Er was niets dat mij zoo kwelde en boos maakte als de dwerg van de

Koningin; die, zelf het kleinste menschje dat ooit was geweest in

dat land, (want ik geloof wezenlijk dat hij nauwelijks dertig voet

hoog was) zoo onbeschaamd werd door een schepsel te zien dat nog

zoo'n stuk kleiner was, dat hij geregeld zijn best deed zich groot en

gewichtig voor te doen en luidruchtig heen en weer te zwaaien als hij

langs me kwam in de antichambre van de Koningin, terwijl ik op een of

andere tafel stond te praten met de heeren en dames van het hof; en

zelden verzuimde hij met een paar scherpe woorden te schimpen op mijn

kleinheid; waartegen ik mij alleen verdedigen kon door hem broeder te

noemen, hem uit te dagen met mij te worstelen, en meer zulke dingen

te zeggen, als onder hofbedienden gebruikelijk zijn. Eens, aan den

maaltijd, was dit kwaadaardige kleine monster zoo neetoorig over iets

dat ik tegen hem gezegd had, dat hij op de zitting van Harer Majesteits

stoel klom, en mij, terwijl ik zonder erg op mijn stoeltje zat, bij

het middel pakte, en in een groote zilveren kom met room vallen liet,

waarna hij zoo hard hij kon wegliep. Ik ging heelemaal kopje onder,

en als ik niet zoo'n goed zwemmer was geweest zou het slecht met

me zijn afgeloopen; want Glumdalclitch was op dat oogenblik juist

aan het andere eind van de kamer, en de Koningin zóo geschrokken,

dat ze de tegenwoordigheid van geest miste om me te helpen. Maar mijn

kleine oppaster vloog me te hulp en haalde me eruit nadat ik meer dan

een kan room had ingekregen. Ik werd te bed gebracht, maar gelukkig

zonder ander nadeel dan het verlies van een pak kleeren, dat heelemaal

bedorven was. De dwerg kreeg een flink pak met de zweep, en werd, tot

verdere straf, veroordeeld den schotel met room, waar hij me in had

gegooid, leeg te drinken; ook werd hij nooit meer in gunst hersteld;

want kort daarna schonk de Koningin hem aan een dame van aanzien;

zoodat ik hem niet weerom zag, tot mijn groote voldoening, want ik

kon niet zeggen tot wat voor uitersten zoo'n kwaadaardige dwerg zijn

wrok zou hebben voortgezet.

Daarvóór had hij me nog een gemeenen trek gespeeld, die de Koningin aan

't lachen maakte, ofschoon ze tegelijk erg boos was en hem onmiddellijk

zou hebben weggejaagd als ik niet zoo edelmoedig was geweest hem voor

te spreken. Hare Majesteit had een mergpijp op haar bord genomen,

en de pijp, toen ze het merg eruit had geklopt, weer rechtop in de

schaal gezet; de dwerg, die op de loer lag, totdat Glumdalclitch even

naar het buffet gegaan was, klom, toen hij zoo zijn kans schoon zag,

op den stoel waarop zij stond als ze aan tafel voor me zorgde, nam met

allebei zijn handen me op, kneep mijn beenen bij mekaar en duwde ze

zoo in de mergpijp tot boven mijn middel, waar ik een poosje in steken

bleef en een allerbelachelijkst figuur sloeg. Ik geloof dat het bijna

een minuut duurde voordat iemand wist wat er van me geworden was;

want ik vond het beneden me te schreeuwen. Maar, daar vorsten zelden

te warm eten gebruiken, waren mijn beenen niet verschroeid en zag

het er alleen bedroefd uit met mijn broek en kousen. De dwerg kreeg

op mijn verzoek niet anders dan een flink pak slaag.

Ik werd dikwijls door de Koningin geplaagd om mijn vreesachtigheid;

en zij placht mij te vragen of mijn landgenooten allemaal zulke

lafaards waren als ik zelf? Dit was het geval: Het koninkrijk is des

zomers verpest van vliegen; en die walgelijke insecten, waarvan elk

zoo groot is als een leeuwrik, lieten mij nauwelijks een oogenblik

rust als ik aan den maaltijd zat, met hun onophoudelijk gebrom en

gegons om mijn ooren heen. Soms gingen zij zitten op mijn eten, en

soms op mijn neus of voorhoofd, waar ze mij vinnig staken, en daarbij

allerhinderlijkst riekten; en ik kon gemakkelijk die lijmachtige stof

bemerken, die zooals de natuurbeschrijvers zeggen, die dieren in staat

stelt met hun voeten naar de hoogte tegen een zoldering te wandelen. Ik

had druk werk met mij tegen die afschuwelijke dieren te verdedigen,

en kon niet laten op te schrikken als zij op mijn gezicht kwamen.

De dwerg had nog al eens de gewoonte een aantal van die beesten te

vangen in zijn handholte, zooals de schooljongens bij ons doen, en ze

dan plotseling vlak onder mijn neus er uit te laten, ten einde mij te

verschrikken en de Koningin te vermaken. Mijn hulpmiddel daartegen was,

ze met mijn mes in stukken te snijden, terwijl ze om me heen vlogen,

waarin ik bewonderd werd om mijn handigheid.

Ik herinner me, dat op een morgen, toen Glumdalclitch mij in mijn doos

voor een venster gezet had, zooals zij meestal deed als het zonnig

weer was, om me frissche lucht te geven (want ik dorst niet wagen

de doos aan een nagel buiten het venster te laten hangen, zooals wij

met vogelkooitjes doen in Engeland), nadat ik een van mijn ramen had

opgeschoven en aan mijn tafel zat om een stukje koek voor mijn ontbijt

te gebruiken, meer dan twintig wespen door den reuk aangelokt, mijn

kamer kwamen invliegen, harder brommende dan het geblaas van zooveel

doedelzakken. Eenige grepen mijn koek en brachten die bij stukjes

weg; anderen vlogen om mijn hoofd en gezicht, mij doof makende met

hun geluid en doodsbang met hun angels. Ik had evenwel den moed op te

staan, mijn houwer te trekken en hen aan te vallen. Ik doodde er vier,

maar de rest vloog weg en ik sloot dadelijk het venster. Deze wezens

waren zoo groot als patrijzen; ik rukte hun angels uit die anderhalven

duim lang waren en zoo scherp als naalden. Ik bewaarde ze zorgvuldig

en nadat ik ze met andere merkwaardigheden in verschillende deelen

van Europa vertoond had, gaf ik er na mijn terugkomst in Engeland

drie aan Gresham College, en hield den vierden voor mijzelf.

VIERDE HOOFDSTUK.

Beschrijving van het land.--Voorstel tot verbetering van moderne

landkaarten.--Het koninklijk paleis en een beschrijving van de

hoofdstad.--Des schrijvers manier van reizen.--Beschrijving van

den voornaamsten tempel.

Ik ga nu den lezer een korte beschrijving geven van dit land, voor

zoover ik het doorreisd heb, wat niet meer was dan twee duizend mijlen

rondom de hoofdstad Lorbrulgrud; want de Koningin, met wie ik altijd

meeging, ging nooit verder wanneer zij den Koning vergezelde op zijn

rondreizen, en bleef dan achter totdat Zijne Majesteit terugkeerde

van het nazien van zijn grenzen. De heele uitgestrektheid van het

gebied van dezen vorst is omstreeks zesduizend mijlen in de lengte en

van drie tot vijf in de breedte, waaruit ik niet anders kan dan het

besluit trekken dat onze aardrijkskundigen in Europa zeer dwalen,

als zij gelooven dat er niets dan zee tusschen Japan en Californië

is; want het is altijd mijn meening geweest, dat er een tegenwicht

van land moet wezen om evenwicht te houden met het groote vasteland

van Tartarije; en daarom behooren zij hunne atlassen en kaarten te

verbeteren, door deze uitgestrekte strook land bij de noordwestelijke

deelen te voegen van Amerika, waarin ik hen gaarne behulpzaam zal zijn.

Het koninkrijk is een schiereiland, in het noord-oosten begrensd

door een bergrug van dertig mijl hoog, die volstrekt onbegaanbaar is,

van wege de vulkanen op zijn toppen; ook weten de geleerdste menschen

niet, wat soort van stervelingen overzijds die bergen wonen, noch of

daar iemand woont. Aan de drie andere zijden is het besloten door den

oceaan. Er is geen een zeehaven in het koninkrijk en die deelen van

de kusten, waar de rivieren uitmonden, zijn zoo vol puntige rotsen,

en de zee gemeenlijk zoo woest, dat de kleinste boot er zich niet wagen

kan, zoodat dit volk geheel en al afgesloten is van den handel met de

overige volken van de wereld. Maar de groote rivieren zijn vol schepen

en rijk aan uitmuntende visschen, want zelden krijgen zij visch van de

zee, omdat de zeevisschen van dezelfde grootte als die in Europa zijn,

en diensvolgens het vangen niet waard, waardoor het duidelijk is,

dat de natuur in het voortbrengen van planten en dieren van een zoo

buitengewonen omvang geheel tot dit vasteland begrensd is, de redenen

waarom ik den wijsgeeren te vinden overlaat. Nu en dan echter vangen

zij een walvisch, die toevallig op de rotsen geworpen is, waarvan het

gewone volk met graagte eet. Die walvisschen heb ik zoo groot gekend,

dat een man er nauwlijks een op zijn schouders versjouwen kon; en

soms worden ze als een merkwaardigheid in manden naar Lorbrulgrud

gebracht; ik zag er een in een schotel op de koningstafel, die werd

opgediend als een zeldzaamheid, maar ik vond niet dat hij er dol op

was; ik denk, dat de omvang van het beest hem tegenstond, ofschoon

ik een grooteren in Groenland gezien heb.

Het land is goed bewoond, want het telt een-en-vijftig steden, bijna

honderd ommuurde plaatsen en een groot getal dorpen. Het zal om den

belangstellenden lezer te bevredigen, voldoende zijn Lorbrulgrud

te beschrijven. Deze stad staat op twee gelijke stukken oever; de

rivier gaat er midden door. Zij bevat meer dan tachtigduizend huizen

en omstreeks zeshonderd duizend inwoners. Zij strekt zich uit over een

lengte van drie glomglungs (dat is ongeveer vier en vijftig Engelsche

mijlen) en een breedte van twee en een halve; naar de berekening die

ik maakte op grond van den koninklijken atlas, op bevel van den koning

vervaardigd, die voor me op den vloer werd gelegd en zich honderd voet

uitstrekte; ik mat de doorsnee en den omtrek verscheidene malen met

mijn bloote voeten en met behulp van de daarbij behoorende schaal,

maakte ik een tamelijk nauwkeurige opmeting.

Het koninklijk paleis is geen regelmatig gebouw, maar een opeenhooping

van gebouwen, zoo wat zeven mijl in omtrek; de voornaamste kamers

zijn meestal tweehonderd veertig voet hoog en breed en lang naar

verhouding. Er werd Glumdalclitch en mij een koets toegestaan,

waarin haar gouvernante haar dikwijls mee nam om de stad te zien of

naar de winkels te kijken en ik was altijd van de partij in mijn

doos, schoon het kind op mijn verlangen mij dikwijls er uit nam

en in haar hand hield, opdat ik, terwijl we de straten doorgingen,

meer op mijn gemak het volk en de huizen kon zien. Ik schatte onze

koets zoowat zoo groot te zijn als Westminster Hall, maar niet

heelemaal zoo hoog; maar ik kan daar niet heel precies in zijn. Op

een keer gaf de gouvernante den koetsier last stil te houden voor

verscheidene winkels, waar de bedelaars, hun kans schoon ziende,

te hoop liepen om het rijtuig, en mij de afgrijselijkste tooneelen

vertoonden, die ooit door Engelsche oogen zijn gezien. Daar was een

vrouw met een zweer in haar borst, tot een monsterachtige grootte

gezwollen en vol gaten. Daar was een vent met een wrat in zijn nek,

grooter dan vijf wolbalen, en een andere met een paar houten beenen,

elk van twintig voet hoog. Maar het afschuwlijkst te zien waren de

luizen, die op hun kleeren rondkropen. Ik kon duidelijk de ledematen

van dat ongedierte zien met mijn bloote oog, veel beter dan die van

een Europeesche luis door een microskoop en hun snoeten, waarmee

zij wroetten als zwijnen. Zij waren de eerste, die ik ooit zag,

en ik zou graag een ontleed en onderzocht hebben, als ik geschikte

instrumenten gehad had, die ik ongelukkig in het schip had gelaten;

schoon, om de waarheid te zeggen, het gezicht alleen al zoo walgelijk

was, dat mijn hart in mijn lijf er van omdraaide.

Behalve de groote doos, waarin ik gewoonlijk gedragen werd, beval de

Koningin dat een kleinere gemaakt zou worden van twaalf voet oppervlak

en tien voet hoog, voor meerder gemak als we op reis waren, want

de andere was een beetje te groot voor Glumdalclitch haar schoot en

hinderlijk in het rijtuig; zij werd gemaakt door denzelfden kunstenaar,

wien ik bij de heele bewerking mijn aanwijzingen gaf. Dit reisvertrek

was precies vierkant, met een venster in het midden van drie zijden

en elk venster betralied met ijzer draadwerk van buiten, om bij lange

reizen ongelukken te voorkomen. Aan de vierde zijde, die geen venster

had, waren twee sterke hengsels bevestigd, waar de man, die mij droeg,

een leeren riem doorheen deed en die om zijn middel gespen kon. Dit was

altijd de taak van den een of anderen ernstigen vertrouwden dienaar op

wien ik aan kon, telkens als ik den Koning en de Koningin vergezelde

op hun rondreizen, of lust kreeg de tuinen te zien, of een visite

te maken bij een of andere dame of minister van staat aan het hof,

als Glumdalclitch een keer ongesteld was; want ik begon spoedig door

de grootste heeren gekend en geacht te worden; meer tengevolge van

de gunst van hunne Majesteiten, dan om mijn eigen belangrijkheid,

waarschijnlijk. Op reis, als het rijtuig mij verveelde, gespte een

bediende te paard mijn doos om, en zette haar voor zich op een kussen;

zoodat ik een onbelemmerd gezicht had op drie zijden van het land,

door mijn drie vensters. Ik had, in dit verblijf, een veldbed, en

een hangmat, die aan de zoldering hing, twee stoelen en een tafel,

aan den vloer geschroefd, om te voorkomen dat ze heen en weer gegooid

werden door het schokken van paard of rijtuig. En daar ik lang aan

zeereizen gewend was, hinderden die bewegingen, schoon zij soms vrij

hevig waren, mij niet te erg.

Als ik eens lust had de stad te gaan zien, was dat altijd in mijn

reisvertrek, dat Glumdalclitch in haar schoot hield, terwijl zij zat

in een open draagstoel, naar landsgebruik door vier man gedragen,

en begeleid door twee andere, in de liverei der Koningin. Het volk,

dat dikwijls van mij hoorde, was altijd nieuwsgierig naar mij en

verdrong zich om den draagstoel, en mijn verzorgster was dan zoo

welwillend de dragers te doen stilhouden en mij in haar hand te nemen,

opdat ik beter zou kunnen gezien worden.

Ik verlangde er zeer naar den grooten tempel te zien, en voornamelijk

den bijbehoorenden toren, dien men voor den grootsten van het rijk

houdt. Dientengevolge bracht Glumdalclitch mij op een keer daarheen,

maar ik moet zeggen dat ik teleurgesteld terugkwam, want de hoogte is

niet grooter dan drieduizend voet, van den grond tot de spits; wat,

als men bedenkt welk verschil in grootte er is tusschen de menschen

daar en in Europa, nu niet zoo erg verbazingwekkend is en niet in

verhouding staat (als ik me wel herinner) tot de hoogte van den

Salisbury Toren. Maar, om niet een volk te na te spreken, waaraan

ik, zoolang ik leef, erkennen zal bizonder veel verplicht te zijn,

moet ik erbij voegen, dat wat deze beroemde toren dan moge missen

in hoogte, ruimschoots weer wordt goedgemaakt door zijn schoonheid

en sterkte. Want de muren zijn bijna honderd voet dik, gebouwd van

gehouwen steenen, waarvan elke omstreeks veertig voet vierkant is,

en aan alle zijden versierd met beelden van goden en keizers, meer

dan levensgroot in marmer gebeiteld, elk in zijn eigen nis. Ik mat

een pink, die van een van die beelden was afgevallen en onopgemerkt

onder wat afval lag, en vond dat ze juist vier voet en een duim lang

was. Glumdalclitch wikkelde haar in een zakdoek, en nam ze in haar

zak mee naar huis, om te bewaren bij andere aardigheden, waar ze dol

op was, zooals kinderen van haar leeftijd meestal.

De koninklijke keuken was een zeer edel gebouw, van boven overwelfd, en

omstreeks zeshonderd voet hoog. De groote oven is tien pas minder breed

dan de dom van de St. Paul: want ik mat den laatsten opzettelijk, na

mijn terugkomst. Maar als ik den haard beschrijven zou, de ontzaglijke

potten en ketels, de stukken rundvleesch aan de spitten, en allerlei

andere bizonderheden, dan zou ik misschien nauwelijks geloofd worden;

een streng kriticus ten minste zou geneigd zijn te denken, dat ik

een beetje erbij maakte, zooals reizigers dikwijls verdacht worden te

doen. Om zulke beschuldigingen te vermijden, ben ik, naar ik vrees,

al te veel in het tegenovergestelde uiterste vervallen en als dit

opstel bij ongeluk vertaald zou worden in de taal van Brobdingnag

(wat de algemeene naam van dat land is), en daarheen overgebracht,

dan zouden de Koning en zijn volk, geloof ik, reden hebben te klagen,

dat ik hun beleedigd had door een onware en verkleinende voorstelling.

Zijne Majesteit houdt zelden meer dan zeshonderd paarden in zijn

stallen. Zij zijn meestal van vier-en-vijftig tot zestig voet hoog,

maar als hij uitrijdt bij plechtige gelegenheden is hij omgeven

door een gewapende garde van vijfhonderd ruiters, wat ik werkelijk

geloofde dat het prachtigste schouwspel was, dat ooit kon gezien

worden, totdat ik een deel van zijn leger ten oorlog zag uitgerust,

waarvan ik later hoop te spreken.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Verschillende avonturen, die den schrijver overkwamen.--De

terechtstelling van een misdadiger.--De schrijver toont zijn

bekwaamheid in de zeevaart.

Ik zou tamelijk gelukkig in dat land geleefd hebben, als mijn

kleinheid me niet aan allerlei belachelijke en lastige ongelukjes

had blootgesteld, sommige waarvan ik het wagen zal hier mee te

deelen. Glumdalclitch droeg me dikwijls in mijn kleinste doos naar

de tuinen van het paleis en placht me daar wel er uit te nemen en me

in haar hand te houden of neer te zetten om te wandelen. Ik herinner

me dat de dwerg, voor de Koningin hem weg deed, ons op een keer in

den tuin volgde en toen mijn oppaster mij had neergezet en hij en ik

samen vlak bij een paar dwergappelboomen stonden, kon ik niet laten

mijn geestigheid te luchten door een spottende toespeling op hem en de

boomen, die in hun taal evengoed steek houdt als in de onze, waarop die

kwaadaardige schurk, toen hij zijn kans schoon zag, terwijl ik onder

een van die boomen wandelde, hem vlak boven mijn hoofd heen en weer

schudde, waardoor een dozijn appelen van de grootte van een bierton,

langs mijn ooren neerkwamen, en een trof me op mijn rug, terwijl ik

bukte, en bonkte me plat op den grond, maar ik ontving geen kwetsuur,

en den dwerg werd op mijn voorspraak vergiffenis geschonken, omdat

ik zelf aanleiding tot zijn baldadigheid gegeven had.

Op een anderen keer liet Glumdalclitch me achter om me te vermaken op

een effen grasveld, terwijl zij een beetje verder met haar gouvernante

wandelde. In dien tusschentijd viel er plotseling zulk een hevige

hagelbui, dat ik onmiddellijk tegen den grond werd geslagen, en toen

ik lag, troffen mij de hagelsteenen zoo vreeselijk over mijn heele

lichaam, dat het wel leek of ik met kaats-ballen gegooid werd; het

lukte mij evenwel op handen en voeten kruipende, mij voorover op

mijn gezicht liggende, te bergen aan den windvrijen kant van een

komkommerbed; maar zoo van hoofd tot voeten gekneusd, dat ik in

geen tien dagen uit kon gaan. Dit is ook in 't geheel niet vreemd,

omdat, daar de natuur in dat land in al haar voortbrengselen dezelfde

evenredigheid betracht, de hagelsteenen er bijna achttienhonderd

maal zoo groot zijn als in Europa, wat ik weet bij proefneming,

daar ik ze gewogen en gemeten heb.

Een gevaarlijker ongeval overkwam mij in denzelfden tuin, toen mijn

kleine verzorgster, meenende, dat ze mij op een veilige plaats gezet

had, (wat ik haar dikwijls verzocht te doen, opdat ik in stilte mijn

gedachten kon laten gaan) en mijn doos hebbende thuisgelaten om zich

de moeite van het dragen te besparen, naar een ander deel van de tuinen

ging met haar gouvernante en eenige dames van haar kennis. Terwijl zij

nu afwezig was en mij niet hooren kon, kwam een kleine witte hazewind,

die aan een van de oppertuinlui toebehoorde en toevallig in den tuin

geraakt was, rondsnuffelen, dicht bij de plek waar ik lag; de hond

volgde den reuk van mijn spoor, kwam recht op me af, nam me in zijn

bek, en liep met me weg naar zijn meester, kwispelstaartende, en zette

mij zoetjes op den grond. Gelukkig was hij zoo goed onderricht, dat

ik tusschen zijn tanden gedragen was, zonder in 't minst gewond te

zijn en zonder dat zelfs mijn kleeren gescheurd waren. Maar de arme

tuinman, die mij heel goed kende, en veel van mij hield, was doodelijk

verschrikt; hij nam mij zachtjes in allebei zijn handen en vroeg me

of ik me niet had bezeerd? Maar ik was zoo ontsteld en buiten adem,

dat ik geen woord kon spreken. In een minuut of wat kwam ik weer

tot mezelf, en hij bracht me veilig naar mijne kleine verzorgster,

die juist was gaan kijken op de plaats waar zij mij gelaten had, en

doodsangsten uitstond toen ik niet verscheen en niet op haar roepen

antwoordde. Zij berispte den tuinman hevig over zijn hond. Maar de

zaak werd gesust en nooit aan het hof geweten, want zij was bang

dat de Koningin boos zou worden; en wat me zelf betreft, ik kon niet

vinden dat het verhaal er van goed zou doen aan mijn reputatie.

Dit ongeval deed Glumdalclitch voor goed het besluit nemen mij in 't

vervolg nooit buitenshuis uit het oog te verliezen. Ik was daar lang

bang voor geweest en had juist daarom sommige ongelukkige avontuurtjes

voor haar verborgen gehouden, die mij in de oogenblikken, dat ze mij

alleen liet, overkwamen. Zoo schoot eens een wouw, die boven den tuin

zweefde, op mij neer en als ik niet vastberaden mijn houwer getrokken

had, en onder een dikken leiboom gevlucht was, zou hij mij zeker in

zijn grijpers hebben meegepakt. Op een anderen keer, terwijl ik naar

den top van een verschen molshoop opwandelde, viel ik tot mijn hals

in het gat, waardoor het beest de aarde had opgegooid en bedacht het

een of ander leugentje, de moeite van het onthouden niet waard, om

me te verontschuldigen over het bederven van mijn kleeren. Eveneens

schaafde ik mijn rechter scheenbeen tegen een slakkehuis, waarover

ik bij ongeluk struikelde, toen ik eenzaam wandelde en peinsde over

mijn arme Engeland.

Ik kan niet zeggen of het me onaangenaam of angstig aandeed, op die

eenzame wandelingen te bemerken, dat de kleinere vogels volstrekt

niet bang voor me leken, maar tot op een el afstands naar me

toehupten, wormen en ander voedsel zoekende met evenveel gerustheid

en onverschilligheid alsof er geen schepsel in hun nabijheid was. Ik

herinner mij dat een lijster zoo brutaal was met zijn snavel een stuk

koek uit mijn hand te grissen, dat Glumdalclitch mij pas voor ontbijt

had gegeven. Toen ik probeerde een paar van die vogels te vangen,

hielden zij stoutmoedig tegen mij stand en trachtten in mijn vingers

te pikken, die ik niet tot binnen hun bereik waagde; daarna draaiden

zij zich onbezorgd om en zochten wormen en slakken alsof er niets

gebeurd was. Maar eens nam ik een dikken knuppel en gooide dien met al

mijn kracht naar een vlasvink, zóo raak, dat hij neerviel en ik, met

allebei mijn handen vast om zijn nek, sleepte hem in triumf naar mijn

oppaster. Nochtans gaf het beest, dat alleen maar bedwelmd was, toen

het bijkwam, mij zooveel slagen met zijn vleugels aan weerskanten van

mijn hoofd en mijn lichaam, schoon ik het op armslengte hield en buiten

het bereik van zijn klauwen was, dat ik twintigmaal op het punt stond

het te laten gaan, Maar er kwam me gauw een van de bedienden te hulp,

die het beest den nek omdraaide, en ik kreeg het den volgenden dag

op bevel van de Koningin voor middagmaal. De vink scheen, voor zoover

ik me kan herinneren, iets grooter te zijn dan een Engelsche zwaan.

De hofdames noodigden Glumdalclitch dikwijls uit in hun vertrekken

te komen en vroegen haar dan mij mee te brengen om het pleizier te

hebben mij te zien en aan te raken. Zij legden mij dikwijls tusschen

hun borsten, waar ik erg vies van was, omdat er, om de waarheid te

zeggen, een alleronaangenaamste lucht aan hun vel was, waarvan ik niet

melding maak om iets te zeggen ten nadeele van die uitstekende dames,

waar ik het grootste respekt voor heb; maar ik veronderstel dat mijn

reukorgaan fijner was naar evenredigheid van mijn kleinheid, en dat

die allerlofwaardigste juffrouwen niet onaangenamer waren voor elkaar

of voor hun minnaars, dan dames van denzelfden stand bij ons. En

bovendien, hun natuurlijke geur vond ik altijd nog dragelijker dan

als ze parfumerieën gebruikten, want daar viel ik onmiddellijk van

in zwijm. Ik herinner me altijd, dat een vertrouwd vriend van me in

Lilliput zoo vrij was, op een warmen dag, toen ik nog al in de weer

was geweest, over een sterke lucht te klagen, die ik bij me had,

schoon ik in dat opzicht geen onaangename uitzondering maak op de

meeste Engelsche heeren, maar ik veronderstel dat hun reukvermogens

even verfijnd waren bij de mijne, als de mijne bij die van dit volk

vergeleken. Ik kan hier niet nalaten recht te doen aan de Koningin,

mijn meesteres, en Glumdalclitch, mijn oppaster, wier lichamen even

aangenaam waren als van eenige dame in Engeland.

Eens op een dag kwam een jong heer, neef van de gouvernante van

Glumdalclitch, en drong er op aan dat zij beiden zouden meegaan om

een terechtstelling te zien. Het was van een man, die een bizonderen

kennis van dien heer vermoord had. Glumdalclitch liet zich overhalen,

erg tegen haar zin, want zij was van nature teêrhartig; en ik, schoon

ik een afschuw heb van zulk soort vertooningen, was heel nieuwsgierig

iets te zien dat ik dacht dat buitengewoon moest wezen. De booswicht

werd in een stoel gezet, die te dien einde op het schavot stond, en

zijn hoofd met één slag afgeslagen met een zwaard van ongeveer veertig

voet lang. De aderen spoten zulk een ontzaglijke hoeveelheid bloed

op, en zoo hoog in de lucht, dat de groote jet d'eau te Versailles,

zoolang het duurde, niet zoo groot was; en het hoofd, toen het op

het schavot viel, gaf zoo'n bons, dat ik er van opschrok, ofschoon

ik er een halve mijl af stond.

Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag · 第 8 / 12 段