Nemo's bliksem.
Wij keken zonder op te staan naar den kant van het bosch; ik hield
mijne hand, welke een hap naar den mond bracht, stil, doch Ned Land
at door.
"Een steen valt niet uit de lucht," zeide Koenraad, "of het moest
een aeroliet zijn."
Een tweede zuiver ronde steen sloeg Koenraad een lekker duivenboutje
uit de hand, en bevestigde dus zijne opmerking.
Wij sprongen alle drie overeind met het geweer in de hand en waren
gereed om elken aanval af te weren.
"Zijn het apen?" vroeg Ned.
"Bijna," antwoordde Koenraad, "het zijn wilden."
"Naar de sloep!" riep ik, naar den zeekant loopende. Wij moesten
inderdaad vluchten, want een twintigtal inboorlingen, met bogen en
slingers gewapend, verschenen aan den rand van een boschje, dat op
nauwelijks honderd pas afstands ons aan den rechterkant het uitzicht
belette. Onze sloep lag tien vademen van ons af. De wilden naderden
langzaam, maar maakten de meest vijandige bewegingen; het regende
pijlen en steenen.
Ned Land had zijn voorraad niet in den steek willen laten, en
niettegenstaande het dreigende van het gevaar liep hij met zijn varken
op den eenen, en de kangoeroe's op den anderen schouder zoo hard als
hij kon. In twee minuten waren wij op het strand, onze provisie en
onze wapens in de sloep werpen, die in zee brengen en de riemen
grijpen was het werk van een oogenblik. Wij waren nog geen twee
kabellengten ver, toen honderd wilden met geschreeuw en gebaren tot
aan het middel in het water liepen. Ik keek eens of hunne verschijning
ook enige mannen van de Nautilus op het plat zou tevoorschijn roepen;
maar neen, het kolossale vaartuig bleef verlaten.
Twintig minuten daarna waren wij aan boord; het luik was open; nadat
wij de boot hadden vastgelegd, gingen wij naar binnen. Ik ging naar
het salon, waar ik enige accoorden hoorde aanslaan; kapitein Nemo
zat daar voor het orgel geheel in muzikale verrukking verloren.
"Kapitein!" zeide ik.
Hij hoorde mij niet.
"Kapitein!" zeide ik nog eens, en raakte zijne hand aan. Hij sidderde,
en terwijl hij zich omkeerde, zeide hij:
"O, zijt gij het mijnheer de professor? Welnu, hebt gij eene goede
jacht gehad, en schoone planten verzameld?"
"Ja, kapitein," zeide ik, "maar wij hebben ongelukkig een troep
tweevoetige wezens achter ons aan gekregen, wier nabijheid ons vrij
verontrustend toeschijnt."
"Wat soort van wezens?"
"Wilden."
"Wilden!" antwoordde de kapitein op spotachtigen toon. "En gij
verwondert u, mijnheer, dat als gij ergens voet aan wal zet er wilden
te vinden? Wilden, waar zijn die niet? En bovendien, zijn die wilden
erger dan alle anderen?"
"Maar kapitein...."
"Wat mij aangaat, mijnheer, ik heb overal wilden ontmoet."
"Welnu," antwoordde ik, "als gij ze niet bij u aan boord wilt hebben,
dient gij eenige voorzorgsmaatregelen te nemen."
"Wees gerust, mijnheer de professor, gij behoeft u daar zoo bang niet
voor te maken."
"Maar die inboorlingen zijn talrijk."
"Hoeveel hebt gij er geteld?"
"Een honderdtal ten minste."
"Mijnheer Aronnax," hernam de kapitein, die zijne vingers weer over
de toetsen van het orgel liet gaan; "als al de inboorlingen van
Nieuw-Guinea op dat strand bij elkander waren, dan zou de Nautilus,
niets van hunne aanvallen te vreezen hebben!"
Zijne handen bewogen zich over de klavieren van zijn instrument,
waarbij ik opmerkte dat hij alleen de zwarte toetsen aanraakte,
zoodat de door hem gespeelde melodiën bijzonder veel op Schotsche
geleken. Weldra had hij mijne tegenwoordigheid vergeten, en was in
droomerijen verdiept, waaruit ik hem niet zocht op te wekken.
Ik ging weer op het plat. De nacht was reeds gevallen, want onder
deze breedte gaat de zon spoedig zonder schemering onder. Ik zag
het eiland Gueboroar slechts even; maar talrijke vuren op het strand
bewezen mij dat de inboorlingen er niet aan dachten om ons te verlaten.
Ik bleef gedurende eenige uren alléén; dan dacht ik aan die
inboorlingen zonder ze te vreezen, want het onwrikbare vertrouwen van
den kapitein had zich ook van mij meester gemaakt; dan vergat ik ze
weer, om de pracht van den sterrenhemel in deze tropische gewesten
te bewonderen, ik vloog in gedachten met die sterren, welke mijn
vaderland binnen weinige uren zouden verlichten, naar Frankrijk
mede. De maan schitterde aan het uitspansel; ik dacht er aan dat
die trouwe wachter overmorgen op die zelfde plaats terug zou komen,
om het water te doen rijzen, en de Nautilus van de koraalklip los te
maken. Toen ik tegen middernacht zag dat alles op zee en onder het
geboomte op de kust rustig was, ging ik naar mijne hut en sliep kalm
in. De nacht ging zonder ongeval voorbij. De Papoea's waren zonder
twijfel bang voor het monster, dat in de baai lag, want het geopende
luik zou hun anders gemakkelijk den toegang verschaft hebben.
Den 8sten Januari ging ik 's morgens om zes uur op het plat; de dag
brak aan; toen de morgennevel optrok, zag ik eerst het strand en toen
de toppen der bergen. De wilden waren er nog altijd, doch talrijker dan
den vorigen dag, vijf of zes honderd misschien. Eenigen maakten gebruik
van het lage tij, en waren van de eene klip op de andere springende tot
op twee kabellengten van de Nautilus gekomen; ik zag ze zeer duidelijk;
het waren wel degelijk Papoea's van athletische gedaante, menschen
van een schoon ras met een hoog en breed voorhoofd, een dikken, doch
geen platten neus, en met witte tanden. Hun wolachtig haar was rood
geverfd, en stak vreemd af tegen hunne huid, die zwart en glimmend
was als van de Nubiers. Aan hunne doorstoken en uitgerekte oorlellen
hingen trossen beentjes; zij waren over het algemeen naakt. Ik zag
eenige vrouwen onder hen, die eene wezenlijke crinoline van gedroogd
gras aan hadden, welke tot aan de knieën reikte. Sommige opperhoofden
hadden hun hals met een halve maan en met snoeren van roode en witte
glaskoralen versierd; bijna allen waren met bogen, pijlen en schilden
gewapend en droegen een soort van netje op den rug, waarin zij de ronde
steenen bewaarden, welke zij met groote behendigheid wisten te werpen.
Een van die opperhoofden was dicht bij de Nautilus gekomen, en bekeek
het vaartuig nauwkeurig. Het moest er een van hoogen rang zijn, want
hij had eene mat van gedroogde banaanbladen om het lichaam geslagen,
welke met schitterende kleuren beschilderd was. Ik zou hem gemakkelijk
hebben kunnen neerschieten, omdat hij zich binnen het bereik van
mijn geweer bevond, doch ik meende dat het beter was om te wachten
tot dat zij zich wezenlijk vijandig toonden. Tusschen Europeanen en
wilden past het dat Europeanen zich verdedigen en nimmer aanvallen.
Gedurende al den tijd, dat het lage tij duurde, zwierven de
inboorlingen in de nabijheid van de Nautilus, maar zij maakten geen
geraas. Ik hoorde hen dikwijls het woord "assai" roepen, en uit
hunne gebaren begreep ik dat zij mij uitnoodigden om aan land te
komen, eene uitnoodiging, welke ik meende te moeten weigeren. Dien
dag verliet de sloep derhalve de Nautilus niet, tot groot verdriet
van Ned Land die zijn voorraad niet kon volledig maken. De handige
Amerikaan gebruikte zijn tijd om het vleesch klaar te maken dat hij van
Gueboroar had medegebracht. Wat de wilden betreft, die gingen tegen
elf uur 's morgens weer naar land, toen de toppen der koraalriffen
bij het wassen van het tij onder de golven begonnen te verdwijnen;
doch ik zag dat hun aantal op het strand zeer toenam; waarschijnlijk
kwamen zij van de naburige eilanden, en van Nieuw-Guinea. Echter zag
ik geen enkele prauw.
Daar ik niets beters te doen had, kreeg ik lust om eens in het heldere
water met een schepnet te visschen, daar ik schelpen en planten in
menigte op den bodem zag liggen. Het was bovendien de laatste dag,
dat de Nautilus in deze streken doorbracht, als zij ten minste den
volgenden dag, volgens de verzekering van kapitein Nemo, met hooge
zee zou losraken.
Ik riep Koenraad, die mij een klein schepnet bracht, van de soort,
waarmede men gewoonlijk oesters vischt.
"En die wilden?" vroeg Koenraad, "zij schijnen zoo erg boos niet."
"Het zijn toch menscheneters, mijn jongen."
"Men kan menscheneter en braaf zijn," hernam Koenraad, "even zooals men
gulzig en eerlijk man kan wezen. Het eene sluit het andere niet uit."
"Goed, Koen, ik stem u toe, dat het eerlijke menscheneters zijn en dat
zij hunne gevangenen fatsoenlijk opeten; maar daar ik zelfs niet eens
fatsoenlijk wil opgegeten worden, zal ik oppassen, want de kapitein
schijnt geen de minste voorzorgen te nemen. En nu aan 't werk."
Wij vischten ijverig gedurende twee uur, doch zonder eenig zeldzaam
stuk op te halen; ons net was telkens wel vol schelpen, maar niets
bijzonders, alleen een stuk of wat paarloesters en een dozijn kleine
schildpadden, die wij voor den kok bewaarden. Doch op 't oogenblik, dat
ik er het minst op verdacht was, kreeg ik een wonder, of liever gezegd
eene natuurlijke misvorming te zien welke men zelden ontmoet. Koen had
het net weder uitgeworpen en haalde het met zeer gewone schelpen op,
toen hij mij plotseling de hand in het net zag steken en er een schelp
uithalen, welke ik met een kreet van blijdschap in de hoogte hief.
"Wat scheelt er aan, mijnheer?" vroeg hij zeer verwonderd. "Is
mijnheer gebeten?"
"Neen mijn jongen, en toch zou ik voor zulk eene ontdekking wel een
lid van een vinger willen missen."
"Welke ontdekking?"
"Deze schelp," zeide ik, hem het voorwerp mijner blijdschap toonende.
"Het is doodeenvoudig een purperolijf, klasse
"Ja wel, Koen, maar in plaats van rechts naar links gedraaid te zijn,
is deze juist omgekeerd."
"Omgekeerd?"
"Ja mijn vriend, het is een linksche schelp!"
"Een linksche schelp!" herhaalde Koenraad met een van vreugde
kloppend hart.
"Zie maar eens."
"Mijnheer kan mij gerust gelooven," zeide Koenraad, terwijl hij de
kostbare schelp met bevende hand aanvatte, "ik ben nog nooit zoo
blijde geweest."
En er was wel reden toe; men weet toch dat rechts wenden volgens
de opmerkingen der natuuronderzoekers een wet van de natuur is. De
hemellichamen en hunne wachters bewegen zich bij hunne omwenteling
om de zon en om zich zelven van rechts naar links; de mensch gebruikt
liefst de rechterhand, zoodat allerlei werktuigen en inrichtingen als
trappen, sloten, horlogeveeren, enz. enz. zoodanig gemaakt zijn, dat
zij rechts kunnen gebruikt worden. De natuur heeft deze wet ook gevolgd
in het draaien der schelpen; zij zijn allen rechts op zeer zeldzame
uitzonderingen na, en als er soms gevonden worden die links gedraaid
zijn, dan betalen de liefhebbers die soms met haar gewicht in goud.
Koen en ik waren dus verrukt op het gezicht van onzen schat, en ik
vatte het plan reeds op om er ons Museum mede te verrijken, toen
een noodlottige steen, door een inboorling geworpen, het kostbare
voorwerp in Koenraads hand in stukken sloeg. Ik stiet een wanhopigen
kreet uit! Koenraad greep mijn geweer en mikte op den wilde, die
zijn slinger op tien meter van ons af nog in de hand had. Ik wilde
hem tegenhouden, doch het schot ging af en verbrijzelde den armband
van amuletten, welke om den arm van den Papoea geslingerd zat.
"Koen!" riep ik, "Koen!"
"Wat, ziet mijnheer dan niet dat die kannibaal ons aanvalt"
"Een schelp is geen menschenleven waard!" zeide ik.
"O, die schavuit! ik wilde liever dat hij mij den arm had verbrijzeld."
Koenraad meende het oprecht, maar ik was het niet met hem eens;
echter was de toestand sinds eenige minuten veranderd, zooals wij
bemerkten. Een twintigtal prauwen omringden ons; die vaartuigen van
uitgeholde boomstammen gemaakt, waren lang, smal, vlug in de vaart,
en bleven recht op het water liggen door twee bamboezen zwaarden,
welke aan weerszijden op het water steunden. Zij werden door halfnaakte
wilden gepagaaid, en ik zag ze niet zonder ongerustheid naderen.
Het was duidelijk dat die Papoea's reeds met Europeanen in aanraking
waren geweest, en hunne schepen kenden. Maar wat moesten zij wel denken
van dien langen ijzeren cylinder, zonder mast of schoorsteen? Niets
goeds, want zij waren eerst op eerbiedigen afstand gebleven;
toen zij hem echter onbeweeglijk zagen liggen, vatten zij moed,
en wilden er nader kennis mede maken; doch juist die kennismaking
moest belet worden. Onze geweren, wier schot geen knal gaf, konden
dien inboorlingen slechts weinig vrees inboezemen, daar zij slechts
eerbied hebben voor geraasmakende vuurwapenen. De bliksem zou ook
zonder den donder de menschen niet verschrikken, hoewel het gevaar
in het eerste en niet in het geraas gelegen is.
Op dit oogenblik naderden de prauwen dichter bij de Nautilus, en het
regende pijlen om ons heen.
"Te drommel, het hagelt," riep Koenraad, "misschien is het wel
vergiftigde hagel!"
"Ik zal den kapitein waarschuwen," zeide ik, naar binnengaande.
Ik ging naar het salon en omdat ik er niemand vond, waagde ik het om
aan de deur van Nemo's kamer te tikken.
"Binnen!" riep men; ik trad binnen en vond den kapitein verdiept in
eene berekening, waarin allerlei stelkundige formulen de hoofdrol
speelden.
"Hinder ik u ook?" vroeg ik uit beleefdheid
"Ja, mijnheer," was het korte antwoord; "doch ik geloof dat gij
ernstige redenen hebt om bij mij te komen!"
"Inderdaad; wij zijn omringd door prauwen, en zullen binnen weinige
minuten zeker door honderden wilden worden aangevallen.'"
"Zoo," zeide de kapitein bedaard, "zijn zij met hunne prauwen gekomen?"
"Ja kapitein."
"Welnu, dan is het immers genoeg als het luik gesloten wordt?"
"Juist, en ik kwam u zeggen...."
"Niets is gemakkelijker," zeide Nemo, en op een electrieken knop
drukkende, gaf hij daartoe aan de wachthebbende matrozen bevel.
"Het is reeds geschied, mijnheer," zeide hij na eenige
oogenblikken. "De sloep is op hare plaats en het luik is dicht. Gij
vreest toch zeker niet dat die heeren de wanden van mijn vaartuig
verbrijzelen zullen, waar de kogels van uw fregat zelfs geen schade
aan toebrachten!"
"Neen, kapitein, maar er bestaat nog een ander gevaar."
"Welk, mijnheer?"
"Morgen ochtend moet gij het luik weder openen om de lucht in de
Nautilus te ververschen."
"Zeker, mijnheer, omdat ons vaartuig evenals de walvisschen ademt."
"Maar als op dat oogenblik de Papoea's op het plat zijn, dan zie ik
niet in hoe gij ze beletten zult om binnen te komen."
"Denkt gij dan mijnheer, dat zij aan boord zullen komen?"
"Ik ben er zeker van."
"Welnu, laat ze komen; ik zie geen enkele reden om hun dat te
beletten; het zijn toch arme duivels, die Papoea's en, ik wil niet
dat mijn bezoek in de buurt van hun eiland het leven aan een van die
ongelukkigen kost."
Na deze woorden wilde ik heengaan, doch de kapitein hield mij terug, en
verzocht mij bij hem plaats te nemen. Hij vroeg met veel belangstelling
naar onzen tocht op het land, naar onze jacht, en scheen niet te
begrijpen hoe die Amerikaan zoo vurig naar vleesch verlangde. Daarna
spraken wij over verschillende onderwerpen, en zonder daarom veel
mede te deelen, was de kapitein inderdaad veel hartelijker.
Onder anderen spraken wij over de ligging van de Nautilus, die juist
gestrand was in die zeestraat, waar Dumont d'Urville op het punt was
geweest van te vergaan.
"Die d'Urville was een van uwe grootste zeelieden," zeide de
kapitein, "een van de verstandigste zeevaarders, Het is een
Fransche Cook. Ongelukkige geleerde! De ijsbanken aan de zuidpool,
de koraalriffen en de kannibalen in den Grooten Oceaan getrotseerd te
hebben om ellendig in een spoortrein om te komen! Als die krachtige
man in de laatste oogenblikken van zijn leven heeft kunnen denken,
wie weet wat die laatste gedachten dan geweest zijn?"
Zoo sprekende, scheen Nemo bewogen.
Daarna gingen wij, met de kaart in de hand, de tochten van den
Franschen zeereiziger na, zijne reis om de aarde, zijne beide pogingen
om aan de zuidpool door te dringen, waardoor de landen Amalia en
Lodewijk Filips ontdekt werden, en eindelijk zijne opmetingen van de
voornaamste eilanden in den Grooten Oceaan.
"Wat uw d'Urville aan de oppervlakte de zee verricht heeft," zeide
kapitein Nemo, "dat doe ik onder zee, en veel gemakkelijker en
vollediger dan hij. De Astrolabe en de Zélee werden onophoudelijk
door de golven heen en weder geslingerd en konden dus niet tegen de
Nautilus opwegen, welke in het midden der wateren stil ligt, en dus
een kalme studeerkamer heeten mag."
"En toch," zeide ik, "is er een punt van overeenkomst tusschen de
korvetten van Dumont d'Urville en de Nautilus."
"Welk, mijnheer?"
"Dat de Nautilus evenals zij gestrand is."
"De Nautilus is niet gestrand, mijnheer," antwoordde de kapitein
bedaard; "de Nautilus is gemaakt om kalm op het water te liggen,
en ik zal al die moeilijke manoeuvres niet beginnen, welke d'Urville
met zijn korvetten aanving om weder vlot te raken. De Astrolabe en
de Zélee zijn vergaan, doch mijn Nautilus loopt geen gevaar. Morgen
zal het hoogtij op het bepaalde uur het vaartuig oplichten, en wij
zullen onzen tocht door de zee kunnen voortzetten."
"Kapitein," zeide ik, "ik twijfel niet...."
"Morgen," voegde de kapitein er bij, terwijl hij opstond, "morgen
middag twintig minuten voor drieën, zal de Nautilus vlot worden,
en zonder schade de Torrestraat verlaten."
Toen hij deze woorden kortaf gezegd had, maakte hij eene lichte
buiging; hij gaf mij dus mijn afscheid, en ik ging naar mijne hut. Daar
vond ik Koenraad, die wenschte te weten welken uitslag mijn gesprek
met den kapitein gehad had.
"Mijn jongen," zeide ik, "toen ik de meening uitte dat zijn Nautilus
door de wilden bedreigd werd, heeft de kapitein mij op schertsenden
toon geantwoord. Ik kan u dus slechts éen ding antwoorden: vertrouw
op hem, en ga gerust slapen."
"Heeft mijnheer mij niet noodig?"
"Neen, mijn vriend, maar wat doet Ned Land?"
"Vriend Ned maakt eene kangoeroe-pastij klaar, die verbazend lekker
moet worden," antwoordde Koenraad.
Ik bleet alleen, en ging naar bed, doch sliep vrij slecht. Ik hoorde
de wilden op het plat heen en weder loopen en tusschen beiden een
oorverdoovend geschreeuw aanheffen. Zoo ging de nacht voorbij,
zonder dat de equipage uit hare gewone traagheid scheen opgewekt
te worden. Zij scheen zich evenmin om die wilden te bekreunen,
als de bezetting van een geblindeerd fort om de muizen, die over de
blindeering loopen.
Ik stond 's morgens om zes uur op. Het luik was niet open. De lucht
werd dus niet ververscht, maar de vergaarbakken, welke om alle
mogelijke gebeurtenissen te voorkomen, gevuld waren, begonnen te
werken en brachten eenige kubieke meter zuurstof in de Nautilus.
Ik bleef tot twaalf uur in mijne kamer zitten werken, zonder den
kapitein slechts een oogenblik gezien te hebben. Men scheen aan boord
geen enkel toebereidsel te maken om te vertrekken. Ik wachtte nog
eenigen tijd en ging toen naar het salon. De pendule wees half drie;
in tien minuten moest de vloed zijne grootste hoogte bereikt hebben,
en als de kapitein geen dwaze belofte gedaan had, dan zou de Nautilus
onmiddellijk vlot raken; anders zouden er heel wat maanden verloopen,
voordat zij deze klippen verlaten kon.
Weldra voelde ik echter eenige trilling in het vaartuig; ik hoorde
de kalk- en koraalpunten tegen den buitenwand schuren.
Vijf minuten over half drie kwam kapitein Nemo in het salon.
"Wij gaan vertrekken," zeide hij.
"Zoo?" antwoordde ik.
"Ik heb bevel gegeven, om het luik te openen."
"En de Papoea's?"
"De Papoea's?" antwoordde de kapitein schouderophalend.
"Zullen zij niet in de Nautilus komen?"
"Hoe zoo?"
"Wel, door het luik, als gij het laat open zetten."
"Mijnheer Aronnax," zeide Nemo bedaard, "men komt het luik van de
Nautilus zoo maar niet binnen, al staat het open."
Ik keek hem eens aan.
"Begrijpt gij mij niet?" vroeg hij.
"Geenszins."
"Welnu, kom dan mede en zie."
Ik ging naar de groote middeltrap; daar stonden Ned Land en Koenraad
zeer nieuwsgierig naar eenige matrozen te kijken die het luik
openden, terwijl kreten van woede en afgrijselijk geschreeuw daar
buiten weerklonken. Eindelijk was het luik open, en een twintigtal
afschuwelijke tronies verschenen. Maar de eerste van die wilden,
die de hand aan de trapleuning sloeg, werd door ik weet niet welke
onzichtbare kracht achteruitgeworpen, en vluchtte onder vreeselijk
geschreeuw en met ontzaglijke sprongen. Tien van zijne makkers wilden
ook naar binnen komen, en ondergingen hetzelfde lot.
Koenraad was in verrukking; Ned Land, slechts aan zijne hevige driften
gehoor gevende, vloog naar de trap, maar, nauwelijks had hij de
trapleuning aangegrepen, of hij werd op zijne beurt terug geslingerd.
"Duizend duivels!" riep hij, "ik ben door den bliksem getroffen!" Die
uitroep verklaarde mij alles; het was geene trapleuning meer, maar
een metalen ketting met electriciteit geladen, welke tot op het plat
ging. Ieder die er aan raakte kreeg een vreeslijken schok, en zulk een
schok zou doodelijk geweest zijn als de kapitein dien geleider met
den geheelen electrieken stroom van zijne machine geladen had. Men
kon letterlijk zeggen dat hij tusschen zijne aanvallers en zich een
elektriek net gespannen had, waar niemand ongestraft over heen kon.
Ondertusschen hadden de ontstelde Papoea's de vlucht genomen; wij
troostten en wreven half lachende den ongelukkigen Ned Land, die
vloekte als een bezetene. Doch op dit oogenblik werd de Nautilus
door de laatste vloedgolven opgelicht van het rif, en dat juist op
dezelfde minuut waarop de kapitein het voorspeld had. De schroef begon
langzaam te werken; de snelheid nam hand over hand toe, en aan de
oppervlakte van het water blijvende verliet het vaartuig onbeschadigd
de gevaarlijke Torresstraat.