HOOFDSTUK X

De man der zee.

Hij, die zoo sprak was de gezagvoerder van het vaartuig.

Bij die woorden stond Ned Lang plotseling op; de bijna geworgde

hofmeester ging met wankelende schreden de deur uit, toen zijn meester

dit met een wenk beval; en zóo groot was de invloed van den kapitein

op zijne onderhoorigen, dat geen enkele trek op het gelaat van den

hofmeester de wraak aanduidde, welke die man tegen den harpoenier

moest koesteren. In de grootste verbazing wachtten Koenraad en ik af

hoe dit tooneel zou afloopen. De kapitein leunde tegen een hoek van

de tafel, sloeg de armen over elkander en bekeek ons met de grootste

aandacht. Aarzelde hij om te spreken, of had hij berouw over de pas

in het Fransch gesproken woorden? Ik kon het niet gelooven. Na eenige

oogenblikken van een stilzwijgen, dat geen onzer durfde af te breken,

zeide hij met bedaarde doch doordringende stem:

"Mijne heeren, ik spreek Fransch, Engelsch, Hoogduitsch en Latijn. Ik

had u dus bij ons eerste samenzijn reeds kunnen antwoorden, doch ik

wilde u eerst kennen en dan eens nadenken. Uw viervoudig verhaal, dat

in den grond volkomen gelijk was, heeft mij u doen kennen. Ik weet nu,

dat het toeval mij samen heeft gebracht met den heer Pierre Aronnax,

hoogleeraar in de natuurlijke geschiedenis aan het Museum te Parijs,

Koenraad zijn bediende en Ned Land uit Canada, harpoenier aan boord

van de Abraham Lincoln, een stoomschip van de nationale marine der

Vereenigde Staten."

Ik boog ten teeken van toestemming; het was geene vraag, welke hij

mij deed; derhalve was er ook geen antwoord noodig. Die man sprak

met eene bijzondere gemakkelijkheid, zonder eenig merkbaar accent;

zijne volzinnen waren afgerond, zijne woorden juist gekozen, en hij

had eene opmerkelijk goede uitspraak, en toch gevoelde ik dat het

geen landgenoot van mij was. Hierop vervolgde hij aldus:

"Gij hebt waarschijnlijk gedacht, mijnheer, dat het lang duurde voor

ik u een tweede bezoek bracht; dit was omdat ik, toen ik niet wist

wie gij waart, eerst rijpelijk wilde overdenken, welke partij ik ten

uwen opzichte nemen moest; ik heb lang geaarzeld. De meest toevallige

omstandigheden hebben u bij een man gebracht, die met de menschheid

gebroken heeft. Gij zijt mijn leven komen storen...."

"Onwillekeurig", zeide ik.

"Hoe, onwillekeurig?" vroeg de onbekende met verheffing van stem. "Is

het onwillekeurig dat de Abraham Lincoln mij in alle zeeën heeft

opgezocht? Is het onwillekeurig dat gij aan boord van dat fregat

gekomen zijt? Is het onwillekeurig dat de kanonkogels afgestuit zijn

op den romp van mijn vaartuig? Is het onwillekeurig dat Ned Land zijn

harpoen op mij heeft afgeworpen?"

Ik bemerkte in de woorden een kwalijk bedwongen toorn. Maar op die

beschuldigingen had ik een zeer natuurlijk antwoord, en ik gaf dit

in deze woorden: "Gij weet zeker niet, mijnheer, welke twistvragen

er in Amerika en Europa ten uwen opzichte gerezen zijn; gij weet

waarschijnlijk niet dat verschillende ongelukken, die het gevolg waren

van botsingen met uw onderzeesch vaartuig, de openbare meening in beide

werelddeelen hevig geschokt hebben. Ik zal u niet vermoeien met al de

veronderstellingen, welke men maakte om daarmede het onverklaarbare

verschijnsel te verklaren, waarvan gij alleen het geheim bezit,

maar gij zult mij wel willen gelooven als ik u verzeker, dat toen

de Abraham Lincoln u in het noorden der Stille Zuidzee vervolgde,

wij een sterk zeemonster meenden na te jagen, van hetwelk men den

Oceaan, het kostte wat het wilde, moest verlossen."

Een glimlach speelde om de lippen van den kapitein, die op kalmer

toon vroeg: "Mijnheer Aronnax, zoudt gij durven verzekeren dat uw

fregat niet even goed een onderzeesch vaartuig als een monster zou

hebben vervolgd en beschoten?"

Deze vraag bracht mij in verlegenheid, want kapitein Farragut zou

zeker niet geaarzeld hebben. Hij zou gewis gemeend hebben dat het

zijn plicht was om dit toestel even goed als een reusachtigen eenhoorn

te vernielen.

"Gij begrijpt dus, mijnheer", hervatte de onbekende, "dat ik het

recht heb om u als vijanden te beschouwen."

Ik antwoordde niets, en met reden; waarom zou ik over zulke woorden

twisten, als het geweld de beste bewijsgronden smoren kan?

"Ik heb lang geaarzeld", vervolgde de gezagvoerder, "niets noodzaakte

mij om u gastvrijheid te verleenen: als ik mij van u wilde ontdoen

had ik geen enkel belang om u te houden; ik had u dan weer op het plat

gezet, dat u reeds eens tot schuilplaats diende, ik zou het vaartuig

in zee hebben doen zinken, en ik zou vergeten hebben, dat gij ooit

bestaan hadt. Had ik daartoe geen recht?"

"Dit was misschien het recht van een wilde", antwoordde ik, "maar

zeker niet van een beschaafd mensch."

"Ik ben geen beschaafd mensch", hernam de kapitein driftig, "zooals gij

mij gelieft te noemen, mijnheer de professor; ik heb met de geheele

maatschappij gebroken om redenen, welke ik alleen het recht heb te

beoordeelen. Ik gehoorzaam dus niet aan de wetten dier maatschappij,

en ik verzoek u die nimmer in mijne tegenwoordigheid in te roepen."

Dit was duidelijk; toorn en verachting straalden uit het oog van den

onbekende, en ik vermoedde dat die man een vreeselijk verleden achter

zich had. Niet alleen gehoorzaamde hij niet meer aan de menschelijke

wetten, maar hij had zich vrij en onafhankelijk gemaakt in de strengste

opvatting van het woord, zonder dat iemand hem bereiken kon. Wie toch

zou hem in de diepten der zee durven vervolgen, daar zelfs aan de

oppervlakte alle tegen hem in het werk gestelde pogingen een ijdel

spel bleken te zijn! Welk schip zou weerstand kunnen bieden aan den

schok van dien onderzeeschen monitor? Welke pantsering, hoe dik ook,

zou een stoot van dit vaartuig weerstaan? Geen enkel mensch kon hem

rekenschap vragen van zijne daden; de eenige rechters, welke iets op

hem vermochten, waren God, zoo hij in Hem geloofde en zijn geweten,

indien hij er een had. Deze opmerkingen kwamen mij voor den geest,

terwijl die vreemde man eenige oogenblikken als in zich zelven gekeerd

zweeg. Ik beschouwde hem, waarschijnlijk evenals Oedipus den Sfinx,

met belangstelling en afgrijzen tevens.

Na een vrij lang stilzwijgen nam hij wederom het woord: "Ik heb dus

geaarzeld, maar dacht eindelijk dat mijn belang wellicht overeenstemde

met dat natuurlijke medelijden, waarop elk sterveling recht heeft. Gij

zult bij mij aan boord blijven, omdat het toeval u daar toch heeft

heengevoerd; gij zult er vrij zijn, doch in ruil voor die vrijheid,

welke trouwens zeer betrekkelijk is, leg ik u slechts éene voorwaarde

op; het is mij genoeg als gij mij daarop uw woord geeft."

"Spreek, mijnheer," antwoordde ik, "ik stel mij voor dat dit eene

voorwaarde is, welke elk eerlijk man zal kunnen aannemen."

"Dat is zoo, mijnheer; het is de volgende: het is mogelijk, dat

zekere onvoorziene omstandigheden mij verplichten, om u gedurende

eenige dagen of uren in uwe hutten op te sluiten. Daar ik nimmer

geweld wil gebruiken, verwacht ik van u in dat geval nog meer dan

anders lijdelijke gehoorzaamheid. Door zoo te handelen ontsla ik u

van alle verantwoordelijkheid, want het is mijne zaak om u in de

onmogelijkheid te stellen van datgene te zien, wat gij niet zien

moogt. Neemt gij die voorwaarde aan?"

Er gebeurden dus aan boord op zijn allerminst zonderlinge zaken,

welke niet gezien mochten worden door menschen, die zich nog niet

geheel en al buiten de wetten der maatschappij gesteld hadden. Onder

al de verrassingen, welke de toekomst voor ons opleverde, zou dit

zeker niet de minst belangrijke zijn.

"Wij nemen haar aan," antwoordde ik; "ik verzoek u echter mij, te

vergunnen, mijnheer, u éene enkele vraag te doen."

"Spreek op, mijnheer!"

"Gij hebt gezegd dat wij vrij zouden zijn?"

"Geheel vrij!"

"Daarom vraag ik u wat gij onder die vrijheid verstaat."

"Wel, de vrijheid van te gaan, te komen, te zien en alles na te gaan

wat hier gebeurt, uitgezonderd in eenige zeer enkele gevallen, kortom

de vrijheid, welke mijne makkers en ik zelf genieten."

Het was duidelijk dat wij elkander begrepen.

"Vergeef mij, mijnheer," hernam ik, "maar dat is slechts die vrijheid,

welke elke gevangene heeft om in zijne gevangenis rond te loopen;

dat is voor ons niet genoeg."

"Gij zult u daarmede toch tevreden moeten stellen.".

"Wat? moeten wij dan het denkbeeld laten varen om ooit ons vaderland,

onze vrienden en bloedverwanten terug te zien?"

"Ja mijnheer: maar het is misschien niet zoo moeielijk als gij denkt,

om het onverdraaglijke aardsche juk af te schudden, hetwelk de menschen

meenen dat vrijheid is."

"Welnu komaan," riep Ned Land, "ik zal nooit mijn woord van eer er

op geven, dat ik niet eens beproeven zal om te ontvluchten."

"Ik vraag uw woord van eer niet, meester Land," antwoordde de kapitein

koeltjes.

"Mijnheer," hernam ik, terwijl ik onwillekeurig driftig werd, "gij

maakt misbruik van onzen toestand, dat is wreed."

"Volstrekt niet, mijnheer, dat is goedheid. Gij zijt na den strijd

mijne gevangenen geworden; ik houd u, ofschoon ik u met een enkel

woord weder in zee kon doen werpen. Gij hebt mij aangevallen; gij

hebt een geheim ontdekt, hetwelk geen sterveling ooit mag doorgronden,

want het is het geheim van mijn bestaan; en gij gelooft nog dat ik u

naar de bewoonde aarde zou terug zenden, welke mij niet meer kennen

mag?... Nooit; als ik u hier houd, bewaar ik niet u, maar mij zelven."

Deze woorden duidden genoegzaam aan dat de kapitein eene partij

gekozen had, tegen welke geen praten iets zou vermogen.

"Gij geeft ons dus eenvoudig weg te kiezen tusschen het leven en den

dood?" hernam ik.

"Ja, dood eenvoudig."

"Vrienden," zeide ik, op zulk eene vraag is er niet veel te

antwoorden. Maar ons woord van eer bindt ons niet aan den kapitein

van dit vaartuig."

"Het is zooals gij zegt," antwoordde de onbekende. Daarop vervolgde

hij met zachte stem:

"Laat ik nu verder gaan met hetgeen ik u te zeggen had; ik ken u,

mijnheer Aronnax, gij zult u wellicht niet zoozeer als uwe makkers te

beklagen hebben over het toeval, dat u tot mij heeft gebracht. Gij

zult onder de boeken, welke voor mijne lievelingsstudie dienen, het

werk vinden, hetwelk gij over de diepten der zee hebt uitgegeven. Ik

heb het dikwijls gelezen; gij hebt in dat werk alles medegedeeld,

wat de aardsche wetenschap kent, maar gij weet niet alles, gij hebt

niet alles gezien. Ik zeg u, mijnheer de professor, dat gij u den tijd

niet zult beklagen, welken gij bij mij aan boord doorbrengt; gij zult

eene reis door eene wereld van wonderen doen. Gij zult waarschijnlijk

voortdurend verwonderd, ja zelfs verstomd staan; vermoedelijk zult gij

niet spoedig genoeg hebben van het schouwspel hetwelk u voortdurend

wordt aangeboden. Ik ga op eene nieuwe onderzeesche reis om de aarde,

welke misschien de laatste zal zijn, al datgene nog eens weder

beschouwen, wat ik in die zoo dikwijls bezochte diepten bestudeerd

heb, en gij zult daarin mijn deelgenoot zijn. Van heden af betreedt

gij eene nieuwe wereld; gij zult zien, wat geen mensch nog gezien

heeft, want ik en mijne equipage behooren niet meer tot de menschen,

en onze planeet zal u door mij hare innigste geheimen laten zien."

Ik wil niet ontkennen dat die woorden van den kapitein grooten indruk

op mij maakten; ik was in mijn zwak getast, en ik vergat voor een

oogenblik dat het zien van al die verheven zaken tegen onze verloren

vrijheid toch niet kon opwegen. Overigens rekende ik op de toekomst

om die vraag uit te maken; daarom antwoordde ik: "Indien gij met de

menschheid hebt gebroken, mijnheer, wil ik toch wel gelooven, dat gij

van elk menschelijk gevoel nog geen afstand gedaan hebt. Wij zullen

het niet vergeten dat gij ons arme schipbreukelingen liefderijk aan

boord hebt opgenomen; ik voor mij wil niet ontveinzen, dat als het

belang van de wetenschap het verlangen naar vrijheid kon vernietigen,

al hetgeen gij mij belooft daarvoor ten minste een groote vergoeding

zou aanbieden."

Ik dacht dat de kapitein mij de hand zou toesteken om ons verbond te

bevestigen, doch dit deed hij niet; het speet mij voor hem.

"Eene laatste vraag," zeide ik, op het oogenblik dat dit onverklaarbare

wezen weg scheen te willen gaan.

"Spreek op, mijnheer."

"Hoe moet ik u noemen?"

"Ik ben voor u kapitein Nemo, en gij en uwe metgezellen zijt voor

mij slechts de passagiers van de Nautilus."

De kapitein riep; een hofmeester verscheen, aan wien hij in zijne

vreemde, voor mij onverstaanbare taal eenige bevelen gaf; daarop

wendde hij zich naar Ned Land en Koenraad en zeide: "Een maal wacht

u in uwe hut; volgt dien man slechts."

"Dat weiger ik niet," antwoordde de harpoenier.

Koenraad en hij gingen eindelijk uit de cel, waarin zij meer dan

dertig uur hadden opgesloten gezeten.

"En nu, mijnheer Aronnax, is ons ontbijt ook gereed; ik zal u slechts

voorgaan."

"Gaarne, kapitein."

Ik volgde kapitein Nemo, en zoodra ik over den drempel trad, kwamen

wij in een soort van electrisch verlichten gang; na eenige schreden

voortgegaan te zijn, opende zich eene tweede deur. Ik kwam toen in

eene eetzaal, welke met smaak versierd en gemeubeld was. Aan de beide

uiteinden der zaal stonden hooge eikenhouten buffetten, met ebbenhout

ingelegd, op wier uitgeschulpte planken kostbaar aardewerk, porselein

en glaswerk prijkte. Het servies schittterde onder de lichtstralen,

die naar beneden vielen van eene zoldering, waarvan de zachte kleuren

het scherpe licht eenigszins temperden.

In het midden der zaal stond eene rijk voorziene tafel. Kapitein Nemo

wees mij een stoel aan.

"Neem plaats, mijnheer, en eet als iemand die van den honger sterven

moet."

Het ontbijt bestond uit een aantal schotels, welker inhoud door de

zee geleverd was, en uit eenige gerechten, waarvan ik den aard en de

herkomst niet kende. Ik moet bekennen dat ze goed smaakten, doch zij

hadden allen een bijzonderen smaak, waaraan ik mij slechts langzaam

gewende; die verschillende spijzen schenen phosphorhoudend te zijn,

en ik meende dat zij uit zee afkomstig moesten wezen.

De kapitein keek mij aan; ik vroeg hem niets, maar hij raadde mijne

gedachten, en antwoordde op de vragen, welke ik van verlangen brandde

om tot hem te richten.

"De meesten van deze gerechten," zeide hij, "zijn u onbekend; evenwel

kunt gij er zonder vrees van eten; zij zijn gezond en voedzaam; sedert

lang heb ik afgezien van landvoedsel, en ik bevind mij er niet slecht

bij; de krachtige mannen van mijne equipage voeden zich niets anders

als ik."

"Zijn dus al die spijzen voortbrengselen van de zee?" vroeg ik.

"Ja, mijnheer de professor; de zee voorziet in al mijne behoeften;

dan eens werp ik mijne netten uit en haal ze tot scheurens toe

gevuld op; dan weder ga ik op de jacht in dat element, hetwelk voor

den mensch ongenaakbaar schijnt, en ik jaag het wild op, dat zich

in mijne onderzeesche bosschen schuil houdt. Mijne kudden grazen,

evenals die van den ouden herder van Neptunes, zonder eenige vrees in

de onmetelijke weilanden van den Oceaan. Ik heb daar groote domeinen,

welke ik zelf doorzoek, en waarop 's Heeren hand steeds alle dingen

gezaaid heeft."

Ik keek kapitein Nemo met groote oogen aan, en antwoordde: "Ik begrijp

volkomen, mijnheer, dat uwe netten u voortreffelijken visch bezorgen,

ik begrijp minder goed dat gij het waterwild in uwe onderzeesche

bosschen vervolgt, maar ik begrijp in het geheel niet dat een enkel

stukje vleesch, hoe klein dan ook, op uwe tafel komt."

"Ik gebruik nimmer het vleesch van landdieren," antwoordde de kapitein.

"En dit dan toch?" hernam ik, terwijl ik op een schotel wees, waarop

nog eenige plakken vleesch lagen.

"Wat gij meent dat vleesch is, mijnheer de professor, is niets anders

als een stuk gebraad van een zeeschildpad. Hier zijn bijvoorbeeld

eenige dolfijnenlevers, welke gij misschien voor varkensragout gehouden

hebt. Ik heb een bekwamen kok, die er uitmuntend slag van heeft om deze

verschillende voortbrengselen van den Oceaan toe te bereiden. Proef van

al die gerechten: hier is een gelei van holothuriën, welke een Maleier

onverbeterlijk zou noemen; daar hebt gij room van walvisschenmelk,

en suiker uit het groote zeewier van de Noordzee, en vergun mij

eindelijk u wat gekonfijte zee-anemonen aan te bieden, welke zeker

tegen de sappigste vruchten kunnen opwegen."

En ik proefde meer uit nieuwsgierigheid dan uit honger, terwijl

kapitein Nemo mij aangenaam bezig hield met zijne onwaarschijnlijke

verhalen.

"Maar die zee, mijnheer Aronnax, die zoo wonderbaar en onuitputtelijk

is, voedt mij niet alleen, doch zij verschaft mij ook kleeding. De

stof welke ik draag, wordt geweven uit het bekleedsel van sommige

schelpen; zij wordt geverfd met het purper van de ouden, terwijl

er verschillende tinten op worden gebracht door violet, dat ik uit

eene plant der Middellandsche zee (aplysis) haal. De reukwerken op

uwe toilettafel worden uit zeeplanten getrokken; uw bed bestaat

uit het zachtste zeegras, een walvischbaard zal uwe pen zijn, uw

inkt is het afgescheiden vocht van een weekdier, dat men Spaansche

zeekat noemt. Alles komt uit de zee, zooals het er eens naar zal

terug keeren!"

"Bemint gij de zee, kapitein?"

"Ja, ik heb haar lief! De zee is alles; zij bedekt zeven tienden

van den aardbol; haar adem is zuiver en rein; het is de onmetelijke

woestijn, waar de mensch nimmer alleen is, want hij voelt rondom

zich leven; de zee is slechts het voertuig van een bovennatuurlijk

en wondervol leven; zij is slechts beweging en liefde; zij is 'het

levende oneindige,' zooals een uwer dichters eens zeide. En inderdaad,

mijnheer de professor, de natuur openbaart er zich in het delfstoffen-,

planten- en dierenrijk; dit laatste vooral is rijk vertegenwoordigd

door gelede en schelpdieren, door gewervelde en zoogdieren, door

kruipende dieren en ontelbare scharen van visschen; het is eene

eindelooze rij van dieren, waarin meer dan 13000 soorten worden

aangetroffen, van welke slechts een tiende gedeelte in het zoete

water te huis behoort. De zee is de uitgestrekte vergaderbak der

natuur; het is uit de zee dat de aarde om zoo te zeggen, ontstaan

is, en wie weet of zij niet door haar eindigen zal! Daar heerscht

verheven stilte! De zee behoort niet aan de dwingelanden; op hare

oppervlakte kunnen zij hunne onbillijke rechten nog uitoefenen,

elkander aanvallen en verslinden, en er al de ijselijkheden der aarde

overbrengen; maar tien meter beneden dat oppervlak houdt hun geweld

op, dáar is hun invloed nietig, en verdwijnt hunne macht! O mijnheer,

leef, leef in de diepten der zee! Daar alléén is men onafhankelijk,

daar alléen heeft men geen meester! daar ben ik vrij!"

Kapitein Nemo zweeg plotseling te midden van zijne geestdrift; had

hij zich buiten zijne gewoonte laten medeslepen? Had hij te veel

gezegd? Hij liep gedurende eenige oogenblikken hevig ontroerd heen

en weder; daarop werd hij bedaarder, zijn gelaat hernam de gewone

kalmte, en zich tot mij wendende, zeide hij: "als gij nu de Nautilus

wilt bezoeken, mijnheer de professor, ben ik geheel tot uw dienst."

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond · 第 13 / 28 题