stand in veel opzichten juist als de jongens opgevoed, alleen worden
zij gekleed door vaste bedienden van hun eigen geslacht; maar altijd
in tegenwoordigheid van een professor of onder-leeraar, totdat zij
in staat zijn zichzelf te kleeden, wat op hun vijfde jaar is. En als
het ooit uitkomt, dat die bedienden het wagen de meisjes te vermaken
met vreeselijke of onzinnige vertelsels, of met de gebruikelijke
dwazigheden van kamermeisjes bij ons, dan worden zij driemaal in 't
openbaar rond de stad gegeeseld, krijgen een jaar gevangenisstraf, en
worden voor hun leven verbannen naar het meest verlaten gedeelte van
het rijk. Zoodoende schamen de jonge dames zich even erg lafaards en
dwazen te zijn als de mannen, en verachten alle lichaamsversieringen,
behalve ordentelijkheid en zindelijkheid; ook bespeurde ik geen
verschil in hun opvoeding, om het verschil van geslacht, alleen waren
de lichaamsoefeningen van de meisjes minder inspannend dan die van
de knapen, en leerden ze het een en ander van de huishouding meer,
en een hoeveelheid algemeene wetenschap minder; maar toch ook niet
heelemaal geen wetenschap, want hun stelregel is, dat de vrouw van
stand, daar ze toch niet altijd jong kan wezen, tenminste altijd
een redelijke en aangename gezellin moet kunnen zijn. Als de meisjes
twaalf jaar oud zijn, dat bij dit volk de huwbare leeftijd is, nemen
hun ouders of voogden hen thuis, met innige dankbaarheidsbetuigingen
aan de professoren en zelden zonder tranen van de jonge dame en haar
vriendinnen en kameraadjes.
In de opvoedingsgestichten voor meisjes van minderen stand, worden de
kinderen onderwezen in alle soorten van werk dat voor vrouwen geschikt
is, ook weer elk naar zijn toekomstige plaats in de maatschappij:
die bestemd zijn leerling te worden gaan eruit als ze zeven jaar oud
zijn; de overige blijven tot hun elfde.
De min-gefortuneerde familiën, die kinderen in deze gestichten hebben,
zijn verplicht, behalve hun jaarlijksche kostgeld, dat zoo laag
mogelijk is, den directeur van de inrichting een klein maandelijksch
deel van hun verdiensten af te staan tot een toekomstig inkomen voor
het kind; en daartoe worden alle ouders door de wet in hun uitgaven
beperkt. Want de Lilliputters achten niets onrechtvaardiger, dan dat
er menschen zijn, die kinderen ter wereld brengen, en den last van
hun onderhoud op de openbare kas schuiven. Personen van stand geven
vastigheid voor een zekere som voor ieder kind, naar hun vermogen; en
deze fondsen worden altijd zorgvuldig en met de meeste rechtvaardigheid
bestuurd.
De landbouwers, boeren en arbeiders houden hun kinderen thuis, daar
die niets anders zullen hebben te doen dan den grond te bewerken en te
bebouwen en hun opvoeding dus van weinig belang is voor het publiek;
maar hun ouden en gebrekkigen worden onderhouden in gasthuizen;
want bedelen is een beroep dat men in dat rijk niet kent.
En hier zal het den nieuwsgierigen lezer misschien vermaken iets te
hooren van mijn huishouding en mijn levenswijze in dat land, waar ik
negen maanden en dertien dagen geweest ben. Daar mijn hoofd van nature
staat naar knutselen, en het hier bovendien wel noodzakelijk was, had
ik me een tamelijk makkelijke stoel en tafel gemaakt, van de grootste
boomen van 't Keizerlijk park. Tweehonderd naaisters waren aangesteld
om overtrekken en lakens voor mijn bed en tafel te naaien, allemaal
van de sterkste en grofste soort goed die er te krijgen was, dat ze,
nochtans, genoodzaakt waren verscheiden keeren over elkaar te vouwen,
want het dikste was een paar soorten fijner dan mousseline. Hun linnen
is meestal drie duim breed, en een stuk is drie voet. De naaisters
namen mij de maat, terwijl ik op den grond lag, een staande bij mijn
nek, en een andere bij mijn bovenbeen, met een sterk touw, waarvan ze
de uiteinden vasthielden, terwijl een derde de lengte mat van het touw
met een lineaal van een duim lang. Toen maten zij mijn rechter duim,
en hadden meer niet noodig, want door een wiskundige berekening, dat
tweemaal om den duim is eenmaal om den pols, en zoo door tot nek en
middel, en met behulp van mijn oude hemd, dat ik als model voor hen
uitspreidde op den grond, hadden zij precies mijn maat. Driehonderd
kleermakers waren op dezelfde manier aan 't werk om mij kleeren te
maken; maar zij hadden een ander hulpmiddel om mij de maat te nemen. Ik
knielde neer, en zij zetten een ladder van den grond tot mijn nek;
een van hen klom daartegen op, en liet een schietlood vallen, van mijn
halsboord tot den vloer, wat juist de lengte van mijn jas aangaf, maar
mijn middel en armen mat ik zelf. Toen mijn kleeren gemaakt waren, wat
in mijn huis gebeurde (want de grootste van hun huizen zouden niet in
staat zijn geweest ze te bevatten) zagen ze eruit als het lapjeswerk,
dat de dames in Engeland werken, behalve dat ze van één kleur waren.
Ik had driehonderd koks, om mijn eten te bereiden, in kleine,
geriefelijke hutjes om mijn huis heen, waar ze woonden met hun families
en mij elk twee schotels klaarmaakten. Ik nam twintig knechts in mijn
hand, en zette ze op tafel; honderd anderen stonden onder op den grond,
een afdeeling met schotels spijs, een andere met vaten wijn en andere
dranken, op hun schouders geheschen; de knechts op tafel trokken dat
alles, naarmate ik noodig had, heel vernuftig omhoog, met koorden,
op de manier, waarop wij in Europa een aker uit een put ophalen. Een
schotel van hun spijs was een goede mondvol, en een vat van hun
drank een redelijke slok. Hun lamsvleesch is minder dan het onze,
maar hun ossenvleesch is uitstekend. Ik heb éen lende gehad, die ik
genoodzaakt was in drie happen op te eten; maar dat is zeldzaam. Mijn
bedienden waren verbaasd mij die te zien eten met been en al, zooals
wij bij ons het een leeuwriksboutje doen. Hun ganzen en kalkoenen at
ik gemeenlijk in een hap, en ik moet bekennen dat ze veel beter zijn
dan de onze. Van hun kleine gevogelte kon ik twintig of dertig op de
punt van mijn mes nemen.
Eens wenschte Zijne Keizerlijke Majesteit, ingelicht omtrent mijn
manier van leven, gezamenlijk met zijn gevolg, en de prinsen en
prinsessen van den bloede, het geluk te mogen hebben,--zooals het hem
wel behaagde dat te noemen,--met mij te tafelen. Zij kwamen dan ook, en
ik zette hen op hofstoelen, op mijn tafel, vlak tegenover me, met hun
wacht om hen heen. Flimnap, de Minister van Financiën, stond daar ook
bij met zijn witten staf; en ik zag wel dat hij dikwijls met een zuur
gezicht naar me keek, maar deed of ik dat niet merkte en at meer dan
gewoonlijk ter eere van mijn dierbaar geboorteland, en tot overgroote
verbazing van het hof. Ik heb mijn eigen redenen om te meenen, dat dit
bezoek van Zijne Majesteit Flimnap een goede gelegenheid gaf mij kwaad
te doen bij zijn meester. Die minister was altijd in 't geheim mijn
vijand geweest, schoon hij mij voor 't uiterlijk minzamer behandelde,
dan met zijn galachtige natuur overeenkwam. Hij stelde den Keizer
den slechten toestand voor van zijn schatkist; dat hij genoodzaakt
was geld op te nemen tegen hoogen interest; dat wisselbrieven niet
anders konden circuleeren dan tegen negen percent beneden pari; dat
ik, kortom, Zijne Majesteit meer dan anderhalf millioen sprugs (hun
grootste gouden munt, zoowat zoo groot als een lovertje) gekost had,
en dat het, over 't geheel, raadzaam voor den Keizer zijn zou bij de
eerste gelegenheid de beste van mij te worden verlost.
Hier acht ik mij verplicht den goeden naam te verdedigen van een
uitmuntende dame, die om mijnentwil onschuldig te lijden had. De
minister van financiën kreeg het in zijn hoofd jaloersch te worden op
zijn vrouw, waarvan kwaadaardige tongen hem verteld hadden dat hare
genade een hevige genegenheid voor mij had opgevat; en een tijdlang
liepen er praatjes door het hof van dat ze eens in 't geheim in
mijn woning geweest was. Ik verklaar plechtig dat dit een lage,
gemeene leugen is, die geen enkelen grond heeft, dan dat het hare
genade behaagde mij te behandelen met alle onschuldige blijken van
vriendschappelijke familiariteit. Ik geef toe dat ze dikwijls bij mij
aankwam, maar dat was altijd in 't openbaar, en nooit zonder nog wel
drie anderen in haar koets, gewoonlijk haar zusters en dochtertje
en de een of andere bizondere kennis; maar dat deden verscheiden
hofdames. En nu nog roep ik mijn bedienden tot getuigen, of ze ooit een
koets voor mijn deur zagen, zonder te weten wie erin waren. Bij zulke
gelegenheden was mijn gewoonte, als een bediende mij gewaarschuwd had,
onmiddellijk naar de deur te gaan, en, nadat ik mijn gasten gegroet
had, de koets met twee paarden heel zorgvuldig in mijn handen te nemen
(want als er zes paarden waren spande de postiljon er vier af), en
ze op de tafel te plaatsen, waar ik een lossen rand omheen had gezet,
van vijf duim hoog, ter voorkoming van ongelukken. En dikwijls heb ik
vier koetsen met span en al op mijn tafel gehad, allen vol gezelschap,
terwijl ik in mijn stoel zat met mijn gezicht voorover naar hen toe;
en terwijl ik bezig was met éen partij, reden de koetsiers de andere
zoetjes over de tafel rond. Menigen namiddag heb ik heel aangenaam met
bezoek krijgen en praten doorgebracht. Maar ik tart den minister van
financiën, of zijn twee berichtgevers (ik zal ze noemen, en laat ze
zien hoe ze zich eruit redden), Clustril en Drunlo, te bewijzen dat
ooit iemand bij me kwam incognito, behalve de secretaris Reldresal,
die kwam, door bizonderen last van Zijne Keizerlijke Majesteit, zooals
ik hiervoor verteld heb. Ik zou niet zoolang hebben uitgeweid over
deze bizonderheden, als het niet een zaak was, waarin de goede naam
van een groote dame zoo van nabij betrokken is, om nog niet eens te
spreken van den mijne; schoon ik toen de eer genoot nardac te zijn,
wat de minister van financiën niet is; want de heele wereld weet
dat hij maar een glumglum is, éen graad lager in rang, zooals een
markies éen graad lager is dan een hertog; al is 't waar dat hij het
recht van voorgang op mij had, van wege zijn ambt. Door deze valsche
beschuldigingen, die mij later door een toeval, dat het niet de moeite
waard is te vermelden, ter ooren kwam, keek Flimnap, de minister van
financiën, gedurende eenigen tijd zijn vrouw leelijk en mij leelijker
aan; en ofschoon hij ten laatste ontgoocheld en met haar verzoend werd,
verloor ik daar zijn gunst niet minder om, en zag mijn invloed snel
afnemen ook bij den Keizer, die inderdaad te zeer beheerscht werd
door dien gunsteling.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De schrijver vlucht, nadat hij gehoord heeft van een plan om
hem van hoogverraad aan te klagen, naar Blefuscu.--Hoe hij daar
ontvangen werd.
Voor ik voortga met te vertellen hoe ik dit rijk verlaten heb, zal
het niet onaardig zijn den lezer iets te zeggen van een hofintrige
tegen mij, die zich sinds twee maanden om mij heen had gevormd.
Ik was, tot toen toe, mijn heele leven onbekend met hoven geweest,
waar ik door mijn lage geboorte niet paste. Wel had ik genoeg gelezen
en gehoord van de humeurs van vorsten en ministers; maar nooit had
ik verwacht, die zoo verschrikkelijk aan 't werk te zullen zien in
zoo'n verwijderde landstreek, waar ik gemeend had dat naar heel andere
regels geregeerd werd dan in Europa.
Toen ik juist alles gereed maakte om mijn opwachting te gaan maken bij
den Keizer van Blefuscu, kwam een heer van rang van het hof, (wien ik
eens, toen hij bij den Keizer in de uiterste ongenade gevallen was,
van dienst was geweest) 's nachts in 't diepste geheim aan mijn huis,
in een gesloten draagstoel, en vroeg zonder zijn naam te zeggen, verlof
om binnen te komen. De dragers werden weggestuurd; ik stak den stoel
met Zijn Edelheid erin in mijn jaszak, en nadat ik een vertrouwden
dienaar last had gegeven te zeggen dat ik onwel was gaan slapen,
sloot ik de deur van mijn huis, zette den stoel op tafel, zooals ik
gewoon was, en ging ervoor zitten. Na de gebruikelijke begroetingen,
toen ik zag dat Zijn Edelheids gezicht groote bezorgdheid teekende
en de reden daarvan vroeg, verzocht hij mij met geduld te luisteren
naar een zaak die onmiddellijk betrof mijn eer en mijn leven. Hij zei
daarop ongeveer het volgende, want ik hield er aanteekening van zoodra
hij weg was: "Gij moet weten", zeide hij, "dat nu onlangs verscheidene
malen geheime raad over u is belegd; en eerst twee dagen geleden heeft
Zijne Majesteit een vast besluit genomen. Het zal u bekend zijn, dat
Skyresh Bolgolam (galbet, of opper-admiraal) bijna van uw aankomst af
uw doodsvijand is geweest. Zijn oorspronkelijke redenen daartoe weet
ik niet, maar zijn woede is erg toegenomen sinds uw groote onderneming
tegen Blefuscu, waardoor zijn roem als admiraal verduisterd werd. Deze
heer, in overleg met Flimnap, den minister van financiën, waarvan
het bekend is dat hij u haat vanwege die geruchten over zijn vrouw,
Limtoc, den generaal, Lalcon, den kamerheer en Palmuff, den minister
van Justitie, heeft een aanklacht tegen u opgesteld, wegens verraad
en andere halsmisdaden."
Deze voorrede maakte mij zoo ongeduldig, daar ik overtuigd was van
mijn onschuld en mijn verdiensten, dat ik hem wou in de rede vallen,
maar hij verzocht mij bedaard te zijn, en ging voort als volgt:
"Uit dankbaarheid voor de diensten, die gij mij bewezen hebt,
verschafte ik mij inlichtingen over den heelen loop der zaak, en een
afschrift van de punten van beschuldiging, waardoor ik, om uwentwil,
mijn hoofd op 't spel zette.
Punten van Beschuldiging tegen Quinbus Flestrin, den Man-berg.
"1e. Dat de genoemde Quinbus Flestrin, toen hij de keizerlijke vloot
van Blefuscu in de haven gebracht had, en daarna bevel kreeg van Zijne
Keizerlijke Majesteit al de andere schepen van het genoemde rijk van
Blefuscu te vermeesteren, en dat rijk tot een provincie te maken,
die voortaan door een onderkoning zou worden bestuurd, en te dooden
en uit te roeien niet enkel de uitgeweken stomp-punters, maar ook
een iegelijk in dat rijk, die niet onmiddellijk de stomp-puntersche
ketterij zou afzweren; dat hij, de voornoemde Flestrin, toen, als
een valsch verrader van Zijne goedgunstige, verheven, Keizerlijke
Majesteit verzocht van dien dienst verschoond te worden, bewerende
ongeneigd te zijn de gewetens te dwingen, of de vrijheid en het leven
te verwoesten van een onschuldig volk.
"2e. Dat, toen zekere gezanten kwamen van het hof van Blefuscu, om den
vrede af te smeeken van Zijne Majesteit, hij, de meergenoemde Flestrin,
als een valsch verrader, bovengenoemde gezanten hielp, schadeloos
stelde, troostte en vermaakte, ofschoon hij wist, dat ze dienaars
waren van een vorst, die eerst onlangs in open vijandschap leefde met
zijne Keizerlijke Majesteit en in open oorlog was met Zijne Majesteit.
"3e. Dat de meergenoemde Quinbus Flestrin, in strijd met de plichten
van een trouw onderdaan, zich nu gereedmaakt een reis te doen naar
het hof en rijk van Blefuscu, waartoe hij alleen voor den vorm verlof
heeft ontvangen van Zijne Keizerlijke Majesteit, en onder beschutting
van dat verlof, valschelijk en verraderlijk bedoelt de genoemde reis
te doen, en daardoor te helpen te troosten en schadeloos te stellen
den Keizer van Blefuscu, pas onlangs een vijand, in open oorlog met
Zijne Keizerlijke Majesteit, vorengenoemd."
"Er zijn nog een paar andere punten; maar deze, waarvan ik u een
uittreksel voorgelezen heb, zijn de belangrijkste.
"In de menigvuldige debatten over deze beschuldiging gehouden,
moet ik bekennen, dat Zijne Majesteit menig blijk gaf van zijne
groote zachtaardigheid; herhaaldelijk wijzende op de diensten, die
gij hem bewezen hebt, en trachtende uw misdaden te vergoêlijken. De
minister van finantiën en de admiraal drongen er op aan, dat gij op de
pijnlijkste en meest onteerende manier ter dood zoudt worden gebracht,
door uw huis 's nachts in brand te steken, terwijl de generaal met
twintigduizend man, gewapend met vergiftigde pijlen er omheen zou
staan, om u in 't gezicht en de handen te schieten. Eenige van uw
bedienden zouden geheime orders krijgen, om een giftig sap op uw handen
te sprenkelen, waardoor ge uw vleesch in stukken zoudt scheuren en in
de hevigste martelingen sterven. De generaal liet zich óók tot die
meening overhalen, zoodat er geruimen tijd een meerderheid tegen u
was; maar Zijne Majesteit, die besloten had, zoo mogelijk, uw leven
te sparen, kreeg eindelijk den kamerheer op zijn zij.
"Reldresal, den eersten geheimschrijver, die zich altijd uw waren
vriend bewees, werd door den Keizer bevolen zijn meening hierover uit
te spreken, wat hij dienvolgens deed; en daarmede de goede gedachten,
die gij van hem hebt, rechtvaardigde. Hij gaf toe, dat uw misdaden
groot waren, maar dat er nog gelegenheid voor genade overbleef, die
de meest prijzenswaardige deugd in een vorst is, en waarvoor Zijne
Majesteit zoo ten rechte wordt geroemd. Hij zei, dat de vriendschap
tusschen u en hem aan de wereld zóo wel bekend was, dat de zeer geachte
raad hem misschien voor partijdig zou houden; maar dat hij toch,
gehoorzaam aan het bevel, dat hem gegeven was, vrij uit zijn gevoelens
zou uitspreken. Dat, indien het Zijne Majesteit, in aanmerking nemende
uw diensten, en gehoor gevende aan zijn eigen behoefte tot genadig
zijn, behagen mocht uw leven te sparen, en alleen te bevelen, dat uw
oogen zouden worden uitgestoken, hij onderdaniglijk geloofde, dat,
door dit middel, aan de gerechtigheid eenigszins voldaan zou zijn,
en de geheele wereld de lankmoedigheid van den Keizer zou toejuichen,
zoowel als de billijke en edelmoedige handelwijze van hen, die de eer
hebben zijn raadslieden te zijn. Dat het verlies van uw oogen geen
vermindering van uw lichaamskracht zou veroorzaken, waardoor gij zijne
majesteit nog van veel nut zoudt kunnen zijn; dat blindheid den moed
verhoogt, omdat ze de gevaren onzichtbaar maakt; dat de vrees, die ge
voor uw oogen hadt, uw grootste belemmering was bij het overbrengen van
de vijandelijke vloot; en het voldoende voor u zijn zou te zien door de
oogen van de ministers, daar toch de grootste vorsten niet anders doen.
"Dit voorstel werd door den heelen raad met de grootste afkeuring
ontvangen. Bolgolam, de admiraal, kon zich niet inhouden, maar zei,
woedend opvliegend, dat hij zich verbaasde erover, dat de secretaris
het wagen dorst als zijn meening te uiten, dat het leven van een
verrader moest behouden worden, dat de diensten, die gij bewezen hadt,
juist, zooals men altijd in het staatsrecht begrepen had, uw misdaden
te ernstiger maakten; dat dezelfde kracht, die u in staat stelde de
vijandelijke vloot hierheen te brengen, bij het minste ongenoegen,
u van dienst zou zijn om haar weer terug te brengen; dat hij goede
redenen had om aan te nemen, dat gij in uw hart een stomp-punter waart,
en daar verraad in het hart begint, voor het uitkomt in open daden,
beschuldigde hij u dáarom van verraad, en drong dáarom aan op uw dood.
"De minister van financiën was van dezelfde meening. Hij toonde aan,
hoe Zijner Majesteits schatkist was uitgeput door de kosten van uw
onderhoud, dat spoedig ondragelijk worden zou; dat het voorstel van
den secretaris, om uw oogen uit te steken, zoo weinig een middel
tegen dit kwaad was, dat het er waarschijnlijk door zou toenemen,
zooals duidelijk blijkt uit de gewoonte sommige soorten vogels blind
te maken, waarna zij meer eten en gauw vet worden; dat Zijne Gezalfde
Majesteit en de raad, die uw rechters zijn, in hun harten volkomen
overtuigd waren van uw misdaad, wat een voldoende reden was om u ter
dood te veroordeelen, zonder de vormelijke bewijzen, geëischt door
de letter van de wet.
"Maar het behaagde Zijne Keizerlijke Majesteit, die sterk tegen het
zoo streng mogelijk straffen gekant was, genadiglijk te doen opmerken,
dat daar de raad het verlies van uw oogen een te lichte bestraffing
vond, er altijd later nog een andere aan kon toegevoegd worden. En
uw vriend de Secretaris, onderdaniglijk verzoekende nog eens gehoord
te worden, zeide, in antwoord op wat de minister van finantiën hem
had tegengeworpen, betreffende de groote kosten, die Zijne Majesteit
maken moest voor uw onderhoud, dat Zijne Excellentie, die de volle
beschikking had over de keizerlijke inkomsten, makkelijk tegen dat
kwaad zou kunnen voorzien, door gaandeweg uw toelagen te verminderen,
waardoor ge, bij gebrek aan voedsel, niet waar? zwak en flauw zoudt
worden, en uw eetlust verliezen, en, dientengevolge, op- en wegteren
in een paar maanden. Dat had meteen het voordeel in, dat de stank
van uw lijk niet zoo gevaarlijk zou wezen; en onmiddellijk na uw
dood, zouden vijf of zesduizend van Zijner Majesteits onderdanen,
in twee of drie dagen, uw vleesch van de beenderen kunnen snijden,
en het wegvoeren in karvrachten, begraven in verschillende deelen van
't land, om besmetting te voorkomen, terwijl dan uw geraamte als een
bewonderenswaardig gedenkteeken over zou blijven voor het nageslacht.
"Zoo werd, door de groote vriendschap van den Secretaris, de heele
zaak geschikt. Er werd bepaald dat het plan om u gaandeweg dood te
hongeren, strikt geheim zou worden gehouden, maar het vonnis om uw
oogen uit te steken werd in de boeken opgenomen; terwijl niemand tegen
was dan Bolgolam, de admiraal, die als een kreatuur van de keizerin,
voortdurend door hare Majesteit werd aangespoord om op uw dood aan
te dringen.
"Binnen drie dagen zal uw vriend de secretaris bevel krijgen naar
uw huis te gaan en u de punten van beschuldiging voor te lezen en
u de groote lankmoedigheid en goedgunstigheid van Zijne Majesteit
en den raad te doen opmerken, waardoor gij alleen tot verlies van uw
oogen zijt veroordeeld, wat Zijne Majesteit niet twijfelt of gij zult
het dankbaar en onderdanig willen ondergaan; en twintig van Zijner
Majesteits doktoren zullen tegenwoordig zijn, ten einde te zorgen,
dat de bewerking goed wordt uitgevoerd, door zeer scherppuntige pijlen
in uw oogballen te schieten, terwijl gij op den grond ligt.
"Ik laat aan uwe eigen voorzichtigheid over wat maatregelen gij nemen
wilt, en om achterdocht te vermijden, moet ik nu dadelijk terugkeeren,
even heimelijk als ik gekomen ben."
Zijne edelheid ging; en ik bleef alleen, met een gemoed vol twijfel
en verontrustheid.
Het was een gebruik, door dezen vorst en zijn ministers ingevoerd--heel
verschillend, naar men verzekerd heeft, van vroegere gebruiken--dat,
nadat het hof een of andere wreede straf had uitgesproken, om te
voldoen hetzij aan den toorn des Keizers, hetzij aan de boosaardigheid
van een gunsteling, de Keizer in de raadsvergadering een rede hield,
waarin hij sprak van zijn groote teerheid en lankmoedigheid,
als eigenschappen, waarom hij door de heele wereld bekend was
en werd geroemd. Deze rede werd onmiddellijk door het heele rijk
openbaar gemaakt; en er was niets dat het volk zoo bang maakte,
als die lofspraken op Zijner Majesteits barmhartigheid, omdat men
had opgemerkt, dat hoe breeder die loftuitingen werden uitgemeten,
en hoe nadrukkelijker voorgedragen, hoe onmenschelijker de straf was
en hoe onschuldiger de lijdende partij. En wat mij betreft, ik moet
bekennen, ik die nooit voor hoveling bestemd was, door geboorte
zoo min als door opvoeding, ik kon zoo slecht over die hofzaken
oordeelen, dat ik de lankmoedigheid en genadigheid van dit vonnis
maar niet ontdekken kon, en het, misschien geheel ten onrechte,
eerder streng vond dan licht. Een paar oogenblikken dacht ik er
aan de aanklacht af te wachten; want ofschoon ik de feiten in de
verschillende punten genoemd, niet loochenen kon, hoopte ik toch dat
zij ietwat gunstiger zouden kunnen worden voorgesteld. Maar, daar ik
vroeger heel wat staats-processen gelezen had, waarvan ik altijd had
opgemerkt, dat ze eindigden zooals den rechters het best uitkwam,
dorst ik op zoo'n gevaarlijk voornemen niet aan, nu mijn zaak zoo
kritiek stond, en ik zulke machtige vijanden tegenover me had. Ik
dacht er sterk over weerstand te bieden; want zoolang ik vrij was,
kon de heele macht van dit rijk mij nauwlijks onder krijgen, en ik
zou makkelijk de hoofdstad tot flenters kunnen steenigen; maar ik
wierp dat denkbeeld met afschuw van me, toen ik dacht aan den eed,
dien ik den Keizer gedaan had, aan de gunsten die hij mij bewezen
had en aan den titel van Nardac, waarmee hij mij had vereerd. Ook had
ik nog niet zoo gauw de hovelingen-dankbaarheid geleerd, die mij zou
overreed hebben dat de tegenwoordige wreedheden van Zijne Majesteit
mij onthieven van alle vroegere verplichtingen.