gelegenheden te baat nam om mij af te leiden als ik zwaarmoedig was,
vroeg me of ik de kunst verstond met een zeil of een paar riemen
om te gaan, en of een beetje roeien niet goed voor mijn gezondheid
zou zijn? Ik antwoordde dat ik van 't een zoowel als van 't ander
goed op de hoogte was; want ofschoon mijn eigenlijke betrekking op
schip chirurgijn of dokter was geweest, was ik toch dikwijls als 't
niet anders kon verplicht geweest het werk van een gewoon matroos te
doen. Maar ik begreep niet hoe dat gebeuren kon in dat land, waar de
kleinste wherry zoo groot was als een oorlogsschip eerste grootte bij
ons, en een boot, die ik zou kunnen behandelen het in geen éen rivier
zou uithouden. Hare Majesteit zei dat als ik een boot wou gemaakt
hebben, haar eigen schrijnwerker die zou maken en zij zorgen zou voor
een plaats waar ik in zeilen kon. Die knaap was een vernuftig werkman,
en voltooide in tien dagen een pleizierboot, met al haar tuig, in
staat om met gemak acht Europeanen te bevatten. Toen ze klaar was,
was de Koningin zoo verrukt, dat ze met de boot in haar voorschoot
naar den Koning liep, die bevel gaf haar in een tobbe met water te
zetten, met mij erin bij wijze van proefneming, waar ik mijn twee
losse riempjes niet gebruiken kon, wegens gebrek aan ruimte. Maar
de Koningin had al vooruit een ander plan bedacht. Zij beval den
schrijnwerker een houten trog te maken van driehonderd voet lang,
vijftien breed en acht diep; die, goed gepekt, om lekken te voorkomen,
op den vloer werd gezet, langs den muur van een van de buitenvertrekken
van het paleis. Er was een kraan in bij den bodem, om het water uit
te laten, als het begon te bederven; en twee bedienden konden het
makkelijk vullen in een half uur. Hier ging ik nu dikwijls roeien,
voor mijn eigen pleizier en voor dat van de Koningin en haar dames,
die vonden dat ze zich uitstekend vermaakten met mijn vlugheid en
handigheid. Soms zette ik mijn zeil op, en dan had ik niets te doen dan
te sturen, terwijl de dames een briesje veroorzaakten met hun waaiers;
en als zij moe waren, plachten eenige pages in mijn zeil te blazen,
terwijl ik mijn bedrevenheid toonde door stuur- of bakboord te sturen,
naar welgevallen. Als ik er mee uitscheidde, droeg Glumdalclitch mijn
boot geregeld weer naar haar kamer, en hing haar aan een spijker om
te drogen.
Op een van die oefeningen gebeurde er iets, dat mij bijna het
leven gekost had; want nadat een van de pages mijn boot in den bak
gezet had, tilde de gouvernante, die Glumdalclitch vergezelde, mij
allerdienstvaardigst op, om me in de boot te zetten; maar ik glipte
haar bij ongeluk door de vingers, en zou onredbaar veertig voet omlaag
op den vloer gevallen zijn, als ik, door het gelukkigste toeval van de
wereld, niet was opgehouden door een groote speld, die in de borstlap
van die goede dame stak; de knop van de speld drong tusschen mijn
hemd en mijn broeksband, en zoo bleef ik bij mijn middel in de lucht
hangen, totdat Glumdalclitch mij te hulp vloog.
Een ander maal was een van de bedienden, die de taak hadden, geregeld
om de drie dagen nieuw water in mijn bak te doen, zoo onachtzaam
geweest (zonder dat hij het merkte) een grooten kikvorsch uit zijn
emmer te laten glippen. De vorsch lag verborgen totdat ik in mijn boot
was gezet, maar toen, een vast plekje ziende, klom hij daar tegen op,
en deed de boot zoo schuin gaan, dat ik genoodzaakt was met al mijn
gewicht te gaan overhangen aan den anderen kant, om te voorkomen,
dat ze omsloeg. Toen de vorsch erin was, deed hij een sprong van de
halve lengte van de boot, en toen over mijn hoofd, naar achteren en
naar voren, en bezoedelde mijn hoofd en kleeren met zijn afschuwelijk
slijm. Met zijn monsterachtigen kop leek hij het meest misvormde dier
dat men zich kan voorstellen. Maar ik vroeg Glumdalclitch mij met hem
te laten begaan. Ik zat hem toen een poosje achterna met een van mijn
riemen en dwong hem ten slotte uit de boot te springen.
Maar het grootste gevaar dat ik ooit liep in dat rijk, overkwam me door
een aap, die aan een van de keukenbedienden hoorde. Glumdalclitch had
me in haar kamer opgesloten, terwijl zij ergens heen was op bezoek of
om bezigheden. Daar het heel warm weer was, stond het venster van haar
kamer open, als ook de vensters en de deur van mijn grootste doos,
waarin ik gewoonlijk vertoefde omdat die grooter en gemakkelijker
was. Terwijl ik rustig in gedachten aan mijn tafel zat, hoorde ik
iets naar binnen vallen door het venster van de kamer, en van het eene
eind naar het andere bewegen, waarop ik, schoon ik erg verschrikt was,
waagde naar buiten te zien, maar zonder van mijn plaats op te staan;
en toen zag ik een dartel dier heen en weer springen en snuffelen,
totdat het eindelijk bij mijn doos kwam, die het bekeek, naar het
scheen met grooten schik en nieuwsgierigheid, naar binnen kijkend door
de deur en ieder venster. Ik trok me naar den versten hoek van mijn
kamer of doos terug; maar de aap, die naar alle kanten binnenkeek,
maakte me zóó beangst, dat mij de tegenwoordigheid van geest ontbrak,
om me onder het bed te verschuilen, wat ik makkelijk zou hebben
kunnen doen. Na een tijd te hebben doorgebracht met gluren, grijnzen
en babbelen, kreeg hij mij in 't oog, en een van zijn pooten door
de deur naar binnen stekende, zooals een kat doet, wanneer ze met
een muis speelt, kreeg hij, schoon ik hem onophoudelijk trachtte te
ontwijken, eindelijk een pand van mijn jas beet (die, van de stof van
dat land gemaakt, heel dik en sterk was) en sleepte me daaraan naar
buiten. Hij nam me in zijn rechter voorvoet, en hield me zooals een
min een kind houdt als ze 't wil zogen, net zoo als ik Europeesche apen
wel met kleine poesjes heb zien doen; en toen ik ging tegenstribbelen
drukte hij mij zoo hard, dat ik het voorzichtiger achtte bedaard te
zijn. Ik houd het er zeker voor dat hij me voor een jong van zijn
eigen geslacht hield, want hij aaide me telkens met zijn anderen
poot over mijn gezicht. In dat spelletje werd hij gehinderd door
een gedruisch aan de kamerdeur, alsof iemand haar opende, waarop hij
plotseling naar het venster sprong, waardoor hij was binnengekomen en
daaruit op de lijsten en gootpijpen, terwijl hij op drie beenen liep
en mij in het vierde hield, totdat hij op een dak was geklauterd,
dat vlak naast het onze was. Ik hoorde Glumdalclitch een schreeuw
geven op het oogenblik toen hij met mij naar buiten sprong. Het arme
kind was bijna waanzinnig; dat gedeelte van het paleis was heelemaal
in oproer; de bedienden zochten ladders; de aap werd door honderden
in het hof gezien, op de daklijst van een gebouw zittende, terwijl
hij mij als een zuigeling in een van zijn voorpooten hield en mij
met de anderen voedde door mijn mond vol te stoppen met eten, dat
hij uit een van zijn wangzakken kneep, waarbij hij mij sloeg als ik
niet happen wou, waarom velen van het plebs beneden lachen moesten;
ook geloof ik niet dat men hun dit verwijten mag, want het gezicht
was zonder twijfel belachelijk genoeg voor een ieder, behalve voor
mij zelf. Eenigen van het volk gooiden steenen naar de hoogte, op
hoop den aap naar beneden te jagen, maar dit werd streng verboden,
anders zouden ook waarschijnlijk mijn hersens zijn stukgegooid.
De ladders werden nu aangebracht, en door verscheidene mannen bestegen,
waarop de aap, bemerkende dat hij bijna geheel was ingesloten, en niet
in staat gauw genoeg op zijn drie beenen weg te komen, mij vallen liet
op een vorstpan en zich op de vlucht begaf. Hier zat ik een poosje,
driehonderd el boven den grond, ieder oogenblik verwachtende, door den
wind te worden naar beneden gewaaid, of te vallen van duizeligheid,
en hals over kop van de vorst tot de goot te tuimelen; maar een flinke
knaap, een van de knechts van mijn verzorgster, klom naar boven, en,
mij in zijn broekzak stoppende, bracht me veilig omlaag.
Ik was bijna gestikt aan het misselijke goed, dat de aap mij door
de keel had geduwd; maar mijn lieve kleine oppaster pikte het met
een kleine naald weer uit mijn mond en toen ging ik aan 't braken,
wat me erg opluchtte. Ik was evenwel zoo zwak en gekneusd in de
zijden door de knepen, die dat afschuwelijke dier mij gegeven had,
dat ik genoodzaakt was veertien dagen het bed te houden. De Koning,
de Koningin en het heele hof lieten iederen dag informeeren naar mijn
gezondheid; en Hare Majesteit kwam me verscheiden malen bezoeken
tijdens ik ziek was. De aap werd gedood, en bevel gegeven dat geen
zoo'n dier meer in den omtrek van het paleis mocht gehouden worden.
Toen ik, nadat ik hersteld was, mijn opwachting maakte bij den Koning,
om hem te bedanken voor zijn goede gunsten, behaagde het hem niet
onbelangrijk met mij den draak te steken om dit avontuur. Hij vroeg
wat mijn gedachten en bespiegelingen waren, terwijl ik in den aap
zijn poot lag; hoe het eten smaakte dat hij me te slikken gaf; of ik
hield van zoo gevoed te worden; en of de frissche lucht op het dak
mijn eetlust gescherpt had? Hij vroeg me wat ik in mijn eigen land
in zoo'n geval zou gedaan hebben. Ik vertelde Zijne Majesteit dat
we in Europa geen apen hadden, behalve die voor de aardigheid van
andere plaatsen werden aangebracht, en zoo klein, dat ik tegen een
dozijn van hen op kon, als zij 't waagden mij aan te vallen. En dat,
wat dat monsterdier betrof, waarmee ik zoo onlangs had te doen gehad
(het was inderdaad zoo groot als een olifant), indien mijn angst mij
had toegelaten eraan te denken mijn houwer te gebruiken (hier keek
ik heldhaftig, en sloeg met mijn hand op het heft), toen hij zijn
poot in mijn kamer stak, ik hem misschien zulk een wond zou hebben
gegeven, dat hij haar heel graag gauwer terug had getrokken dan hij
haar erin stak. Dit sprak ik uit met een vaste stem, als iemand,
die niet lijden kan dat zijn moed in twijfel getrokken wordt. Maar
mijn woorden veroorzaakten niets anders dan een luid gelach, dat
alle eerbied, dien de omstanders hadden voor Zijne Majesteit, hen
niet kon doen inhouden. Dit deed mij erover nadenken hoe 'n ijdele
poging het is zichzelf als lofwaardig te willen voorstellen onder
menschen waarmee men onmogelijk in vergelijking komen kan. En toch
heb ik sinds mijn terugkomst heel dikwijls de moraal van mijn eigen
gedrag gezien, waar een nietige verachtelijke schobbejak zonder de
minste aanspraak op geboorte, voorkomen, geest of gezond verstand,
het wel wagen durft zich gewichtig voor te doen en zich op gelijken
voet te stellen met de grootsten van het koninkrijk.
Ik verschafte het hof iederen dag de een of andere lachwekkende
geschiedenis, en Glumdalclitch, schoon ze overdreven veel van me hield,
was toch ondeugend genoeg om de Koningin te vertellen als ik de een of
andere dwaasheid begaan had, die zij dacht dat haar vermaken zou. Het
kind was een poosje ongesteld geweest, en werd door haar gouvernante
meegenomen om wat van de lucht te genieten naar een uur buiten de stad
of dertig mijl afstands. Zij stapten uit het rijtuig nabij een smal
voetpad in een veld, en toen Glumdalclitch mijn reisdoos had neergezet,
ging ik eruit om wat te wandelen. Er was een koeiekoek op dat pad,
en ik moest natuurlijk mijn vlugheid beproeven door te trachten erover
heen te springen. Ik nam een loopje, maar zette ongelukkig verkeerd af,
en kwam juist tot het midden, tot mijn knieën in den drek. Ik waadde
er met eenige inspanning door en een van de bedienden veegde me zoo
schoon hij kon, met zijn zakdoek; en mijn oppaster sloot me tot we
thuiskwamen in mijn doos; waar de Koningin spoedig over het gebeurde
werd ingelicht en de bedienden het door het heele hof vertelden;
zoodat er een paar dagen lang gelachen werd om niets anders.
ZESDE HOOFDSTUK.
Pogingen van den schrijver om den Koning en de Koningin genoegen
te doen.--Hij toont zijn muzikale bekwaamheden.--De koning laat
zich door den schrijver inlichten over engelsche toestanden.--Wat
de Koning naar aanleiding daarvan opmerkt.
Ik placht eens of tweemaal in de week bij het opstaan van den Koning
tegenwoordig te zijn en had hem dikwijls onder de handen van zijn
barbier gezien, wat waarachtig in 't eerst verschrikkelijk was om
waar te nemen; want het scheermes was bijna tweemaal zoo lang als een
gewone zeis. Zijne Majesteit werd, naar de gewoonte daar te lande,
maar tweemaal per week geschoren. Ik haalde op een keer den barbier
over mij een beetje zeepsop te geven, waar ik veertig of vijftig van
de sterkste haarborstels uitpikte. Ik nam toen een stuk fijn hout, en
sneed het als den rug van een kam, en maakte er een aantal gaatjes in
op gelijke afstanden, met de kleinste naald die ik van Glumdalclitch
krijgen kon. Ik maakte daar zoo kunstig de stompjes haar in vast, ze
afkrabbende en toespitsende met mijn mes, dat ik een heel geschikten
kam kreeg, die me goed van pas kwam, daar uit mijn eigene zooveel
tanden gebroken waren, dat hij bijna niet meer te gebruiken was,
en ik wist in dat land geen éen kunstenaar zoo fijn en nauwkeurig,
dat hij op zich nemen kon me een nieuwen te maken.
Dit doet me denken aan een tijdverdrijf, dat me heel wat vrije uren
bezig hield. Ik vroeg de dame van 't toilet van de Koningin de kamharen
van Hare Majesteit voor mij te bewaren, waarvan ik mettertijd een goede
hoeveelheid kreeg; en raadplegende met mijn vriend den meubelmaker,
die den algemeenen last had kleine karweitjes voor mij te doen, zei
ik hem mij twee stoelrompen te maken, niet grooter dan die ik in mijn
doos had, en met een fijne aalboor kleine gaatjes te boren rondom die
gedeelten waar ik de ruggen en zittingen bedoelde te maken; door die
gaatjes weefde ik de sterkste haren die ik erbij had, juist zooals
in Engeland rieten stoelen worden gemaakt. Toen ze klaar waren gaf
ik ze aan Hare Majesteit present, die ze in haar kabinet zette en ze
placht te toonen als merkwaardigheden, zooals ze dan ook inderdaad
de verbazing opwekten van elk, die ze zag. De Koningin wou me op
een van deze stoelen laten zitten, maar ik weigerde bepaald haar
te gehoorzamen, betuigende dat ik eer zou willen sterven dan een
onbehoorlijk deel van mijn lichaam plaatsen op die kostelijke haren,
die eens Harer Majesteits hoofd versierden. Van deze haren (want ik
had aanleg voor zulke werkjes) maakte ik ook een mooi beursje, van
zoowat vijf voet lang, met Harer Majesteits naam met goudletters erin
geborduurd, die ik met toestemming van de Koningin aan Glumdalclitch
gaf. Om de waarheid te zeggen, was ze meer voor de mooiigheid dan om
haar te gebruiken, omdat ze niet sterk genoeg was om het gewicht van
de grootere munten te dragen, en zij bewaarde er daarom niets in dan
een beetje klein speelgoed, waar kinderen zoo dol op zijn.
De koning, die heel veel van muziek hield, had herhaaldelijk concerten
aan het hof, waar ik somtijds naartoe gebracht werd en in mijn doos
op een tafel gezet om te luisteren, maar het lawaai was zoo hevig,
dat ik nauwelijks de wijzen onderscheiden kon. Ik ben zeker dat al de
trommels en trompetten van een koninklijk leger, slaande en blazende
met hun allen vlak aan je ooren, niet zoo'n lawaai maken. Ik had de
gewoonte mijn doos zoo ver ik kon van de muzikanten te laten plaatsen,
dan de deuren en vensters er van te sluiten en de gordijnen dicht te
trekken, waarna ik hun muziek niet onaangenaam vond.
Ik had in mijn jeugd een beetje op het spinet leeren
spelen. Glumdalclitch had er een in haar kamer, en een meester kwam
haar tweemaal per week les geven; ik noem het een spinet, omdat het een
beetje op dat instrument leek en op dezelfde manier bespeeld werd. Ik
kreeg het in mijn hoofd den Koning en de Koningin met een Engelsch
deuntje op dit instrument te vermaken. Maar dit bleek verbazend
moeielijk, want het spinet was bijna zestig voet lang, daar iedere
toets bijna een voet breed was, zoodat ik met uitgestrekte armen niet
meer dan vijf toetsen omvatten kon, en om ze neer te drukken moest
ik met mijn vuisten goed raak slaan, wat een te zwaar en bovendien
vruchteloos werk zou zijn. De methode die ik toen bedacht was deze:
ik vervaardigde twee ronde stokken van zoowat de grootte van gewone
knuppels; zij waren aan een eind dikker dan aan het andere, en ik
bekleedde de dikke enden met een stuk muizevel, opdat ik, als ik
ermee sloeg, de toetsen niet beschadigen en het geluid niet storen
zou. Voor het spinet werd een bank gezet, zoowat vier voet onder de
toetsen en ik werd op de bank getild. Ik liep dwars er op heen en weer,
zoo hard als ik kon, de toetsen beukende met mijn twee stokken, en
speelde op goed geluk een Ierschen dans (a jig) tot groote voldoening
van Hunne Majesteiten; maar het was de geweldigste inspanning, die
ik ooit doorstaan heb; en toch kon ik niet meer dan zestien toetsen
aanslaan en dus ook niet de eerste en tweede partij te gelijk spelen,
zooals andere kunstenaars doen, wat groot nadeel was voor mijn spel.
De Koning, die, zooals ik te voren opmerkte, een vorst was van een
uitmuntend verstand, placht dikwijls last te geven mij in mijn doos
bij hem te brengen en op de tafel te zetten in zijn studeervertrek;
hij beval nu en dan een van mijn stoelen uit mijn doos te halen,
en drie el van hem af op den top van zijn schrijftafel te gaan
zitten, wat me bijna gelijk met zijn gezicht bracht. Op die manier
had ik verscheiden gesprekken met hem. Eens nam ik de vrijheid Zijne
Majesteit te zeggen dat de minachting die hij toonde voor Europa en
de rest van de wereld, niet overeenkomstig scheen met die uitmuntende
eigenschappen, die in hem uitblonken; dat het verstand niet toenam
met den omvang van het lichaam; integendeel, wij maakten in ons land
de opmerking, dat de grootste menschen gewoonlijk het slechtst ervan
voorzien waren; dat onder alle andere dieren de bijen en mieren den
naam hadden van nijverder, kunstvaardiger en verstandiger te wezen, dan
verscheidene van de grootere soorten, en dat, voor hoe onbeteekenend
hij mij ook houden mocht, ik hoopte, dat ik eens in staat mocht
zijn Zijne Majesteit een veelbeteekenenden dienst te bewijzen. De
Koning hoorde me met oplettendheid en begon een veel beter idee van
me te krijgen dan hij vroeger gehad had. Hij vroeg mij hem een zoo
nauwkeurig mogelijk verslag te geven van het bestuur in Engeland,
omdat, al zijn vorsten gewoonlijk gehecht aan hun eigen zeden (want
zoo vermoedde hij dat andere vorsten waren, naar wat ik wel eens
verteld had) hij toch graag iets hooren wou dat navolging verdiende.
Stel u voor, beleefde lezer, hoe dikwijls ik toen verlangde naar de
stem van Demosthenes of Cicero, die mij zou hebben bekwaam gemaakt om
den lof te verkondigen van mijn eigen lieve vaderland, in een stijl,
zijn deugden en zijn welvaart waard.
Ik begon mijne rede met Zijne Majesteit mee te deelen, dat ons gebied
bestaat uit twee eilanden, die drie machtige koninkrijken saamstelden,
onder eenen vorst, en onze koloniën in Amerika. Ik weidde lang uit
over de vruchtbaarheid van den grond en de warmtegesteldheid van ons
klimaat. Ik sprak toen in 't breede over de samenstelling van een
Engelsch parlement, gedeeltelijk bestaande in een vermaard lichaam,
genaamd het Huis van de Lords, personen van het edelste bloed en van
de oudste en rijkste erfdeelen. Ik beschreef de buitengewone zorg
die altijd voor hun opvoeding in kunsten en wapenen gedragen wordt,
om ze bekwaam te maken raadgevers voor Koning en rijk te zijn, om een
aandeel te hebben in de wetgeving, om leden te zijn van het hoogste
gerechtshof, waarvan geen beroep meer is, en om kampvechters te wezen
altijd vaardig voor de verdediging van hun vorst en hun vaderland,
vol moed, beleid en trouw. Dat zij het sieraad en het bolwerk waren van
het koninkrijk, waardige opvolgers van hunne vermaarde voorzaten, wier
roem de belooning van hun deugd geweest was, waarvan hun nageslacht
bij menschenweten ook nog niet één keer was ontaard. Hieraan waren
toegevoegd verscheidene heilige mannen, om deel van die vergadering te
zijn, en bisschoppen genaamd; wier bizondere taak het is zorg voor den
godsdienst te dragen en voor hen die het volk daarin onderrichten. Deze
werden onder het heele volk opgespeurd en uitgezocht door den vorst en
zijn raadsmannen, uit die leden van de priesterschap, die het meest
naar verdienste bekend stonden om de heiligheid van hun leven en de
diepte van hun wijze wetenschap, die men naar waarheid de geestelijke
vaders van geestelijkheid en volk noemen mocht.
Dat het andere deel van het parlement bestond in een vergadering
genaamd het Huis der Gemeenen, allen mannen van beteekenis,
vrijelijk gekozen en afgevaardigd door het volk zelf, om hunne groote
bekwaamheden en liefde voor hun vaderland, ten einde de wijsheid
van het heele volk te vertegenwoordigen. En dat deze twee lichamen
de meest indrukwekkende vergadering van Europa vormden; waaraan,
gezamenlijk met den vorst, de heele wetgeving is toevertrouwd.
Ik sprak toen van de gerechtshoven, waarin de rechters, die
eerwaardige wijzen en wetsuitleggers, zitting hebben, om vast te
stellen de bestreden rechten en eigendommen der menschen, zoowel als
om te straffen wie kwaad doet en te beschermen wie onschuldig is. Ik
prees het voorzichtig bestuur van onze schatkist, de dapperheid en
goede uitrusting van onze land- en zeemacht. Ik berekende het aantal
inwoners van mijn vaderland, door op te tellen hoeveel millioenen er
van iedere godsdienstige sekte of politieke partij bij ons zijn. Ik
vergat zelfs niet onze spelen en tijdverdrijven, noch eenige andere
bizonderheid, die ik dacht dat strekken mocht tot groote eer van mijn
land. En ik eindigde dat alles met een kort historisch overzicht van
zaken en verbeteringen in Engeland, gedurende de laatste honderd jaar.
Dit overzicht duurde vijf zittingen, elk van verscheidene uren,
en de Koning hoorde het heelemaal aan met de grootste aandacht,
herhaaldelijk aanteekeningen makende van het gesprokene en memorandums
van alle vragen die hij van plan was mij te doen.
Toen ik mijn lange rede geëindigd had, stelde Zijne Majesteit, in
een zesde zitting, terwijl hij zijn aanteekeningen raadpleegde, een
aantal twijfelingen, vragen en tegenwerpingen op elk onderdeel. Hij
vroeg op welke wijze geest en lichaam van onzen jongen adel werden
opgekweekt, en met wat soort bezigheid zij gewoonlijk het eerste en
meest indrukwekkende deel van hun leven doorbrachten? Welke weg werd
ingeslagen om die vergadering aan te vullen, als de een of andere
adellijke familie uitstierf? Aan welke vereischten zij die tot nieuwe
lords worden bevorderd moesten voldoen; of de luim van den vorst,
een som gelds aan een hofdame of eersten minister, of een plan om
een partij te versterken ten nadeele van het algemeen welzijn, ooit
misschien beweegredenen waren tot zulke bevordering? Wat die lords
wisten van de wetten van hun land, en hoe zij aan die kennis kwamen,
die hun toch noodig was om te kunnen oordeelen over de bezittingen van
hun mede-onderdanen in het hoogste beroep? Of ze altijd vrij waren van
gierigheid, partijdigheid of geldnood, zoodat een omkooping of een of
ander duister plan geen vat op hen hebben kon? Of die heilige heeren
waar ik van sprak altijd tot dien rang bevorderd werden op grond van
hun kennis in godsdienstzaken, en de heiligheid van hun leven; of
zij nooit den huig naar den wind gehangen hadden, toen ze nog gewone
priesters waren; of slaafsche omgekochte kaplaans waren geweest van den
een of anderen edelman, wiens meeningen zij knechtachtig voortgingen
te volgen, nadat zij waren toegelaten in die vergadering?