Alles door electriciteit.
"Mijnheer," zeide kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan
den wand wees, "dat zijn de voor de vaart van de Nautilus vereischte
werktuigen. Hier en in mijn salon heb ik ze altijd voor oogen;
zij wijzen mij de plaats en de juiste richting in 't midden van den
Oceaan aan. Sommigen zijn u bekend, als de thermometer, welke mij de
temperatuur in de Nautilus aanwijst, de barometer, die de drukking van
de lucht aanduidt, en verandering van weer voorspelt; de hygrometer,
die den graad van droogte van de atmosfeer aanwijst; het stormglas,
waarvan het mengsel mij door zijne veranderingen storm verkondigt,
het kompas, dat mijn weg regelt; de sextant, die mij de breedte
doet kennen; chronometers, welke mij de lengte laten berekenen, en
eindelijk dag- en nachtkijkers, die mij dienen om alle punten van
den gezichteinder te onderzoeken, als de Nautilus op de oppervlakte
der zee drijft."
"Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten," antwoordde ik;
"ik ken er het gebruik van; maar er zijn nog anderen, welke zonder
twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die
wijzerplaat daar met beweegbare naald, is dat geen manometer?"
"Juist, mijnheer; hij staat in verbinding met het water, welks drukking
hij aanwijst, zoodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig
zich beweegt."
"En die dieplooden van nieuwe soort?"
"Het zijn thermometrische dieplooden, welke mij den warmtegraad van
de verschillende diepten der zee doen kennen."
"En die andere instrumenten, welker gebruik ik zelfs niet kan raden?"
"Thans moet ik u een en ander verklaren, mijnheer de professor,"
zeide kapitein Nemo; "hoor mij dus aan."
Hij bewaarde gedurende eenige oogenblikken het stilzwijgen, en sprak
daarop het volgende:
"Er bestaat eene kracht, welke mij gehoorzaamt, die snel en met
het grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te
schikken, en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent; door die
kracht geschiedt alles; zij verlicht en verwarmt mij, en is de ziel
van al mijne werktuigen; die kracht is de electriciteit."
"De electriciteit!" riep ik, ten hoogste verbaasd.
"Ja, mijnheer."
"Maar kapitein, uw vaartuig beweegt zich bijzonder snel, hetgeen
moeielijk te rijmen is met de kracht der electriciteit; hare
beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, en heeft slechts
weinig kunnen uitwerken!"
"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "mijne electriciteit
is niet de gewone, welk elkeen kent; dit is alles wat ik er u van
kan zeggen."
"Ik zal ook niet onbescheiden zijn, kapitein, en ik zal mij vergenoegen
met mijne verbazing over zulk een resultaat te uiten. Eene enkele vraag
evenwel, waarop gij niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden
ben. De elementen, welke gij voor die wonderbare kracht bezigt,
moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt gij het zink,
omdat gij geene gemeenschap meer houdt met het bewoonde land?"
"Uwe vraag zal beantwoord worden," antwoordde kapitein Nemo; "ik zal
beginnen met u te zeggen, dat er op den bodem der zee zink-, ijzer-,
zilver- en goudmijnen bestaan, welker ontginning zeer zeker tot de
mogelijkheden behoort; maar ik gebruik niets van die metalen, en ik
heb aan de zee zelve de middelen ontleend, om mijne electriciteit
voort te brengen."
"Aan de zee?"
"Ja, professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet; ik
zou bijvoorbeeld electriciteit hebben kunnen verkrijgen door de
verschillende temperaturen, welke metaaldraden ondervinden, als ik
ze op verschillende diepten indompel; maar ik heb de voorkeur gegeven
aan een meer practisch middel."
"En welk is dat?"
"Gij kent de samenstelling van het zeewater; op éen kilogram vindt
men 0,965 water, en ongeveer 0,0267 chloorsodium, verder in zeer
geringe hoeveelheid chloorpotassium, chloormagnesium, zwavelzure kalk,
zwavelzure magnesia, broommagnesium en koolzure kalk; gij ziet dus
dat chloorsodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt; dit sodium
haal ik uit het zeewater en ik stel er mijne elementen uit samen."
"Uit sodium."
"Ja mijnheer, met kwik vermengd vormt het een amalgama, dat in de
Bunsensche elementen het zink kan vervangen; het kwik wordt nooit
opgelost; dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert
de zee mij telkens weder op; bovendien moet ik u zeggen, dat de
sodiumzuilen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat hare
electrieke kracht dubbel zoo groot is als die van zuilen van zink."
"Ik begrijp, kapitein, dat het sodium in uwe omstandigheden
voortreffelijke diensten bewijst. Gij vindt het in de zee, goed;
maar gij moet het er uithalen, en hoe doet gij dat? Uwe zuilen
zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik mij niet bedrieg,
dan moet het verbruik van sodium in uwe elementen de voortgebrachte
hoeveelheid verre overtreffen."
"Daarom verschaf ik het mij niet op die wijze, mijnheer, en ik gebruik
daarvoor zeer eenvoudig steenkolen."
"Die gij in den grond vindt?" vroeg ik.
"Neen, in zee," antwoordde kapitein Nemo.
"Kunt gij dan uwe onderzeesche kolenmijnen ontginnen?"
"Wacht maar, mijnheer Aronnax, en gij zult ons bezig zien. Ik vraag
u slechts wat geduld, omdat gij daartoe toch den tijd hebt. Herinner
u evenwel voortdurend, dat ik alles aan den Oceaan verschuldigd ben;
de zee verschaft mij electriciteit, en deze geeft aan de Nautilus
warmte, licht, beweging, kortom het leven."
"Maar toch niet de lucht, welke gij inademt?"
"O, ik zou zelfs de noodige lucht kunnen vervaardigen, doch dit
behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terug keer, als
ik het goed vind. Wanneer de electriciteit mij niet al de noodige
zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch pompen in beweging, welke
de lucht in een vergaarbak te zamen perst, waardoor ik, als ik wil,
mijn verblijf in de diepte kan verlengen."
"Kapitein," antwoordde ik, "ik kan u slechts bewonderen. Gij hebt
zeker de ware kracht der electriciteit uitgevonden, welke de menschen
zonder twijfel later zullen vinden."
"Ik weet niet of zij die wel zullen vinden," antwoordde de kapitein
koel. "Hoe het ook zij, gij kent nu het voornaamste gebruik, hetwelk
ik van deze kracht maak; zij verlicht ons met eene gelijkmatigheid
en een duur, welke het zonlicht niet bezit; ziehier, dit uurwerk,
het is electriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers;
ik heb het op de Italiaansche wijze in vierentwintig uren verdeeld,
want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar
alleen dit kunstlicht, dat ik tot in de diepten der zee met mij kan
medevoeren. Zie, op dit oogenblik is het tien uur in den morgen."
"Juist."
"Hier is nog eene andere toepassing der electriciteit; deze wijzerplaat
wijst de snelheid van de Nautilus aan. Een electrieke draad stelt haar
in verbinding met de schroef, en deze naald wijst mij dan de juiste
snelheid aan, op dit oogenblik, bij voorbeeld, loopen wij vijftien
kilometer in 't uur."
"Het is verbazend, en ik zie wel, kapitein, dat gij gelijk gehad hebt
om deze kracht te gebruiken, welke wind, water en stoom vervangt."
"Wij hebben nog niet gedaan, mijnheer Aronnax," zeide kapitein
Nemo, terwijl hij opstond; "als gij mij wilt volgen, zullen wij den
achtersteven bezoeken."
Ik kende nu reeds het geheele voorste gedeelte van dit vaartuig,
hetwelk, als men van het midden naar den voorsteven ging, op deze
wijze was ingedeeld: de eetzaal vijf meter lang, van de bibliotheek
gescheiden door een hermetisch beschot, waar het water niet doorheen
kon dringen; de boekerij was vijf meter lang, de groote zaal van tien
meter door een tweede waterdicht beschot gescheiden van de kamer des
kapiteins, welke vijf meter lang was; daarachter lag mijne hut van
twee en een halven meter, en eindelijk eene bergplaats van zeven en
een halven meter, die zich tot aan den voorsteven uitstrekte; dus in
't geheel 35 meter lang. In de ondoordringbare beschotten waren deuren
aangebracht, die door sluitstukken van caoutchouc hermetisch sloten,
waardoor de veiligheid aan boord van de Nautilus gewaarborgd was,
voor het geval, dat het vaartuig een lek bekwam.
Ik volgde den kapitein door de loopgangen aan bakboord, en ik kwam
in het midden van het vaartuig; daar was eene soort van put tusschen
twee ondoordringbare beschotten; eene ijzeren trap aan den wand
vastgeschroefd, leidde naar het bovenste gedeelte; ik vroeg waarvoor
die trap diende.
"Daarlangs bereikt men de sloep," zeide hij.
"Hoe hebt gij dan eene sloep?" vroeg ik, vrij verwonderd.
Zonder twijfel; een uitmuntend licht vaartuigje, dat niet zinken kan,
en voor uitstapjes en voor de vischvangst gebruikt wordt."
"Maar als gij u dan daarop wilt inschepen, moet gij naar de oppervlakte
der zee stijgen?"
"Geenszins; deze sloep zit aan het bovengedeelte van de Nautilus
bevestigd, en wordt bewaard in eene daarvoor geschikte ruimte, zij is
van een dek voorzien, volkomen waterdicht, en met flinke katrollen
vastgemaakt. Deze trap leidt naar een mangat in het buitenste
omkleedsel van de Nautilus, waar een dergelijk gat, dat in de sloep
gemaakt is, juist tegen aansluit; door deze dubbele opening kruip ik in
de boot, dan sluit men de eene in de Nautilus, en ik de andere in de
sloep; ik laat de touwen over de katrollen schieten, en de boot rijst
met eene vervaarlijke snelheid naar de oppervlakte; daar open ik een
luik in het dek, dat tot nog toe zorgvuldig gesloten bleef; ik richt
den mast op, hijsch een zeil of neem de riemen ter hand en ik vaar."
"Maar hoe komt gij aan boord terug?"
"Ik ga niet terug, mijnheer Aronnax, de Nautilus komt naar mij toe."
"Op uw bevel?"
"Op mijn bevel; een electrieke draad verbindt mij met het vaartuig;
ik telegrapheer en dat is genoeg."
"Inderdaad niets is eenvoudiger," zeide ik, duizelend van het hooren
van al die wonderen.
Na het trapgat voorbijgegaan te zijn, waardoor men op het plat kon
komen, zag ik eene hut van twee meter lengte, waar Koenraad en Ned Land
verrukt over het aangeboden maal, bezig waren dit te verorberen. Daarna
opende de kapitein eene deur, welke in eene drie meter lange keuken
uitkwam; deze was tusschen de groote kombuizen gelegen.
In de keuken werd de electriciteit, krachtiger en dienstiger dan het
gas, overal voor gebruikt. De draden onder de fornuizen verhitten
daar aangebrachte stukken platinaspons zeer regelmatig; evenzoo werd
de hitte onderhouden onder distilleerketels, welke door uitdamping
heerlijk drinkwater opleverden. Bij die keuken was de gemakkelijk
ingerichte badkamer, waar twee kranen water naar verkiezing koud of
warm verschaften. Op de keuken volgde het verblijf van de equipage;
maar daarvan bleef de deur gesloten, zoodat ik die inrichting niet
kon zien, waardoor ik anders er achter had kunnen komen, hoeveel man
er voor het besturen van de Nautilus noodig waren.
Een vierde waterdicht beschot scheidde deze ruimte van de
machinekamer. Een deur opende zich, en ik bevond mij in de ruimte
waar kapitein Nemo, zeker een uitstekend ingenieur, zijne toestellen
voor de beweegkracht had geplaatst.
Deze helder verlichte machinekamer was niet minder dan twintig
meter lang. Zij was in twee deelen afgedeeld; het eerste bevatte
de elementen, het tweede de werktuigen, welke de beweging aan de
schroef mededeelden.
Ik was het eerste oogenblik verwonderd over de bijzondere lucht,
welke deze ruimte vervulde; de kapitein bemerkte dit: "het zijn
eenige gasachtige producten," zeide hij, "welke het gevolg zijn
van het gebruik van sodium. Overigens zuiveren wij elken morgen het
geheele vaartuig, door er versche lucht in te laten stroomen."
Ik beschouwde met eene licht te begrijpen belangstelling de machines
van de Nautilus.
"Gij ziet," zeide kapitein Nemo, "dat ik de elementen van Bunsen en
niet die van Ruhmkorff gebruik; de laatsten zouden niet sterk genoeg
geweest zijn. De Bunsensche elementen zijn slechts weinig in getal,
maar sterk en groot, hetwelk de ondervinding mij geleerd heeft dat
beter is. De electrieke stroom wordt naar achteren gevoerd, waar hij
door electro-magneten van groote afmeting inwerkt op een bijzonder
stelsel van hefboomen en raderen, welke de beweging weder overbrengen
op de schroefstang. Deze schroef, welker middellijn zes meter bedraagt,
kan 120 omwentelingen in de seconde doen."
"En gij verkrijgt aldus?"
"Eene snelheid van vijftig kilometer in het uur."
Er was nog iets geheimzinnigs, doch ik drong er niet op aan om het te
weten. Hoe kon de electriciteit met zulk eene kracht werken? Waar nam
die bijna onbegrensde macht haar oorsprong? Was het door buitengemeene
spanning, opgewekt door klossen van eene nieuwe soort? Was het door
overbrenging van krachten in een tot nog toe onbekend stelsel van
hefboomen, dat men dit electriek vermogen tot in het oneindige kon
doen toenemen? Dit kon ik niet begrijpen.
"Kapitein Nemo," zeide ik, "ik zie de resultaten, en ik tracht niet
ze te verklaren. Ik heb de Nautilus voor de Abraham Lincoln zich zien
bewegen, ik weet dus waaraan ik mij ten opzichte harer snelheid kan
houden, maar zich bewegen is niet genoeg; men moet kunnen zien waar
men heengaat; men moet zich rechts en links, naar boven en naar
beneden kunnen bewegen. Hoe bereikt gij zulk eene groote diepte,
waar gij, dunkt mij, een toenemenden weerstand moet ondervinden,
die slechts door honderden atmosferen te meten is? Hoe stijgt gij
weder naar boven? In één woord, hoe blijft gij op de diepte, welke
gij wilt? Ben ik misschien onbescheiden door u dit te vragen?"
"Geenszins, mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, na eenige
aarzeling, "omdat gij dit vaartuig nimmer zult verlaten. Kom in het
salon; dat is onze ware studeerkamer, en daar zult gij alles vernemen,
wat gij omtrent de Nautilus weten moet."