemel eens gedaan,

In dit streng werkhuis houdt mijn voeten stadig aan

Gekluisterd als een slaaf; mijn geest blijft hier onledig:

Geen ander jeuksel knaagt mij dag en nacht onvredig:

Ik, veel te bezig, slacht den meulesteen[32] altoos,

Dien eenen waterval omwentelt eindeloos.

Dus is 't, dat ik zoo vaak in spijt van Febus zinge,

Naai veerzen lang van sleep uit ernst[33] te zonderlinge,

Die d' Hemel in mij blaast, en tiktak even kloek

Van wol en zacht katoen dit heerlijk gouden doek.

Gij put 't vermogen van uw vleug'len t' eenemalen[34]

Niet uit, maar wispelsteert[35] gelijk de nachtegalen

Gedurende uwe lent, van d' een in d' ander haag,

Van stoffe in stof, van lied tot lied, al even staâg:

Maar ik de Zwaluw' na te volgen niet en vruchte[36],

Vind nergens nesteltak[37], passeere met der vluchte

Een veler eeuwen zee, die boom noch oever roert,

Nu van het Zuiden, nu van 't Noorden weggevoerd.

Uw loopbaan eindigt kort[38], is vol, is wonder lieflijk,

Elk veldweegs gij verpoost[39], uw adem schept gerieflijk,

Vindt eenig groen gestoelt', verfrischt u voor een tijd

In lustprieelen braaf[40] met rozen getapijt:

Maar eind'loos is mijn loop: nu schure ik d' ijsgewelven;

Nu sneuv'lende[41] van 't steil, verduizeld, vind mij zelven;

Nu klaver ik om hoog; nu kruise ik 't bosch met ijl;

Ik struikel, ik verlies mij zelf, ik val somwijl:

En als kwaad mortel lijmt den melksteen, de porfieren,

Den jaspis, serpentijn, en marbel, om te cieren,

Om mijn vertelling gaâr[42] te hechten, dan en nu

Een kreupel veers insluipt slim, half geveild en ruw.

Daarom nochtans ik niet het aangevangen stake,

Is 't werk groot, grooter is de lust daar ik in blake.

Nog is niet uitgeput mijn hert van 't heilig vuur;

Niet[43] schoons men zonder zweet bekomt en arbeid zuur;

De dalen leeren 't oog de bergen onderscheiden,

En 't kunstrijk beeldsel, dat de Kunstenaar laat weiden

In een mozaïsch werk[44], tot meerder cieraad, hij

In verwen onderscheidt, hoeveelheid, en waardij.

God geeft, dat in mijn rijm de merkelijkste smette

Zij als een mug, die haar aan 't sneeuwit aanschijn zette

Van een ontloken maagd, en luttel feilen thans

Meer luisters brengen toe mijns hoogen ijvers glans.

Al zwakker David wierd, en 't lemmet van zijn leven

(Wien 't olie-achtig sap des wortels ging begeven)

Allengs brandde in de pijp, als hij, op zijn verscheên[45],

Nog wakker met verstand gaat uiten deze reên,

Leeraren[46] Salomon, en, door 't Geheim[47] gedreven,

In 't koninklijk gestoelt hem zetten hoogverheven:

"Mijn zoon! dien[48] zonder twist, meêvrijer[49], of geweld

Geluk, nature, en wet de kroon heeft opgesteld.

In 't heerschen wijsheid voegt en goedheid te doen blijken,

Wenscht hij te mennen lang den teugel van zijn rijken;

Maar die door hulpe van 't geluk het koningschap

Bereikt, en daar toe komt langs ongewone trap,

Moet meer als mensche zijn, en, in de deugd ervaren,

D' ontziene tulband zich verzek'ren op zijn haren.

Maar Salomon! gij kent het bed daar af gij daalt,

Gij ziet, hoe Israël Adoniam onthaalt,

Hoe, om uw eer jeloers, de zeden[50] moeten wijken,

En om uw grootheid wij natuur verongelijken:

Streeft naar volmaaktheid dan, en, dapper van gemoed,

't Gebrek verduistert van uw ondoorluchtig bloed.

Monarch van Jacobs stam! dient 's werelds koning stadig,

Op 't eenig steunsel van zijn vrijgelei beradig[51]

Uw stoutste aanslagen grondt, en altijd, vroeg en spaad'

Uw ooge en uwen geest op zijn voorschriften slaat:

't Godlasterlijk geblaf der honden vliedt verbolgen,

En, onder-koning, wilt uws Heeren zeden volgen.

Denkt, dat de dikte van uw hooge muren zelfs,

Veel poorten zwaar van staal, veel hoffelijk gewelfs[52]

Niet hindren, dat zijn oog bekeurende achterhale

Uws herten Dedalus[53] in uw geheimste zale.

Mijn zoon, zoo 't noodgeheim[54], of de geboort' veel eer

U Edomieter teelde of Filistijner Heer,

Zoo 't erflijk u gemaakt had Faroos titels eigen,

Zoo Meden[55] aan uw kniên kwam zijnen mijter[56] neigen,

Zoo Perzen[55] waar uw leen, uw hoogheid nochtans veugt[57]

En eischt alom te zijn geborstweerd met de deugd;--

Maar om 't zaad Abrahams 't jukdragen te gewennen,

Gevoegelijk den toom van 't heilig volk te mennen,

Bezitten Jozua's en Samsons stoel[58] naar wensch,

Een nazaat[59] Gods te zijn, gij meer moet zijn als mensch.

Wilt boven d' ouden knecht d' aankomeling niet achten:

Gebiedenskunst bestaat in kunst min als 't betrachten;

De most wijkt d' oude wijn in smaak, en d' hovenier

Uit 't hert[60] zijns lusthofs niet roeit, met een dwaas bestier,

Een groeizaam weeldig hout, dat twintig wintervlagen

Met zoete vruchten heeft zijn lekk're disch beslagen,

Om pooten in zijn plaatse een loote of struik, wiens vrucht

Hij proefde met 't gebit alleen van valsch gerucht.

De vleyers, Salomon! oorlingen[61] zijn, die waarlijk

Den wijsten koning staan tot hindernis gevaarlijk,

Wat rechten zij niet aan! vermids zij vinden haar

Snoô weergade in ons herte, een erger huichelaar,

De liefde van ons zelfs, een altijd woênde peste,

Die aanspant met dees vreemde en haatlijk rot op 't leste.

Den bloôn verbeelden[62] zij, dat hij is wijs altoos.

Den dronkaart blij van geest, d' ontrouwe erg[63] en loos,

Rechtveerdig vorst en prins zij noemen 's volks verdemper[64],

Den domme stemmig Heer, Augustus den verslemper[65],

En als doorsnuff'lend zij zijn neiging nu verstaan,

Zij, als in hem veraârd, zijn boosheid bidden aan.

Vlucht die gedrochten dan, ontslaat u dan der boozen

Afgrijslijke ommegang, 't gezelschap der eerloozen:

Geen toegang in uw hof den roover toe en laat:

Geen moorders 't hoofd ophoudt: de toovenaren haat,

Uit vreeze, dat ze met haar adems gift te gader

Niet smetten doodelijk stads borrensprong[66] en ader:

De zeden niet vergift, fontein, daar d' onderzaat

Uitputten zal voortaan van beids[67] òf goed òf kwaad:

Beheerscht uw lusten, wordt uw toorne en angst te machtig,

Die niet zich zelfs gebiedt geen koning is warachtig:

Doet niet wat gij vermoogt, maar zulks doet als u past:

Uw nek eerst[68] onderwerpt der wetten juk en last.

Den onderzaat, als hij tot leidsman heeft zijn koning,

Door water, berg, en bosch rent zonder lijfs-verschooning[69].

Bewijst gespraakzaam[70] u, goed, liefgetal[71], mijn zoon!

En volgt vermetel niet de beelden dezer[72] Goôn,

Die uit haar gulden bus men jaarlijks eens verlochtigt[73],

Opdat den Hemel, nu verbeên, het aardrijk vochtigt.

Zijn woord opeten[74] past geen koning wijs gezind,

Al wie zijn trouwe breekt, geloof noch trouwe vindt,

Bedriegend' polt[75] zich zelf; het volk, jeloers[76] om schouwen

't Gevaar zijns lichten aards, zich wapent met wantrouwen.

En 't nageburig rijk, een leeuw van sterkheid groot

Heeft, liever als een vos, tot zijn trouw bondgenoot.

Zij[77] in 't beloonen mild, in 't straffen schaarsch en vrekke[78]:

Maakt, dat standvastigheid uw borst alzins bedekke.

't Uitstekendste is omringd van rampspoên aldernaast,

En de alderfelste storm op hooge poorten raast.

Uit eerzucht 't aardrijk niet met wapens gaat beroeren;

Indien geweld of eere u oorlog prangt[79] te voeren,

Bewijst u Davids zoon, maakt, dat uw krijgsmansarm

Zoo koud[80] zij in 't bestaan[81], als in 't uitvoeren warm.

Waakt, zweet, en redeneert, en, heldisch niet om temmen[82],

Vrijt den geronnen[83] stroom te voet, en 't nat in 't zwemmen:

Het schaduwende lof eens planebooms[84] u frisch

Een zonnehoed verstrekk', een beukelaar uw disch,

Uw oefeninge[85] uw vuur, wat zoôn uw bedstede ergen[86];

Met lekker dischgerecht wilt uwen mond niet tergen:

Zware arbeid zij uw sausse: in 't hol eens stormhoeds meê

Zuipt 't water uit een beek, vermengd met slijm en snee.

Laat trommel, laat trompet, laat omgewielde[87] fluiten

Uw klavecymb'len zijn, uw cithers, en uw luiten:

Hardvochtig eenen berg al dravende overschiet[88],

Al loopende een ruim veld, al springende eenen vliet:

Uw hoofd met stof en zweet zij wel doortrokken echter[89]:

Zijt overste en soldaat, een bliksem is de vechter

Als hij zijn koning heeft, die moedig treedt vooraan,

Gezelle[90] in 't avontuur en rechter van zijn daân.

Met lust tot leerzucht zoude ik uw gemoed ontsteken,

Zage ik alreede niet de Godlijkheid uitbreken

Van uw diepzinnigheid: maakt, dat geleerdheids cier

Dien' tot een hulp de kunst van 't koninklijk bestier,

En ga slaat[91], dat, gelijk natvochtigheids vervelen[92]

Versmacht[93] eens fruitbooms ziel, haar groeizaam leven stelen[94],

De veel te zware les, der kunsten weelde en lust

Zoo fraaye geesten niet haar geestigheid uitblust,

Noch maakt uw zinnen niet door slaapzucht dom ellendig,

Noch van 't gemeene-best-bevordren 't hert afwendig.

Met een gevlerkte geest den loop verzelschapt voorts

Van 't nachtgeleidend' licht, den daggeleider toorts[95].

De eislijke ondiepten meld, die d' Ocean bewegen.

De grijze toppen meet der bergen hoog gestegen.

Doorsnuffelt hoek voor hoek dit nederig gesticht[96],

Doch om verwond'ren[97], hoe in 't werk de wijsheid ligt

Des geens, die 't zoo wel schikte: en wilt vooral niet slachten

D' arm' hoveling, die dor en uitgeput van krachten

In 't leeger[98] hof veroudt, en die zijn oogen sterk

Op 's pijlers groeven slaat, op 't voet- en heuvelwerk;

Die suf beschouwt 't vermaal[99], medalliën, beelden, standen,

En d' hoofdcieraden van de koninklijke wanden,

Die, hem vergapende, is nù bij nù buiten zich,

Terwijl zijn makkers zien den koning scepterdrig[100].

De weegschaal houd recht op, 't oog toe, uw handen reine;

Wreekt streng 't bekende kwaad en onrecht; 't uwe alleine

Vergetenheid beveelt; de tranen ziet, en hoort

't Geschrei des geens, die in een zee van droefheid smoort.

Hoort d' oogen[101] menigmaal die op uw landen oogen:

Die niet wil rechter zijn, geen vorst is om gedoogen[102];

En in der eeuwigheid scheid nimmermeer, noch weert

Van 't scepter des gerechts het schitt'rende oorlogszweerd!

Begunstigt grooten niet, noch drukt die 't kwalijk hebben;

Noch van uw wetten maakt een ijdel spinnewebben,

Waarin de mug verwert, terwijlen het gebeurt,

Dat ruisschende de wesp den inslag rijt en scheurt.

Verdrijft die herders, die d' onnoozle kudd' verteeren;

Zulke overheden kiest, die haren staat vereeren,

Die d' Alderhoogste ontzien, die 't vonnis strijken recht;

Men oordeelt in 't gemeen den meester naar den knecht.

Den vrome mild begaaft, maar wilt uw leen niet schiften[103];

Hij stopt, die roert den grond, de borne[104] van zijn giften.

Voor al, mijn troetelkind! verdrenkt[105], om Gods wil, dy[105]

Niet in 't bedrieglijk meer van 's boels liefkozerij:

Helaas! helaas! ik ducht! keert, o alwijze, algoede

God! mijns gezichts gevolg[106] doch af van mijnen bloede,

Aanstaande is 't, ducht ik, dat dit zoet vergif, o kruis!

Nog met afgoderij zal smetten Davids huis:

Dat, zoo 's deugds heilge liefde u niet ontsteke t' elken,

Zoo een geduurzaamheid van naams en faams verwelken

U niet te rug doe zien, tracht dat u in die kamp

Nog tot een lesse dien' de vaderlijke ramp.

D' Almachtige, mijn kind! mij roept u te begeven,

Vaart wel! ik wandel door den dood in 't eeuwig leven,

Om hooger heerschen, vrij van 't menschelijk gekwel:

Uw handen ik beveel den staf van Israël.

Gij, die om 't kwaad eens vorsts 's kroons glinsterende stralen

Van 't een in 't ander huis, van land tot land doet dwalen,

Verletze[107] bij de mijne, en brengt, van mijns zoons zoon,

Dien Grooten Koning eens te voorschijn en ten toon,

Daar Israël op hoopt, daarna[108] ik zucht te voren,

Groot Koning, die het rijk des Duivels zal verstoren."

Zoo sterft hij, en de zoon zijn voetspoor gade slaat,

En 's Hemels God met hert en mond aanbidden gaat:

Door Godvruchts deure treedt in 't rijke met verlangen,

En speelt tot 's Heeren lof veel lieden[109], veel gezangen,

En smookt te Gibeon, en in den geest aanschouwt,

Terwijl zijn vleesch nog slaapt, dien God dien hij vertrouwt,

Groot God, die rijk gekroond met flonkerende vieren,

Hem vier joffrouwen toont, en geeft hem keur van vieren[110].

De Glorie zwikt[111] een schicht, dieze in haar rechter vaat[112],

En treedt er niet als maagd, maar als een braaf[113] soldaat,

In 't glinst'rende gesternt' verbergt z' haar hoofd en kruine,

En in een sluyer draagt ze een heldere bazuine,

Wiens wind is enkel lof, trompet, wiens hel geruisch

Vult van de schoone zon het een en 't ander huis:

'tHoveerdig weefsel van haar sleepkeurs, die zoo gloriet

Met 's vijands onderlage[114], is bloedig gehistoriet[115],

Met benden, met trofeên, en ringen: met de voet

Zij duizend koningen vertreênde zuchten doet.

De Rijkdom mag[116] men prat niet wijd van hier zien brommen,

Met Pluto's, Rhea's, en vrouw Thetis haar rijkdommen:

Eens lakens held're glans bedekt haar lichaam houdt,

Robijnscherp[117], en gestijfd van ingeslagen goud:

Haar rechte en slinker stort een bus, waar uit gestegen

Komt neêrwaarts een Pactool'[118], een blonden Englen[119]regen,

Een glinsterende Taag: haar knechts 't geluk men heet,

Het waken, spaarzaamheid, en d' arbeid nat bezweet.

Gezondheid toont haar ginds, geen rimp'len 't voorhoofd breken,

Haar oog geen peerlen dauwt, haar kaken niet verbleeken;

Blij, levend', poezelig, vertoont ze een kinds-gelaat,

Zij huppelt, danst, en springt, en vliegt, waar dat ze gaat:

Des levens held're toorts blaakt in haar vuist ten toone,

En d' heil'ge vederbos des Fenix overschoone

't Begin haars keurs verstrekt; en ziet, aan de ander zij

Komt ons de Wijsheid met haar statig aanzicht bij;

Die, opdat z' hoog verzel de voetelooze vooglen

Van 't eeuwig Paradijs, zijn aangehecht twee vlooglen:

Stil is ze van gebaar, haar gang verzwaart ze zeer,

Men ziet ze oon[120] regelmaat en passer nimmermeer:

De spiegel van nature, en haar zelf tot haar vordel[121],

Hangt aan de ketenkens van haren rijken gordel.

De vorst, zijn oogen op haar schoonheid slaande knap[122],

Waant ingelijfd te zijn in 's Hemels borgerschap:

Hij vindt zich met den glans eens Paradijs besloten,

En twijfelt, wat hij zal uit zoo veel goed'ren loten;

Ten leste spreekt hij dus: "wat hebbe ik, Heer! gedaan,

Om van uw handen zoo veel eer en goeds t' ontvaân?

Gij voorkomt mijn verdienste, of liever bouwt Uw eere

Als gij mijn snoodheid[123] eert: o, de Overhand[124] is, Heere!

Een keizerlijk geschenk, en niets en is zoo zoet

Dan dat men 's gramschaps brand maakt dronken in het bloed;

Maar laas! vaak volgen haar veel woênde razernijen,

En d' oû gewoonte van bebloede moorderijen

Maakt metter tijd gelijk d' onstrengsten koning schier

Een tijger, felle leeuw, wildzwijn, of panterdier.

Die schijnt gelukkig, die zijn vruchtb're kudd' ziet zwillen,[125]

En stelen Carmelus[126] zijn groenende achterbillen[127];

Om wien een wijnrijk land en vruchtbaar korenaard'[128]

Doorploegd met ijzer scherp, oneind'lijk teelt en baart:

Die van de Seres heeft de blonde en goudgeel âren,

Het dierbaar schoon gesteent' van de Arabische baren,

De wouden Entidors, 't Ofirisch goud daar bij,

Van Sabba 't reukwerk zoet, en Tyrus' pelterij.

Maar hoe! men ziet alzins, waar rijkdom staat in 't bloeyen,

't Opmerken[129] sterven en vermetelheid meer groeyen:

De rijke slaaft om 't goud, en wie, naar God geaard,

Zijn oogen en gemoed wil opslaan Hemelwaart,

Moet arm zijn in der daad, of arm zich toe gaan stellen:

En vreeze en rijkdom ook malkand'ren steeds verzellen.

Lang leven waar mijn wensch, mijns herten lust en wit,

Dat ik mijn zonen zage in 't derde en vierde lid:

Maar ik bezorg mij[130] voor de rampspoên, die verbolgen

Gemeenelijken dicht mijns levens langheid volgen:

Wie wel leeft leeft genoeg, want 's levens loop, die kort

Is, naar der dagen tal niet afgemeten wordt,

Maar naar doorluchte daân; en 't leven, kort en sterflijk,

Is maar een oogenblik, een niet bij 't onbederflijk.

Zulks is de wijsheid niet, de eere acht zij als 't gespook

Eens winds, die licht vervliegt, het leven enkel rook,

De scepter eenen tak van masthout klein van weerden,

De peerlen zand en gruis, het goud maar slijm der eerden[131]:

Zij is een spiegel Gods, een bliksem, die ontgaat

Den donderkogel van zijn Goddelijk gelaat:

Een heil'ge instortinge ook des milden Hemels, nimmer

De schoonheid is gebluscht haars voorhoofds klaar[132] van

schimmer[133],

Altijd haar zelf gelijk, zij niet alleen zoo net

Een zelfde spoor vervolgt, maar houdt een zelfde tred:

Gezondheid buiten haar, eer, rijkdom in 't gemeene

Mij drie venijnen waar[134]; de Wijsheid is 't alleene,

Die van alle andre goên[135] mag strekken zonderling[136]

Haar leidsvrouw, werktuig, born, cieraad, en matiging.

Brengtze, o God! voor den dag, laatze, o God! mij verstrekken

Een bedgenoot altijd, op dat ik steeds mag lekken

Den zoeten geur, die vloeit uit haren heil'gen mond,

Datze in het vierschaar mij verzelschap t' allerstond,

En ik nog kindsch[137] en teêr, met haren staf beschudden

In vette weiden mag d' Abrahamietsche kudden,[138]

Oneindelijcke kudd', ja, kudde, die gewis

Een trouwen herder van den Hemel weerdig is.

Heer! geeftze mij, ik kwijn, ik flaauwe, of, zoo ik leve,

Ik, heilge vuurvliege, in haar vlamme leve en zweve,

En, nieuwe zomeruil[139], te stout, in 't licht gesmook

Van hare lampkens, ik mijn vlerkskens teêr verschrook."[140]

"Houd daar, ik schenk ze u!" zegt d' onsterfelijke vorste,[141]

"Vermids geen ander liefd' brandt in uw eed'le borste;

Ik wil, dat gij bezit, als tot een toegift veil,[142]

Gezondheid, rijkdom, eer, en overvloed van heil,

Terwijl gij dient dees maagd, in mijnen dienst u bouwe[143]:

Oon[144] eersleep mag niet treên zoo welgeboren vrouwe."

Als Salomon ontwaakt, hij merkelijken ziet

Dat de gematigdheid[145] van 's lichaams dampen niet

Veroorzaakt in zijn geest een droom zoo wonderbaarlijk;

Maar 't afgezette beeld van d' hand eens Engels waarlijk:

Want zalig hem oon kunst de kunsten staan ter hand,

Geleerdheid zonder moeite; een ongemeen verstand

Zijn doen verguldt; hij vliegt om hoog, en gaat doorzoeken

Van 's werelds ingewand de diepte, en donkre hoeken.

De raadsels van 't gewijd pampier zijn hem gemeen,

En daaglijks zijn gesprake[146]; en zijn diepzinnig brein

Van weinig woorden, die de goddelijke veêren

Beschreven, zoude eerlang veel boeken ons stoffeeren.

Geleerdlijk[147] hij de zon oon vreeze sterven ziet:

De dwalinge onverdwaald der sterren hij bespiedt:

Hij weet of 't is nature, of engel, die de ronde

Met een drievoude keer doet op één tijd en stonde:

Of Febus licht van zijn, de Maan van anders[148] vuur:

Of d'herfst de zomer, lent, en winter, koud en stuur,

Der zonnen[149] kindren zijn: en van wat rook, zoo verre

Om hoog, de locht ontsteekt een langgehaarde sterre:

Wat polsen, stijf van dreun, wind telen slinks en krom:

Wat vuurge pennen dat de bliksems dragen om:

Wat breidel d'oceaan dwingt binnen zijne palen;

Of hij gehoorzaamt 't licht met zijn gehoornde stralen;

Of 't zweetrig kussen[150] des verliefden hemels frisch

Der peerlen vader, en der oestren bruigom is:

Of 't waar is, dat hij droef de slijmige ons uitzondert,

De blinkende als hij lacht, de bleeke teelt als 't dondert:

Of 't vochtig element 't grijze Amber teelt gewis,

Of datmen 't vette drek zal achten van een visch.

Hij weet, waaromme de aarde is vast rond, oon begintsel[151],

Des werelds middelpunt, en der naturen bindsel:

Hij kan ze meten, en verstaat nog, of hij 't zag,

Hoe doch de coloquint met zulken oordeel mag

Uitpikken 't witte vocht in duist're en donkere adren,

't Elleborum het zwart, de Rha het groen vergadren:

En of zulks toegaat, in ons zwak en teder lijf,

Of halende tot zich, of jagende uit heel stijf.

Kortom, der planten kracht hij kent, die, groot en teder,

Nature in wezen houdt van d'Hysoop tot den Ceder.

Hij weet, waarom de tand des bijtwolfs, droef van aard,

't Peerd groote snelheid geeft, en ook zijn spoor verzwaart:

Hoe in een oogenblik hyëna 's teven[152] blaffen,

In't nadren met haar schaauw, behend[153] weet af te schaffen:

Hoe 't komt dat d'elefant, verhit door 's gramschaps vlam,

Getemd wordt, als hem naakt de ruiggevliesde ram;

Hoe't komt, dat d'Alderhoogst' vrijt[154] d'adeler voor't slingren

Des bliksems, die hij schiet met gloeyendige vingren;

Waarom de zeegans ook haar eyers, groot van schel,

Broeit met haer poten uit, heel heet en breed van vel,

En zonder tonge schreeuwt, geteugeld aan[155] haar vlerken,

Zoo zij naar wensch niet kan de zoute velden merken.

Hij weet, of uit een damp ontstaat de keizelsteen,

Of uit gekookte slijm; geleerdlijk geeft hij reên

Of van 't kwikzilver, of van zwavel de metalen

Ontstaan, of van een sap gedikt door 's winters dralen,

En rein geveegd door d'hitte, of van een aschig vocht,

Of dat hij, die 't gewoel der dikke baren wrocht,

Het hemels keizerrijk, de bontgespikkelde eerde,

Gelijk men ze uittrekt nu, almachtig die[156] formeerde.

Hij weet, waarom de deugd des heldren jaspis helpt

Den bloedenden, en 't bloed behendiglijken stelpt;

De safier heelt 't gezicht, de topaas zal bestrijen

Vrouw Venus; de Amethist dien God, wien 't veil[157] wil vlijen,[158]

En hoe 't zich toedraagt, dat jeloers de diamant

Zich tegen des magneets behende[159] diefstal kant.

Getalen, maat, en toon zijn geest weet t' achterhalen,

En d'effenmatigheid der lijven met haar talen[160]:

En van den Nectar zat, die d'hemel stort altijd,

De bij heeft d'honig op zijn lippen geconfijt.

Maar hij omhelst geensins des spieglings bloote aanmerking

Met zulken ijver als de nutzame[161] bewerking,

Noch draagt het snatren van een weetzucht zoo veel gunst,

Noch d'hovaard eens sofists, als deze brave kunst

Die vestigt eenen staat, het heilig roer kan vaten[162],

En met eenstemmigheid voên hooge en leege staten.

Voor al hij 't recht niet krenkt, der wetten kracht hij vergt,

En, als d' uitstekendst' van 't hoog Pyreneesch gebergt'[163],

Zijn voorhoofd hij verklaart[164], en 't hooft steekt in de lochten,

Versmaadt slagregens, 't ijs, de winden, en de tochten:

De stormen hij belacht, en braaf[165] worpt bovendien

Des donders hovaardij ter neder voor zijn kniên.

Oon vlekke draagt hij zich[166], onbuiglijk vonniswijzer,

Noch niemands gunst ontrukt zijn vuist het wrekende ijzer,

Noch haat en wettet[167] niet; de gunsten hij vertreedt

Met zijne voeten; hij 's volks vreeze en tranen kneedt;

's Gouds stralen nimmermeer doen schemeren zijn oogen,

Noch vindt zich met een wolk van onkund' niet betogen.

Zijn spraak wordt een geheim geacht van minst en meest,

En uit 's lands wetten hij scherpzinnig trekt den geest.

In zaak van twijfel spitst hij zich op 's dingers[168] perten[169]

Omzichtig, en ontleedt der loozer[170] pleiters herten.

Van zijn geboortendag geen vijftien oogsten[171] nooit,

Verschudden haar perruik, met goud schoon opgetooid,

Als hij gelukkig scheidde[172], en wijs'lijk uit kost voeren

't Vermaarde pleitgeschil van twee doorslepen hoeren:

"Laas, aarde!" de eerste zegt, "is 't mooglijk, dat gebelgd

Gij, berstende van spijt, niet levendig verzwelgt

Dit vuil afgrijslijk wijf? Heer koning! is het mooglijk,

Dat uitgaande, om bestaan een stuk zoo ongedooglijk,

Zij schaamtloos uwen troon derf nadren met bedrog,

Niet om kwijtschelding, maar om aan te klagen nog?

Die stiefmoer, van de slaap, van spijze en wijn vertreden,

Heeft haren zoon versmacht[173], den jongsten nacht geleden,

Doen[174], vindend' hem ijskoud oon pols en roering, let,

Erglistelijken legt hem fijntjens in mijn bed,

Nam 't mijn weêr in de plaatse;--houd daar, o oû slaapbye[175]!

O meer als eerlooz'! houd, ô zaad van bastardye!

Uw prije[176] neemt; houd daar! en geeft mij mijn gerief,

Mijn hoop, mijn tijdverdrijf, mijn herteken, mijn lief!

O bitter avontuur! o zeldzaam kerkendiefte[177]!

Dit klein fraai Engelken gij kussen naar beliefte!

Hij zoetert lachen om uw staamlende gebaar,

En zich verwerren in uw vuil, uw luizig haar!

Dit poppeken de vreugd doen in uw ziel oprijzen,

En, groot geworden, uw wanschapen oudheid[178] spijzen:

Maar ik, och arm'! helaas! heb voor mijn lot alleen

Den last van 't zwanger gaan, en 's barens herde weên,

Het schudden van zijn wieg, van 's waters musk[179] de luchten,

En van zijn kinds-geschrei de moeilijke geruchten.[180]

O, onder sterflijke' ik de ellendigste in 't verdriet!

O kinderlooze moêr! ach, dat uw handen niet

Zijn met een mes voorzien, als 't hert met razernijen!

Neen, eer ik zal dien smaad zoo wederweerdig lijen,

Wil ik dees teve doôn, en fellijk eer bestaan,

Haar boezem woênde met mijn hand te randen aan."

Dus antwoord de ander: "ha, wolvin! ha, heetst' der teven!

He! wie geloofde ooit, dat een boosheid zoo doordreven

Den wijn verzelde: indien Gods ooge u niet vervaart,

Vreest 's Konings wakkre geest nog[181], die zijn plaats bewaart.

't Vernoegt u niet dat gij mij aantijgt, door uw boosheid,

Doortraptheid, dronkenschap, moord, meineed, en eerloosheid,

Gij wilt mij, maar vergeefs, ontnemen nog mijn kind:

Neen, al te vast hem liefde in 's moeders ermen bindt

Hij rooft mij 't leven, die mij rooft mijn kind goedaardig.

Gerechten Davids zoon! die zijt als hij rechtvaardig,

Ik bidde, dat uit gunst des gunsts, die hij u eer

Bewees, doen hij weêr kinds, met toegeneigd gebeer[182],

Uw tranen stilde, en met zijn tonge, uit groot begeeren,

Van jongs op u de spraak ging leeren fatzoeneeren:

Of als, bebloed en warm en kuchende en begaan,

Hij keerde met den roof der koningen verlaân[183],

U in zijn beuk'laar wiegde, u vrund'lijk liep omermen,

En schreyend hief u op zijn schouder met zijn ermen:

Gij greept zijn baard en loegt[184], als gij zaagt lachen stout

Een ander Salomon, in 't helder vlammend goud

Van 't vaderlijk helmet, en bootste honderd lachjens

Ter zijden 't pluimdonst[185] van zijn witte reigerschachtjens:

En, met de baren van een pluim bedekt, gij doen

Een vogel scheent, die in een hage zingt in 't groen:

O, ik bezweere u, bij den naam des hoogberomde

Bathseba, die des nachts haar duizendmalen kromde

Koud over uwe wieg, en eer gij d'uchtend kreegt[186],

Haar tepel van wit bloed had honderdmaal geleêgd;

Die met 't bepeerlde goud[187] uw hoofd ging overwelven,

En leefd' zorgvuldig meer bij u als bij haar zelven:

O groote Koning! ik bezweer u, bij al 't gunt[188]

Hier 't heiligst' wordt geschat, dat gij mij recht vergunt:

Dat, zoo uw goedheid, laas! te hinderlijk mijn zake,

Van mijn ontfangen leed vergunnen wil geen wrake,

Ten minste neemt mij niet 't geen mij natuur met smert

Gaf buiten uwe jonst: ontrukt mij niet mijn hert:

Ontvreemt, met oorlof, mij mijn bloed niet; daarbeneven

Maakt ons niet kinderloos, gedurende 's kinds leven!"

Terwijl met roepen zij 't den Koning maken moê

"Mijn is het kind!" "'t is mijn!" "gij liegt, 't behoort mij toe!"

Het volk reeds half geschift is: d'een, naar 's herten oordeel

Dees vrouw draagt, d'ander wijst het ander wijf te voordeel.

Gelijk twee tuisschers[189] op een speelberd, op goê hoop,

Kasteelen, wijngaards, land vertrouwen 's teerlings loop:

Een strijdige begeerte ontroert al de ommestandren,

D'een d'eene gunstig is, en d'ander draagt den andren,

En elk, door vreeze en hoop gedreven, na als voor,

Ontstelt 't bewegen van 't bedriegelijk yvoor[190].

De koning dut[191] alleen, en zijn wijze ooren hoorden

Geen ongelijkheid in gehuil, geklag, en woorden.

's Kinds aanzicht aangemerkt, 't en teekent noch 't en wroegt[192]

De een meer als de ander niet: noch 's rechters geest vernoegd

Wordt, zoo men overslaat haar jaren vergeleken;

Duttende[193], vindt hij zich van waartuig[194] ook versteken,

Daarna spreekt hij aldus: "maar, 't schijnt, een droomenpraat;

Als rechters vlijtigheid alle onderzoek ontstaat[195],

Moet iet aanmerk'lijks, uit naturens schoot behendlijk

Geput, zijn toevlucht zijn, of zich[196] behelpen endlijk

Met 's pijnbanks strengigheid: nu 't moederlijk gemoed

Een vast gezet[197] is van nature mild en goed,

En nimmermeer natuur haar strenger stelt ten toone

Dan in 't geen lijdende is een moeder in haar zone!"

Daar op gelijk ontwaakt: "tsa! zegt hij, 't zweerd gewet!

Tsa, dat u 't kind nu toegedeeld werd'[198] juist en net!

't Recht en meêdoogendheid verplaatst laat elders zwerven,

De billijkheid niet duldt dat een 't zal heel be-erven."

O herd geschil! daar ziet de rechter, in 't besluit[199],

Haars herten heimlijkheên elk kenbaar breken uit:

't Momaanzicht is gelicht: haar tonge, flaauw van krachten,

Met een oprechte wensch geeft antwoord hun gedachten.

De valsche moeder zegt: "'t geschiede, ik wil 't, houd daar!

Rechtveerdig deelt 't gebeent', zijn naglen, en zijn haar."

"Och deelet[200] niet! ik geef," zegt de ander, "u te voren,

Mijn recht, vervloekte vrouw! daar, neem mijn uitverkoren

Klein kind in uw bezit; nog liever ik 't voor dij

Houd levende en geheel, als dood ontleed voor mij."

De koning zegt: "'t hoort u, die 't barend' hebt verkregen,

't Hoort u toe, door mijn recht en 't moederlijk bewegen[201]."

Gelijk een zelve mijn nu voortbrengt, met het goud,

Veel goed chrysocolon en zilver menigvoud,

Eens rijkdoms rijke schat, een ongelooflijke eere

Verzelt van Davids zoon de wijsheid meer en meere:

Te water hij gebiedt, hij heerscht te lande ontzien,

Wel honderd kroonen fluks zijn tulband manschap biên;

Sidon, de zee des Nijls naast aan zijn grenzen palen,

Voor hem de vochte Eufraat zijn hoornen leeg laat dalen;

Peru in zijn trezoor vloeit rijklijk, zoo men zeît[202].

Te Sion 't goud als zand gemeen voor elk een leît,

De peerle als keizelsteen; en heel Judeê in vreden

Alsins vloeit in een zee, zoo 't schijnt, van zaligheden.

Elk zonder afgunst leest[203], en zonder krijgsgerucht,

Zijns wijnstoks trossen en zijns vijgbooms zoete vrucht.

Hij overvloeit van als[204], niet op dat hij naar wensche

Van mensch worde een vuil zwijn, maar Engel van een mensche,

D' onsterflijke tot lof, die, daar hij hier nog leeft,

Van 't hemelsche vermaak hem reede een voorsmaak geeft.

't Welriekende gerucht van 's konings heerlijkheden,

Rijkdom, schoontaligheid zich gaat alom verspreeden.

De Tyriêrs willig hem als bondgenoot ontvaân.

Zijn zoonschap Faro zoekt; de nabuur bidt hem aan

Niet min als d' onderzaat, en 't vuur zijns oogs met ijle

Ontsteekt der jonffren[205] bloem op de oevren van den Nijle.

Wat maakty, Salomon? och armen! ziet uw geest

Niet, dat dees bruiloft u een strik is en geen feest?

Een hymen, geschakeerd van ongelijke willen,

En voor 't onsterflijk zaad[206] recht doodlijke geschillen:

Dat d' os en d' ezel, in een zelve juk gepaard,

Niet voeglijk ploegen om de korendragend' aard'.

Wie met een heidensch bloed zich echtlijk gaat verzellen,

Doet eêbreuk[207] voor den Heer; 't geloof wil altijd hellen[208],

't Vereischt een hulpe, en geen bekoorster meer om haar[209]

Van 't eerste werktuig van den ouden Logenaar,

Noch gift dat dood'lijk in uw bed ligt, heet van minne,

En d' ongodvruchtigheid u blaast ten lippen inne.

Groot koning! die gij van den vloed des Nijls ontleent,

Geen vleesch is van uw vleesch, geen been van uw gebeent'.

't Is een uitheemsch gebeente, een ribb' van woeste onvrije,

Een lid geheel verrot van Faro's lazerije[210].

Maar, zuldy zeggen, hoe? alreê de schoone bruid

Van d' afgodischen Nijl 't bevlekt gewaad trok uit,

In 't wit haar cieren gaat, d' onnoozelheid omgorden,

En door 't geloove is nu Abrahams zaad geworden.

Zulks stemmen wij licht toe, en d' heil'ge schoonheids cier,

Waar van zij 't beelde draagt, mij lichtelijken hier

Doet hellen aan[211] die kant: maar ducht ik, of verslimde[212]

Haar eersleep al uw hof, dat God op u vergrimde,

D' Onsterflijke, die niet wil dulden, dat men slinks

Gaat mengen Izaks bloed met 't bloed eens vreemdelings.

Recht onder d' Evenaar de aanminnige nature

Besprengt een aardig bosch, dit boomgroent t' aller ure,

Daar, door het gantsche jaar, de Mei in 't groene staat,

Die met zijn verwe alom 't schoon veld tapijten[213] gaat.

De aard' lacht hier overal, en, hoe men meer wil buigen

De bloemen, schoon gesternt, te meer zij levend' juichen.

't Groeit hier al zonder moeite, of is 't door arbeids pijn,

De zoete Zefier zal alleen de bouwheer zijn.

De Zuidwind botster[214] niet, en d' hagel, na lang dreigen,

't Onsterflijk woud niet snoeit; de rechte palm in 't neigen

Kust vrundelijk zijn bruid; de planeboom aldaar

Al schuifelende vrijt zijn weêrgâ 't gantsche jaar.

De popelier aanbiedt zijn dienst den popelieren.

De kromme olm wordt omhelsd van d' wijngaard goedertieren.

't Veil kleeft aan d' eiken dicht, en 't groeit en 't leeft er al,

En 't wordt er al geteeld vrouw Cypris[215] te geval.

De waan poortwachterse[216] is, en hoedt met groote stoutheid

De poort voor gierigheid, zorge, en verstorven oudheid[217],

Zooze op 't gebloeid poortaal van 't groenend' huis niet heen[218]

Uit achteloosheid werpt[218] het paksken van de reên:

Doch wel onthaalt z' hierin de bloode stoutigheden,

Schoontaligheids gebaar, de vleyende gebeden,

De gramschap haast gebluscht, de tranen haast weêr droog,

Behende dieverij, 't vertwijf'len, 't lachende oog,

De slappe ledigheid, de wellust in haar bloeyen,

Wien d' heilge Nectar men welriekend' ziet ontvloeyen,

't Gerâbraakt waken, d' hoop van 's vuur'gen wensch geniet[219],

D' onsterfelijke spijs, het aangenaam verdriet,

't Ontbondene verlof, en overdaads niet achten,

De tooverlieden[220], en de zoete minneklachten.

De telg verladen[221] van het balsem druppend hout

Steeds onder 't nestlen trilt der Liefdekens veelvoud:

De schoonheid legt[222]: lust broeit: d' hertstochten, door 't veel

tergen

Des brands, 't gebroedsel kipt[223] van dees Pygmeesche dwergen:

't Een ligt in 't eiwit nog, en 't ander leeft al vlug:

Een ander tot een wieg strekt 's moeders lieve rug:

Een ander stoppelhaart: een ander leerling jeugdig

Van tak in tak, van hage in hage wispelt vreugdig.

't Een in eens applaars[224] schaaûw zacht dobbedobt en slaat,

En van zijn ermen neêr zijn koker hangen laat,

Die vuur'ge damp uitbraakt, en op een muschken teder

Proeft 't ander zijnen boog, die reuzen velt ter neder.

Lijmstrikken 't ander spant voor 't sijsken met een zwink,

Voor 't zoet kanariken, en voor den snatervink.

Ziet, ziet, hoe stille dees, hangvleuglende te bijster,

De vog'len noopen gaan: die dwers beschrijdt een lijster:

Die vliegen doet een paauw: die een faisant ment fraai:

Die noopt een blanke zwaan: die jaagt een papegaai:

Die leidt vast aarzelings het duifken glad van kuive;

Die draayen doet rondom een wilde ringelduive.

Ziet, hoe een bende van dees pottertjens[225] te gaâr

De gulden witjens jaagt zoo dertel hier en daar,

't Een met een rozetak wil vangen 't zomeruiltjen,

Die met zijn handjens teêr, een ander met een tuiltjen:

't Gehoornde vogelken[226] ontslipt ze, en leurt[227] een vlaag[228],

Met lichte sprong op sprong, der minneboefjens laag.

"Mijn buisjens[229]!" Cypris roept, "weg met dees malle mijntjens[230],

Want voor een zomeruil, mijn kleintjens! moogdy fijntjens

Doen sneuvelen ter neêr een dertel Venuskind,

Gehoornde Cupidons genoeg men alzins[231] vindt."

Twee tweelingen daar op, wiens gulden minneflitsen

In 't koninklijke bloed slechts weeken hare spitsen:

"Tza, broeder!" zeggen zij, "dat onz' hand inder ijl

In dees twee herten elk ga schieten eenen pijl:"

De daad zoo snel gaat, als 't gevlerkte woord, zijn gangen.

Zij doen een keer twee drie om zoo de vlucht t' erlangen:

't Gepluimde vlerksken elk klep, klep! beweegt en zwaait

Den krink[232] gekarmozijnd tot driemaal, ingezaaid

Hier 't goud, daar 't hemelsblaauw, 't een naar Judeên gaat pogen,

En 't ander spoedt naar 't strand des Nijls, hoog opgetogen;

Ziet, Faroos dochter doen[233], haars tijds bragaat[234] en eer,

Haar vlechten streelde[235], die ter aarden golfden neêr,

En in een klein vertrek, gevloerd met geele platen[236],

De geestig' hand van drie kunstjonffren stond gelaten[237];

Met 't weêrzijds honderdmaal getande palmhout daar

De lokken ploegde d' een van haar uitvloeyend haar[238],

En d' ander overstortt' haar guldene perruiken[239]

Met eenen Nectarstroom zachtglijend', zoet om ruiken:

De derde, nu met naald, nu met een vinger eêl,

Frizeert en nopt en krolt en kronkelt een goed deel,

En d' ander watert z' hier en daar naar de oû gewoonheid,

En, smalende op de kunst, verheerlijken haar schoonheid:

Als dezer tweelings een met 't schut, dat vurig blaakt,

In zwaluwen gestalt, daar snellijk binnen raakt,

En op haar boezem lost, 'k en weet niet hoe, de veugel

Schalk 't gouden boogsken, dat school onder slinker[240] vleugel;

De maagd zegt: "ik heb 't weg, 'k heb 't in de lenden, ach!"

Maar als zij bij haar bloed nog geen litteeken[241] zag,

De complete werken van Joost van Vondel. De Heerlijkheid van Salomon · 第 1 / 4 段