Toen wij het doel van onze reis nabij waren, dacht het den

koning goed een paar dagen te vertoeven in een paleis dat hij had

nabij Flanflasnic, een stad achttien Engelsche mijlen van zee af

gelegen. Glumdalclitch en ik waren erg moe: ik had een beetje

kou gevat, maar het arme kind was zoo ziek dat zij haar kamer

moest houden. Ik smachtte er naar de zee te zien, waar alleen

ik over ontsnappen kon, als dat ooit gebeuren mocht. Ik deed mijn

ongesteldheid erger voorkomen dan ze was, en vroeg verlof de frissche

zeelucht te mogen gaan inademen, met een page waar ik veel van hield,

en dien men soms met mij vertrouwde. Ik zal nooit vergeten hoe ongaarne

Glumdalclitch er in toestemde, noch den strikten last dien zij den page

gaf goed voor mij te zorgen, terwijl zij tegelijk in tranen uitbarstte,

als had zij een voorgevoel van wat er te gebeuren stond. De knaap

liep met mij in mijn doos, tot een half uur van het paleis, naar de

rotsen aan de zeekust. Ik beval hem mij neer te zetten, en een van

mijn gordijnen opgehaald hebbende, wierp ik verlangende, droefgeestige

blikken naar de zee. Ik voelde me niet heel wel, en zei den page dat

ik lust had een dutje te doen in mijn hangmat, wat ik hoopte dat mij

goed zou doen. Ik kroop erin, en de knaap deed het venster goed dicht,

om de kou buiten te houden. Ik viel spoedig in slaap, en al wat ik

gissen kan, is dat de page, toen ik sliep, niet denkende dat er eenig

gevaar was, tusschen de rotsen ging zien naar eieren, waarnaar ik

hem uit mijn venster al had zien zoeken, en een of twee in de spleten

oppakken, maar hoe dat mag zijn, ik werd plotseling wakker door een

hevigen ruk aan den ring, die voor het gemak van mij te dragen boven

aan mijn doos was vastgemaakt. Ik voelde mijn doos heel hoog in de

lucht worden opgevoerd, en daarop vooruit gedragen met een verbazende

snelheid. De eerste schok had mij bijna uit mijn hangmat geworpen,

maar daarna was de beweging zacht schommelend. Ik riep verscheiden

malen zoo luid als ik kon, maar vruchteloos. Ik keek door mijn venster

en zag niets dan wolken en lucht. Ik hoorde een gedruisch vlak boven

mijn hoofd, als het slaan van vleugels, en begon toen te merken in

wat jammerlijken toestand ik was; dat een arend den ring van mijn

doos in zijn bek had, en mij straks op een rots zou laten vallen,

als een schildpad in zijn schaal, en mijn lichaam dan er uitpikken

en verslinden: want de scherpe blik en de fijne reuk van dien vogel

stelt hem in staat zijn prooi te ontdekken op een grooten afstand,

zelfs beter verborgen, dan ik binnen tweeduims planken kon zijn.

Ik merkte binnen kort, dat het gedruisch en het kleppen van vleugels

snel toenam, en mijn doos werd heen en weer gezwaaid als een

uithangbord in den wind. Ik hoorde verscheiden stooten of slagen,

die naar ik dacht neerkwamen op den arend (want dat moet hij, daar

ben ik zeker van, geweest zijn, die den ring van mijn doos in zijn

bek hield), en toen, plotseling, voelde ik mij meer dan een minuut

lang loodrecht neervallen, maar met zulk een ongelooflijke snelheid,

dat ik bijna geen adem meer kon krijgen. Mijn val werd gestuit in

een verschrikkelijk gedreun, dat mij luider in de ooren klonk dan

de waterval van Niagara, waarna ik een volgende minuut heelemaal in

den donkere was, en toen begon mijn doos te rijzen, zoo hoog, dat

ik boven door mijn vensters licht kon zien. Ik bemerkte nu, dat ik

in de zee gevallen was. Mijn doos bleef, door het gewicht van mijn

lichaam, de goederen, die er in waren, en de breede ijzeren platen,

waarmee de vier hoeken van het dak en de bodem beslagen waren, vijf

voet onder water. Ik veronderstelde en veronderstel nog, dat de arend,

die met mijn doos was weggevlogen, door twee of drie anderen vervolgd

en genoodzaakt was geworden mij los te laten, om zich te verdedigen

tegen de anderen, die in zijn buit hoopten te deelen. De ijzeren

platen, waar de bodem mee beslagen was, hielden, (want die waren de

zwaarste) de doos onder het vallen in evenwicht, en voorkwamen dat

zij op het oppervlak van het water stuk viel. Iedere voeg was goed

gesloten, en de deur draaide niet op hengels, maar schoof op en neer

als een raam, wat mijn doos zoo dicht deed zijn, dat ze heel weinig

water binnenkreeg. Ik kwam met veel moeite uit mijn hangmat, nadat

ik eerst beproefd had het schuifje op het dak te openen, waarvan

ik vroeger zei, dat het was aangebracht om lucht binnen te laten,

waaraan ik tot stikkens toe behoefte had.

Hoe dikwijls verlangde ik toen naar mijn lieve Glumdalclitch,

van wie een enkel uur mij zoo ver gescheiden had. En ik mag naar

waarheid betuigen, dat ik, te midden van mijn eigen ongelukken, niet

ophouden kon mijn arme verzorgstertje te beklagen, het verdriet, dat

zij van mijn verdwijnen hebben zou, het ongenoegen van den koning en

den ondergang van haar fortuin. Weinig reizigers misschien hebben

grooter moeielijkheden en benauwdheid doorgemaakt, dan waar ik in

was in dit angstig oogenblik, ieder oogenblik verwachtende mijn doos

te zien stukslaan of tenminste, door den eersten hevigen rukwind,

of een hooge golf, omvergooien. Een barst in éen venster-ruit zou

mijn onmiddellijken dood veroorzaakt hebben, en die ruiten zouden

het stellig zoo lang niet hebben uitgehouden, zonder de sterke

traliedraden, die aan de buitenzijde waren aangebracht tegen ongevallen

op reis. Ik zag het water door verscheidene reten binnendruppelen,

schoon de lekken niet belangrijk waren, en ik ze trachtte te stoppen

zoo goed ik kon. Ik was niet in staat het dak van mijn vertrek op te

lichten, wat ik anders zeker zou gedaan hebben en er boven op zijn gaan

zitten; waar ik tenminste een paar uur langer in veiligheid zou zijn,

dan door te zijn opgesloten (zooals ik het noemen mag) binnen in: of,

als ik deze gevaren al een dag of twee ontsnapte, wat kon ik anders

verwachten dan een ellendigen dood door honger en koude? Ik was vier

uur in deze omstandigheden, verwachtende, ja bijna wenschende, elk

oogenblik, dat dit het laatste zou zijn.

Ik heb den lezer reeds verteld, dat er twee sterke krammen bevestigd

waren aan die zijde van mijn doos, die geen venster had, en waarin de

knecht, die me te paard placht te dragen, een lederen gordel haalde en

om zijn midden gespte. Terwijl ik nu zoo troosteloos in mijn doos zat,

hoorde ik, of meende ik tenminste te hooren een soort van knarsend

geluid, aan die zijde waar die krammen zaten; en kort daarop ging het

me voorkomen dat de doos door zee voortgetrokken of gesleept werd; want

ik voelde af en toe een soort van drukking, die de golven tot bijna

boven mijn vensters rijzen deed en me haast in 't donker liet. Dit

gaf me eenigszins hoop op uitredding, schoon ik niet in staat was mij

te verbeelden door wat middel die zou plaats hebben. Ik waagde het

een van mijn stoelen los te schroeven, die altijd aan den grond vast

waren; en na hem met groote inspanning weer te hebben vastgeschroefd

vlak onder het dakschuifje, dat ik kort te voren geopend had, klom

ik er op, en riep, met mijn mond zoo dicht ik kon bij de opening,

zoo hard mogelijk om hulp, in al de talen die ik sprak. Toen bond

ik mijn zakdoek aan een stok, dien ik gewoonlijk bij mij droeg, en

wuifde hem, boven het gat, herhaaldelijk heen en weer, opdat als eenig

schip of boot in de nabijheid was, de zeelieden begrijpen konden dat

een of ander ongelukkige sterveling in deze doos zat opgesloten. Ik

bespeurde geen gevolg op al wat ik deed, maar bemerkte duidelijk

dat mijn kamer voortgesleept werd; en binnen den tijd van een uur,

of minder, stootte die zij van de doos waar de krammen waren, en die

geen vensters had, tegen iets hards. Ik vreesde dat het een rots was,

en voelde mij meer dan ooit ontsteld heen en weer schudden. Ik hoorde

duidelijk een geluid op het dak van mijn kamer als van een kabel, en

een schuren alsof hij door den ring gehaald werd. Toen voelde ik me,

langzaam aan, ophijschen, tot ten minste drie voet hooger dan ik eerst

was. Waarop ik weer mijn zakdoek aan den stok uitstak, en om hulp riep

totdat ik nagenoeg heesch was. In antwoord waarop ik een luid driemaal

herhaald gejuich hoorde, wat mij zulke vervoeringen van vreugd gaf

als alleen kunnen begrepen worden door hen die ze voelen. Ik hoorde

nu voeten boven mijn hoofd, en iemand die met luider stem door het

gat riep, in 't Engelsch, of er iemand beneden was, en zoo ja of hij

dan maar spreken wou. Ik antwoordde dat ik een Engelschman was, door

mijn noodlot in de jammerlijkste omstandigheden gebracht waar ooit

eenig schepsel in verkeerde, en smeekte, bij al wat hen bewegen kon,

uit de gevangenis waar ik in was bevrijd te worden. De stem antwoordde

dat ik buiten gevaar was, want mijn doos lag vast aan hun schip, en de

timmerman zou onmiddellijk een gat in de zoldering zagen, groot genoeg

om me er door te hijschen. Ik antwoordde dat dit niet hoefde en te

veel tijd zou kosten; maar dat een van de bemanning liever eenvoudig

zijn vinger door den ring moest steken, en de doos uit zee in 't schip

zetten en bij den kapitein in zijn hut brengen. Eenigen, toen zij mij

zoo vreemd hoorden praten, dachten dat ik gek was, anderen lachten;

want 't was mij geen oogenblik in 't hoofd gekomen te denken dat ik nu

weer onder menschen van mijn eigen lengte en kracht gekomen was. De

timmerman kwam, en zaagde, binnen een minuut of wat, een doorgang

van ongeveer vijf voet in 't vierkant, liet een kleine ladder neer,

waar ik opklom, en erg verzwakt in 't schip werd opgenomen.

De schepelingen stonden allen verbaasd en deden mij duizend vragen,

die ik geen lust had te beantwoorden. Ik was eveneens verbaasd

bij het gezicht van zooveel dwergen, want zoo leken zij mij, nu ik

zoo lang mijn oogen gewend had aan de monsterachtige afmetingen,

die ik pas verlaten had. Maar de kapitein, mr. Thomas Wilcocks,

een braaf eerlijk man uit Shropshire bemerkende dat ik op 't punt

stond flauw te vallen, nam me in zijn hut, gaf me een hartsterking

om me op te wekken, en deed me op zijn eigen bed liggen, met den

raad wat rust te nemen, die ik hard noodig had. Voor ik slapen ging,

zei ik hem dat ik een beetje goed onderhouden huisraad in mijn doos

had, te goed om te laten verloren gaan; een mooie hangmat--een knap

veldbed--twee stoelen--een tafel--en een kabinet. Dat mijn kamer aan

alle kanten behangen, of liever gevoerd was met zijde en katoen; dat,

als hij een van het volk mijn kamer in zijn hut wou laten brengen, ik

haar daar voor hem zou openen en hem mijn goederen laten zien. Toen de

kapitein mij dien zotteklap hoorde uitslaan, kreeg hij de overtuiging

dat ik ijlde; nochtans (ik denk om me tevreden te stellen) beloofde hij

mij te zullen doen zooals ik gevraagd had, en op dek gegaan zijnde,

zond hij eenige van zijn volk naar beneden in mijn kamer, waar zij,

(zooals ik later bemerkte) al mijn goederen uithaalden, en de voering

afstroopten; maar de stoelen, de kast en de bedstede, die aan den

vloer geschroefd waren, werden door de onwetendheid van de zeelieden,

die hen met geweld losscheurden, erg beschadigd. Toen sloegen zij

eenige planken af die op schip konden gebruikt worden, en toen zij

zoo alles ervan gehaald hadden wat hun geschikt leek, lieten zij het

overschot in zee vallen, waar het, wegens de vele bressen in bodem en

zijwanden, onmiddellijk zonk. En ik was werkelijk blij dat ik geen

toeschouwer geweest was van de schade, die zij aanrichtten, omdat

ik overtuigd ben dat het mij zeer zou hebben aangedaan, en vroegere

gebeurtenissen in mijn geest teruggeroepen, die ik liever vergeten wou.

Ik sliep een paar uur, maar mijn slaap werd onophoudelijk gestoord

door droomen van de plaats waar ik van daan kwam, en de gevaren

waaraan ik was ontsnapt. Toen ik wakker werd, voelde ik mij evenwel

veel beter. Het was toen zoo wat acht uur 's avonds en de kapitein

bestelde dadelijk avondeten, meenende dat ik reeds te lang gevast

had. Hij onderhield mij allerminzaamst, bemerkende dat ik niet wild

keek of onsamenhangend praatte; en toen wij alleen waren vroeg hij

mij hem het verhaal te doen van mijn reizen, en hoe ik zoo kwam rond

te drijven in een houten kast. Hij zei, dat hij, omstreeks twaalf

uur op den middag, toen hij door zijn glas keek, iets bespeurde op

een afstand, dat hij voor een zeil hield, dat hij besloot te praaien,

daar het niet ver uit zijn koers lag, in de hoop een beetje beschuit

te kunnen koopen, omdat die hij had, begon op te raken. Dat hij,

naderbijkomende, en zijn vergissing bemerkende, zijn sloep had laten

uitzetten om te ontdekken wat het was; dat zijn matrozen doodsbang

terugkwamen, zwerende dat zij een drijvend huis gezien hadden. Dat hij

lachte om hun dwaasheid, en zelf in de boot gegaan was, terwijl hij

zijn volk last gaf een sterk kabeltouw mee in de boot te nemen. Dat

hij, daar de zee kalm was, verscheiden malen om me heen geroeid was,

mijn vensters had opgemerkt en het traliewerk dat ze beschutte. Dat hij

twee krammen aan éene zijde bespeurde, die heelemaal van planken was

en zonder doorgang voor het licht. Hij beval toen zijn volk naar dien

kant op te roeien, en een kabel aan een van de krammen bevestigende,

gaf hij hun last mijn kast, zooals zij haar noemden, naar het schip

te sleepen. Toen ze daar was, gaf hij order een anderen kabel te

bevestigen aan den ring, die in de zoldering vastzat, en mijn kast met

katrollen op te hijschen, wat al de matrozen niet bij machte waren

hooger dan twee of drie voet te doen. Hij zei, dat zij mijn stok

met den zakdoek uit het gat zagen gestoken, en daaruit opmaakten,

dat de een of andere ongelukkige er binnen moest opgesloten zijn. Ik

vroeg of hij of een van zijn volk niet sommige monsterachtige groote

vogels in de lucht gezien hadden omstreeks den tijd dat zij mij in

't gezicht kregen? Waarop hij antwoordde, dat, terwijl hij deze

zaak, toen ik sliep, met de matrozen besprak, een van hen zeide,

dat hij drie arenden gezien had, die naar het noorden vlogen,

maar niets bemerkte van dat zij meer dan de gewone grootte hadden;

wat ik veronderstel dat moet worden toegeschreven aan de groote

hoogte waarop zij waren; en hij begreep niet om wat reden ik dat

vroeg. Ik vroeg toen den kapitein hoever wij, naar zijne berekening,

van land waren? Hij zei, naar de beste berekening die hij maken kon,

tenminste honderd mijlen. Ik verzekerde hem, dat hij zich bijna de

helft vergissen moest, want dat ik het land, waar ik vandaan kwam,

verlaten had niet meer dan twee uur voordat ik in zee viel. Waarop hij

opnieuw ging gelooven dat mijn hoofd van streek was, wat hij me half

en half te verstaan gaf, en toen raadde naar bed te gaan in een hut,

die hij voor me had laten klaarmaken. Ik verzekerde hem dat ik door

zijn goede zorgen en gezelschap uitstekend was opgefrischt, en zoo

goed bij mijn verstand als ooit. Toen werd hij ernstig, en verzocht

mij hem vrijuit te zeggen of mijn geest niet ontrust werd door het

bewustzijn van een vreeselijke misdaad, waarvoor ik gestraft was,

op bevel van een of anderen vorst, met in die kast gezet te worden;

zooals groote misdadigers, in andere landen, gedwongen zijn op zee

te gaan in een lek vaartuig, zonder teerkost: want ofschoon het hem

spijten zou zulk een slecht man in zijn schip genomen te hebben,

gaf hij toch zijn woord, dat hij mij veilig aan land zou zetten in de

eerste de beste haven waar wij aankwamen. Hij voegde erbij, dat zijn

vermoedens zeer versterkt waren door sommige allerdwaaste praatjes,

die ik eerst tegen de matrozen en daarna tegen hem zelf gehouden had,

aangaande mijn kamer of kast, zoowel als door mijn zonderlinge blikken

en gedrag bij 't avondeten.

Ik verzocht hem geduldig te willen luisteren naar mijn verhaal, dat ik

hem daarop getrouwelijk vertelde, van den laatsten keer dat ik Engeland

verliet tot het oogenblik dat hij mij het eerst ontdekte. En, zooals de

waarheid zich altijd een weg baant in redelijke geesten, zoo werd ook

deze brave eerlijke man, die een beetje geleerdheid en een zeer gezond

verstand had, onmiddellijk van mijn oprechtheid en waarheidsliefde

overtuigd. Maar om al wat ik gezegd had verder te bevestigen, verzocht

ik hem last te geven dat mijn kabinet gebracht zou worden, waarvan

ik den sleutel in mijn zak had; want hij had me al verteld hoe het

volk over mijn kamer had beschikt. Ik opende het waar hij bij was,

en toonde hem de kleine verzameling merkwaardigheden, die ik in het

land, waaruit ik zoo wonderlijk verlost was, had aangelegd. Daar was

de kam, die ik uit de haartjes van des konings baard gemaakt had,

en nog een van dezelfde grondstof, maar met voor rug een knipsel

van Harer Majesteits duimnagel. Daar was een verzameling naalden en

spelden van een voet tot een halve el lang; vier wespenangels, als

kastenmakers-spijkers; eenige kamselharen van de koningin; een gouden

ring, dien zij mij op een keer op de innemendste wijze ten geschenke

gegeven had door hem van haar pink te nemen en me om het hoofd te

werpen als een halsband. Ik wenschte, dat de kapitein mij het genoegen

zou doen dezen ring in erkentelijkheid voor zijn beleefdheden aan te

nemen, wat hij heel stellig afsloeg. Ik liet hem een likdoorn zien,

dien ik met eigen handen van den teen van een hofdame gesneden had;

hij was zoo wat zoo groot als een pippeling, en zoo hard geworden,

dat ik hem, toen ik in Engeland terug was, uitholde tot een beker en

in zilver zette. Ten laatste liet ik hem de broek zien, die ik aanhad,

die gemaakt was van muizevel.

Ik kon hem niets anders doen aannemen als een tand van een hofbediende,

dien ik zag dat hij zeer belangstellend bekeek en graag hebben wou. Hij

nam hem aan met de overvloedigste dankbetuigingen, meer dan zulk een

kleinigheid verdiende. Hij was door een onhandigen dokter getrokken

aan een van de bedienden van Glumdalclitch, die aan tandpijn leed,

maar hij was zoo gaaf als hij een in zijn hoofd had. Ik liet hem

schoonmaken en legde hem in mijn kast. Hij was zoo wat een voet lang

en vier duim in doorsneê.

De kapitein was met het eenvoudige verhaal, dat ik hem gedaan had,

volmaakt tevreden, en zei, dat hij hoopte, dat ik, in Engeland

teruggekeerd, de wereld verplichten zou door het op schrift te

stellen en uit te geven. Mijn antwoord was, dat ik meende, dat we al

zeer overvoerd waren met reisboeken, dat er niets meer gebeuren kon,

dat buitengemeen was; waarom ik ook geloofde, dat sommige schrijvers

de waarheid minder dan hun eigen ijdelheid, of geldzucht, of het

vermaak van onwetende lezers raadpleegden; dat mijn verhaal weinig

anders dan gewone gebeurtenissen bevatten kon, zonder die opsierende

beschrijvingen van vreemde planten, boomen, vogels en andere, of van

de barbaarsche gewoonten en den afgodendienst van wilde volksstammen,

die bij de meeste schrijvers talrijk zijn. Evenwel dankte ik hem voor

zijn goede bedoeling en beloofde hem de zaak in bedenking te houden.

Hij zei, dat hij zich over éen ding verwonderde, daarover namelijk,

dat ik zoo luid sprak; en vroeg mij of de koning of de inwoners van

dat land hardhoorig waren? Ik zei hem dat ik dat twee jaar lang voor

gewoonte had gehad, en dat ik me evengoed verwonderde over zijn stem

en die van zijn volk, die mij niets schenen te doen dan fluisteren,

en toch kon ik ze goed genoeg verstaan. Maar, als ik sprak in dat

land, was het als een man die in een straat spreekt tegen een,

die van den top van een toren kijkt, tenzij ik op tafel stond of in

iemands hand. Ik vertelde hem, dat ik nog iets bemerkt had, namelijk

dat toen ik eerst op 't schip kwam en de matrozen om me heen stonden,

ik dacht dat ze de allernietigste schepseltjes waren die ik ooit gezien

had. Want, toen ik in het land van dien vorst was, kon ik niet over

mij krijgen in een spiegel te kijken nadat mijn oogen gewoon waren

geraakt aan zulke ontzaglijke voorwerpen, omdat de vergelijking mij

zoo'n afschuwelijk klein denkbeeld van mij zelf gaf. De kapitein zei,

dat hij aan 't avondeten gemerkt had dat ik alles met zekere verbazing

bekeek, en soms nauwelijks mijn lachen, naar 't scheen, bedwingen kon,

wat hij niet wist hoe hij 't verklaren moest, maar toeschreef aan de

eene of andere stoornis in mijn hersens. Ik antwoordde, dat het zeer

waar was: en ik wel eens zou willen weten hoe ik dat laten moest als

ik zijn schotels zag van de grootte van een zilver driestuiverstuk,

een zwijnspoot van nauwelijks een mond vol, een beker, niet zoo groot

als een notedop; en zoo ging ik voort, de rest van huisraad en eetwaren

beschrijvende op dezelfde manier. Want ofschoon de koningin een kleine

uitrusting van alle noodige zaken voor mij had laten maken, toen ik in

haar dienst was, waren mijn denkbeelden toch heelemaal vervormd door

wat ik aan alle kanten om me heen zag, en ik zag mijn eigen kleinheid

maar voorbij zooals de menschen hun fouten doen. De kapitein begreep

mijn scherts volkomen en antwoordde luimig met het oude Engelsche

spreekwoord, dat hij vermoedde dat mijn oogen grooter dan mijn buik

waren, want hij merkte niet dat mijn maag heel trekkerig was, al had ik

den heelen dag gevast; en in zijn vroolijkheid doorgaande, verklaarde

hij dat hij graag honderd pond zou hebben gegeven om mijn kamer in den

snavel van den arend, en later in haar val van zoo hoog in zee te zien;

wat stellig een verbazingwekkend schouwspel geweest moest zijn, waardig

dat de beschrijving ervan naar toekomstige eeuwen werd overgebracht;

en de vergelijking met Phaëton lag zoo voor de hand, dat hij het niet

laten kon haar te maken, schoon ik de figuur niet erg aardig vond.

De kapitein was, van Tonkin komende, op de thuisreis naar

Engeland noordoostwaarts gedreven tot op 44 graden breedte en 143

lengte. Maar twee dagen nadat ik aan boord kwam, en langs de kust

van Nieuw-Holland zeilende, hielden wij onzen koers west-zuid-west,

en toen zuid-zuid-west, tot wij om de kaap de Goede Hoop voeren. Onze

reis was zeer gelukkig, maar ik zal den lezer niet plagen met een

dagverhaal ervan. De kapitein liep een of twee havens in, en zond

de sloep uit om levensmiddelen en versch water in te nemen; maar ik

verliet het schip niet voor we in de Duyns kwamen, wat gebeurde op den

derden Juni 1706, zoowat negen maanden na mijn ontsnapping. Ik bood

aan mijn goederen in pand te laten voor de betaling van mijn overtocht,

maar de kapitein verklaarde dat hij geen duit ontvangen wou. Wij namen

van elkaar een hartelijk afscheid en ik deed hem beloven dat hij mij

zou komen opzoeken in mijn huis te Redriff. Ik huurde een paard en

een gids voor vijf shillings, die ik van den kapitein leende.

Onderweg, de kleinheid van de huizen, de boomen, het vee en de menschen

ziende, begon ik te denken dat ik in Lilliput was. Ik was bang op

iederen reiziger dien ik tegenkwam te trappen, en riep hun dikwijls

luidskeels toe uit den weg te gaan, zoodat het weinig scheelde of

ik was voor mijn onbeschaamdheid met een of twee gebroken schedels

thuis gekomen.

Toen ik aan mijn huis kwam, waarnaar ik genoodzaakt was te vragen,

bukte ik mij, nadat een van de bedienden de deur geopend had, om

binnen te gaan (als een gans onder een hek) uit vrees van mijn hoofd

te stooten. Mijn vrouw vloog me tegemoet om me te omhelzen, maar ik

boog me lager dan haar knieën, meenende dat ze anders nooit bij mijn

mond zou kunnen komen. Mijn dochter knielde om mijn zegen te vragen,

maar ik kon haar niet zien eer ze weer opstond, daar ik zoo lang gewoon

was geweest met mijn hoofd en oogen zestig voet naar boven gericht,

te staan; en toen ging ik haar met een hand om 't midden vatten. Ik

keek op de boden neer, en op een of twee vrienden die in huis waren,

als waren zij dwergen en ik een reus. Ik zei tegen mijn vrouw, dat ze

te spaarzaam was geweest, want ik vond dat ze zichzelf en haar dochter

tot niets vermagerd had. In 't kort, ik gedroeg me zoo onverklaarbaar,

dat zij allen van de meening van den kapitein waren, toen die me 't

eerst zag, en geloofden dat ik mijn verstand was kwijtgeraakt. Dit

doe ik opmerken als een staaltje van de groote macht van gewoonte

en vooroordeel.

Binnen weinig tijd gingen ik en mijn huisgenooten en vrienden elkaar

beter verstaan; maar mijn vrouw verklaarde dat ik nooit meer naar

zee zou gaan, ofschoon mijn ongelukkig noodlot het zoo besloten had

dat zij geen macht had mij tegen te houden, zooals de lezer hierna

hooren zal. Ondertusschen eindig ik hier het tweede deel van mijn

ongelukkige reizen.

INHOUD.

EERSTE DEEL.

REIS NAAR LILLIPUT.

EERSTE HOOFDSTUK 5

De schrijver deelt het een en ander mee over zichzelf en zijn

familie.--Zijn eerste aanleiding tot op reis gaan.--Hij lijdt

schipbreuk en zwemt om zijn leven te redden.--Hij komt veilig aan land

in het rijk Lilliput.--Wordt gevangen genomen en het land ingevoerd.

TWEEDE HOOFDSTUK 19

Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag · 第 11 / 12 段