Het rijk der koralen.
Den volgenden morgen werd ik zonder hoofdpijn wakker; tot mijne groote
verbazing was ik in mijne kamer. Mijne makkers waren waarschijnlijk ook
weder in de hunne gebracht, zonder er iets van gemerkt te hebben. Zij
wisten evenmin als ik wat er gedurende den nacht gebeurd was, en ik
kon slechts op een toeval rekenen om ooit achter dit geheim te komen.
Ik wilde gaarne mijne kamer verlaten, doch zou ik daartoe wel de
vrijheid hebben? Ik opende de deur, ik was volkomen vrij! Ik ging
door den gang naar de trap; het luik was weder geopend, en ik kwam op
het plat. Ned Land en Koenraad wachtten er mij reeds; ik ondervroeg
hen; zij wisten niets. In een zwaren slaap gedompeld, welke hun alle
herinnering ontnam: waren zij zeer verwonderd geweest in hunne hut
op bed te liggen.
De Nautilus was kalm en geheimzinnig als altijd; zij dreef op de
oppervlakte, en ging slechts met matige snelheid vooruit. Niets scheen
aan boord veranderd te zijn.
Ned Land liet zijn doordringend oog over de zee dwalen, maar deze
was geheel verlaten; de Amerikaan zag niets aan den gezichteinder,
noch land, noch schip. Er woei een stevige westewind, en groote golven
door dien bries opgedreven deden het schip vrij erg slingeren. Nadat
de Nautilus de lucht had ververscht, bleef zij op eene diepte van
vijftien meter drijven, zoodat zij in elk geval spoedig weder aan de
oppervlakte der zee verschijnen kon, iets wat tegen de gewoonte dien
dag verscheidene malen gebeurde. Dan ging de stuurman op het plat,
en sprak den gewonen volzin uit. De kapitein verscheen niet; van het
scheepsvolk zag ik alléén den strakken hofmeester, die mij met zijne
gewone nauwkeurigheid en stilzwijgendheid bediende.
Tegen twee uur was ik in de salon bezig om aanteekeningen te maken,
toen de deur openging en de kapitein verscheen. Ik groette hem;
hij groette slechts even terug zonder te spreken. Ik ging weder aan
mijn werk, hopende dat hij mij eenige verklaring zoude geven van de
gebeurtenissen van den vorigen nacht, doch niets daarvan; ik zag hem
eens aan. Hij scheen vermoeid, zijne roode oogen bewezen dat hij niet
geslapen had; zijn gelaat drukte diepe droefheid, eene wezenlijke
smart uit. Hij wandelde heen en weder, ging zitten en stond weer op,
nam een boek op en legde het aanstonds weer neer, beschouwde zijne
instrumenten, zonder daarbij zijne gewone aanteekeningen te maken,
en scheen geen oogenblik stil te kunnen blijven.
Eindelijk kwam hij naar mij toe en zeide:
"Zijt gij geneesheer, mijnheer Aronnax?"
Ik was zoo weinig op die vraag verdacht, dat ik hem eenigen tijd
zonder antwoord te geven, aankeek.
"Zijt gij geneesheer?" vroeg hij nog eens. "De meesten uwer
ambtgenooten, zooals Gratiolet, Tandon en anderen, hebben in de
medicijnen gestudeerd."
"Ik was inderdaad dokter aan het hospitaal," zeide ik. "Ik heb
verscheiden jaren de praktijk uitgeoefend, vóór ik aan het Museum
geplaatst werd."
"Goed, mijnheer."
Mijn antwoord scheen den kapitein te voldoen, maar niet wetende wat
zijne vraag te beduiden had, wachtte ik en nam mij voor overeenkomstig
de omstandigheden te antwoorden.
"Mijnheer Aronnax," zeide de kapitein, "zoudt gij een van mijne
manschappen willen behandelen?"
"Hebt gij dan een zieke aan boord?"
"Ja."
"Ik ben gereed om u te volgen."
"Kom dan."
Ik beken dat mijn hart klopte; ik weet niet waarom ik eenig verband
maakte tusschen de ziekte van dien man en de gebeurtenissen van
den vorigen dag; dit geheim maakte mij niet minder nieuwsgierig dan
de zieke.
De kapitein bracht mij naar het achterschip in eene hut dicht bij
het matrozenverblijf. Daar lag een veertigjarig man met een krachtig
gelaat, dat zijne Angelsaksische afkomst verried. Ik boog mij over
hem heen; het was geene zieke maar een gewonde. Zijn hoofd was met
bloedige zwachtels omwonden, en rustte op een kussen. Ik maakte het
verband los; de gewonde opende zijne groote glazige oogen, en liet
mij begaan zonder eenig geluid te geven.
Het was eene vreeselijke wond; de hersenpan was door een kneuzend
werktuig verbrijzeld; de hersens lagen bloot, en hadden erg
geleden. Geronnen bloed was in de hersens geloopen, en gaf daaraan
de kleur van wijnmoer; de hersens waren dus niet alleen gekneusd,
maar ook erg beleedigd; de zieke haalde langzaam adem; de spieren
van zijn gelaat trokken zich nu en dan krampachtig te zamen. Hij
had hersenontsteking in den hevigsten graad, hetwelk verlamming en
gevoelloosheid te weeg bracht.
Ik voelde hem den pols; deze was tusschenpoozend, het uiteinde zijner
ledematen werd reeds koud, en ik zag dat de dood naderde, zonder
dat het mogelijk was er iets tegen te doen. Toen ik den ongelukkigen
verbonden en goed gelegd had, keerde ik mij naar den kapitein.
"Hoe is deze wond toegebracht?" vroeg ik hem.
"Wat doet dat er toe?" was zijn ontwijkend antwoord. "Een schok van
de Nautilus heeft een der hefboomen van de machine doen breken,
en deze man werd er door getroffen. De stuurman stond naast hem,
hij wilde hem met zijn lichaam beschermen.... Een broeder, die zich
voor zijn broeder, een vriend, die zich voor zijn vriend opoffert;
wat is eenvoudiger; het is eene algemeene wet op de Nautilus. Maar
wat zegt gij van zijn toestand?"
Ik aarzelde om te spreken.
"Gij kunt gerust spreken," zeide de kapitein, "die man verstaat
geen Fransch."
Ik keek den gewonde nog eens aan, en antwoordde:
"Die man zal binnen twee uur dood zijn."
"Kan niets hem meer redden?"
"Niets."
De hand van den kapitein wrong zich krampachtig samen, en eenige
tranen sprongen hem uit de oogen, welke ik niet dacht dat ooit tranen
konden storten. Ik beschouwde nogmaals den stervende, wiens leven
langzaam wegvlood; zijne bleekheid werd nog vermeerderd door het
electrieke licht, hetwelk dit doodbed bescheen. Ik vestigde het oog
op het schrandere gelaat, waarin tal van rimpels, door het ongeluk,
misschien door de ellende gegrift waren. Ik trachtte door te dringen
in het geheim van dit leven door middel, van enkele woorden, welke
over zijn lippen kwamen!
"Gij kunt vertrekken, mijnheer Aronnax," zeide kapitein Nemo.
Ik liet den kapitein in de hut van den stervende en ging ontroerd
van dit tooneel naar mijne kamer. Ik werd gedurende den ganschen
dag door sombere voorgevoelens gekweld. Dien nacht sliep ik slecht,
en in mijn dikwijls afgebroken slaap meende ik in de verte te hooren
zuchten en lijkzangen zingen. Was dit soms het gebed voor stervenden
in die taal, welke ik niet begreep?
Den volgenden morgen ging ik op het plat; de kapitein was er reeds;
toen hij mij zag, kwam hij naar mij toe.
"Mijnheer de professor," zeide hij, "hebt gij lust om heden eene
wandeling onder zee te maken?"
"Met mijne makkers?"
"Als zij lust hebben."
"Wij zijn tot uw dienst, kapitein."
"Ga dan uwe scaphanders aandoen."
Van den stervende werd er niet gesproken. Ik ging naar Ned Land
en Koenraad, en deelde hun des kapiteins voorstel mede. De laatste
haastte zich om het aan te nemen, en ditmaal was ook de Amerikaan
genegen om ons te volgen.
Het was acht uur 's morgens; een half uur daarna waren wij
voor onze nieuwe wandeling gereed; en voorzien van licht- en
ademhalingstoestellen. De dubbele deuren werden geopend, en in
gezelschap van den kapitein, die door een twaalftal mannen gevolgd
werd, stonden wij weldra op tien meter diepte op den vasten bodem,
waarop ook de Nautilus lag. Eene lichte helling voerde ons naar een
heuvelachtig terrein, dat op vijftien vademen diepte lag; dit was
geheel verschillend van de streek, welke wij bij onzen eersten tocht
gezien hadden. Hier was geen fijn zand, geen onderzeesch weiland, geen
woud van zeeplanten; ik herkende onmiddellijk de verwonderlijke streek,
waar kapitein Nemo ons zou rondleiden; het was het rijk der koralen.
De koraal is eene vereeniging van zeer kleine diertjes, welke zich
om de brooze en steenachtige huls van een polyp verzamelen. Die
polypen hebben een eenigen oorsprong en ontstaan door uitbotting;
zij hebben een bijzondere natuur. Het is dus een soort van natuurlijk
socialisme. Ik kende de laatste werken, welke over die zonderling
gevormde schepsels geschreven waren, en niets kon mij dus meer belang
inboezemen, dan een van die versteende wouden te bezoeken, welke de
natuur op den bodem der zee geplant heeft.
Onze toestellen van Ruhmkorff werden in orde gebracht, en wij volgden
eene koraalbank, welke nog bezig was met zich te vormen, en eens
mettertijd dit gedeelte van den Indischen Oceaan zal afsluiten. Onze
weg was omzoomd met onuitroeibare struiken, welke gevormd werden door
heesters, die met witte stervormige bloemen als bezaaid werden. Echter
groeiden die heesters, in tegenstelling van de planten op het vaste
land, van boven naar beneden en zaten aan de rotsen vast.
Het licht veroorzaakte schitterende kleurschakeeringen tusschen
die heldere takjes; het was als zag ik die cylindervormige pijpjes
door de golving van het water trillen; ik had lust om die frissche
bloemknoppen te plukken, waarvan sommige pas geopend waren en andere
ternauwernood uitbotten, terwijl kleine vischjes, als ware het een
zwerm vogeltjes, met vlugge vin er tusschen doorschoten; doch als ik
met de hand naar die levende bloemen, naar die bezielde takjes greep,
dan was alles eensklaps in opschudding; de witte knoppen weken in roode
kokertjes terug, de bloemen verdwenen en het heestertje veranderde
in een met kleine uitwassen begroeid stuk steen. Het toeval had mij
bij de kostbaarste zoöphyten gebracht. Deze koraalsoort was minstens
evenveel waard, als die welke in de Middellandsche zee op de Fransche,
Italiaansche en Afrikaansche kusten gevonden wordt. De dichters geven
haar met recht de namen van "bloedbloem" en "bloedschuim," welke in
den handel als de beste soort worden beschouwd. Die koralen kosten tot
honderd rijksdaalders het kilogram, en op deze plek lag de fortuin
van een wereld van koralenvisschers onder de zee bedolven. Tusschen
deze kostbare stof, welke hier vast opeengepakt en bijna niet los te
rukken was, vond ik van tijd tot tijd wonderschoone rozeroode koralen.
Weldra echter stonden de struiken dichter op elkander, en de takken
werden grooter. Wij hadden wezenlijke versteende boschjes en lange
galerijen van eene phantastische architectuur voor ons.
De kapitein trad eene sombere galerij binnen, welke ons langs eene
helling tot op meer dan honderd meter diepte voerde. Het licht onzer
lantaarns bracht soms eene tooverachtige werking te weeg als het op de
ruwe punten van dit natuurlijke gewelf en op de hangende koraalbrokken
scheen, wier uiteinden dan op vurige punten geleken.
Na twee uur te zijn voortgegaan, hadden wij eene diepte van
omstreeks driehonderd meter bereikt; dit was ongeveer de grens der
koralenvorming. Maar hier waren het niet meer enkele struikjes,
of nederige boschjes, het was het groote woud, het waren kolossale
voortbrengselen uit het delfstoffenrijk, prachtig versteende boomen,
welke door bevallige slingers verbonden waren, waarop het licht met
zijne schoonste kleuren speelde. Wij gingen vrij onder de hooge takken
door, terwijl voor onzen voet zich kleinere koralen als een bloemtapijt
vertoonden. Welk een onbeschrijfelijk schouwspel! Hoe jammer dat wij
elkander onze gewaarwordingen niet konden mededeelen! Waarom waren
wij onder dit hulsel van metaal en glas verborgen? Waarom konden
wij met elkander niet spreken? Waarom leefden wij niet als visschen;
welke het water bevolken, of nog liever als amphibiën, die uren lang
zooals zij verkiezen op het land of in het water kunnen doorbrengen?
Ondertusschen bleef de kapitein stilstaan. Mijne makkers en ik hielden
eveneens halt, en toen ik mij omkeerde zag ik dat de ons volgende
manschappen een halven kring om hun aanvoerder vormden. Toen ik
nauwkeuriger toekeek, zag ik dat vier hunner een langwerpig voorwerp
op hunne schouders droegen.
Wij stonden hier op eene ruime open plek, welke door groote boomen van
dit onderzeesche woud omringd was. Onze lampen gaven in deze ruimte een
soort van schemerachtig licht, dat lange schaduwen wierp. Een weinig
verder heerschte dikke duisternis; hier en daar slechts afgewisseld
door de gloeiende puntjes der koraalriffen, waarop het licht zijn
schijnsel wierp.
Ned Land en Koenraad stonden naast mij; wij keken toe, en dachten
wel dat wij een vreemd schouwspel zouden bijwonen. Toen ik den grond
beschouwde zag ik dat er op regelmatige afstanden kleine verhevenheden
lagen, welke met stukken kalksteen en koraal bedekt waren, hetwelk
verried dat dit door menschenhanden geschied was.
In het midden stond op een grondstuk van ruwe rotsblokken een kruis
van koraal, dat zijne lange armen uitstrekte alsof het versteend
bloed ware.
Op een teeken van den kapitein naderde een der mannen, die op eenige
voeten van het kruis een gat begon te graven met eene schop, welke
hij aan zijn gordel gedragen had. Toen begreep ik alles! Deze open
plek was een kerkhof, die kuil een graf, dat lange voorwerp het
lijk van den man, die 's nachts gestorven was. De kapitein en zijne
manschappen kwamen hier hun makker begraven op den bodem van den
ontoegankelijken Oceaan!
Neen, nimmer was mijn geest zoo ontroerd! Nooit hadden indrukwekkender
gedachten zich van mij meester gemaakt! Ik wilde niet zien, wat ik
toch voor oogen zag!
Het graf werd intusschen langzaam gegraven. De visschen vluchten
links en rechts uit hunne verontruste schuilhoeken; ik hoorde het
houweelijzer weerklinken op den kalkachtigen bodem, waaruit soms
vonken te voorschijn sprongen als het metaal een stuk kiezel trof,
dat hier op den bodem der zee lag. Het gat werd langer en breeder,
en weldra was het ook diep genoeg om het lijk te bevatten. Toen
naderden de dragers. Het lijk in een wit kleed gehuld werd in zijn
vochtig graf nedergelegd. De kapitein kruiste de armen over de borst
en knielde met al zijne volgelingen naast het lijk van hun vriend
in eene biddende houding neder. Mijne beide makkers en ik bogen
eerbiedig het hoofd. Toen werd het graf bedekt met de rotsstukken,
welke uit den grond waren gehakt, zoodat het evenzeer eene kleine
verhevenheid vormde.
Nadat dit afgeloopen was, richtten de kapitein en zijne makkers zich
op; toen naderden zij nogmaals het graf, bogen nog eenmaal de knie
en staken de hand als tot een laatste vaarwel uit.... Daarop nam de
treurige stoet den terugtocht naar de Nautilus aan, ging nogmaals
onder het woudgewelf te midden van de heesters en koraalstruiken door,
en steeg weder naar boven. Eindelijk zagen wij het scheepslicht,
dat ons naar de Nautilus ten gids strekte. Om één uur waren wij terug.
Toen ik van kleeding veranderd had, ging ik naar het plat en zette
mij bij de lantaarn neder, ten prooi aan de somberste gedachten.
De kapitein kwam bij mij; ik stond op en zeide:
"Die man is dan toch, zooals ik voorzien had, heden nacht overleden?"
"Ja, mijnheer," antwoordde Nemo.
"En nu rust hij bij zijne makkers, op het koralen kerkhof?"
"Ja door allen, behalve door ons vergeten! Wij graven het graf, en
de polypen zorgen er voor om er onze dooden voor de eeuwigheid in
te sluiten."
En terwijl hij plotseling het gelaat in de krampachtig samengetrokken
handen verborg, trachtte de kapitein te vergeefs om zijn snikken te
onderdrukken. Toen voegde hij er bij:
"Dat is ons vreedzaam kerkhof, eenige honderden voeten onder het vlak
der zee!"
"Uwe dooden sluimeren er ten minste gerust, kapitein, buiten het
bereik der haaien!"
"Ja mijnheer," antwoordde kapitein Nemo ernstig, "buiten het bereik
der haaien en ... der menschen!" [3]