volgenden marktdag, in een doos met zich naar de naburige stad en
liet zijn dochtertje, mijn kleine verzorgster, op een kussen achter
hem opzitten. De doos was aan alle kanten dicht, met een kleine
deur voor mij om in en uit te gaan en een paar boor-gaatjes om
lucht in te laten. Het meisje was zoo zorgvol geweest er de sprei
van haar poppebedje in te doen, waarop ik liggen kon. Nochtans werd
ik op die reis verschrikkelijk geschokt en heen en weer gegooid,
ofschoon ze maar een half uur duurde: want het paard nam stappen van
zoo wat veertig voet, en draafde zoo hoog, dat de beweging gelijk
was aan het op- en neergaan van een schip in een hevigen storm,
maar veel veelvuldiger. Onze reis was iets verder dan van Londen
naar St. Albans. Mijn meester stapte af aan een herberg, waar hij
dikwijls kwam; en na een poosje met den herbergier overlegd, en
eenige noodzakelijke toebereidselen gemaakt te hebben, huurde hij den
grultrud, of omroeper, om door de stad bekend te maken, dat een vreemd
wezen te zien was, waar de Groene Arend uithing, niet zoo groot als
een splacnuck (een dier in dat land, fraai gevormd, ongeveer zes voet
lang) en in al zijn lichaamsdeelen een menschelijk wezen gelijkende;
het kon verscheidene woorden spreken en honderd aardige kunstjes doen.
Ik werd op een tafel gezet in het grootste vertrek van de herberg,
dat bijna driehonderd voet in 't vierkant mag zijn geweest. Mijn
kleine meesteres stond op een lagen stoel vlak bij de tafel, om
op me te passen en me te zeggen wat ik doen moest. Om gedrang te
vermijden wou mijn meester niet meer dan dertig personen tegelijk
binnenlaten. Ik stapte over de tafel heen en weer, zooals mij door
het dochtertje bevolen werd: zij stelde mij vragen, die ze wist dat
ik met mijn kennis van de taal kon beantwoorden, en ik antwoordde zoo
hard ik kon. Ik wendde mij verscheiden malen naar het gezelschap,
groette het beleefd, zei dat het welkom was, en gebruikte een paar
andere spreekwijzen, die ik had geleerd. Ik nam een vingerhoed,
gevuld met drank, dien Glumdalclitch mij voor beker gegeven had en
dronk hun gezondheid. Ik trok mijn houwer, en zwaaide hem, naar de
wijze van de schermers in Engeland. Mijn verzorgster gaf me een stuk
stroo, dat ik hanteerde als een piek, hebbende die kunst geleerd
in mijn jeugd. Ik werd dien dag vertoond aan twaalf partijen volk,
en was even dikwijls genoodzaakt dezelfde dwaasheden over te doen,
totdat ik halfdood was van uitputting en ergernis; want zij die mij
gezien hadden brachten zulke wondervolle verslagen uit, dat het volk
op het punt stond de deur open te breken om binnen te komen. Mijn
meester wou niet, in zijn eigen belang, dat iemand mij aanraakte dan
zijn dochtertje, en om ongelukken te voorkomen, waren banken rondom de
tafel gezet op zoo'n afstand, dat ik buiten ieders bereik was. Maar
een ondeugende schooljongen mikte een hazelnoot vlak op mijn hoofd,
die me bijna geraakt had; gelukkig bijna, want ze kwam met zooveel
kracht, dat ze onfeilbaar mijn hersens zou hebben stukgeslagen, want
ze was haast zoo groot als een kleine meloen; maar ik had de voldoening
den jeugdigen rekel flink afgerost en buiten de deur gezet te zien.
Mijn meester liet bekend maken dat hij mij den volgenden marktdag
weer vertoonen zou; en maakte meteen een geriefelijker voertuig voor
me klaar, wat ook wel noodig was; want ik was zoo uitgeput van mijn
reis heen en van het acht uur achter elkaar kunstjes maken, dat ik
nauwelijks op mijn beenen staan en geen woord spreken kon. Het duurde
ruim drie dagen voor ik weer op mijn verhaal was; en opdat ik ook
thuis toch maar vooral geen rust zou hebben, kwamen al de buren van
honderd mijl in de rondte, die van mij hoorden, mij bij mijn meester
aan huis zien. Het kunnen niet minder geweest zijn dan dertig personen,
met hun vrouwen en kinderen (want het land was zeer bevolkt); en mijn
meester vroeg telkens, als hij me thuis vertoonde, den prijs van een
volle kamer, al kwam er maar een enkele familie, zoodat ik gedurende
eenigen tijd geen dag van de week op mijn gemak was (behalve Woensdag,
dat hun rustdag is) ook al werd ik niet naar stad gebracht.
Mijn meester, merkende hoe winstgevend ik voor hem zijn kon,
besloot de belangrijkste steden van het koninkrijk met mij rond te
reizen. Hebbende daarom zich voorzien van al wat noodig is voor een
lange reis, en op zijn zaken thuis orde gesteld, nam hij afscheid van
zijn vrouw, en op den 17den Augustus 1703, zoowat twee maanden na mijn
aankomst, reisden wij af naar de hoofdstad, die bijna in het midden
van dat rijk gelegen is, en op ongeveer drieduizend mijlen afstand van
ons huis. Mijn meester had zijn dochtertje Glumdalclitch achter zich
te paard. Ze hield mij op haar schoot in een doos, die om haar middel
gebonden was. Het kind had die doos aan alle kanten gevoerd met het
zachtste goed dat zij krijgen kon, het van onderen goed opgevuld, haar
poppebedje erin gelegd, mij voorzien van linnen en andere behoeften,
en alles zoo geriefelijk mogelijk gemaakt. Wij hadden geen ander
gezelschap dan een knechtje, die achter ons reed met de bagage.
Het plan van mijn meester was mij in alle steden te laten zien,
waar we doorreisden, en vijftig of honderd mijl bezijden den weg
af te gaan naar ieder dorp of heerenhuis, waar hij verwachten kon
zaken te doen. Wij maakten makkelijke dagreizen van niet meer dan
honderdvijftig mijlen: want Glumdalclitch klaagde, om mij te sparen,
over vermoeidheid door het schokken van het paard. Zij nam me, op
mijn verlangen, dikwijls uit de doos, om me lucht te geven en me het
land te laten zien, maar hield me altijd aan een draadje vast. Wij
gingen vijf of zes rivieren over, heel wat breeder en dieper dan de
Nijl of de Ganges, en er was nauwelijks een riviertje zoo smal als
de Theems bij London Bridge. Onze reis duurde tien weken en in dien
tijd was ik vertoond in achttien groote steden, behalve in een groot
aantal dorpen en afzonderlijke huizen.
Den 26sten October bereikten wij de hoofdstad, in hun taal Lorbrulgrud,
of Trots van het Heelal genoemd. Mijn meester nam zijn intrek in de
hoofdstraat van de stad, niet ver van het Koninklijk paleis, en hing
aanplakbiljetten buiten, in den gewonen vorm, waarop een nauwkeurige
beschrijving van mijn persoon en hoedanigheden. Hij huurde een groote
kamer tusschen drie- en vierhonderd voet breed. Hij schafte zich
een tafel aan van zestig voet in doorsnee, waarop ik mijn kunsten
vertoonen zou en omheinde haar in de rondte drie voet binnen den rand
en evenveel hoog om afvallen te voorkomen. Ik werd tienmaal per dag
vertoond, tot de verbazing en de voldoening van iedereen. Ik kon de
taal nu tamelijk wel spreken en verstond volkomen elk woord dat tegen
me gezegd werd. Ook had ik hun alphabet geleerd en kon hier en daar
probeeren een volzin te verklaren; want Glumdalclitch had mij toen we
nog thuis waren en in onze vrije uren op reis, onderwezen. Zij droeg
een klein boekje bij zich, niet veel grooter dan een Sanson's Atlas,
dat was een eenvoudige verhandeling ten gebruike van jonge meisjes,
bevattende een kort overzicht van hun godsdienst; daaruit leerde zij
mij de letters en legde mij de woorden uit.
DERDE HOOFDSTUK.
Er wordt van het hof gezonden om den schrijver.--De Koningin
koopt hem van zijn meester en stelt hem voor aan den koning.--Hij
houdt twistgesprekken met Zijner Majesteits geleerden.--Een
kamer aan 't hof wordt voor hem ingericht.--Hij staat in gunst
bij de Koningin.--Hij verdedigt de eer van zijn vaderland.--Zijn
vijandschap met den dwerg van de Koningin.
De aanhoudende veranderingen die ik iederen dag onderging,
veroorzaakten binnen weinige weken een belangrijke verandering in mijn
gezondheid: hoe meer mijn meester aan me verdiende, hoe begeeriger hij
werd. Ik had heelemaal mijn eetlust verloren, en was bijna afgevallen
tot een geraamte. De boer merkte het en overleggende bij zich zelf
dat ik gauw sterven zou, besloot hij nog zooveel uit me te halen als
hij kon. Terwijl hij zoo bij zichzelf overlegde en besloot, kwam een
slardral, of kamerdienaar van het hof, met bevel aan mijn meester
onmiddellijk daarheen te komen en mij te laten kijken aan de koningin
en haar dames. Eenige van de laatste waren me al komen zien en brachten
Haar Majesteit de vreemdste verhalen over van mijne schoonheid, mijn
manieren en mijn gezond verstand. Hare Majesteit en zij die bij haar
waren, toonden zich bovenmate over mijn voorkomen verrukt. Ik viel
op mijn knieën en verzocht om de eer haar vorstelijke voeten te mogen
kussen; maar deze bevallige vorstin hield, toen ik op tafel gezet was,
haar pink naar me toe, die ik omvatte met bei mijn armen en waarvan ik
den top met den diepsten eerbied aan mijn lippen bracht, en zij deed
mij een paar algemeene vragen over mijn land en mijn reizen, die ik
zoo duidelijk en zoo beknopt als ik kon beantwoordde. Zij vroeg of ik
wel aan het hof zou willen leven? Ik boog tot het vlak van de tafel en
antwoordde weder dat ik mijns meesters slaaf was, maar dat als ik over
mij zelf beschikken mocht, ik er trotsch op wezen zou mijn leven aan
Harer Majesteits dienst te wijden. Zij vroeg toen mijn meester of hij
geneigd was me tegen een goeden prijs te verkoopen. Hij, die vreesde
dat ik geen maand meer zou leven, was willig genoeg afstand van mij
te doen en vroeg duizend stukken goud, die hem onmiddellijk werden
toegestaan; elk stuk zoowat van de zwaarte van achthonderd moidores,
maar in aanmerking nemende de evenredigheid in alles tusschen dat
land en Europa en den hoogen prijs van het goud in dat rijk, was die
som nauwelijks zoo groot als duizend guineas bij ons. Ik zei toen
tot de Koningin, dat ik nog, daar ik Harer Majesteits onderdanigste
dienaar en vasal was, om de gunst verzoeken dorst dat Glumdalclitch
die mij altijd met zooveel zorg en zoo hartelijk had opgepast en daar
zoo goed voor berekend was, ook in haar dienst zou mogen overgaan,
en ook in het vervolg mijn onderwijzeres en oppaster zijn.
Hare Majesteit stond mijn verzoek toe, en verkreeg gemakkelijk
de toestemming van den boer, die heel blij was zijn dochter te
zien aangesteld aan het hof, en het arme kind zelf was niet in
staat haar vreugd te verbergen. Mijn gewezen meester ging weg,
mij vaarwel zeggende en mij toevoegende dat hij mij in een goeden
dienst achterliet, waar ik geen woord op antwoordde, makende alleen
een lichte buiging.
De Koningin bespeurde mijn koelheid, en vroeg mij, toen de boer uit
het vertrek was, de reden daarvan. Ik waagde het Hare Majesteit te
zeggen, dat ik aan mijn gewezen meester geen grooter verplichting had
dan daarvoor, dat hij mij arm, schadeloos schepsel, bij toeval in 't
veld gevonden, niet doodgetrapt had; een verplichting waar ruim tegen
opwoog de winst die hij gemaakt had door me in het halve koninkrijk
te laten kijken en de prijs waar hij me nu voor verkocht had; dat
het leven dat ik al dien tijd geleid had vermoeiend genoeg was om
een dier van tienmaal mijn kracht te dooden; dat mijn gezondheid erg
geschaad was door het voortdurend geploeter van ieder uur van den
dag het plebs te moeten pleizieren; en dat, als mijn meester niet
gedacht had dat mijn leven gevaar liep, Hare Majesteit mij niet zoo
goedkoop zou gekregen hebben. Maar daar ik nu buiten alle vrees voor
slechte behandeling was, onder de bescherming van een zoo groote en
goede vorstin, het sieraad der natuur, de lieveling van de wereld,
de verrukking van hare onderdanen, de phoenix der schepping, nu hoopte
ik dat de vrees van mijn gewezen meester zonder grond zou blijken te
zijn; want ik voelde mijn levensgeesten al weer wakker worden onder
den invloed van hare zeer verheven tegenwoordigheid.
Dit was het hoofdzakelijke van mijn rede, gebrekkig en aarzelend
uitgesproken. Het laatste deel was in den bij dit volk gebruikelijken
stijl, waar ik sommige volzinnen van leerde van Glumdalclitch,
terwijl ze mij naar het hof bracht.
De koningin, mijn gebrekkelijkheid in 't spreken goedgunstig
voorbijziende, was verrast over zooveel geest en verstand in een zoo
nietig schepseltje. Zij nam mij in haar eigen handen en liep met me
naar den Koning, die toen in zijn kabinet alleen was. Zijne Majesteit,
een vorst van grooten ernst en streng voorkomen, op 't eerste gezicht
mijn gestalte niet juist bemerkende, vroeg de Koningin eenigszins koel,
sinds hoe lang zij de gewoonte had dol te zijn op een splacnuck? want
daar hield hij mij voor naar het schijnt, terwijl ik op mijn buik
lag, op haar Majesteits rechterhand. Maar deze vorstin, een wonder
van geest en beminlijkheid, zette mij zachtjes op mijn voeten op de
schrijftafel en beval mij Zijne Majesteit zelf over me in te lichten,
wat ik in weinige woorden deed; en Glumdalclitch, die wachtte aan de
deur van het kabinet, en niet velen kon dat ik uit haar gezicht was,
bevestigde, toen haar vergund was binnen te komen, mijn verhaal van
al wat er gebeurd was sinds mijn aankomst in haar vaders huis.
De Koning, schoon hij zoo geleerd als iemand in zijn rijk was
en onderwezen in de wijsbegeerte en voornamelijk in de wiskunde,
hield het toch er voor, toen hij mijn figuur nauwkeurig bekeken
had en mij rechtop loopen zag, maar nog niet had hooren spreken,
dat ik een soort klokwerk was, (in het maken waarvan men in dat land
een groote volmaaktheid bereikt heeft) bedacht door een vindingrijk
kunstenaar. Maar toen hij mijn stem hoorde, en merkte dat wat ik sprak
geregeld en redelijk was, kon hij zijn verbazing niet verbergen. Hij
was volstrekt niet tevreden met het verhaal dat ik hem deed van hoe
ik in zijn rijk gekomen was, maar hield het voor een vertelseltje
bedacht door Glumdalclitch en haar vader, die mij een stel woorden
geleerd hadden, om me duurder te kunnen verkoopen. In die overtuiging
deed hij me een aantal vragen en kreeg telkens redelijke antwoorden,
alleen uitgesproken met een vreemden tongval en door mijn gebrekkige
kennis van de taal vervat in boersche volzinnen, die ik bij den boer
thuis had geleerd, en die in den beschaafden hofstijl niet zouden
hebben gepast.
Zijn Majesteit liet drie groote geleerden komen, die hun éénweeksche
wacht hadden, zooals gebruikelijk is in dat land. Deze heeren waren,
nadat zij een poosje mijn gedaante zorgvuldig en oplettend onderzocht
hadden, van verschillende meening over mij. Zij kwamen er in overeen
dat ik niet kon ontstaan zijn overeenkomstig de gewone natuurwetten,
omdat ik niet zoo was ingericht dat ik mijn leven kon beveiligen,
hetzij door snelheid, of het beklimmen van boomen, of het graven
van holen in den grond. Zij maakten op uit mijn tanden, die zij heel
nauwkeurig bekeken, dat ik een vleeschetend dier moest zijn; maar daar
de meeste viervoetige dieren mij de baas waren, en veldmuizen met nog
een paar andere mij in vlugheid de loef afstaken, konden zij zich niet
verbeelden hoe ik mij voeden zou, tenzij dan door te leven van slakken
en andere insekten, wat zij aanboden met allerlei geleerde argumenten
te bewijzen dat ik onmogelijk kon doen. Een van deze kunstvaardigen
scheen te meenen dat ik een embryo of misgeboorte zijn zou. Maar
die meening werd verworpen door de anderen, op grond dat mijn leden
volkomen gevormd waren, en dat ik verscheiden jaren geleefd had, zooals
duidelijk bleek aan mijn baard, waarvan zij de stompjes bespeurden door
een vergrootglas. Zij konden mij ook niet voor een dwerg houden, omdat
mijn kleinheid buiten alle vergelijking was; want de lievelings-dwerg
van de koningin, de kleinste, die ooit in dat koninkrijk bekend
was, was bijna dertig voet hoog. Na veel overleggingen besloten zij
eenparig dat ik niets was dan een relplum scalcath, wat vertaald
wordt lusus naturae, [1] eene bepaling, die uitnemend paste bij de
nieuwere wijsbegeerte in Europa, wier belijders, versmadende het
vroegere redmiddel van "verborgen oorzaken", waarmee de volgers
van Aristoteles te vergeefs beproefden hun onkunde te verbergen,
deze wonderlijke oplossing van alle moeielijkheden gevonden hebben,
tot onuitsprekelijke bevordering van de menschelijke wetenschap.
Na dit beslissend oordeel verzocht ik een paar woorden te mogen
spreken. Ik wendde mij tot den Koning en verzekerde Zijne Majesteit,
dat ik van een land kwam waar het krioelde van millioenen menschen, van
beiderlei geslacht en allen van mijn gestalte; waar de boomen en huizen
naar evenredigheid klein waren, waar ik, dientengevolge, even geschikt
was mij te verdedigen en voor mijn onderhoud te zorgen, als Zijner
Majesteits onderdanen hier; wat ik meende dat een voldoend antwoord
was op de beweringen van de heeren daar. Hierop antwoordden zij alleen
met een minachtenden glimlach en het zeggen dat de boer mij uitstekend
mijn lesje had voorgezeid. De Koning, die een veel beter begrip had,
liet zijn geleerden gaan en zond om den boer, die gelukkig nog niet
uit de stad was. Toen hij dien nu eerst afzonderlijk ondervraagd had
en daarna met mij en het dochtertje tegelijk, begon Zijne Majesteit
te meenen, dat wat wij hem vertelden mogelijk wel waar kon zijn. Hij
verzocht de Koningin bizondere zorg voor mij te dragen, en vond het
goed dat Glumdalclitch in haar betrekking van oppaster blijven zou,
omdat hij zag dat wij elkander zoo genegen waren. Een welingericht
vertrek aan het hof werd haar aangewezen, een soort van gouvernante
werd benoemd om zorg te dragen voor haar opvoeding, een hofdame om
haar te kleeden en twee andere bedienden voor het mindere werk; maar
de zorg voor mij werd heel en al aan haar alleen toevertrouwd. De
Koningin beval haar eigen meubelmaker een doos te vervaardigen, die
ik voor slaapkamer gebruiken zou, naar het model dat Glumdalclitch en
ik zouden vaststellen. Deze man was een zeer vindingrijk kunstenaar en
vervaardigde naar mijn aanwijzingen binnen drie weken een houten kamer,
van zestien voet in 't vierkant en twaalf hoog, met schuiframen, een
deur en twee kleine vertrekjes als een Londensch slaapvertrek. Het
dak dat het plafond vormde kon men oplichten en neerlaten aan twee
scharnieren en zoo werd mijn bed er in gezet, kant en klaar geleverd
door Harer Majesteits bekleeder, dat Glumdalclitch iederen dag eruit
nam om het te luchten, met haar eigen handen opmaakte, en 's avonds
weer van boven erin zette en het plafond boven me sloot. Een kunstig
werkman, beroemd om de kleine snuisterijen die hij maken kon, nam op
zich twee stoelen te leveren met ruggen en zittingen van een stof,
die veel op ivoor leek, en twee tafels en een kast voor mijn zaken. De
kamer was aan alle kanten bekleed, ook de vloer en de zoldering, om
ongelukken te voorkomen, die ontstaan konden uit de zorgeloosheid
van hen, die mij heen en weer droegen, en de kracht van een schok
te breken, als ik mee in een rijtuig ging. Ik vroeg om een slot op
mijn deur, om ratten en muizen te verhinderen binnen te komen. De
smid, na verscheidene vruchtelooze pogingen, maakte 't kleinste dat
daar ooit gezien is, want ik heb een grooter gekend aan de deur van
een heerenhuis in Engeland. Ik bewaarde den sleutel in mijn zak,
uit vrees dat Glumdalclitch hem verliezen zou. De Koningin gaf ook
bevel de fijnst mogelijke zijde te doen uitzoeken, om kleederen voor
me van te maken, niet veel dikker dan een Engelsche deken, en nog al
bezwarend, zoolang ik er niet aan gewend was. Zij waren naar de mode
van het rijk, en leken deels Perzisch, deels Chineesch, maar stonden
ernstig en waardig.
De Koningin werd zoo gesteld op mijn gezelschap dat ze niet meer
eten kon zonder me. Ik had een tafel staan op de tafel waar Hare
Majesteit aan at, vlak aan haar rechter elleboog, en een stoel waar
ik op zitten ging. Glumdalclitch stond op een bankje op den vloer
naast mijn tafel om te helpen en zorg voor me te dragen. Ik had een
volledig stel zilveren schalen en borden, en andere benoodigdheden,
die, vergeleken bij die van de Koningin, niet veel grooter waren
dan ik er wel eens gezien heb in een Londenschen speelgoedwinkel,
bij den inboedel van een poppehuis; mijn kleine oppaster droeg die
altijd in haar zak in een zilveren doos, en gaf ze me aan tafel als
ik ze noodig had, en maakte ze altijd zelf schoon. Er at niemand met
de Koningin dan de twee koninklijke prinsessen, de oudste van even
zestien en de jongste van dertien jaar en een maand. Hare Majesteit
placht een stukje vleesch op een van mijn borden te leggen, waarvan ik
sneed voor mij zelf, en haar grootste schik was mij zoo in miniatuur
te zien eten; want de Koningin, (die eigenlijk een zwakke maag had)
gebruikte in een mondvol zooveel als een dozijn Engelsche boeren
voor hun middagmaal zouden gebruiken; wat voor mij te dien tijde een
heel walgelijk gezicht was. Zij verbrijzelde een leeuwriksvleugel,
met been en al, tusschen haar tanden, al was hij negen maal zoo groot
als een volwassen kalkoen; en zij stak een stuk brood in haar mond,
dat tweemaal zoo groot was als twee brooden van twaalf stuivers. Zij
dronk uit een gouden kop, meer dan een okshoofd in een slok. Haar
messen waren tweemaal zoo lang als een zeis, die recht op haar heft
staat. De lepels, vorken en ander tafelgereedschap waren alle naar
dezelfde verhouding. Ik herinner me dat, toen Glumdalclitch me, voor de
aardigheid, naar eenige hoftafels droeg, waar tien of twaalf van die
reusachtige messen en vorken tegelijk in handen waren, ik dacht bij
me zelf, dat ik nooit van mijn leven zoo iets vreeselijks had gezien.
Het is de gewoonte, dat iederen Woensdag (die, zooals ik hiervoor
heb opgemerkt, hun rustdag is) de Koning en de Koningin, met de
koninklijke prinsen en prinsessen, gezamenlijk eten in de kamer
van Zijne Majesteit, bij wien ik zeer in de gunst was; en bij die
gelegenheden werden mijn tafeltje en stoeltje aan zijn linkerhand
gezet, vóor een van de zoutvaten. Deze vorst had er vermaak in met
mij te praten, en mij uit te hooren over de zeden, den godsdienst,
de wetten, het bestuur en de wetenschap van Europa; waarover ik
hem zoo goed ik kon inlichtte. Zijn verstand was zoo helder, en zijn
oordeel zoo juist, dat hij bij al wat ik zei zeer wijze overwegingen en
opmerkingen maakte. Maar ik moet toegeven, dat, nadat ik een beetje te
rijkelijk gepraat had over mijn dierbaar vaderland, over onzen handel
en onze oorlogen te land en ter zee, over onze godsdiensttwisten en
staatspartijen, de vooroordeelen van zijne opvoeding zoo sterk werden,
dat hij niet laten kon mij in zijn rechterhand te nemen, en terwijl hij
mij zachtjes streelde, met de andere, mij na een hartelijke lachbui
te vragen: Wat ik nu was, een Whig of een Tory? Toen, zich wendende
tot zijn eersten minister, die achter hem stond met een witten staf,
wel haast zoo groot als de hoofdmast van de Royal Sovereign, zei hij:
wat een verachtelijk poppenspel toch menschelijke grootheid was,
die kon worden nageaapt door zulke nietige insecten als ik; en toch,
zei hij, durf ik volhouden, dat deze schepseltjes hun titels hebben
en onderscheidingen; dat zij kleine nestjes en molshoopen bouwen,
die ze huizen en steden noemen; dat zij vertoon maken met kleeding en
rijtuigen; dat ze liefhebben, vechten, twisten, bedriegen en verraad
plegen! En zoo ging hij voort, terwijl mijn kleur ging en kwam van
verontwaardiging, om zóo ons edel vaderland, de meesteres van kunsten
en wapenen, den geesel van Frankrijk, de scheidsrechteres van Europa,
den zetel van deugd, vroomheid, eer en waarheid, den trots en den
naijver van de wereld, zóo minachtend te hooren bespreken.
Maar daar ik niet in omstandigheden was om wraak te nemen over
beleedigingen, begon ik er rijper over na te denken of ik wel
beleedigd wás. Want, nu ik mij verscheidene maanden eraan gewend had
dit volk te zien en ermee om te gaan, en zag dat elk voorwerp, waar
mijn oogen op vielen, van evenredige grootte was, begon de afschuw,
dien ik eerst had gevoeld voor hun omvang en voorkomen, zoo zeer te
slijten, dat, als ik op dat oogenblik een gezelschap van Engelsche
heeren en dames in hun Zondagspakjes en versierseltjes gezien had,
allen in hun dagelijksch bedrijf van hoffelijk loopen en buigen en
babbelen; ik zou om de waarheid te zeggen een onweerstaanbaren lust
gehad hebben zóo hard om hen te gaan lachen als de Koning en zijn
grooten om mij. Ook kon ik niet nalaten te glimlachen om mijzelf,
als de Koningin mij wel eens op haar hand voor een spiegel hield,
waardoor onze beide gestalten languit tegen elkaar zichtbaar werden,
want er kon niets belachelijker zijn dan de vergelijking; zoodat ik
mij werkelijk begon te verbeelden, dat ik verscheiden graden beneden
mijn oorspronkelijke grootte gekrompen was.