Slaapdronken.
Den volgenden dag, 10 Januari, hervatte de Nautilus haar tocht weer
onder water, maar met zulk eene snelheid dat ik haar op niet minder
dan 35 kilometer in het uur schatte. De snelheid van de schroef was
zoo groot dat ik de omwentelingen niet tellen kon.
Als ik er aan dacht dat deze voortreffelijke electrieke machine,
beweging, warmte en licht aan de Nautilus schonk, en haar bovendien
nog verdedigde tegen aanvallen van buiten, zoodat het vaartuig in
eene heilige ark veranderd werd, welke niemand kon aanraken zonder
verpletterd te worden, kende mijne bewondering geene grenzen meer,
en van de machine ging die over op den bouwmeester, die dit alles
gewrocht had.
Wij liepen recht naar het westen en den 11den Januari voeren wij om
Kaap Wessel, die op 135° O.L. en 10° N.B. de westpunt van de golf van
Carpentaria vormt. Er waren nog tal van klippen, doch zij lagen verder
uit elkander, en waren op de kaart met buitengewone nauwkeurigheid
aangeteekend. De Nautilus vermeed gemakkelijk de branding van Money
aan bakboord, en de klippen Victoria aan stuurboord, en bleef den
tienden parallel volgen.
Den 13den Januari kwamen wij in de zee van Timor, en de kapitein
verkende het eiland van dien naam op 122° O.L. Dit eiland, dat eene
oppervlakte heeft van 36000 vierkante kilometer, wordt door radjah's
bestuurd. Die vorsten noemen zich zonen van krokodillen, dat is te
zeggen van de hoogste geboorte waarop een sterveling aanspraak kan
maken. Ook wemelt het van die dieren in de stroomen van dit eiland,
waar zij bijzonder vereerd worden. Men beschermt en vereert ze,
men bidt ze aan en voedt ze; men geeft hun zelfs jonge meisjes ten
voedsel, en wee den vreemdeling, die de hand aan een dier gewijde
monsters slaat.
Maar de Nautilus had niets met die leelijke dieren uit te staan. Timor
was voor een oogenblik slechts zichtbaar, namelijk om twaalf uur, toen
de eerste stuurman de hoogte der zon nam. Ook zag ik slechts even het
kleine eiland Rotti, dat tot dezelfde groep behoort, en welks vrouwen
op de Maleische slavenmarkten een grooten naam van schoonheid bezitten.
Van nu af richtte de Nautilus zich naar het zuidwesten, en zette
koers naar den Indischen Oceaan. Waar zou de kapitein ons nu heen
voeren? Zou hij de Aziatische kust weder opzoeken, of zou hij naar
Europa gaan? Dit was niet zeer waarschijnlijk van iemand, die het
bewoonde land vermeed. Zou hij den steven zuidwaarts richten? Zou
hij om de Kaap de Goede Hoop en verder om Kaap Hoorn varen om tot
aan de Zuidpool door te dringen. Zou hij soms ook naar den Grooten
Oceaan terug keeren waar zijn Nautilus zulk een gemakkelijk vaarwater
vond? De toekomst zou het ons leeren.
Den 14den Januari waren wij tusschen alle klippen en eilanden door
eindelijk weder in volle zee. De snelheid van de Nautilus werd
aanmerkelijk minder, en zeer wispelturig in hare bewegingen, dreef
zij dan eens onder dan op de zee.
Gedurende dit gedeelte der reis nam de kapitein belangrijke
proeven voor den verschillenden warmtegraad der zee op onderscheiden
diepte. Gewoonlijk verkrijgt men die gegevens met vrij samengestelde
instrumenten, wier opgaven op zijn minst genomen twijfelachtig zijn,
hetzij men daartoe peilingen doet met thermometers; wier glazen
buizen dikwijls door den druk van het water breken, hetzij men dit
ten uitvoer brengt met werktuigen wier samenstelling gegrond is op
de veranderlijkheid van weerstand der metalen tegen de electrieke
stroomen. De aldus verkregen resultaten kunnen niet genoegzaam worden
nagerekend. Kapitein Nemo ging die temperatuur daarentegen in de
diepten der zee zelve zoeken; zijn thermometer daar met het water
in aanraking gebracht, gaf hem aanstonds en met groote juistheid de
verlangde aanwijzing.
Zoo ging de Nautilus soms langzaam, soms snel naar beneden, en bereikte
achtereenvolgens eene diepte van drie, vier, vijf, zeven, negen tot
zelfs tienduizend meter, en de uitslag van deze proeven was, dat de zee
op duizend meter diepte onder alle breedten eene vaste temperatuur van
4 1/2° had. Ik volgde die proefnemingen met de grootste belangstelling:
de kapitein legde er zich met den meesten ijver op toe. Dikwijls vroeg
ik mij zelven af, waarom hij deze proeven nam; was het ten voordeel van
zijne natuurgenooten? Dit was niet waarschijnlijk, want den eenen of
anderen dag zouden zijne aanteekeningen met hem in eenige onbekende
zee verzinken. Of hij moest den uitslag zijner onderzoekingen soms
voor mij bestemmen. Doch dit kon niets beteekenen als ik niet aannam
dat mijne reis eens eindigen zou, en dat einde zag ik nog niet.
Hoe het ook zij, de kapitein deelde mij ook verschillende cijfers
mede, welke het resultaat waren van zijn onderzoek naar de dichtheid
van het water in verschillende zeeën der aarde. Eens op een morgen,
het was op den 15den Januari, wandelde ik met den kapitein op het plat;
hij vroeg mij of ik de verschillende dichtheid van het zeewater kende;
ik antwoordde ontkennend, en voegde er bij dat de wetenschap daarvoor
nog geen juiste gegevens had.
"Ik heb de proeven genomen," zeide hij, "en ik kan de zekerheid mijner
gegevens bevestigen."
"Goed," antwoordde ik, "maar de Nautilus is eene wereld op zich zelf,
en de geheimen van uwe geleerdheid zullen op de bewoonde aarde nooit
bekend worden."
"Gij hebt gelijk, mijnheer," zeide hij, na eenige oogenblikken gezwegen
te hebben; "het is eene wereld op zich zelf. Mijn vaartuig is voor de
aarde hetzelfde als de planeten, welke haar om de zon vergezellen;
men zal immers de werken der geleerden die op Saturnus of Jupiter
leven, ook nooit op aarde leeren kennen? Omdat het toeval ons bij
elkander gebracht heeft, kan ik u den uitslag van mijn onderzoek
echter wel mededeelen."
"Ik luister, kapitein."
"Gij weet, mijnheer, dat het zeewater meer dichtheid bezit dan het
zoetwater, maar die dichtheid is niet overal dezelfde. Als ik bij
voorbeeld de dichtheid van zoetwater gelijk éen stel, dan vind ik
1.028 voor het water van den Atlantischen, en 1.026 voor dat van den
Grooten Oceaan, 1.03 voor het water der Middellandsche Zee....."
"O," dacht ik, "hij waagt zich in die zee."
"Voor het water der Jonische Zee 1.018, en voor dat der Adriatische
1.029."
De Nautilus ontvlood dus de drukst bevaren zeeën van Europa niet, en ik
maakte daaruit op, dat hij ons misschien binnen kort naar beschaafde
streken zou voeren. Ik dacht wel dat Ned Land die bijzonderheid zeer
natuurlijk met groote vreugde zou hooren.
Gedurende verscheiden dagen brachten wij den tijd door met het nemen
van allerlei proeven omtrent het zoutgehalte op verschillende diepte,
omtrent het geleidend vermogen, de kleur en de doorschijnendheid
van het zeewater, en bij dit alles ontwikkelde de kapitein eene
bekwaamheid, welke slechts geëvenaard werd door zijne welwillendheid
jegens mij. Daarop zag ik hem gedurende eenige dagen weder niet,
en bleef ik als verlaten zitten.
Den 16den Januari scheen de Nautilus op eenige meters diepte als
ingeslapen; de electrieke toestellen waren werkeloos, en het vaartuig
werd slechts door den zeestroom voortgestuwd, terwijl de schroef
onbeweeglijk bleef. Ik veronderstelde dat de equipage bezig was in
het inwendige eenige herstellingen te verrichten, welke noodig waren
geworden wegens de bijzonder snelle beweging van de laatste dagen.
Wij waren toen getuigen van een zonderling schouwspel. De wanden in
het salon waren weggeschoven, en daar de electrieke lantaarn van de
Nautilus geen licht gaf, heerschte er eene onbepaalde duisternis in
het water. De met dikke wolken bedekte hemel deed slechts weinig licht
in de zee doordringen. Ik zat naar dit sombere schouwspel te kijken,
en de grootste visschen schenen mij niet meer dan zeer onduidelijke
schaduwen, toen de Nautilus plotseling in het volle licht kwam. Eerst
dacht ik dat de lantaarn aangestoken was en het electrieke licht in
het water scheen; ik bedroog mij en herkende spoedig mijne dwaling;
de Nautilus dreef in 't midden eener lichtgevende streep of laag
in het water, welke, in deze duisternis schitterend werd. Deze werd
veroorzaakt door duizenden lichtgevende diertjes, wier schittering nog
toenam als zij langs de metalen wanden van ons vaartuig streken. Dan
zag ik zelfs flikkeringen in deze lichtende omgeving alsof een stroom
kokend lood in een vuurhaard geworpen, of een stuk metaal tot roode
gloeihitte gebracht werd; dit was zelfs zoo sterk, dat eenige deelen
van dezen schitterenden stroom nog schaduw wierpen, hoewel alle schaduw
daaruit verbannen scheen. Neen, dit was de kalme flikkering niet van
ons gewone lichttoestel, hier zag men kracht en eene ongewone beweging;
men gevoelde dat dit licht leefde!
Inderdaad, het was eene oneindig groote opeenstapeling van weekdieren,
van millioenen lichtgevende diertjes, ware bolletjes van doorschijnende
gelei, met voelarmen zoo fijn als draadjes, en van welke men er
ruim 800 in éen kubieken centimeter water geteld heeft. De Nautilus
dreef gedurend verscheidene uren in dien schitterenden stroom,
en onze verbazing steeg ten top toen wij groote zeemonsters en
allerlei visschen daarin zagen rondspartelen en spelen, evenals de
legende vertelt dat de salamanders in het vuur doen. Te midden van
dit onbrandbare vuur zwommen vlugge bruinvisschen, die onvermoeide
clowns onder het visschenheir, en zwaardvisschen van drie meter
lengte, die voorloopers van orkanen, wier vreeselijk zwaard soms het
glas raakte. Het was een betooverend schouwspel! Misschien werd de
sterkte van het licht door den toestand van de atmosfeer vergroot:
misschien woedde een hevig onweer boven het zeevlak; doch op eenige
meters diepte bemerkte de Nautilus niets van den woedenden storm en
dreef kalm te midden van het stille water.
Zoo gingen wij voort en werden elk oogenblik door nieuwe wonderen
in verrukking gebracht. Koenraad keek zijne oogen uit, en deed
niets als zoöphyten, geleede dieren, weekdieren en visschen in
klassen ordenen. De dagen gingen snel voorbij, ik telde ze niet eens
meer. Volgens zijne gewoonte trachtte Ned voortdurend ons menu af te
wisselen. Wij hadden veel van slakken, die voor deze schelp gemaakt
waren, en ik moet bekennen dat het op die wijze gemakkelijk is om eene
slak te worden. Wij sleten dus een gemakkelijk en natuurlijk leven, en
verbeeldden ons dat dit niet zeer verschilde van het leven op het land,
toen eene gebeurtenis ons het vreemde van onzen toestand herinnerde.
De Nautilus bevond zich den 18den Januari op 150° O. L. en 15° Z. B.;
het weder was ruw, en de zee onstuimig; het woei vrij sterk uit
het oosten; de barometer, die sinds eenige dagen daalde, kondigde
een naderenden strijd der elementen aan. Ik stond op het plat op
het oogenblik dat de tweede stuurman de hoogte nam; ik wachtte
zooals gewoonlijk de dagelijks uitgesproken formule; maar in plaats
daarvan riep hij eenige andere niet minder onbegrijpelijke woorden;
bijna onmiddellijk verscheen de kapitein, die een kijker naar
den gezichteinder richtte. Hij bleef gedurende eenige oogenblikken
onbeweeglijk, zonder zijne blikken van een bepaald punt af te wenden;
toen liet hij zijn kijker zakken en wisselde eenige woorden met den
stuurman; deze scheen ten prooi aan eene ontroering, welke hij te
vergeefs trachtte te onderdrukken. De kapitein scheen zich zelven
beter te kunnen beheerschen en bleef koel; overigens scheen hij den
stuurman eenige tegenwerpingen te maken, waarop deze met bepaalde
zekerheid scheen te antwoorden; ten minste ik begreep het zoo uit
verschil van stem en gebaren. Wat mij aangaat, ik keek nauwkeurig in
de aangeduide richting, echter zonder iets te zien. Water en lucht
vloeiden aan den gezichteinder volmaakt in elkander.
De kapitein liep echter zonder mij aan te zien, misschien zelfs zonder
mijne tegenwoordigheid te bemerken, op het plat heen en weder. Hij
stapte met vaste schreden, doch minder geregeld dan gewoonlijk over
het plat; soms stond hij met over de borst gekruiste armen stil, en
liet zijn blik over de zee weiden. Wat zocht hij op die onmetelijke
ruimte? De Nautilus bevond zich toen op eenige honderden kilometer
van de naaste kust verwijderd.
De stuurman had den kijker weder ter hand genomen en keek onophoudelijk
naar den gezichteinder; hij liep heen en weder, stampte met den voet,
en was in tegenstelling met zijn meester in zenuwachtige spanning. Het
geheim zou echter weldra worden opgelost, want op een wenk van kapitein
Nemo vermeerderde de machine hare snelheid. Op dat oogenblik maakte
de stuurman den kapitein op nieuw opmerkzaam; deze staakte zijne
wandeling en richtte den kijker nog eens naar het aangewezen punt;
hij keek lang, ik was zeer nieuwsgierig en ging naar het salon,
van waar ik een uitmuntenden kijker medebracht, dien ik gewoonlijk
gebruikte; ik legde dien op de lantaarn en maakte mij gereed om den
gezichteinder te doorloopen, toen ik, nog voor ik den kijker goed
aan het oog had gebracht, hem mij met drift uit de hand voelde rukken.
Ik keerde mij om; kapitein Nemo stond voor mij, doch ik herkende
hem niet. Zijn gelaat was geheel veranderd, zijn oog schitterde
met doffen glans en was onder de samengetrokken wenkbrauwen bijna
onzichtbaar; zijne geopende lippen lieten de op elkander geperste
tanden gedeeltelijk zien; hij stond recht overeind met gebalde vuisten,
en opgetrokken schouders. Zijn geheele persoon teekende vreeselijken
haat; hij stond onbeweeglijk; hij had mijn kijker aan zijne voeten
laten vallen. Had ik zonder het te willen dien toorn opgewekt? Meende
die ondoorgrondelijke man dat ik eenig geheim doorgrond had, hetwelk
voor de gasten van de Nautilus verborgen moest blijven? Neen, ik
was het voorwerp niet van dien haat, want hij keek mij niet aan,
maar hield het oog gevestigd op het voor mij onzichtbare punt aan
den gezichteinder. Eindelijk werd kapitein Nemo zich zelven weer
meester. Zijn gelaat, dat zoo vreeselijk veranderd was, hernam zijne
gewone kalme uitdrukking. Hij zeide eenige woorden in vreemde taal
tegen zijn stuurman, en wendde zich toen, tot mij.
"Mijnheer Aronnax," zeide hij op gebiedenden toon, "ik eisch van u
de vervulling van eene voorwaarde, welke u aan mij bindt."
"Welke, kapitein?"
"Gij moet u met uwe makkers laten opsluiten tot op het oogenblik dat
het mij zal goeddunken u de vrijheid terug te geven."
"Gij zijt heer en meester," antwoordde ik hem, en keek hem strak aan;
"doch mag ik u eene vraag doen?"
"Neen, mijnheer."
Er viel hiertegen niets te zeggen, maar slechts te gehoorzamen,
omdat alle tegenstand onmogelijk was. Ik ging naar de hut van Ned
Land en Koenraad, wie ik het besluit van den kapitein mededeelde. Men
kan denken hoe die mededeeling door den Amerikaan ontvangen werd;
wij hadden overigens geen tijd tot eenige verklaring; vier matrozen
wachtten aan de deur, en brachten ons naar het vertrek, waar wij den
eersten nacht aan boord van de Nautilus hadden doorgebracht. Ned Land
wilde zich verzetten, doch als antwoord ging de deur achter ons dicht.
"Zal mijnheer mij kunnen zeggen, wat dit beteekent?" vroeg Koenraad.
Ik vertelde mijne makkers wat er gebeurd was. Zij waren evenals ik
verwonderd, maar begrepen er niets van. Ik bleef in een maalstroom
van gedachten verdiept, en de vreemde uitdrukking van het gelaat
des kapiteins wilde mij maar niet uit het hoofd. Ik was niet in
staat om geregeld te denken, en ik raakte verward in de meest dwaze
veronderstellingen, toen ik uit mijne droomerijen werd wakker geschud
door deze woorden van Ned Land:
"Kijk eens, het ontbijt staat op tafel."
Inderdaad, de tafel was gedekt; het was duidelijk dat de kapitein
daartoe bevel gegeven had op hetzelfde oogenblik toen hij den gang
van den Nautilus deed versnellen.
"Zal mijnheer het mij niet kwalijk nemen als ik hem een raad
geef?" vroeg Koenraad.
"Neen, mijn jongen!" antwoordde ik.
"Welnu, dan moet mijnheer ontbijten. Het is voorzichtig, want wij
weten niet wat er gebeuren kan."
"Gij hebt gelijk, Koen."
"Ongelukkig," zeide Ned Land, "heeft men ons slechts de gewone
scheepskost voorgezet."
"Zeg eens, vriend Ned," merkte Koenraad op, "wat zoudt ge wel gezegd
hebben, als er in het geheel niets stond?"
Deze woorden stopten den harpoenier den mond. Wij gingen aan tafel
en aten zonder verder een woord te spreken. Ik at weinig; Koenraad
deed zich, altijd uit voorzichtigheid, geweld aan, en hoezeer
Ned ook geprutteld had, zoo liet hij het zich toch goed smaken;
en toen het ontbijt gedaan was, ging ieder in een hoek zitten. Op
dat oogenblik ging het licht, waaronder wij zaten, plotseling uit,
en liet ons in de diepste duisternis. Ned sliep weldra in, en wat mij
vooral verwonderde, was dat Koenraad eveneens in slaap viel. Ik vroeg
mijzelven af, wat hem zoo vast had doen inslapen, toen ik zelf eenige
zwaarte op mijne oogleden begon te gevoelen. Mijne oogen, die ik met
geweld wilde open houden, sloten zich onwillekeurig. Ik was ten prooi
aan eene smartelijke zinsverbijstering; zeker had men een slaapmiddel
in de door ons genuttigde spijzen gemengd. Het was dus niet genoeg
om ons op te sluiten, ten einde ons het zien te beletten, men moest
ons ook in slaap hebben, om niets van des kapiteins plannen te hooren!
Ik hoorde het luik sluiten, en bemerkte dat het lichte slingeren van
het vaartuig door de deining der zee ophield. Zakte de Nautilus naar
de diepte?
Ik wilde aan den slaap weerstand bieden, doch dit was onmogelijk;
mijne ademhaling werd zwakker; ik voelde eene kille huivering door
mijn loome en als verlamde ledematen. Mijne oogleden vielen, alsof ze
van lood waren, over mijne oogen; ik kon ze niet meer oplichten; een
doffe slaap, vol allerlei droombeelden maakte zich van mij meester;
toen verdwenen mijne visioenen en ik bleef als dood liggen.