HOOFDSTUK XI

De Nautilus.

Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in

de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke

afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was

eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd

bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken;

zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met

bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars,

welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven,

waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder

te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en

eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over

het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het

plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal

met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.

"Kapitein Nemo," zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast

mij plaats nam, "dit is eene boekerij, welke meer dan éen paleis op

het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat

gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren."

"Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?" antwoordde

de kapitein. "Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?"

"Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking

met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000

deelen...."

"12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de

aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat

ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de

laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is

het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die

boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt

er vrij gebruik van maken."

Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat

nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei

wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei

talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen

streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken,

in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde

bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen

wat hem in de hand kwam.

Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe

schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft

voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek,

van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais

tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei

takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en

natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke

geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den

kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault,

Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages,

Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de

verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende

aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen

zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst

aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste

tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865

verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus

tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn

onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik

dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden

kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik

wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus

daarvoor niet ophouden.

"Ik dank u, mijnheer," zeide ik tot den kapitein, "dat gij deze

bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten

van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken."

"Deze zaal dient niet alléen tot boekerij, maar ook tot rookkamer,"

zeide de kapitein.

"Eene rookkamer!" riep ik uit, "wordt er dan aan boord gerookt?"

"Zonder twijfel."

"Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt,

kapitein."

"Geenszins," antwoordde Nemo; "neem een van deze sigaren, mijnheer

Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken

als gij een kenner zijt."

Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad;

ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet,

en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber,

die in geen twee dagen gerookt heeft.

"Zij is voortreffelijk," zeide ik, "maar het is toch geen tabak?"

"Neen," antwoordde de kapitein, "die tabak komt niet uit Havana

of uit Oost-Indië; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras,

dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana's

nog, mijnheer?"

"Ik laat die van nu af staan, kapitein."

"Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren

te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof

ik niet minder goed."

"Integendeel."

Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de

bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend

verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden

hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer

helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond

op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want

het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al

de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze,

welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt.

Een dertigtal meesterstukken hingen in gelijkvormige lijsten langs

de wanden, die met een sierlijk doch deftig behangsel waren bedekt;

daartusschen hingen schitterende wapentropheeën. Ik zag daaronder

schilderijen van de hoogste waarde, welke ik voor het grootste gedeelte

in bijzondere verzamelingen en op tentoonstellingen had bewonderd. De

verschillende scholen der oude meesters waren vertegenwoordigd door

eene madonna van Rafaël, eene moedermaagd van Leonard da Vinci, eene

nimf van Correggio, eene vrouw van Titiaan, eene aanbidding van Paul

Veronese, eene hemelvaart van Murillo, een portret van Holbein, een

monnik van Velasquez, eene kermis van Rubens, een vlaamsch landschap

van Teniers, genrestukjes van Gerard Dou, Metzu en Paulus Potter,

zeestukjes van Bakhuijzen en Vernet; onder de nieuwere schilderijen

merkte ik op van Delacroix, Rosa Bonheur, de Keijser, Ingres, Scheffer,

Meyssonier, enz. Eenige prachtige nabootsingen van de schoonste

modellen der oudheid in marmer of brons, stonden op voetstukken in de

hoeken van dit schoone museum. De verbazing, welke de kapitein van de

Nautilus mij voorspeld had, begon zich reeds van mij meester te maken.

"Mijnheer de professor", zeide die vreemde man, "gij zult de weinige

complimenten, waarmede ik u ontvang, en de wanorde welke hier heerscht,

wel willen verontschuldigen."

"Zonder te willen onderzoeken wij gij zijt, mijnheer," antwoordde ik,

"zou ik wel willen vragen of gij kunstenaar zijt?"

"Op zijn hoogst liefhebber, mijnheer. Ik hield er vroeger veel

van om die kunststukken te verzamelen, welke de menschelijke hand

had voortgebracht; ik zocht ze begeerig en onvermoeid op en heb op

die wijze eenige kostbare stukken bij elkander kunnen krijgen. Het

zijn mijne laatste herinneringen van die aarde, welke dood voor mij

is. In mijne oogen zijn uwe nieuwe artisten reeds zeer oud; bestaan

reeds 2 of 3000 jaar, en ik verwar ze in mijn geest; meesters hebben

geen leeftijd."

"En, die componisten?" vroeg ik, terwijl ik wees op stukken van Weber,

Rossini, Mozart, Beethoven, Haydn, Meyerbeer, Herold, Wagner, Auber,

Gounod en anderen, die op eene serafine van het grootste model,

welke tegen een van de wanden der zaal stond, verspreid lagen.

"Die componisten," antwoordde mij de kapitein, "zijn voor mij

tijdgenooten van Orpheus, want tijdrekenkundig verschil bestaat in de

herinnering der dooden niet, en ik ben dood, mijnheer de professor,

even goed dood als uwe vrienden, die een paar meter diep onder den

grond liggen."

Kapitein Nemo zweeg en scheen in diepe mijmering verzonken. Ik

beschouwde hem met levendige aandoening, terwijl ik in stilte het

vreemde van zijn gelaat trachtte te ontcijferen. Tegen eene kostbare

met mozaïek ingelegde tafel geleund, zag hij mij niet meer, en had hij

mij geheel vergeten. Ik eerbiedigde dit stilzwijgen en beschouwde

verder al de bijzonderheden, welke het salon versierden. Na de

kunstwerken bekleedden zeldzaamheden uit de natuur eene belangrijke

plaats. Zij bestonden voornamelijk uit planten, schelpen of andere

voortbrengselen van den Oceaan, welke de kapitein waarschijnlijk

zelf gevonden had. In het midden van het salon sprong een electrisch

verlichte waterstraal uit eene fontein op, welke uit eene enkele

schelp vervaardigd was. Deze schelp was aan de randen sierlijk

uitgesneden en had een omtrek van zes meter; zij was dus grooter dan

die schoone schelpen welke Frans I van de Venetiaansche republiek

kreeg, en waarvan hij voor de kerk van Saint Sulpice te Parijs twee

reusachtige doopbekkens liet vervaardigen.

Rondom die fontein waren onder sierlijke glazen ramen de

kostbaarste voortbrengselen der zee gerangschikt, welke het oog eens

natuuronderzoekers ooit aanschouwd had; men kan begrijpen hoe opgetogen

ik was. Een conchylioloog (schelpkenner), die wat zenuwachtig was, zou

misschien van verbazing zijn omvergevallen voor andere glazen kastjes,

waarin schelpen waren tentoongesteld. Ik zag er eene verzameling van

onschatbare waarde, waartoe de tijd mij zou ontbreken om die geheel

te beschrijven; genoeg zij het te zeggen, dat zij uit alle oorden der

wereld, uit alle deelen der zee was bijeengebracht; er waren paarlen

onder van allerlei kleur en grootte, zelfs zoo groot als een duivenei,

welke eene waarde van ettelijke millioenen moesten hebben. Het was dus

onmogelijk, om de waarde van deze verzameling te schatten; de kapitein

had millioenen moeten besteden om die kostbaarheden te verwerven,

en ik vroeg mij zelven af, aan welke bron hij putte om aan al die

grillen van een verzamelaar te voldoen, toen ik door deze woorden

uit mijne mijmering werd opgewekt:

Gij beschouwt die schelpen, mijnheer de professor; zij mogen een

natuurkenner belang inboezemen, maar zij hebben voor mij een aangenamer

zijde want ik heb ze allen eigenhandig verzameld, en er is geene zee

op den aardbol, welke ik niet onderzocht heb."

"Ik begrijp het genot, kapitein, om te midden van zulke rijkdommen rond

te wandelen. Gij behoort onder diegenen, die zelven hunne schatten

verzameld hebben. Geen Europeesch museum bevat zulk eene verzameling

van voortbrengselen uit den Oceaan. Maar als ik mijne bewondering

daaraan geheel besteed, wat rest mij dan voor het vaartuig, waarin ze

verborgen zijn. Ik wil niet doordringen in uwe geheimen, maar ik beken

dat die Nautilus mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate opwekt,

om de kracht, welke haar in beweging brengt en het toestel dat haar

bestuurt; ik zie aan den muur van deze zaal instrumenten hangen,

wier bestemming mij onbekend is; zou ik mogen weten...!"

"Mijnheer Aronnax," antwoordde de kapitein, "ik heb u gezegd dat

gij bij mij aan boord vrij zoudt zijn, en daarom is geen deel van de

Nautilus voor u verborgen. Gij kunt het vaartuig in alle bijzonderheden

in oogenschouw nemen, en ik zal het mij tot een genoegen rekenen uw

gids te zijn."

"Ik weet niet hoe u te danken, mijnheer, maar ik zal geen misbruik

maken van uwe goedheid; alleen wensch ik u te vragen waar deze

natuurkundige werktuigen voor dienen?"

"Diezelfde instrumenten bevinden zich in mijne kamer, mijnheer, en

daar zal ik de eer hebben u er het gebruik van te verklaren. Bezie

vooraf echter een oogenblik de hut, welke voor u bestemd is; gij moet

toch weten, hoe gij op de Nautilus zult gehuisvest zijn."

Ik volgde den kapitein, die door eene andere deur mij in een der gangen

van het schip bracht; hij geleidde mij naar het voorste gedeelte,

en daar vond ik niet eene hut, maar eene smaakvolle kamer, met bed,

toilettafel en verschillende andere meubelen. Ik kon mijn gastheer

slechts danken.

"Uwe kamer is naast de mijne," zeide hij, eene deur opendoende,

"en de mijne komt uit in het salon, dat wij zooeven verlaten hebben."

Ik trad de kamer van den kapitein binnen; deze zag er somber, bijna als

eene kloostercel uit; een ijzeren bed, eene werktafel en eenige andere

benoodigheden, alles slechts ten halve verlicht; niets aangenaams,

slechts het strikt noodige. Kapitein Nemo wees mij een stoel, ik ging

zitten en daarop begon hij aldus:

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond · 第 14 / 28 题