Eindelijk nam ik een besluit, waarop mij waarschijnlijk een streng

oordeel te wachten staat, en niet onrechtvaardiglijk, want ik moet

toegeven dat ik het behoud van mijn oogen en daardoor mijn vrijheid,

heb te danken aan mijn groote onnadenkendheid en mijn gebrek aan

ervaring, omdat, als ik toen was bekend geweest met den aard van

vorsten en ministers, zooals ik die sinds toen aan verscheidene andere

hoven heb waargenomen, als ook met hunne gebruikelijke manieren van

behandeling van misdadigers, die minder dan ik misdreven hebben,--dan

zou ik met groote bereidwilligheid en opgewektheid zulk eene lichte

straf hebben ondergaan. Maar in de overdrevenheid van mijn haastige

jeugd, maakte ik gebruik van de gelegenheid, die mij open stond door

het verlof van den Keizer om mijn opwachting te gaan maken aan den

Keizer van Blefuscu, zond, voor de drie dagen om waren, een brief aan

mijn vriend den Secretaris, waarin ik mijn besluit te kennen gaf om

dien ochtend naar Blefuscu op reis te gaan, ingevolge het mij vergunde

verlof, en ging zonder te wachten op een antwoord naar die zij van het

eiland, waar onze vloot lag. Ik nam daar een groot oorlogsschip, bond

een touw aan den boeg, en toen ik de ankers gelicht had, kleedde ik me

uit, legde al mijn kleeren (saam met mijn deken, die ik onder mijn arm

had meegebracht) in het schip, en het achter me aantrekkende, bereikte

ik, nu wadende, dan zwemmende, de keizerlijke haven van Blefuscu,

waar het volk mij lang had verwacht. Zij gaven mij twee gidsen om me

naar de hoofdstad te leiden, die ook Blefuscu heet. Ik hield hen in

mijn handen tot dat ik binnen tweehonderd el van de poort kwam en zei

hun mijn aankomst te melden aan een van de secretarissen en hem te

doen weten dat ik daar de bevelen wachtte van Zijne Majesteit. Binnen

een uur zoowat kreeg ik antwoord, dat Zijne Majesteit, vergezelschapt

door het vorstelijk gezin en de groot-officieren van zijn huis, naar

buiten kwam om mij te ontvangen. Ik ging hun honderd el te gemoet. De

Keizer en zijn trein sprongen van hun paarden en de Keizerin en

haar dames stapten uit haar koetsen; en ik bemerkte niet dat ze ook

maar eenigszins bang of bezorgd waren. Ik lag op den grond om Zijne

Majesteit en de Keizerin de handen te kussen. Ik zeide Zijne Majesteit,

dat ik, ingevolge mijn belofte, gekomen was, en met verlof van den

Keizer, mijn meester, om de eer te hebben een zoo machtigen vorst te

zien, en hem de diensten aan te bieden die in mijn macht waren en

niet strijdig met mijn plicht tegenover mijn eigen vorst; maar van

mijn ongenade sprak ik geen woord, omdat ik tot dat oogenblik geen

officieele kennisgeving er van gehad had en mij zelf beschouwen moest

als heelemaal onbekend met zoo'n soort plan; ook zag ik geen reden

waarom ik den Keizer het geheim zou openbaren, terwijl ik buiten zijn

bereik was; maar daarin bleek mij spoedig dat ik me had vergist.

Ik zal den lezer niet lastig vallen met een uitvoerig verslag van de

ontvangst aan dit hof, een ontvangst, waardig de edelmoedigheid van

een zoo grooten vorst; noch met het verhaal van de moeielijkheid,

waarin ik mij bevond door het gemis van een huis en bed, zoodat ik

genoodzaakt was te slapen op den grond, in mijn deken gerold.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

De schrijver krijgt, door een gelukkig toeval, de middelen om

Blefuscu te verlaten, en keert na eenige moeilijkheden, veilig

naar zijn vaderland terug.

Driedagen na mijn aankomst, terwijl ik uit nieuwsgierigheid langs de

Noord-Oost-kust van het eiland wandelde, bemerkte ik, ongeveer een

mijl in zee, een voorwerp, dat er uitzag als een omgekeerde boot.--Ik

trok mijn schoenen en kousen uit, en bespeurde, toen ik, al wadende,

twee-, driehonderd el in zee geloopen was, dat het voorwerp door

den vloed dichter naar land kwam: toen zag ik duidelijk dat het

wezenlijk een boot was, die ik veronderstelde dat door een storm van

een of ander schip omgeslagen was; waarop ik onmiddellijk naar de

stad terugkeerde en Zijne Keizerlijke Majesteit verzocht mij twintig

van de grootste schepen te leenen, die hij na het verlies van zijn

vloot had overgehouden, en drieduizend matrozen, onder bevel van den

Vice-Admiraal. Deze vloot zeilde langs de kust, terwijl ik den kortsten

weg terugliep naar de plaats, waar ik de boot eerst had waargenomen. Ik

bevond dat het tij haar al dichterbij had gedreven. De matrozen waren

allemaal voorzien van touwwerk, dat ik vooraf, tot genoegzame sterkte,

in elkaar gedraaid had. Toen de schepen aankwamen kleedde ik me uit,

en waadde tot ik op honderd el afstand van de boot kwam, waarna ik

genoodzaakt was te zwemmen om bij haar te komen. De matrozen gooiden

me het eind van het touw toe, dat ik aan een gat in den boeg van de

boot vastmaakte, en het andere eind aan een oorlogsschip, maar ik vond

al mijn moeite vrij wel vruchteloos, want omdat ik geen grond voelde,

kon ik geen kracht zetten. In die omstandigheden schoot er niets over

dan er achteraan te zwemmen en de boot vooruit te duwen, zoo goed

en zoo kwaad ik kon, met één hand; en, daar het tij nog al meegaf,

kwam ik zoover vooruit dat ik mijn kin boven water kon houden en staan

blijven. Ik rustte twee, drie minuten, en gaf de boot toen nog een duw

of wat, totdat de zee niet hooger was dan mijn oksels, en toen zoo het

zwaarste werk gedaan was, nam ik mijn andere kabels, die in een van

de schepen gestouwd waren, en maakte ze eerst aan de boot, en toen

aan negen van de schepen vast; de matrozen sleepten nu en ik duwde,

vóor den wind, totdat we op veertig el afstands van de kust kwamen,

en, nadat ik gewacht had tot de zee afging, en de boot op het droge

lag, werkte ik haar, met behulp van tweeduizend man, met touwen en

werktuigen, op haar kiel, en bevond dat ze maar weinig beschadigd was.

Ik zal den lezer niet lastig vallen met het verhaal van de moeite die

het inhad, om met behulp van een paar roeispanen, die mij tien dagen

werk gekost hadden, mijn boot naar de haven van Blefuscu te krijgen,

waar een groote toeloop van volk ontstond bij mijn aankomst, en elk

vol verbazing was bij den aanblik van zulk een ontzaglijk vaartuig. Ik

zeide den Keizer, dat het geluk mij gediend had door mij deze boot

te zenden, die mij brengen kon naar een plaats, vanwaar ik terug

zou kunnen keeren naar mijn vaderland, en verzocht Zijne Majesteit

bevel te willen geven voor het aanvoeren van materialen om haar op te

tuigen, alsook zijn verlof om te vertrekken, wat hij mij na allerlei

vriendelijke tegenwerpingen, goedgunstig toestond.

Al dien tijd verwonderde ik mij zeer er over, dat ik niets hoorde

van een of ander bericht omtrent mij, van wege onzen Keizer, bij

het hof van Blefuscu. Maar later werd mij in vertrouwen meegedeeld,

dat Zijne Keizerlijke Majesteit, die volstrekt niet vermoedde, dat

ik het minste van zijn plannen afwist, zich overtuigd hield, dat ik

alleen naar Blefuscu gegaan was ingevolge mijn belofte, op grond van

het verlof dat hij mij gegeven had, wat aan het hof wel bekend was,

en zou terugkeeren, binnen een paar dagen, als die plechtigheid

was afgeloopen. Maar eindelijk werd hij ongerust over mijn lang

wegblijven, en nadat hij den Minister van Financiën en de overigen van

het kabaal geraadpleegd had, werd een heer van rang afgezonden met een

afschrift van de punten van beschuldiging tegen mij. Deze afgezant

had bevel den Vorst van Blefuscu de groote lankmoedigheid van zijn

meester onder het oog te brengen, die zich tevreden stelde met mij

geen grootere straf dan het verlies van mijn oogen te doen ondergaan;

en verder te doen weten, dat ik gevlucht was om te ontsnappen aan de

gerechtigheid, en dat ik, als ik niet binnen twee uur terugkeerde,

ontzet zou worden van mijn waardigheid van nardac en tot verrader

van het Rijk verklaard. De afgezant voegde er verder bij, dat zijn

meester verwachtte, dat zijn broeder van Blefuscu, ten einde de vrede

en vriendschap tusschen de beide Rijken bewaard mochten blijven,

mij aan handen en voeten gebonden terug zou zenden naar Lilliput,

om daar als een verrader te worden gestraft.

De Keizer van Blefuscu zond, nadat hij zich drie dagen beraden

had, een antwoord, bestaande uit een massa beleefdheden en

verontschuldigingen. Hij zeide, wat betrof mij gebonden over te

zenden, zijn broeder wist dat dat onmogelijk was, dat, ofschoon ik

hem beroofd had van zijn vloot, hij groote verplichtingen aan mij had

voor de vele goede diensten, die ik hem bewezen had bij het sluiten

van den vrede. Dat, evenwel, hunne Majesteiten beiden spoedig gerust

zouden kunnen wezen, want dat ik op de kust een ontzaglijk vaartuig

gevonden had, geschikt om zee te bouwen, dat hij bevel gegeven had,

met mijn hulp en onder mijn toezicht op te tuigen; en dat hij hoopte,

dat binnen weinige weken de beide Rijken zouden bevrijd zijn van zulk

een ondragelijken last.

Met dit antwoord keerde de gezant naar Lilliput terug en de Vorst

van Blefuscu vertelde mij alles wat er gebeurd was, waarbij hij

mij tegelijkertijd, maar onder strenge belofte van geheimhouding,

zijn genadige bescherming aanbood, als ik in zijn dienst wou blijven;

maar ofschoon ik geloofde dat hij het eerlijk met mij meende, was ik

vast besloten nooit meer eenig vertrouwen te stellen in vorsten of

ministers, zoolang ik er eenigszins buiten kan; zoodat ik hem, met

de verschuldigde erkentelijkheids-betuigingen voor zijn goedgunstige

bedoelingen, alleronderdaniglijkst verzocht daarvan verschoond te

mogen blijven. Ik zeide hem, dat, sinds de Fortuin, ze mocht dan goed

of kwaad zijn, een vaartuig op mijn weg geworpen had, ik besloten was

mij liever op den Oceaan te wagen, dan een aanleiding tot geschil te

zijn tusschen twee zulke machtige Vorsten. Ook vond de Keizer dat

eigenlijk in 't geheel niet onaangenaam en ik bemerkte bij toeval,

dat hij zelfs heel blij over mijn besluit was en zijn ministers

niet minder.

Deze overwegingen deden mij mijn vertrek nog verhaasten; waar het

hof, ongeduldig om me weg te hebben, zoo hard het kon, het zijne

toe deed. Vijfhonderd werklieden werden aangesteld om twee zeilen

voor mijn boot te maken, naar mijn aanwijzingen, door hun sterkste

linnen dertiendubbel op elkaar te stikken. Ik had druk werk om touwen

en kabels te maken, door tien, twintig en dertig van hun dikste en

sterkste in elkaar te draaien. Een groote steen, dien ik na lang zoeken

toevallig aan de zeekust vond, diende mij voor anker. Ik had de talk

van driehonderd koeien voor mijn boot en voor andere doeleinden. Ik

had ongelooflijke moeite met het omhakken van een stuk of wat van de

grootste boomen voor timmerhout, om riemen en masten van te maken,

waar ik evenwel trouw aan geholpen werd door Zijner Majesteits

scheepstimmerlieden, die mij van dienst waren, om ze glad te maken,

nadat ik het ruwe werk gedaan had.

Binnen ongeveer een maand, toen alles gereed was, zond ik om bevelen

van Zijne Majesteit, en berichtte dat ik mijn afscheid ging nemen. De

Keizer en de keizerlijke familie kwamen uit het paleis, ik knielde

met mijn gezicht op den grond om zijn hand te kussen, die hij mij

genadiglijk toereikte, wat ook gedaan werd door de Keizerin en de

jonge Prinsen van den bloede. Zijne Majesteit schonk mij vijftig

beurzen met tweehonderd sprugs elk, benevens zijn levensgroot portret

ten voete uit, dat ik onmiddellijk in mijn handschoen stopte, om het

niet te laten beschadigd worden. De ceremonies bij mijn vertrek waren

te talrijk om er den lezer hier mee lastig te vallen.

Ik laadde de boot met het vleesch van honderd ossen en driehonderd

schapen, met brood en kaas naar evenredigheid, en zooveel toebereide

levensmiddelen, als vierhonderd koks mij verschaffen konden. Ik nam met

mij zes levende koeien en twee stieren, en evenveel ooien en rammen,

met het voornemen ze in mijn vaderland in te voeren en het ras te doen

voorttelen. Om ze aan boord te voeden nam ik een goeden bundel hooi

en een zak graan mee. Ik had gaarne een der inboorlingen meegenomen,

maar dat was iets, dat de Keizer mij in geen geval wou toestaan,

en behalve dat hij mijn zakken zorgvuldig doorzoeken liet, moest ik

Zijne Majesteit mijn woord van eer verpanden, geen van zijne onderdanen

mee te voeren, zelfs niet met hun eigen toestemming of op hun verzoek.

Toen ik dus alles zoo goed ik kon had klaargemaakt, ging ik onder

zeil op den 24sten September 1701, om 6 uur 's morgens; en nadat ik

ongeveer vier mijlen noordwaarts gegaan was, daar de wind zuidoost was,

bespeurde ik om zes uur 's avonds een klein eiland, zoowat een halve

mijl naar het Noordwesten. Ik stuurde er op aan en wierp 't anker uit

nabij het eiland, dat wel onbewoond leek. Ik gebruikte toen eenige

ververschingen en ging naar kooi. Ik sliep goed, en naar ik vermoed

minstens zes uur, want de dag brak aan twee uur na mijn ontwaken. Het

was een heldere nacht, ik at mijn ontbijt voor de zon opkwam, en,

nadat ik het anker opgehaald had, stuurde ik, met gunstigen wind,

in dezelfde richting waar ik den vorigen dag gevaren had, waarbij

ik afging op mijn zakcompas. Mijn plan was, zoo mogelijk, een van

die eilanden te bereiken, die ik reden had te gelooven dat Noordoost

van Van Diemen's land lagen. Ik bespeurde dien dag niets, maar den

volgenden, omtrent drie uur 's middags, toen ik naar mijn berekening

vier en twintig mijlen van Blefuscu af was, merkte ik een schip dat

Zuid-Oost stuurde; mijn richting was vlak Oost. Ik riep het aan,

maar kon geen gehoor krijgen; maar ik merkte dat ik op haar won,

doordat de wind liggen ging. Ik zette alle zeilen bij en binnen een

half uur werd ik gezien, en van het schip werd een vlag geheschen en

een schot gelost. Het is moeielijk mijn vreugde uit te drukken bij de

onverwachte hoop mijn bemind vaderland weer te zien, en de dierbare

panden, die ik daar had achtergelaten. Het schip minderde zeil, ik kwam

het langs zij tusschen vijf en zes uur 's avonds, den 26sten September;

maar mijn hart sprong op in mijn lijf toen ik haar Engelsche kleuren

zag. Ik stak mijn koeien en schapen in mijn jaszakken en ging aan

boord met mijn heele kleine lading van levensmiddelen. Het vaartuig

was een Engelsche koopvaarder op de terugreis van Japan door de Noord-

en Zuidzeeën; de kapitein, Mr. John Biddel van Deptford, een zeer

beschaafd man en uitstekend zeeman. Wij waren nu onder de breedte

van 30 graden zuidelijk; er waren zoowat vijftig man aan boord; ik

ontmoette hier een ouden kameraad van me, een zekeren Peter Williams,

die den kapitein een goed idee van mij gaf. Deze heer behandelde mij

minzaam en vroeg mij hem te vertellen waar ik 't laatst vandaan kwam

en waar ik heen wou, wat ik in een paar woorden deed; maar hij vond

dat ik ijlde en dat de gevaren, die ik ondergaan had, mijn hoofd

van streek hadden gemaakt, waarop ik mijn zwarte koeien en schapen

uit mijn zak nam, die, na groote verbazing, hem overtuigden van mijn

goede trouw. Ik toonde hem toen het goud, dat de Keizer van Blefuscu

mij gegeven had, het levensgroote portret van Zijne Majesteit en een

paar andere bijzonderheden van dit land. Ik gaf hem twee zakken met

tweehonderd sprugs elk en beloofde hem als we in Engeland aankwamen,

een koe en een schaap present te doen.

Ik zal den lezer niet lastig vallen met een nauwkeurig verslag van

deze reis, die grootendeels zeer voorspoedig was. We bereikten de

Duyns den 13den April 1702. Ik had maar éen ongelukje, namelijk dat

de ratten aan boord een van mijn schapen weghaalden. Ik vond zijn

beenderen in een gat, met het vleesch kaal er afgekloven, de rest

van mijn vee bracht ik veilig aan land en liet het grazen in een

kolfveld te Steenwich, waar ze grif aanvielen op het gras dat daar

heel fijn was, wat ik eerst had gevreesd dat ze niet doen zouden;

ik zou ze onmogelijk op zoo'n lange reis hebben kunnen in 't leven

houden als de kapitein mij niet een beetje van zijn beste beschuit

gegeven had, dat fijn gewreven en in water geweekt hun gedurig voer

was. Den korten tijd, dien ik in Engeland doorbracht, maakte ik geen

onbelangrijke winst door mijn vee te laten kijken aan personen van

stand en aan anderen: en voor ik mijn tweede reis begon, verkocht ik

het voor zeshonderd pond. Bij mijn laatste wederkomst vond ik het

ras belangrijk toegenomen, voornamelijk de schapen, die, zooals ik

hoop, veel zullen bijbrengen tot verbetering van de wolmanufactuur,

door de fijnheid van de vliezen.

Ik bleef twee maanden bij mijn vrouw en huisgezin, want mijn

onverzadigbaar verlangen om vreemde landen te zien, liet me niet

langer met rust. Ik liet vijftienhonderd pond bij mijn vrouw achter

en zette haar in een goed huis te Redriff. Mijn overige bezitting nam

ik met me, deels in geld, deels in goederen, in de hoop mijn fortuin

te vermeerderen. Mijn oudste oom John had me een bezitting in land

nagelaten, bij Epping, van zoowat dertig pond 's jaars; en ik had een

lange pacht aan de Black Bull in Fetter Lane, die nog eens evenveel

opbracht, zoodat ik niet meer in gevaar was mijn gezin op de gemeente

te laten aankomen. Mijn zoon Johnny, die zoo heette naar zijn oom,

was op de gemeenteschool en een vlug kind. Mijn dochter Betty (die nu

goed getrouwd is en kinderen heeft) was toen aan haar naaiwerk. Ik nam

afscheid van mijn vrouw en jongen en meisje, met tranen van weerszijden

en ging aan boord van de Adventure, een koopvaarder van driehonderd

ton, met bestemming naar Surat, gezagvoerder kapitein John Nicholas,

van Liverpool; maar mijn verhaal van deze reis stel ik uit tot het

tweede deel van mijn reizen.

TWEEDE DEEL.

EEN REIS NAAR BROBDINGNAG.

EERSTE HOOFDSTUK.

Een hevige storm; de sloep wordt uitgezonden om water te halen; de

schrijver gaat mee om het land op te nemen; hij wordt op de kust

achtergelaten; gegrepen door een van de inboorlingen en naar een

boerenwoning gevoerd; zijn ontvangst daar, met de verschillende

dingen die hem daar overkwamen; een beschrijving van de inwoners.

Door de natuur en het noodlot tot een bezig en rusteloos leven

veroordeeld, verliet ik twee maanden na mijn wederkomst, opnieuw mijn

vaderland, en ging scheep in de Duyns, op den 20sten Juni 1702, in

de Adventure, gezagvoerder kapitein John Nicholas, van Corn-Wales,

met bestemming naar Surat. We hadden een zeer voordeeligen wind

tot we aan de Kaap de Goede Hoop kwamen, waar we ankerden om water

in te nemen, maar daar we een lek ontdekten, ontscheepten we onze

goederen en bleven er overwinteren; en doordat de kapitein een aanval

van jicht kreeg, konden wij de Kaap niet verlaten voor het eind van

Maart; wij gingen toen onder zeil en hadden een goede reis totdat we

de straat van Madagaskar doorgingen; maar toen wij ten Noorden van

dat eiland gekomen waren, en op ongeveer vijf graden zuiderbreedte,

begon de wind, die, zooals men heeft opgemerkt, in die zeeën van het

begin December tot het begin van Mei geregeld uit den hoek tusschen

het Noorden en Westen waait, heviger op te zetten en meer uit het

Westen dan gewoonlijk, en bleef zoo twintig dagen achter elkaar, in

welken tijd wij een beetje ten Oosten van de Molucca-eilanden werden

gedreven, en ongeveer drie graden ten Noorden van den Evenaar, naar

de waarnemingen die de kapitein deed op den 2den Mei, toen de wind

ophield en er een volledige kalmte intrad, waarover ik niet weinig

blij was. Maar, hij die goed ervaren was in de scheepvaart in die

zeeën, zeide ons, allen gereed te zijn voor een storm, die dan ook

den volgenden dag opkwam; want de zuidelijke wind, de Zuid-mousson

genaamd, begon te waaien en zwol spoedig aan tot een orkaan.

Tijdens dezen storm, die gevolgd werd door een zwaren wind W.Z.W.,

werden wij, naar mijn berekening, ongeveer vijfhonderd mijlen

oostwaarts gedreven, zoodat de oudste matroos aan boord niet zeggen kon

in welk deel van de wereld wij waren. Onze levensmiddelen hielden het

wel uit, ons schip was stevig en onze bemanning gezond, maar wij lagen

in den uitersten nood van water: wij oordeelden het best in dezelfde

richting voort te zeilen, liever dan ons meer Noordwaarts te wenden,

waardoor we in de noordwestelijke deelen van Noord-Tartarije en in

de IJszee zouden zijn verdwaald.

Den 16den Juni 1703 bespeurde een jongen in den topmast land. Den

17den kwamen we in 't onmiddellijk gezicht van een groot eiland of

vasteland (want we wisten niet welk van beide), ten Zuiden waarvan

een kleine punt of landengte in zee uitstak, en een kreek was, te

ondiep om een schip van meer dan 100 ton toe te laten. Wij wierpen

het anker uit binnen een mijl van deze kreek, en onze kapitein zond

een dozijn van zijne mannen, goed gewapend in de sloep, met vaten om

water in te halen, als zij dat vinden konden. Ik verzocht verlof met

hen te gaan, opdat ik het land zien mocht en kijken wat ontdekkingen

ik doen kon. Toen wij aan land kwamen zagen wij geen rivier of bron,

noch eenig teeken van inwoners. Ons volk liep daarom de kust op

om versch water te vinden dicht bij de zee, en ik wandelde alleen

zoowat een mijl naar den anderen kant, waar ik zag dat het land kaal

en rotsig was. Ik begon nu vermoeid te worden, en niets ziende dat

mijn belangstelling gaande hield, ging ik zachtjes aan terug naar

de kreek, waar ik, daar de zee vlak voor me open lag, ons volk al

weer in de boot zag en zoo hard mogelijk naar schip roeien. Ik wou ze

juist achterna roepen, ofschoon het toch weinig zou geholpen hebben,

toen ik een reusachtigen man-mensch gewaar werd, die hen zoo snel hij

kon achtervolgde in zee: hij waadde niet veel dieper dan zijn knieën

en nam ontzaglijke stappen, maar ons volk was hem een halve mijl

vooruit, en daar de zee daaromtrent vol scherppuntige rotsen was,

kon het monster de boot niet inhalen. Dit werd mij later verteld,

want ik dorst niet daar blijven om den afloop van dit avontuur te

zien, en liep zoo hard ik kon den weg terug waar ik vandaan kwam

en beklom toen een steilen heuvel, vanwaar ik het land eenigszins

overzien kon. Ik bevond dat het overal bebouwd was; maar wat mij in

't eerst verraste was de lengte van het gras, dat in die vakken,

die voor hooien bestemd schenen, meer dan twintig voet hoog stond.

Ik raakte op een heerweg, want daar hield ik het voor, ofschoon het

den inwoners alleen voor voetpad tusschen een korenveld diende. Hier

wandelde ik een poosje door, maar kon aan weerszijde bijna niets zien,

want daar het nu bijna oogsttijd was, stond het koren minstens veertig

voet hoog. Na een uur wandelens kwam ik aan het eind van dit veld, dat

omhaagd was met palen van minstens honderdtwintig voet, en de boomen

waren zoo hoog, dat ik ze niet schatten kon. Er was een overloop om

van het eene veld in het andere te komen. Die had vier treden en een

steen, dien men over moest stappen als men op de hoogte kwam. Het was

onmogelijk voor mij dien overloop te beklimmen, want iedere trede

was zes voet hoog, en de steen er op meer dan twintig. Ik trachtte

een opening in de heg te vinden, toen ik in het naaste veld een van

de inwoners naar den overloop zag toekomen, van dezelfde grootte als

die ik in zee onze boot had zien vervolgen. Hij leek zoo hoog als een

gewone kerktoren en nam stappen naar schatting van ongeveer tien el;

ik was in de uiterste vrees en ontsteltenis, en liep om me in het

graan te verschuilen, vanwaar ik hem, op den top van den overloop

staande, naar het veld rechts ernaast zag kijken, en ik hoorde hem

roepen met een stem heel wat luider dan een spreektrompet; maar dit

geluid was zoo hoog in de lucht, dat ik in het eerst dacht dat het

donderde; waarop zeven monsters van zijn soort naar hem toekwamen

met sikkels in hun handen, iedere sikkel zoowat van de grootte van

zes zeisen. Deze lieden waren niet zoo goed gekleed als de eerste,

wiens knechts of arbeiders zij leken; want, ingevolge een paar

woorden die hij hun zei, gingen ze het koren afmaaien in het veld,

waar ik in lag. Ik bleef zoo ver mogelijk van hen vandaan, maar kon

niet dan met de grootste moeite voortkomen, want de halmen stonden

soms niet meer dan een voet van elkaar af, zoodat ik nauwelijks mijn

lichaam er tusschen door kon wringen.

Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag · 第 5 / 12 段