van het veld, waar het koren door regen en wind neergeslagen was. Hier
was het me onmogelijk een stap verder voort te gaan, want de halmen
waren zoo door elkaar gevlochten, dat ik er niet door kon kruipen en
de baard van de omgevallen aren was zoo hard en puntig, dat hij mij
door mijn kleeren heen in het vleesch stak. Tegelijkertijd hoorde ik
de maaiers niet meer dan honderd el achter me. Op van inspanning en
overweldigd door verdriet en wanhoop, ging ik in een vore liggen
en hoopte van harte, dat ik daar mijn dagen mocht eindigen. Ik
beklaagde mijn verlaten weduwe en vaderlooze kinderen. Ik betreurde
mijn eigen dwaasheid en grilligheid om een tweede reis te ondernemen,
in weerwil van den raad van al mijn vrienden en betrekkingen. Onder
deze vreeselijke aandoeningen kon ik niet nalaten te denken aan
Lilliput, waar de inwoners mij aanzagen voor het grootste wonder
dat ooit in de wereld verschenen was; waar ik in staat was geweest
een keizerlijke vloot met mijn hand te voeren, en al die daden te
bestaan die vermeld zullen worden in de geschiedboeken van dat rijk,
terwijl het nageslacht ze nauwelijks gelooven zal, schoon millioenen
er getuigenis van doen. Ik dacht bij mij zelf wat een vernedering het
voor me zijn zou, voor dit volk even onbeduidend te schijnen als een
enkele Lilliputter bij ons zou zijn, maar dit begreep ik, zou toch
nog de minste zijn van mijn rampen, want daar het is opgemerkt dat
menschelijke wezens wilder en wreeder zijn naarmate ze grooter zijn
van omvang, wat kon ik anders verwachten dan een hapje te zullen wezen
in den mond van den eersten van deze ontzaglijke barbaren, die mij
vangen mocht. Ongetwijfeld hebben de wijsgeeren gelijk als zij zeggen,
dat niets groot of klein is dan in vergelijking met iets anders. Het
lot zou de Lilliputters een land hebben kunnen laten vinden, waar de
menschen even klein waren ten opzichte van hen, als zij het waren
ten opzichte van mij. En wie weet of niet zelfs dit reusachtig ras
van stervelingen even zooveel in grootte overtroffen wordt in een of
ander deel van de wereld dat tot nu toe niet is ontdekt.
Ontsteld en ontdaan als ik was, kon ik niet nalaten met die bedenkingen
voort te gaan, toen een van de maaiers, door de plaats waar ik lag,
tot op tien el afstands voorbij te komen, mij vreezen deed dat ik
bij den eerstvolgenden stap zou worden doodgetrapt onder zijn voet
of in tweeën gesneden door zijn sikkel. En daarom, zoodra hij zich
weer bewegen ging, schreeuwde ik zoo hard als mijn angst alleen me
kon doen uithouden; waarop het monster-schepsel zijn stap inhield,
en nadat hij een poosje om zich heen gekeken had, eindigde met mij
te bespeuren, waar ik voor hem op den grond lag.
Hij bekeek mij eerst met de voorzichtigheid van iemand, die
probeert een klein gevaarlijk diertje zoo op te pakken, dat het hem
niet krabben of bijten kan, zooals ik zelf dikwijls een wezeltje in
Engeland gedaan heb. Ten laatste waagde hij het en vatte mij op, van
achteren om de middel, tusschen zijn voorvinger en duim en bracht me
tot binnen drie el van zijn oogen, om beter te kunnen waarnemen hoe
ik er precies uitzag. Ik raadde zijn bedoeling en had gelukkig zooveel
tegenwoordigheid van geest, dat ik besloot in 't minste niet tegen te
stribbelen, terwijl hij mij in de lucht hield, meer dan zestig voet
boven den grond, ofschoon hij mij vreeselijk in mijn zijde kneep,
uit angst dat ik hem door de vingers zou glippen. Al wat ik waagde
was mijn oogen naar de zon op te heffen, mijn handen samen te vouwen
in smeekende houding en eenige woorden te spreken, met een nederige en
zwaarmoedige uitdrukking, zooals dat mij in mijn toestand paste; want
ik vreesde ieder oogenblik dat hij mij tegen den grond zou smakken,
zoo als wij gewoonlijk doen met een klein griezelig insekt, dat we
willen doodmaken. Maar mijn goed gesternte beschikte dat hij scheen
behagen te scheppen in mijn stem en gebaren, en me begon te bekijken
als iets heel zonderlings, erg verbaasd mij gearticuleerde woorden
te hooren uitspreken, ofschoon hij die niet verstaan kon. In dien
tusschentijd kon ik niet nalaten te kreunen en tranen te storten,
en mijn hoofd naar mijn zijden te draaien, om hem zoo goed ik kon te
kennen te geven, hoe verschrikkelijk ik bezeerd werd door den druk
van zijn vinger en duim. Hij scheen mijn bedoeling te begrijpen, want
de panden van zijn jas oplichtende, stak hij mij zachtjes daarin en
liep dadelijk met mij naar zijn meester, die een gezeten boer was en
dezelfde, dien ik eerst in het veld gezien had.
Toen de boer (zooals ik uit hun praten opmaakte) zich door zijn knecht
had laten vertellen, wat die van mij wist, nam hij een stukje van
een klein strootje, zoowat zoo groot als een wandelstok en lichtte
daarmede de panden van mijn jas op, die hij naar 't scheen voor een
soort bedeksel hield, dat de natuur mij gegeven had. Hij blies mijn
haar uit mijn gezicht om dit beter te kunnen bekijken. Hij riep zijn
knechts bij zich en vroeg hen, zooals ik later leerde begrijpen,
of ze ooit in het veld een wezentje gezien hadden dat iets van mij
had? Toen zette hij mij zachtjes op den grond op handen en voeten,
maar ik sprong dadelijk op en wandelde langzaam achteruit en vooruit,
om dien lieden te toonen, dat ik niet van plan was weg te loopen. Ze
gingen allemaal in een kring om me heen zitten, om beter mijn
bewegingen te kunnen zien. Ik nam mijn hoed af en maakte een diepe
buiging voor den boer. Ik viel op mijn knieën en hief mijn handen en
oogen omhoog en sprak zoo luid ik kon verscheidene woorden; ik haalde
een beurs met goudgeld uit mijn zak en bood hem die nederig aan. Hij
nam haar aan op de palm van zijn hand, hield haar toen dicht bij zijn
oogen om te zien wat het was, en draaide haar daarna een keer of wat
om en om met de punt van een speld, (die hij van zijn mouw haalde),
maar hij kon er niet uit wijs worden. Ik wenkte hem daarom zijn hand op
den grond te leggen, nam toen de beurs er af, opende haar, en stortte
al het goud op zijn handpalm uit. Er waren zes Spaansche stukken,
elk van vier pistolen, behalve twintig of dertig kleinere munten. Ik
zag hem den top van zijn middelsten vinger vochtig maken, en eerst
een, en toen nog een van de grootste stukken er mee opnemen; maar hij
scheen heelemaal niet te begrijpen wat dat waren. Hij beduidde mij ze
weer in mijn beurs te doen en de beurs in mijn zak te steken, wat ik,
na ze hem nog een paar keer te hebben aangeboden, besloot te doen.
De boer begon nu overtuigd te worden dat ik een redelijk wezen zijn
moest. Hij sprak me herhaaldelijk toe, maar het geluid van zijn
stem verscheurde mijn ooren als dat van een watermolen; maar zijn
woorden klonken wel geartikuleerd. Ik antwoordde zoo hard ik kon in
verscheidene talen, en hij bracht zijn oor telkens tot op twee el van
me af, maar alles te vergeefs, want wij verstonden elkaar volstrekt
niet. Hij stuurde toen zijn knechts weer aan 't werk, en zijn zakdoek
uit zijn zak gehaald hebbende, deed hij dien dubbel en spreidde hem uit
op zijn linkerhand, die hij plat op den grond hield, met de palm naar
boven, en wenkte mij er op te stappen, wat ik gemakkelijk doen kon,
want ze was niet meer dan een voet dik. Ik achtte het het voordeeligst
te gehoorzamen en ging uit vrees voor vallen, languit op den zakdoek
liggen, waarvan hij de punten veiligheidshalve tot aan mijn hoofd om
me heen wikkelde en droeg me zoo ingepakt meê naar zijn huis. Daar
riep hij zijn vrouw en liet me aan haar zien, maar ze begon te gillen
en liep weg zooals de vrouwen in Engeland doen als ze een pad of een
spin zien. Maar toen ze een poosje mijn manieren gezien had en hoe
goed ik luisterde naar de gebaren van haar man, werd ze spoedig met
mij verzoend en ging langzamerhand erg veel van me houden.
Het was omstreeks twaalf uur op den middag en een dienstbode bracht
het eten binnen. Het bestond uit niets dan een stevig vleesch-gerecht
(naar den eenvoudigen stand van een landman) in een schotel van zoowat
vier en twintig voet doorsnede. De aanzittenden waren de boer en zijn
vrouw, drie kinderen en een oude grootmoeder. Toen zij zaten zette
de boer mij een eindje van zich af, op de tafel, die dertig voet
hoog was. Ik was doodsbang dat ik er af zou vallen en bleef zoo ver
mogelijk van den rand. De vrouw sneed een snippertje vleesch af en
kruimelde wat brood op een schoteltje en zette me dat vóor. Ik maakte
een diepe buiging voor haar, haalde mijn mes en vork uit en ging aan
't eten, waar ze verbazend veel schik in hadden. De meesteres liet de
meid een klein likeurkelkje halen, dat zoowat twee gallons inhield, en
vulde het met drank: ik tilde het vat met moeite met mijn twee handen
op en dronk met eerbiedige gebaren op mevrouws gezondheid, waarbij ik
de Engelsche woorden uitsprak zoo luid ik kon, wat het gezelschap zoo
hartelijk aan 't lachen maakte dat ik bijna doof werd van 't lawaai.
De drank smaakte als een lichte ciderwijn, en was niet
onaangenaam. Toen gaf de meester mij een wenk om bij den rand van
zijn bord te komen; maar terwijl ik over de tafel liep, voortdurend,
zooals de lezer wel begrijpt en verontschuldigen zal, in de grootste
verbazing, struikelde ik over een broodkorst en viel plat op mijn
gezicht, maar zonder me te bezeeren. Ik stond dadelijk op en toen ik
zag dat de goede liên nog bezorgd over me waren, nam ik mijn hoed
(dien ik als welgemanierd mensch onder mijn arm hield), en riep,
terwijl ik er mee boven mijn hoofd zwaaide, driemaal hoera! om te
toonen dat de val goed was afgeloopen. Maar terwijl ik naar mijn
meester (zooals ik hem in 't vervolg noemen zal) toekwam, pakte
zijn jongste zoon, een bengel van een jongen van vier jaar oud, die
naast hem zat, mij bij mijn beenen en hield mij zoo hoog in de lucht,
dat ik sidderde aan al mijn leden; maar zijn vader griste me van hem
af en gaf hem tegelijkertijd een klap om zijn ooren, die een heele
afdeeling Europeesche ruiterij tegen den grond zou hebben geslagen,
terwijl hij hem beval van tafel te gaan. Maar daar ik bevreesd was dat
de knaap een hekel aan mij krijgen zou, en mij te binnen bracht hoe
baldadig alle kinderen bij ons van natuur zijn tegenover musschen,
kleine katjes en jonge hondjes, viel ik op mijn knieën, en gaf,
naar den knaap wijzende, mijn meester zoo goed ik kon te verstaan,
dat ik om vergiffenis voor hem verzocht: de vader gaf toe en de knaap
mocht weer gaan zitten, waarop ik naar hem toeging en zijn hand kuste,
die mijn meester in de zijne nam en mij zachtjes deed aaien.
Midden onder het maal sprong de lievelingspoes van mijn meesteres op
haar schoot. Ik hoorde een gedruisch als van een dozijn kousenwevers
aan hunne weefgetouwen, en toen ik mijn hoofd omdraaide merkte ik dat
het het spinnen van dit dier was, dat driemaal grooter leek dan een os,
zooals ik opmaakte uit de grootte van haar kop en een klauw, dien ik
zag, terwijl haar meesteres haar eten gaf en aaide. Het woeste uitzicht
van dit gedrocht bracht me heelemaal van de wijs, schoon ik aan het
andere eind van de tafel stond, zoowat vijftig voet van haar af en mijn
meesteres haar vasthield, uit vrees dat ze een sprong zou doen en me
in haar klauwen grijpen. Maar daar was gelukkig geen gevaar voor, want
poes nam niet de minste notitie van me, zelfs niet toen mijn meester
me tot binnen drie el afstands van haar neerzette. En daar men mij
altijd gezegd heeft en ik dit op mijn reizen altijd bij ondervinding
had bewaarheid gezien, dat vluchten of zich bevreesd toonen voor een
wild dier, een zeker middel is om zich er door te laten aanvallen,
besloot ik in dit gevaarlijk oogenblik mij in 't geheel niet bezorgd
te toonen. Ik wandelde daarom stoutmoedig vijf- of zesmaal vlak voor
poes haar kop heen en weer en kwam tot op een halve el bij haar,
waarop zij zich terugtrok, alsof zij banger voor mij dan ik voor
haar was; minder bang was ik voor de honden, waarvan er drie of vier
in de kamer kwamen, zooals in boerenhuizen gebruikelijk is; waarvan
er één een bandhond was, zoowat van den omvang van vier olifanten,
en een hazewind ietwat hooger dan de bandhond, maar niet zoo zwaar.
Toen de maaltijd bijna gedaan was, kwam de kindermeid binnen met
een kind van een jaar oud in haar armen, dat me dadelijk in de gaten
kreeg en begon te blèren dat men het zou kunnen hooren van Amsterdam
tot Sloterdijk, op de gebruikelijke manier van kinderen, om me voor
speelgoed te hebben. De moeder nam me uit pure goedheid op en hield me
naar het kind toe, dat me dadelijk bij mijn middel greep en mijn hoofd
in zijn mond stak, waar ik zoo hard ging schreeuwen dat de dreumes er
van schrikte en mij vallen liet, zoodat ik onvermijdelijk mijn nek
zou hebben gebroken, als de moeder niet haar boezelaar onder me had
gehouden. De kindermeid gebruikte, om het kind zoet te houden, een
ratel, die niets anders was dan een soort hol vat vol groote steenen
en met een kabel om het middel vastgemaakt; maar het was alles te
vergeefs, zoodat ze als laatste redmiddel wel besluiten moest het
kind de borst te geven. Ik moet bekennen dat nooit een voorwerp mij
zoo walgde als haar monsterachtige borst, waarvan ik niet kan zeggen
waar ik ze mee vergelijken moet om den belangstellenden lezer een
denkbeeld te geven van haar omvang, gedaante en kleur.
Dit bracht me aan 't denken over het fijne vel van onze Engelsche
dames, die ons zoo mooi lijken, alleen omdat ze van onze eigen grootte
zijn, en hun gebreken alleen door een vergrootglas zijn te zien,
wanneer we bij ondervinding weten, dat het gladste en witste vel er
ruw en grof en akelig van kleur uitziet.
Ik herinner mij, dat, toen ik in Lilliput was, de gelaatskleur van
die miniatuur-menschjes mij de mooiste in de wereld leek; en in een
gesprek over dit onderwerp met een geleerde daar, die een vertrouwd
vriend van mij was, zei die mij dat mijn gezicht veel fijner en gladder
leek als hij het van den grond, dan als hij het van nabij zag, als ik
hem in mijn hand nam en er vlak voorhield, wat werkelijk, zei hij, in
't eerst een heel griezelig gezicht was. Hij zei dat hij groote gaten
in mijn huid kon waarnemen, dat de stompjes van mijn baard tienmaal
sterker waren dan de stekels van een wild zwijn en mijn gelaatskleur
bestond uit verschillende kleuren, volmaakt onaangenaam. Schoon ik
toch vrijheid vragen moet te betuigen, dat ik even blank ben als de
meeste van mijn mannelijke landgenooten, en door al mijn reizen maar
heel weinig verschroeid.
Daarentegen, sprekende van de dames aan het hof van dien Keizer,
placht hij wel te zeggen dat éen sproeten had, een andere een te
grooten mond, een derde een te breeden neus; dingen waar ik allemaal
niets van onderscheiden kon. Ik moet zeggen dat deze overwegingen
hinderlijk genoeg zijn; maar ik kon ze toch niet achterwege laten,
omdat de lezer anders denken zou dat die groote schepsels werkelijk
mismaakt waren, wat niet zoo is, want ik moet om billijk te zijn,
erkennen dat ze een knap soort volk zijn, en voornamelijk de trekken
van het gezicht van mijn meester, ofschoon hij maar een boer was,
zagen er als ik ze op hun hoogte van zestig voet zag zeer evenredig
gevormd uit.
Na den maaltijd ging mijn meester zien naar zijn arbeiders, en gaf zijn
vrouw, zooals ik uit zijn stem en gebaren kon opmaken, strikten last
om goed zorg voor mij te dragen. Ik was erg vermoeid en slaperig en
mijn meesteres, dat bemerkende, legde me op haar eigen bed en dekte
me toe met een schoonen witten zakdoek, maar grooter en grover dan
het schoenerzeil van een oorlogsschip.
Ik sliep ongeveer twee uur en droomde dat ik thuis was bij mijn vrouw
en kinderen, wat mijn verdriet nog deed toenemen toen ik wakker
werd en mij alleen, in een uitgestrekt vertrek van tusschen twee-
en driehonderd voet breed en meer dan tweehonderd hoog in een bed
van twintig ellen breedte liggen vond. Mijn meesteres was aan haar
huishouden gegaan en had mij opgesloten. Het bed was acht el boven
den vloer. Ik wenschte er af te komen, maar dorst niet roepen; en als
ik het gedaan had zou het te vergeefs geweest zijn, met een stem als
de mijne, op een zoo grooten afstand als van de kamer waar ik was
tot de keuken, waar de familie zich in ophield. Terwijl ik mij in
die omstandigheden bevond, kropen twee ratten tegen de gordijnen op,
en liepen snuffelende naar achteren en naar voren over het bed. Een
kwam bijna vlak bij mijn gezicht, waarop ik beangst opsprong en mijn
houwer trok om me te verdedigen. Deze afgrijselijke dieren hadden
de stoutmoedigheid mij aan weerszijden aan te vallen en een hield
zijn voorpooten aan mijn halsboord; maar ik had het geluk haar den
buik op te rijten, voor zij mij eenig kwaad kon doen. Zij viel voor
mijn voeten neer en de andere, het lot van haar makker ziende, nam
de vlucht, maar niet zonder een geduchte wond op haar rug, die ik
haar gaf terwijl zij wegliep en haar het bloed langs de zijden deed
druppelen. Na deze heldendaad wandelde ik zoetjes op en neer over het
bed, om weer op adem en op mijn verhaal te komen. De beesten waren
van de grootte van een grooten dog maar oneindig vlugger en woester,
zoodat, als ik voor ik slapen ging, mijn gordel had afgelegd, ik
onfeilbaar in stukken gescheurd en verslonden zou zijn. Ik mat den
staart van de doode rat en bevond dat hij twee el lang was, op een
duim na; maar ik walgde er een beetje van het lijk van het bed af te
sleepen, waar het maar al lag te bloeden; ik merkte dat er nog eenig
leven in was, maar met een fikschen houw over den nek, maakte ik het
heelemaal van kant. Spoedig daarop kwam mijn meesteres in de kamer,
die mij geheel bebloed ziende, toeschoot en mij in haar hand nam. Ik
wees haar naar de doode rat, glimlachende en nog andere teekens makende
om te toonen dat ik niet gewond was, waarop ze uitermate blij werd,
roepende de meid om de doode rat op te nemen met een tang en haar
uit het venster te gooien. Toen zette ze mij op tafel, waar ik haar
mijn houwer toonde heelemaal bebloed, en stak hem, nadat ik hem aan
mijn jaspanden had afgeveegd, weer in zijn schede.
Ik hoop dat de vriendelijke lezer mij het uitweiden over deze en
dergelijke bijzonderheden ten goede zal houden, die, hoe onbeteekenend
zij voor gewone geesten schijnen mogen, toch zeker een wijsgeer
zullen helpen zijn gedachten en verbeelding te verrijken, en er
gebruik van te maken ten welvaren van publiek zoowel als bijzonder
leven, wat mijn eenig doel was met het voorleggen van deze en andere
berichten van mijn reizen aan de wereld, waarin ik voornamelijk naar
waarheid gestreefd heb, zonder eenige versierselen van geleerdheid of
stijl voor te wenden. Maar het geheele tooneel van deze reis maakte
zoo een sterken indruk op mijn geest, en is zoo diep gegrift in mijn
geheugen, dat ik, haar op papier brengende, niet eene bijzonderheid van
beteekenis vergeten heb; evenwel heb ik bij een strenge herziening,
verscheidene gedeelten van minder gewicht weggeschrapt, die in mijn
eerste handschrift waren, uit vrees te worden veroordeeld als vervelend
en onbeteekenend, wat reizigers dikwijls, misschien niet ten onrechte,
beschuldigd worden te zijn.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Een beschrijving van het dochtertje van den boer.--De
schrijver naar een marktplaats gebracht en daarna naar de
hoofdstad.--Bizonderheden over zijn--reis.--
Mijn meesteres had een dochtertje van negen jaar oud, een voordeelig
kind voor haar leeftijd, heel vlug met de naald en handig in het
kleeden van haar pop. Haar moeder en zij brachten tegen den nacht
de poppewieg voor mij in orde; de wieg werd in een kleine la van
een kabinet gezet, en de la op een hangende plank geplaatst uit
vrees voor de ratten. Dit was mijn bed, al den tijd, dat ik bij
die menschen in huis bleef, schoon het langzamerhand meer naar mijn
gemak werd ingericht, naarmate ik hun taal begon te leeren, en mijn
behoeften bekend te maken. Dit jonge meisje was zoo handig, dat toen
ik een of twee keer mijn kleeren had uitgetrokken waar zij bij was,
ze mij aan en uit kon kleeden, maar ik deed haar die moeite nooit aan,
tenzij ze er op aandrong. Zij maakte zeven hemden en ander linnengoed
voor me, van het fijnste goed dat ze krijgen kon, dat toch nog grover
was dan zakkegoed, en die waschte ze geregeld zelf. Zij was ook mijn
schooljuffrouw, die me de taal leerde; als ik naar iets wees, zei zij
mij den naam er van in haar taal, zoodat ik in een dag of wat vragen
kon om wat ik hebben wou. Zij was een goed kind en niet grooter dan
veertig voet, wat klein is voor haar leeftijd. Zij gaf mij den naam van
Grildrig, dien de familie overnam en later het heele rijk. Het woord
beteekent wat de Latijnen Nanunculus, de Italianen Homunceletino en de
Engelschen mannikin noemen. Ik ben haar grootendeels verschuldigd dat
ik in dit land mijn leven behield; ik noemde haar mijn Glumdalclitch
of kindermeisje, en ik zou me schuldig maken aan groote ondankbaarheid
als ik deze eervolle vermelding naliet van haar zorg en genegenheid
voor mij, die ik van harte wensch dat het in mijn macht stond, te
beloonen zooals ze het verdient, in plaats van, zooals ik maar te
veel reden heb te vreezen, de onschuldige, maar ongelukkige bewerker
van haar schande te zijn.
Het begon nu bekend, en in de buurt erover gepraat te worden, dat mijn
meester een vreemd diertje in 't veld had gevonden, zoowat zoo groot
als een splacnuck, maar volmaakt gevormd als een menschelijk wezen,
dat het ook in al zijn bewegingen nabootste; en dat een eigen taaltje
scheen te spreken, al verscheidene woorden van hun taal geleerd had,
rechtop op zijn twee beenen liep, tam en aardig was, kwam wanneer het
geroepen werd, alles deed wat het gezegd werd, de fijnste ledematen van
de wereld had, en een complexie teerder dan een edelmansdochter van
drie jaar oud. Een andere boer, die dichtbij woonde, en een bizonder
vriend van mijn meester, kwam een bezoek brengen met het doel te
onderzoeken wat er waar was van dat verhaal. Ik werd onmiddellijk voor
den dag gehaald en op een tafel gezet, waar ik wandelde zooals men mij
beval, mijn houwer trok, weer opstak, een buiging maakte voor den gast,
hem in zijn eigen taal vroeg hoe hij het maakte, en hem zei dat hij
welkom was, zooals mijn kindermeisje mij dat had geleerd. Deze man,
die oud en bijziende was, zette zijn bril op om mij beter te zien,
waarop ik niet laten kon hartelijk te lachen, want zijn oogen leken
me wel volle manen, schijnende in een kamer met twee vensters. De
huisgenooten, die de oorzaak van mijn vroolijkheid ontdekten, hielden
mij in mijn lachen gezelschap, waarover de oude mal genoeg was boos
en uit zijn humeur te worden. Hij stond bekend voor een ergen vrek;
en hij kon dat, tot mijn ongeluk, best wezen, naar den vervloekten
raad dien hij mijn meester gaf, mij te laten kijken op een marktdag in
de naburige stad, die een half uur rijdens, ongeveer twee-en-twintig
mijlen, van ons af was. Ik vermoedde dat er eenig kwaad broeide,
toen ik mijn meester en zijn vriend met elkaar zag fluisteren,
terwijl zij soms naar mij wezen; en mijn vrees deed me gelooven dat
ik af en toe enkele van hun woorden verstaan kon. Maar den volgenden
morgen vertelde Glumdalclitch, mijn kleine oppaster, mij de heele
zaak, waarover ze haar moeder listig had uitgehoord. Het arme kind
legde mij aan haar borst, en viel aan 't schreien van verdriet en
schaamte. Zij was bang dat mij een ongeluk zou overkomen van gemeene
hardhandige menschen, die me misschien dood zouden knijpen of een
van mijn leden breken, als ze me in hun handen namen. Zij had ook
gemerkt hoe preutsch ik van nature was, hoe gesteld op mijn eer,
en wat een schande ik het vinden zou voor geld ten toon gesteld te
worden, als een publieke vertooning voor het minste volk. Zij zeide,
dat vader en moeder haar beloofd hadden, dat Grildrig van háar zou
hooren; maar nu merkte zij, dat ze haar net zoo zouden behandelen
als het vorige jaar, toen zij haar een lam beweerden te geven, en
het toch, zoodra het goed vet was, verkochten aan een slager. Wat
mij betreft, ik kan naar waarheid getuigen, dat ik minder bezorgd
was dan mijn verzorgstertje. Ik had een vast vertrouwen, dat me nooit
verliet, dat ik eens mijn vrijheid zou terugkrijgen; en wat aangaat de
schandelijkheid van te worden door het land gevoerd als een kijkspel,
ik bedacht dat ik een volslagen vreemdeling was in dat land, en dat
zulk een ongeluk mij nooit als een verwijt kon worden nagegeven, als
ik mocht terugkomen in Engeland, daar de koning van Groot-Brittannië
zelf, in mijn geval, hetzelfde lot had moeten ondergaan.