bij het verkiezen van hen die ik Gemeenen noemde; of een vreemdeling,
met een ruime beurs, de minder-ontwikkelde stemmers niet zóó zou
kunnen bewerken dat ze hem kozen voor hun eigen landheer, of den
aanzienlijksten heer in de buurt? Hoe het kwam dat de menschen zoo
verschrikkelijk erop gesteld waren in die vergadering te komen, wat
ik beweerde dat grooten last en onkosten veroorzaakte, ja dikwijls
den ondergang van hun families, zonder eenig loon of toelage; omdat
dit zulk een verheven soort deugd en belangstelling in de publieke
zaak zou zijn, dat Zijne Majesteit er aan twijfelde of die wel altijd
oprecht kon wezen. En hij wenschte te weten of zulke ijverige heeren
misschien ook eenig uitzicht zouden hebben om zich zelf schadeloos
te stellen voor de moeiten en kosten die zij moesten beloopen, door
het algemeen welzijn op te offeren voor de plannen van een zwak en
verdorven vorst, in samenspanning met een bedorven ministerraad. Hij
vermenigvuldigde zijn vragen en vroeg me heelemaal uit over dit
onderwerp, tal van vragen en tegenwerpingen stellende, die ik het
voorzichtig noch oorbaar vind te herhalen.
Omtrent wat ik zei van onze gerechtshoven wenschte Zijne Majesteit
verscheidene punten te zien toegelicht, en dit kon ik daarom te beter
doen omdat ik indertijd bijna geruïneerd was door een lang proces
in de Chancery, dat in mijn voordeel beslist werd, met vergoeding
van kosten. Hij vroeg hoeveel tijd er gewoonlijk gebruikt werd om
recht te spreken tusschen recht en onrecht, en wat dat kostte? Of
het advocaten en redenaars vrij stond te pleiten in zaken, waarvan
het openbaar was dat ze onrechtvaardig, ergerlijk of gevallen
van machtsoverschrijding waren? Of partijverschil, politiek of
godsdienstig, wel eens eenig belangrijk gewicht was in de schaal der
gerechtigheid? Of die pleitende redenaars menschen waren, opgevoed in
de algemeene kennis der rechtvaardigheid, of alleen in provinciale,
nationale en plaatselijke gebruiken? Of zij of de rechters eenig
aandeel hadden in het maken van die wetten, die zij de vrijheid namen
uit te leggen en te bekantteekenen naar welgevallen? Of zij ooit, op
verschillende plaatsen, voor en tegen dezelfde zaak gepleit hadden,
en vroegere gevallen hadden aangewend om tegengestelde meeningen
te bewijzen? Of zij een rijke of een arme corporatie waren? Of
zij eenige geldelijke belooning ontvingen voor hun pleiten of hun
raadgeven? En, voornamelijk, of zij ooit werden toegelaten als leden
in het Lagerhuis? Toen begon hij aan het bestuur van onze finantiën,
en zei dat hij dacht dat mijn geheugen mij in den steek moest hebben
gelaten, omdat ik onze inkomsten op vijf of zes millioen per jaar had
berekend, en toen ik kwam aan de uitgaven, noemde ik daarvoor bedragen,
die soms meer bedroegen dan het dubbele; want de aanteekeningen,
die hij gemaakt had, waren over dit punt heel nauwkeurig, omdat hij
hoopte, naar hij mij zei, dat de kennis van onze administratie hem
van nut zou kunnen zijn, en hij kon zich niet hebben bedrogen in zijn
berekeningen. Maar, als wat ik hem vertelde waar was, begreep hij
volstrekt niet hoe de zaken van een staat konden verloopen, als die
van een privaat persoon. Hij vroeg mij wie onze schuldeischers waren,
en waar wij 't geld vonden om hen te betalen? Het verbaasde hem mij te
hooren spreken van zulke dure en drukkende oorlogen. Hij zei, dat wij
zeker een erg twistziek volk waren, of erg slechte buren om ons heen
hadden, en een Engelsch generaal wel rijker dan een Engelsch koning
moest zijn. Hij vroeg wat wij hadden te maken buiten onze eilanden,
behalve voor handel, onderhandeling en ter verdediging van de kusten
door een vloot? Boven alles was hij verbaasd mij te hooren praten
van een staand huurleger in vredestijd en in 't midden van een vrij
volk. Hij zei, dat als wij geregeerd werden met onze eigen toestemming
door onze vertegenwoordigers, hij zich niet kon verbeelden waarvoor
we bang waren, of tegen wien wij hadden te vechten; en vroeg wat
mijn meening was, of iemands huis niet beter zou beschermd worden
door hemzelf, zijn kinderen en huisgezin, dan door een half dozijn
schurken, op goed geluk opgepikt op straat, voor kleine gage, die
honderdmaal meer konden maken door hem den nek af te snijden.
Hij lachte om mijn grappige rekenkunst, zoo noemde hij 't--van
het aantal Engelschen te berekenen door de aanhangers van onze
verschillende godsdienstige en staatkundige sekten bij elkaar te
tellen. Hij zei dat hij niet begreep waarom zij, die meeningen zijn
toegedaan, nadeelig voor het algemeen, zouden worden genoodzaakt
die te veranderen, maar ook niet waarom men ze niet dwingen mocht
ze voor zich te houden. En, zoo goed als het dwingelandij was in een
regeering het eerste te eischen, zoo goed was het zwakheid het tweede
niet door te zetten, want wel mag het iemand vergund zijn vergiften
in zijn kamer te houden, maar niet ze te verkoopen voor voedsel.
Hij merkte op, dat ik, onder de vermaken van onzen hof- en land-adel,
het spel genoemd had; hij wou weten op welken leeftijd dit tijdverdrijf
begonnen en op welken er mee geëindigd werd; hoe veel van hun tijd
er aan besteed werd; of het ooit zoo hoog was dat het hun vermogen
benadeelde; of lage, gemeene menschen, door hun bedrevenheid in die
kunst, niet groote rijkdommen verkrijgen, en onze edelen zelf van zich
afhankelijk doen zijn, en hen doen verkeeren in onwaardig gezelschap;
hen heelemaal beletten zelfs hun geest te beschaven, en hun dwingen
door de verliezen die zij lijden, diezelfde schandelijke bedrevenheid
te leeren en te beproeven op anderen?
Hij was heelemaal verbaasd over het geschiedkundig overzicht, dat
ik gaf, van onze staatszaken in de laatste eeuw; bewerende, dat het
niets was dan een hoop samenzweringen, opstanden, moorden, slachtingen,
omwentelingen, verbanningen, ja het ergste wat gierigheid, partijzucht,
huichelarij, valschheid, wreedheid, woede, krankzinnigheid, afgunst,
nijd, wellust, kwaadaardigheid of eerzucht konden voortbrengen.
In een volgende zitting nam Zijne Majesteit de moeite in 't kort
te herhalen al wat ik verteld had; hij vergeleek zijne vragen met
mijne antwoorden; toen, mij in zijn handen nemende, en mij zachtjes
streelende, uitte hij zich in deze woorden, die ik nooit vergeten
zal, noch de wijze waarop hij ze zei: mijn kleine vriend Grildrig,
ge hebt een allerbewonderenswaardigste lofrede gehouden op uw
vaderland; gij hebt helder bewezen, dat onwetendheid, luiheid en
gemeenheid de noodzakelijke eigenschappen zijn, die iemand geschikt
maken voor wetgever; dat de wetten het best verklaard, uitgelegd en
toegepast worden door hen wier belangen en vermogens hen dwingen
ze te verdraaien, te veronwaarden en te ontduiken. Ik merk in uw
staatsbestuur een paar lijnen van een inrichting, die, oorspronkelijk,
wel dragelijk geweest mag zijn, maar die half uitgewischt, en al het
overige heelemaal verknoeid en bevlekt door het bederf. Het blijkt
niet, uit al wat ge zeidet, hoe eenige deugd wordt vereischt voor
het vervullen van eenige betrekking; veel minder, dat deugd bij
u adelt; dat vroomheid en geleerdheid priesters; dat dapperheid
soldaten; onbesprokenheid rechters; vaderlandsliefde senatoren;
wijsheid raadslieden doet bevorderen. Wat u zelf betreft--vervolgde de
koning--die het grootste deel van uw leven reizende hebt doorgebracht,
ik ben wel geneigd te hopen, dat gij tot heden veel fouten van uw
land ontweken zijt, maar, uit wat ik van uw eigen verhaal gehoord heb,
uit de antwoorden ook die ik met moeite u ontrukt en ontwrongen heb,
begrijp ik volkomen dat het gros van uw Engelschen het afgrijselijkst
ras van walgelijke wormen is, dat de natuur ooit kan geduld hebben
dat omkroop op de oppervlakte van deze aard.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Des schrijvers vaderlandsliefde.--Hij doet den Koning een
voordeelig voorstel, dat wordt verworpen.--Des Konings groote
onwetendheid in de politiek.--De wetenschap van dat land zeer
onvolkomen en beperkt.--Hun wetten, en zaken van oorlog, en
staatkundige partijen.
Niets dan een buitengewone waarheidsliefde zou mij hebben kunnen
beletten dit deel van mijn verhaal achter te houden. Het was vergeefs
mijn boosheid te doen merken, die altijd belachelijk werd gemaakt,
en ik was genoodzaakt mij bedaard te houden, terwijl mijn edel en
zeer bemind vaderland zóó beleedigd werd. Het spijt mij even erg als
wien ook van mijn lezers, dat het gebeuren moest; maar deze vorst was
nu eenmaal zoo nieuwsgierig en uitvorschend naar iedere bizonderheid,
dat het tegen alle erkentelijkheid en goede manieren zou geweest zijn
hem niet zoodanige inlichtingen te geven als ik kon. Toch moge ik dit
doen opmerken tot mijn rechtvaardiging, dat ik kunstiglijk menige
vraag ontweken heb, en elk punt een gunstiger draai gaf, dan met
strenge waarheid bestaanbaar was; want ik heb altijd die prijselijke
partijdigheid voor mijn eigen vaderland voorgestaan, die Dionysius
van Halicarnassus, zoo ten rechte, den geschiedschrijver aanbeveelt;
ik wilde de zwakheden en mismaaktheden van mijn staatkundige moeder
verbergen, en deugden en schoonheden in het gunstigste licht hebben
gesteld. Dit was mijn ernstig streven, in die gesprekken die ik voerde
met den koning, schoon dat streven helaas niet met goeden uitslag werd
beloond. Maar ook weer moet men niet te hard oordeelen over een koning,
die geheel leeft afgesloten van de overige wereld, en, dientengevolge,
volslagen onbekend moet wezen met de zeden en gewoonten die bij andere
volken in zwang zijn: een onkunde, die veel vooroordeelen baart, en
een zekere bekrompenheid van denken, waar wij en de beschaafde volken
van Europa volkomen vrij van zijn; en het zou hard wezen, werkelijk,
als de begrippen van deugd en ondeugd van een vorst die zoo veraf
woont, werden voorgesteld als een standaard voor het heele menschdom.
Om te bevestigen wat ik nu gezegd heb, en verder de ellendige gevolgen
van een beperkte opvoeding te doen zien, zal ik hier een verhaal
inlasschen dat nauwelijks zal worden geloofd. In de hoop mij verder
van Zijner Majesteits gunst te verzekeren, vertelde ik hem van een
uitvinding, gedaan tusschen drie- en vierhonderd jaren geleden, om
een zeker poeder te maken, dat de kleinste vonk die er in viel, al was
het op een hoop, die zoo groot als een berg was, kon doen ontbranden,
en in de lucht vliegen met een geluid en geweld, grooter dan dat van
den donder. Dat een tamelijke hoeveelheid van dit poeder, in een holle
pijp van koper of ijzer gestampt, meer of min naar die pijp groot was,
een ijzeren of looden kogel met zulk een geweld daaruit zou drijven,
dat niets in staat was zijn kracht te weerstaan; dat de grootste
kogels, zoo afgeschoten, niet alleen heele slagorden tegelijk konden
verwoesten, maar de sterkste muren tot puin brijzelen, schepen doen
zinken, met duizend man er in; en als ze met een ketting aan elkaar
verbonden waren, masten en tuig konden doorsnijden, honderden lichamen
middendoor deelen, en alles voor hen uit plat slaan. Dat wij dit
kruit dikwijls in groote holle ijzeren kogels deden, en ze met een
werptuig afzonden naar de een of andere stad, die wij belegerden,
waar ze het plaveisel opscheurden, de huizen aan stukken reten,
splinters van zich werpende naar alle kanten, die de nabijzijnden
doodden. Dat ik de ingrediënten heel goed kende, die heel goedkoop
en gemakkelijk verkrijgbaar waren; en ook de kunst verstond van ze
te mengen, en zijn werklieden aanwijzingen kon geven voor het maken
van die buisjes, van eene grootte, evenredig aan die van alle andere
dingen in Zijner Majesteits rijk, en de grootste zou niet langer
dan honderd voet hoeven te zijn; twintig of dertig van welke tuben,
met de noodige hoeveelheid kruit en kogels geladen, de muren zouden
stukschieten van de sterkste stad in zijn koninkrijk, als die het ooit
zou wagen zijn vorstelijke bevelen te weerstaan. Dit bood ik den koning
onderdanig aan, als een kleine schatting van erkentelijkheid, en mijn
dank voor zooveel blijken van zijn koninklijke gunst en bescherming.
De Koning stond versteld van de beschrijving, die ik hem van
die schrikkelijke machines gegeven had, en het voorstel dat ik
hem deed. Hij verbaasde zich er over dat zulk een machteloos en
kruipend insekt als ik (dat waren zijne uitdrukkingen), zulke
onmenschelijke denkbeelden ontwikkelen kon, en dat nog wel zoo
volmaakt gemoedelijk, zoo volkomen onbewogen bij het spreken over al
de tooneelen van bloedige verwoesting, die ik als de gewone gevolgen
van die verwoestende werktuigen schilderde: werktuigen, zeide hij,
waarvan de booze geest, een vijand van het menschdom, de uitvinder moet
zijn geweest. Wat hem zelf betrof, hij verklaarde, dat schoon weinig
zaken hem zóo verheugden als nieuwe ontdekkingen in de kunst of de
natuur, hij toch eerder de helft van zijn koninkrijk zou prijsgeven
dan deelgenoot van zulk een geheim te zijn; dat hij mij last gaf,
indien ik mijn leven liefhad, nooit meer voor iemand te noemen.
Welk wonderlijk uitwerksel van bekrompen beginselen en beperkte
inzichten! dat een vorst, in 't bezit van elke eigenschap die eerbied,
liefde en achting afvergt; van een heerlijken aanleg en groote
wijsheid, een grondige geleerdheid, begaafd met bewonderenswaardige
gaven voor de regeering, door zijne onderdanen bijna vergood, uit
overdreven, onnoodig gemoedsbezwaar, zooals wij in Europa ons niet
kunnen voorstellen, een gelegenheid laat voorbijgaan, die hem in
de handen gegeven wordt, om oppermachtig meester te worden van het
leven, de vrijheid en de bezittingen van zijn volk! En dit zeg ik
niet met de minste bedoeling iets af te dingen op de vele deugden van
dien uitstekenden koning, wiens karakter, daar ben ik zeker van, om
déze reden heel erg dalen zal in de opinie van den Engelschen lezer:
maar ik houd het er voor, dat dit gebrek onder hen is voortgekomen
uit hun onwetendheid, daar zij tot nu toe de politiek nog niet tot
een wetenschap gemaakt hebben, zooals de schranderder vernuften van
Europa hebben gedaan. Want, ik herinner me zeer goed, dat toen ik
in een gesprek met den koning, op een keer zoo zeggen mocht, dat
er bij ons verscheiden duizenden boeken over de kunst van regeeren
geschreven zijn, hij daardoor (juist omgekeerd van wat ik bedoelde)
een heel min denkbeeld kreeg van ons gezond verstand. Hij verklaarde te
verafschuwen en te verachten tevens alle geheimzinnigheid, verfijning,
en dubbelzinnigheid in een vorst zoowel als in een minister. Hij kon
niet begrijpen wat ik bedoelde met staatsgeheimen, als er niet sprake
was van een vijand of een naijverig naburig volk. Hij beperkte de
regeerkunst in heel enge grenzen, van gezond verstand en overleg,
van rechtvaardigheid en lankmoedigheid, van spoedige afdoening van
burgerlijke rechts- en strafzaken; met nog een paar in 't oog vallende
onderwerpen, die de moeite niet waard zijn. En hij sprak als zijn
meening uit, dat diegene, die twee halmen graans, of twee sprietjes
gras kon doen groeien op een plek, waar vroeger maar éen opschoot,
meer goeds aan de menschheid verdiende, en beteekenisvoller dienst deed
aan zijn vaderland, dan het heele ras van staatskunstenaars bij elkaar.
De wetenschap van dit volk is heel onvolkomen; bestaande enkel in
zedekunde, geschiedenis, poëzie en wiskunde, waarin ik zeggen moet
dat zij uitmunten. Maar de laatste wordt alleen toegepast op wat
in het leven van nut kan zijn, op de verbetering van den landbouw
en alle takken van werktuigkunde; zoodat ze, onder ons, in geringe
achting zou zijn. En wat betreft ideeën, het absolute, abstracties
en transcendenties, daarvan kon ik hen nooit het minste begrip doen
krijgen.
Geen wet van dit koninkrijk mag meer woorden hebben dan er letters in
het alfabet zijn, en die zijn er maar twee-en-twintig. Maar er zijn
maar weinig van de volle lengte. Zij zijn vervat in de eenvoudigste en
simpelste termen, waarin dit volk niet spitsvondig genoeg is om meer
dan éen uitlegging te zien: en op het schrijven van een aanteekening op
een wet, staat de doodstraf. Wat betreft het beslissen over burgerlijke
zaken en rechtsvervolging tegen misdadigers, de precedenten zijn zoo
weinig talrijk, dat zij weinig aanleiding hebben zich te verheffen
op eenige bijzondere bedrevenheid daarin.
De kunst van drukken kennen zij, zooals de Chineezen, sinds
onheugelijke tijden: maar hun boekerijen zijn niet zeer groot, want
die van den koning, die voor de grootste gehouden wordt, telt niet
meer dan duizend deelen, geplaatst in een galerij van twaalfhonderd
voet lang, waaruit ik de vrijheid had zooveel te zoeken als ik
wou. De schrijnwerker van de koningin had in een van de kamers van
Glumdalclitch een houten stelling vervaardigd, vijf-en-twintig voet
hoog, gevormd als een staande ladder: de treden waren elk vijftig
voet lang: het was dus eigenlijk een bewegelijke trap, waarvan het
benedeneind op tien voet afstand van den kamermuur was geplaatst. Het
boek, dat ik lezen wou, werd tegen den muur gezet: ik klom eerst de
ladder op tot de bovenste treê, en begon, mijn gezicht naar het boek
keerende, boven aan de bladzij, en zoo wandelende naar rechts en links,
acht of tien pas ongeveer, naar de regel lang was, totdat ik een beetje
onder de lijn van mijn oog gekomen was; waarna ik weer opklom, en aan
de andere bladzij begon op dezelfde manier en dan het blad omsloeg,
wat ik gemakkelijk met mijn beide handen doen kon, want het was dik
en stijf als bordpapier en in de grootste folianten niet meer dan
achttien of twintig voet lang.
Hun stijl is duidelijk, mannelijk en vloeiend, maar niet bloemrijk;
want niets vermijden zij meer dan het onnoodig herhalen van woorden, of
het gebruik van verschillende zegswijzen. Ik heb verscheidene van hun
boeken gelezen, hoofdzakelijk die over zedekunde en geschiedenis. Onder
andere had ik heel veel schik in een kleine oude verhandeling,
die altijd in de slaapkamer van Glumdalclitch lag, en behoorde aan
haar gouvernante, een ernstige, bejaarde dame, die veel deed aan
zedelijke en vrome werken. Het boek handelt over de zwakte van het
menschelijk geslacht en is in kleine achting, behalve bij vrouwen
en onontwikkelden. Ik was evenwel benieuwd te zien wat een schrijver
van dat land kon zeggen over dit onderwerp. Deze schrijver behandelde
al de gewone onderwerpen van Europeesche moralisten, aantoonende hoe
een nietig, verachtelijk en hulpeloos wezen de mensch van nature was;
hoe onbekwaam zich te beveiligen tegen de ruwheden van den dampkring,
of de woede van wilde dieren; hoe ver hij door het eene schepsel in
kracht, door het andere in vlugheid, door het derde in inzicht, door
het vierde in kunstvaardigheid overtroffen wordt. Hij voegde er bij,
"dat de natuur ontaard was in deze latere afnemende eeuwen, en nog
alleen maar kleine misgeboorten kon voortbrengen, in vergelijking met
de geboorten van oude tijden." Hij zeide, "dat het zeer aannemelijk
was, dat niet alleen het menschengeslacht oorspronkelijk veel
grooter was geweest, maar ook dat er reuzen moeten geweest zijn in
vorige eeuwen; wat, zooals het beweerd wordt door geschiedenis en
overlevering wordt bevestigd door groote beenderen en schedels, nu en
dan opgegraven in verschillende deelen van het koninkrijk, die ver die
overtreffen van het tegenwoordige weggeslonken geslacht." Hij betoogde
"dat de wetten der natuur zelf noodzakelijk vereischten dat wij,
in den beginne, grooter en sterker zouden geschapen zijn; niet zoo
blootstaande aan den dood door nietige toevallen, door het vallen van
een dakpan op ons hoofd, of een steen, geworpen door een kinderhand,
of door het verdrinken in een kleine beek. Uit deze redeneeringen trok
de schrijver allerlei zedelijke toepassingen, nuttig om naar te leven,
maar noodeloos hier te herhalen. Wat mij betrof, ik kon niet laten
bij mijzelf te bedenken hoe algemeen dit talent was, zedelessen te
halen, of liever oorzaak van wrok en ontevredenheid te zoeken uit den
strijd, die er zou zijn tusschen de natuur en ons. En ik geloof, dat,
na ernstig onderzoek, die strijd even ongegrond zou blijken bij ons,
als hij is onder dit volk. Aangaande hun legerzaken, verheffen zij er
zich op, dat des konings leger uit honderd-zes-en-zeventig-duizend
man voet- en twee-en-dertig-duizend paardevolk bestaat: als dat een
leger genoemd mag worden, dat is samengesteld uit de handelaars in de
verschillende steden, en de boeren op het land, wier bevelhebbers de
adel en de heeren zijn, zonder loon of vergoeding. In hun oefeningen
zijn zij inderdaad vrijwel volmaakt, en onder zeer goede tucht,
waarin ik geen groote verdienste vond; want hoe kon het ook anders,
waar iedere boer onder het bevel van zijn eigen landheer staat, en
iedere burger onder dat van den voornaamsten van zijne eigene stad,
gekozen bij stemming, als in Venetië?
Ik heb dikwijls de militie van Lorbrulgrud zien uitrukken om te
exerceeren in een groot veld bij de stad, van twintig mijl in 't
vierkant. Er waren in 't geheel niet meer dan vijf-en-twintig-duizend
man voet- en zesduizend paardenvolk; maar het was me onmogelijk hun
aantal precies te tellen, omdat ze zoo'n groote ruimte besloegen. Een
ruiter, zittende op een groot paard, mag zoowat negentig voet
hoog zijn geweest. Ik heb die heele ruitermacht, op éen woord
van commando, in eens hun zwaarden zien trekken en in de lucht
zwaaien. Geen verbeelding kan zich iets zoo groots, zoo verrassends,
zoo overweldigends voorstellen! het was alsof tienduizend bliksems
tegelijkertijd van iedere hemelwolk neerschoten.
Ik was benieuwd te weten hoe deze vorst, tot wiens rijk geen toegang
van eenig ander land is, eraan kwam aan legers te denken, of zijn
volk te wennen onder militaire tucht. Maar ik werd spoedig, door
gesprekken en geschiedboeken, daarover ingelicht; want, in den loop
van verscheidene eeuwen, hebben zij geleden aan dezelfde kwaal, waaraan
veel andere regeeringen onderhevig zijn; de adel strevende naar macht,
het volk naar vrijheid en de vorst naar het alleenheerscherschap. Al
welke, hoewel gelukkig getemperd door de wetten, soms door elk van de
drie partijen verkracht zijn, en een of meer malen burgeroorlog deden
ontstaan; waarvan aan de laatste gelukkig een eind gemaakt werd door
den grootvader van dezen vorst, bij algemeen verdrag; en het leger,
toen met algemeene toestemming opgericht, is sinds dien tijd onder
strenge tucht gehouden.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De Koning en Koningin maken een reis naar de grenzen.--De schrijver
vergezelt hen.--De wijze waarop hij het land verlaat zeer omstandig
verteld.--Hij keert naar Engeland terug.
Ik had altijd een vast vertrouwen dat ik eens mijn vrijheid herkrijgen
zou, schoon het onmogelijk vooruit te zeggen was op welke wijze,
of eenig plan te maken dat de minste kans van slagen had. Het schip
waarmee ik gekomen was, was het eerste dat bij menschen weten in
't gezicht van de kust gekomen was, en de koning had strikte orders
gegeven, dat, als er te eeniger tijd weer een opdaagde, het aan land
gehaald zou worden en met de heele bemanning en alle passagiers,
in een ton naar Lorbrulgrud gebracht. Ik werd, dat is waar, met veel
goedheid behandeld; ik was de lieveling van een groot koning en zijn
koningin, en de vreugd van het heele hof; maar ik werd met dat al
behandeld op een voet, die slecht overeenkwam met de waardigheid van
de menschheid. Ik kon nooit die huiselijke panden vergeten, die ik
achtergelaten had. Ik had behoefte aan het verkeeren onder menschen
met wie ik op gelijken voet kon omgaan, en langs de straten en velden
wandelen zonder vrees te worden doodgetrapt als een vorsch of een jong
hondje. Maar mijn verlossing kwam spoediger dan ik verwacht had, en
op een ongewone wijze; waarvan ik de geschiedenis en de omstandigheden
getrouw vertellen zal.
Ik was twee jaar in het land geweest; en omstreeks den aanvang van het
derde vergezelden Glumdalclitch en ik den koning en de koningin, op
een reis naar de zuidkust van het koninkrijk. Ik werd, als gewoonlijk,
vervoerd in mijn reisdoos, die, zooals ik reeds beschreven heb, een
welingericht vertrek was van twaalf voet breed. En ik had een hangmat,
met zijden koorden, aan de vier hoeken bovenaan doen bevestigen, om
den schok te breken als een bediende mij voor zich op 't paard had,
zooals ik somtijds vroeg; en in die hangmat placht ik dikwijls onderweg
een slaapje te doen. In het dak van mijn vertrekje, niet precies midden
boven de hangmat, liet ik den timmerman een gat steken van een voet in
't vierkant, om me lucht te maken bij warm weer, terwijl ik sliep;
en ik sloot dat gat wanneer ik wilde met een schuif die achter-
en vooruit door een gleuf gleed.