Woede van Ned Land.
Hoe lang die slaap duurde, weet ik niet; maar het moet lang geduurd
hebben, want wij waren geheel van onze vermoeienissen hersteld. Ik werd
het eerste wakker; mijne makkers bewogen zich nog niet en bleven als
wezenlooze wezens in hun hoek liggen. Nauwelijks was ik van mijn vrij
hard leger opgestaan, of mijn geest was weder helder, mijn denkvermogen
opgeklaard. Ik begon onze cel op nieuw nauwkeurig te onderzoeken. Niets
was er veranderd: wij waren gevangenen gebleven. Gedurende onzen slaap
had de hofmeester de tafel afgenomen; niets duidde dus aan dat onze
toestand spoedig zou veranderen, en ik vroeg mij ernstig af of wij
bestemd waren om altijd in die kooi te leven. Dit vooruitzicht scheen
mij des te onaangenamer toe, omdat, al was mijn hoofd helderder dan
den vorigen dag, ik eene zonderlinge gedruktheid op de borst voelde. Ik
haalde moeielijk adem: de zware lucht was voor mijne longen niet meer
voldoende; hoe groot onze cel ook was, het was duidelijk dat wij het
grootste deel van de daarin aanwezige zuurstof verbruikt hadden; ieder
mensch toch verbruikt in éen uur de zuurstof, welke in honderd liter
lucht vervat is, en die lucht met eene bijna even groote hoeveelheid
koolzuur bezwangerd, wordt dan ongeschikt voor de ademhaling.
Het was dus hoogst noodzakelijk om de lucht in onze gevangenis
te ververschen, en zonder twijfel ook de lucht in het geheele
vaartuig. Hier deed zich eene vraag bij mij op. Hoe handelde
de kapitein van dit drijvende toestel? Verkreeg hij lucht langs
scheikundigen weg, door de zuurstof door middel van warmte uit
chloorzure potasch af te zonderen, en koolzuur met bijtende potasch
te verbinden? In dat geval moest hij toch in eenige betrekking staan
met het land, ten einde zich de noodige grondstoffen te verschaffen,
welke hiertoe noodig waren. Of bepaalde hij er zich slechts toe
om de lucht onder deze drukking in bewaarplaatsen op te hoopen,
en die te verspreiden, naarmate het scheepsvolk er behoefte aan
had? Misschien. Of gebruikt hij een gemakkelijker, goedkooper en dus
ook waarschijnlijker middel, namelijk om aan het oppervlak der zee
als een walvisch te komen ademhalen, en zijn voorraad lucht voor 24
uur te vernieuwen? Hoe het ook zij en welk zijn stelsel ware, het
kwam mij voor dat hij voorzichtig handelen zou als hij het zonder
lang te wachten in het werk stelde.
Ik moest reeds sneller ademhalen om het weinigje zuurstof, hetwelk
de cel nog bevatte in mijne longen te brengen, toen ik plotseling
verfrischt werd door zuivere zeelucht. Ik opende den mond wagewijd,
en mijne longen werden met versche lucht verzadigd. Tegelijkertijd
voelde ik eene schommeling, een kleine slingering, maar welke volkomen
duidelijk te herkennen was. Het vaartuig, het metalen monster, was naar
de oppervlakte van den Oceaan gerezen om er evenals de walvisschen
adem te halen. De wijze van luchtverversching van het vaartuig had
ik dus duidelijk herkend.
Toen ik die zuivere lucht met volle borst had ingeademd, zocht ik
naar de geleidingsbuizen, welke dien weldadigen luchtstroom tot ons
deden komen, en ik vond die spoedig. Boven de deur was een luchtgat,
waardoor een stroom versche lucht kon binnen komen, om de bedorven
atmosfeer van onze cel te ververschen.
Zóover was ik met mijne opmerkingen gekomen, toen Ned en Koenraad
bijna tegelijk door dien stroom van versche lucht wakker werden. Zij
wreven zich de oogen, rekten de armen uit en waren in een oogenblik
op de been.
"Heeft mijnheer goed geslapen?" vroeg Koenraad mij met zijne gewone
beleefdheid.
"Heel goed, mijn jongen," antwoordde ik, "en gij Ned Land?"
"Als een os, mijnheer de professor. Maar ik weet niet of ik mij vergis,
het is alsof ik zeelucht inadem."
Een zeeman kon zich daarin niet bedriegen, en ik vertelde wat er
gedurende hun slaap had plaats gehad.
"Zoo," zeide hij, "dat verklaart volkomen het gebrul dat wij hoorden,
toen de Abraham Lincoln den zoogenaamden eenhoorn in het gezicht
kreeg."
"Zoo is het Ned, het was zijne ademhaling."
"Maar, mijnheer Aronnax, ik kan in de verte zelfs niet gissen hoe
laat het is, of het moest het uur van het middagmaal zijn?"
"Het uur van ons middagmaal, brave harpoenier? Zeg liever het uur van
't ontbijt, want wij zijn zeker reeds meer dan een dag hier."
"Dat bewijst," antwoordde Koenraad, "dat wij vierentwintig uur
geslapen hebben."
"Zoo denk ik er ook over," antwoordde ik.
"Ik spreek u niet tegen," hernam Ned Land, "maar middagmaal of ontbijt,
de hofmeester zal welkom zijn als hij het een en ander brengt."
"Het een en het ander," zeide Koenraad.
"Juist," antwoordde Ned, "wij hebben recht op een dubbel maal, en
wat mij aangaat, ik zal aan beiden eer genoeg bewijzen."
"Welnu Ned, laat ons wachten," antwoordde ik, "het is duidelijk dat
die onbekenden ons niet van honger willen laten sterven, want in dat
geval zou het eten van gisteren avond ongerijmd zijn."
"Of men moest ons willen vetmesten," hernam Ned.
"Dat spreek ik tegen," zeide ik, "wij zijn niet in handen van
menscheneters gevallen."
"Eens is nog geene gewoonte," merkte de harpoenier ernstig op "Wie weet
of die kerels niet sinds lang naar versch vleesch hebben uitgezien, en
in dat geval zijn drie gezonde en goed gebouwde menschen als mijnheer,
Koen en ik...."
"Verban toch die gedachten Ned, en neem daaruit vooral geene aanleiding
om u boos te maken tegen die menschen, want dat zou onzen toestand
slechts verergeren."
"In allen gevalle," sprak Ned, "heb ik een honger als de duivel,
en middagmaal of ontbijt, wij schijnen geen van beiden te krijgen."
"Zeg eens Ned," gaf ik ten antwoord, "wij moeten ons aan de scheepswet
onderwerpen, en ik houd het er voor, dat onze maag vóor is bij het
horloge van den kok."
"Welnu dan zal ik haar gelijk zetten," sprak Koenraad bedaard.
"Daaraan herken ik u weder, vriend Koen," zeide de ongeduldige Ned,
"gij zijt niet toornig of zenuwachtig; altijd bedaard! Gij zoudt in
staat zijn om te danken in plaats van te bidden en eerder van honger
te sterven dan u te beklagen."
"Waartoe zou dat ook dienen?" vroeg Koenraad.
"Alléen om maar te klagen, en dat is reeds iets. Als die zeeroovers
(ik noem ze zeeroovers, om mijnheer niet te ergeren, die verbiedt
om ze menscheneters te noemen), als die zeeroovers zich verbeelden
dat zij mij in die stinkende kooi zullen houden, zonder nog eerst
te hooren met welke verwenschingen ik aan mijne woede lucht geef,
dan zullen zij zich bedriegen. Spreek eens vrij uit, mijnheer, zoudt
gij denken dat zij ons lang in die ijzeren kooi houden?"
"Om u de waarheid te zeggen Ned, weet ik er niet veel meer van
dan gij."
"Maar wat veronderstelt gij dan?"
"Ik veronderstel dat het toeval ons in het bezit gesteld heeft van
een belangrijk geheim. Indien dus de equipage van dit vaartuig er
belang bij heeft om het te bewaren, dan geloof ik dat ons leven
groot gevaar loopt. In het tegenovergestelde geval zal het monster,
dat ons heeft ingeslokt, ons wel weder op de bewoonde aarde uitspuwen."
"Of men moest ons onder de equipage opnemen," zeide Koenraad,
"en ons zóo lang houden...."
"Tot op het oogenblik," antwoordde Ned Land, "dat eenig fregat,
dat harder stoomt, en behendiger is dan de Abraham Lincoln, zich
van dit nest van zeeschuimers meester maakt, en de equipage en ons
aan het uiteinde van de groote ra voor de laatste maal een luchtje
laat scheppen."
"Mooi gezegd, Ned," hervatte ik, "maar voor zoover ik weet, heeft men
ons nog geen voorstel in dien geest gedaan. Het is dus onnoodig om te
twisten over de partij, welke wij moeten nemen, als dit gebeurt. Ik
herhaal het u dat wij moeten wachten; laat ons met de omstandigheden
te rade gaan, en niets doen, omdat wij toch niets doen kunnen."
"Integendeel, mijnheer de professor," zeide de harpoenier, die niet
van zijn stuk te brengen was, "men moet iets doen."
"En wat dan, baas Land?"
"Vluchten."
"Om uit eene aardsche gevangenis te ontsnappen is soms zeer moeilijk,
maar om uit eene onderzeesche gevangenis te ontkomen schijnt mij
geheel onmogelijk."
"Komaan, vriend Ned," vroeg Koenraad, "wat antwoordt gij daarop? Ik
kan niet gelooven dat een Amerikaan ooit ten einde raad is."
De harpoenier was zichtbaar verlegen, en zweeg. Eene ontvluchting was
in ons geval bepaald onmogelijk. Maar een inboorling van Canada is
zoowat een halve Franschman, en dat bewees Ned Land door zijn antwoord.
"Kunt gij dan niet raden, mijnheer," vroeg Ned na eenige oogenblikken
nadenkens, "wat mannen moeten doen, die niet uit hunne gevangenis
kunnen ontsnappen?"
"Nog niet, mijn vriend."
"Dat is dood eenvoudig, dan moeten zij beproeven om er zoo goed
mogelijk in te blijven."
"Dat geloof ik wel," zeide Koenraad, "het is toch beter er in, dan
er op of er onder."
"Maar als men cipier en oppassers er uit gooit," voegde Ned Land
er bij.
"Wat, Ned? Zoudt gij er wezenlijk aan denken, om u van dit vaartuig
meester te maken?"
"Zeker," antwoordde de harpoenier.
"Dat is onmogelijk!"
"Waarom, mijnheer? Misschien krijgen wij wel eens eene gunstige kans,
en ik zie niet in waarom wij daarvan geen gebruik zouden maken. Als
er maar een twintigtal aan boord zijn, dan zullen twee Franschen en
Ned Land toch voor zoo'n handjevol volks niet bang zijn?"
Het was nog beter om het voorstel van den harpoenier aan te nemen
dan er over te twisten; daarom antwoordde ik:
"Laat de kans eerst komen, en dan zullen wij eens zien. Maar tot
dien tijd toe verzoek ik u uw óngeduld te bedwingen; men kan slechts
met list handelen, en als gij u kwaad maakt, zult gij zeker geene
gunstige kans krijgen. Beloof mij dus, u zonder opgewonden drift in
de omstandigheden te schikken?"
"Ik beloof het u, mijnheer de professor," antwoordde Ned op weinig
geruststellenden toon. "Er zal geen driftig woord meer uit mijn mond
komen, geen enkele brutale handeling zal mij verraden, zelfs als
wij niet zoo regelmatig als wij wenschen de tafel voor ons zullen
zien dekken."
"Ik houd u aan uw woord, Ned!" zeide ik.
Daarop zwegen wij stil, en elk onzer gaf zich aan zijne overpeinzingen
over. Ik beken, dat ik niettegenstaande de verzekering van den
harpoenier, mij geene illusiën maakte; ik geloofde niet aan die
gunstige kans, waarvan Ned Land gesproken had. Om zoo goed bestuurd
te worden, had het vaartuig zeker eene talrijke equipage noodig,
en daarom zouden wij bij eene worsteling met eene veel te groote
overmacht te doen hebben. Overigens moesten wij voor alles vrij zijn,
en dat waren wij niet. Ik zag zelfs geen enkel middel om uit de goed
gesloten ijzeren hut te geraken; en als de vreemde kapitein van dat
schip een geheim te bewaren had, wat mij ten minste waarschijnlijk
toescheen, dan zou hij ons niet vrij aan boord laten rondloopen. Zou
hij zich nu met geweld van ons ontslaan, of zou hij ons te eeniger
tijd in het een of ander land afzetten? Dit bleef de vraag. Al die
veronderstellingen schenen mij even waarschijnlijk, en men moest een
harpoenier zijn om ooit op eene bevrijding te hopen.
Overigens begreep ik dat Ned Lands verbittering toenam, naarmate zijne
overdenkingen zich geheel van zijne drift meester maakten. Ik hoorde
hem nu en dan half verstaanbare vloeken mompelen, en ik zag dat hij
op nieuw dreigende gebaren maakte. Hij stond op, liep als een wild
dier in eene kooi rond, en stampte met handen en voeten tegen den
muur. Bovendien verliep de tijd, de honger deed zich erg gevoelen en
de hofmeester verscheen nog niet. Als men ons goed wilde behandelen,
dan vergat men ons, ongelukkige schipbreukelingen, toch wat al te
lang. Ned Land, wiens sterke maag hem begon te plagen, werd hoe langer
hoe driftiger, en hoewel hij mij zijn woord gegeven had, vreesde ik
inderdaad eene uitbarsting, als hij een van de equipage onder handen
kon krijgen. Zijn toorn vermeerderde nog gedurende twee lange uren; hij
riep en schreeuwde, maar te vergeefs. De ijzeren muren waren doof. Ik
hoorde geen het minste geluid in het vaartuig, welks bemanning dood
scheen te zijn. Het schip bewoog zich niet, anders zou ik de trillingen
wel bemerkt hebben, welke het draaien eener schroef veroorzaakt. Het
was zonder twijfel in de diepte der zee afgedaald en behoorde niet meer
tot deze aarde; die doodsche stilte was vreeselijk! Ik durfde er zelfs
niet naar te raden hoe lang onze verlatenheid, of onze eenzaamheid nog
duren zou; langzamerhand verdwenen de verwachtingen, welke ik na onze
ontmoeting met den kapitein gekoesterd had. De zachte blik van dien
man, de edelmoedige uitdrukking van zijn gelaat, de waardigheid in
zijne houding, dit alles verdween uit mijne herinnering. Ik beschouwde
het raadselachtige wezen slechts als onmeedoogend en wreed: ik stelde
mij hem voor als onmenschelijk, ongevoelig voor eenig medelijden,
hard jegens zijne medemenschen aan wie hij een eeuwigen haat scheen
te hebben gezworen. Maar zou die man ons van honger doen sterven,
opgesloten in deze enge gevangenis, en overgegeven aan die vreeselijke
gedachten, welke woedende honger bij den mensch soms opwekt? Dit
ontzettende denkbeeld kwam langzamerhand bij mij tot rijpheid,
en in mijne verbeelding gevoelde ik, dat eene onzinnige vrees mij
bekroop. Koenraad bleef kalm, Ned Land brulde nu en dan van woede.
Op dat oogenblik hoorden wij eenig geraas buiten onze gevangenis;
voetstappen weerklonken op den metalen vloer; sloten werden omgedraaid,
de deur ging open en de hofmeester verscheen. Voordat ik iets kon doen
om het te verhinderen, had Ned Land zich op den ongelukkige geworpen;
hij wierp hem op den grond en greep hem bij de keel; de hofmeester
stikte bijna onder die geweldige vuisten. Koenraad trachtte het
halfdoode slachtoffer aan de handen van den woedenden harpoenier
te onttrekken, en ik wilde hem helpen, toen ik plotseling aan mijne
plaats genageld bleef staan door het uitspreken van deze woorden in
de Fransche taal:
"Wees bedaard, mijnheer Land, en gij, mijnheer de professor, hoor
mij aan."