van Lilliput, waarvan het alleen gescheiden is door een kanaal van
achthonderd el breed. Ik had het nog niet gezien, en na dit bericht van
voorgenomen inval vermeed ik mij aan die zij van de kust te vertoonen,
uit vrees bespeurd te worden door een of ander schip van den vijand,
die nog niet van mijn aanwezigheid verwittigd was, omdat gedurende den
oorlog alle verkeer tusschen de twee rijken op doodstraf verboden en
door onzen Keizer een embargo op alle schepen was gelegd. Ik deelde
Zijne Majesteit een plan mede dat ik gemaakt had, om met één slag de
heele vijandelijke vloot te vermeesteren, die, zooals onze voorposten
ons verzekerden, in de haven voor anker lag, klaar om met den eersten
gunstigen wind uit te zeilen. Ik raadpleegde de meest ervaren zeelui
over de diepte van het kanaal, dat ze dikwijls gepeild hadden; die
mij vertelden dat het in 't midden bij hoog water zeventig glumgluffs
diep was, wat zoowat zes voet Europeesche maat is; en voor 't overige
vijftig glumgluffs op zijn hoogst. Ik wandelde naar de noord-oostkust,
vlak tegenover Blefuscu, en achter een heuveltje liggende haalde ik
mijn kleinen zak-verrekijker uit en nam de vijandelijke vloot waar
voor anker, bestaande uit ongeveer vijftig oorlogsschepen en een
groot aantal transportschepen; toen ging ik terug naar mijn huis,
en gaf bevel (waarvoor ik volmacht had) mij een groote hoeveelheid
van het sterkste kabeltouw en ijzeren staven te leveren. Het kabeltouw
was ongeveer zoo dik als pakgaren, en de staven van de lengte en dikte
van een breinaald. Ik vlocht, om het sterker te maken, die touwen door
elkaar, en boog met hetzelfde doel drie ijzeren staven ineen, waarvan
ik de uiteinden tot een haak boog. Nadat ik zoo vijftig haken aan
evenveel kabels bevestigd had, ging ik terug naar de noord-oostkust,
en nadat ik mijn jas, schoenen en kousen uitgedaan had, wandelde
ik in zee, in mijn leeren wambuis, zoowat een half uur voor hoog
water. Ik waadde zoo gauw ik kon, en zwom in het midden nagenoeg
dertig el, tot ik grond voelde. Ik bereikte de vloot in minder dan
een half uur. De vijanden waren zoo verschrikt toen zij mij zagen,
dat zij uit hun schepen sprongen, en naar de kust zwommen, waar er
niet minder dan dertigduizend bij elkaar konden zijn; toen nam ik mijn
touwwerk, en een haak vastmakende aan het gat van elken voorsteven,
bond ik de koorden aan het uiteinde bij elkaar. Terwijl ik zoo bezig
was, schoot de vijand verscheiden duizenden pijlen af, waarvan vele
in mijn handen en gezicht bleven steken, en mij, behalve dat ze mij
bitter pijn deden, erg in mijn werk hinderden. Het meest vreesde ik
voor mijn oogen, die ik onfeilbaar zou verloren hebben, als ik niet
plotseling aan een hulpmiddel gedacht had. Ik had onder andere kleine
benoodigdheden, een bril in een geheim zakje, dat, zooals ik hiervoor
vertelde, door de keizerlijke nazoekers niet was opgemerkt. Dien
haalde ik voor den dag, en zette hem zoo vast ik kon op mijn neus,
en ging, zoo gewapend, stoutmoedig met mijn werk voort, in spijt van
de vijandelijke pijlen, waarvan menigeen tegen de glazen van mijn
bril aansloeg, maar zonder andere uitwerking dan dat mijn bril er een
klein beetje schuin van ging staan. Ik had nu al de haken aangehecht,
en begon, met den knoop in mijn hand, te trekken; maar geen schip
wou van zijn plaats, omdat ze allemaal te vast aan hun ankers lagen,
zoodat het ergste deel van mijn onderneming nog overbleef. Ik liet
daarom het touw los, en terwijl ik de haken aan de schepen vast liet,
sneed ik vastberaden met mijn mes de ankertouwen door, waarbij ik
ongeveer tweehonderd schoten in mijn gezicht en handen kreeg; toen
nam ik het bij elkaar geknoopte uiteinde van de touwen, waar mijn
haken aan vastgemaakt waren, en trok dood op mijn gemak vijftig van
des vijands grootste oorlogsschepen achter me aan.
De Blefuscudianen, die niet het minste begrip hadden van wat ik ging
doen, waren in 't eerst kapot van verbazing. Zij hadden mij de touwen
zien doorsnijden en dachten, dat het alleen maar mijn plan was de
schepen te laten afdrijven, of op elkaar loopen; maar toen zij de
heele vloot in goede orde zagen voortbewegen, en mij trekken aan
't eind, stieten zij zulk een kreet uit van smart en wanhoop, dat
het bijna onmogelijk is hem te beschrijven of te verbeelden. Toen
ik buiten gevaar was, hield ik een poos stil om de pijlen uit te
trekken, die in mijn handen en gezicht staken, en wreef er een beetje
van dezelfde zalf op, die mij bij mijn eerste aankomst gegeven was,
zooals ik vroeger verteld heb. Toen nam ik mijn bril af en nadat ik
een uur ongeveer gewacht had tot het tij een beetje verloopen was,
waadde ik met mijn buit door en bereikte veilig de Keizerlijke haven
van Lilliput.
De Keizer en zijn heele hof stonden aan het strand, in afwachting
van den uitslag van dit groote waagstuk. Zij zagen de schepen in een
breede halve maan voortbewegen, maar konden mij niet onderscheiden,
omdat ik tot de borst in het water was. Toen ik tot het midden van
het kanaal gekomen was, waren zij in nog grooter benauwdheid, omdat
ik onder water was tot mijn hals. De Keizer begon te gelooven dat
ik verdronken was, en dat de vijandelijke vloot met oorlogzuchtige
bedoelingen naderde; maar hij werd spoedig van zijn angst verlost;
want het kanaal, bij iederen stap dien ik deed, ondieper wordende,
kwam ik binnenkort dicht genoeg bij om mij verstaanbaar te maken en
riep, het uiteinde van het touw, waar de vloot aan was vastgemaakt,
omhoog houdende, met luide stem: Lang leve de zeer machtige Keizer
van Lilliput! Deze groote vorst ontving mij bij mijn landing met
alle mogelijke loftuitingen, en maakte mij op de plaats tot nardac,
wat het hoogste eerambt onder hen is.
Zijne Majesteit verlangde dat ik van een volgende gelegenheid gebruik
zou maken om ook de rest van de vijandelijke schepen in zijn havens
te sleepen. En zoo mateloos is de eerzucht van vorsten, dat hij niets
minder scheen in den zin te hebben dan het heele rijk Blefuscu in een
provincie te veranderen en het te doen besturen door een onderkoning,
de uitgeweken stomp-punters uit te roeien, en dat volk te noodzaken
hun eieren bij de spitse punt open te breken, en zoo de eenige vorst
van de heele wereld te zijn. Maar ik trachtte hem van dit plan af te
brengen, door allerlei argumenten, zoowel aan de politiek als aan
de rechtvaardigheid ontleend; ik verklaarde ronduit dat ik nooit
mij zou laten gebruiken als werktuig om een vrij en dapper volk in
slavernij te brengen. En toen de zaak in den raad besproken werd,
was het wijste deel van den ministerraad van mijne meening.
Deze open stoutmoedige verklaring van mij was zoo tegengesteld aan
de plannen en de politiek van Zijne Keizerlijke Majesteit, dat hij ze
mij nooit vergeven kon. Hij zinspeelde er bedektelijk op in den raad,
waar, zooals men mij zei, sommige van de wijsten, door hun stilzwijgen,
ten minste schenen mij gelijk te geven, maar anderen, die mijn geheime
vijanden waren, konden eenige uitdrukkingen niet weerhouden, die langs
een omweg tot mij over werden gebracht. En van dien tijd aan begon een
samenspanning van Zijne Majesteit met eenige van zijn ministers, met
kwaadaardig opzet tegen mij, die in minder dan twee maanden uitbrak en
bijna met mijn volkomen ondergang geëindigd was. Van zoo klein gewicht
zijn de grootste diensten, vorsten bewezen, als ze in de schaal gelegd
worden tegenover een weigering om hun hartstochten te bevredigen.
Ongeveer drie weken na deze heldendaad kwam er een plechtig gezantschap
aan van Blefuscu, met nederig verzoek om den vrede, die spoedig
geteekend werd op voor onzen Keizer zeer voordeelige voorwaarden,
waarmee ik den lezer niet zal lastig vallen. Er waren zes gezanten,
met een gevolg van ongeveer vijfhonderd personen, en hun inkomst was
zeer prachtig, zooals het de grootheid van hun meester en het gewicht
van hun zending paste. Toen de onderhandelingen waren afgeloopen,
waarbij ik hun menigen goeden dienst deed door den invloed, dien ik
nu had, of ten minste scheen te hebben, aan 't hof, brachten hunne
Excellenties, die in 't geheim onderricht waren hoezeer ik hun
vriend geweest was, mij een formeel bezoek. Zij begonnen met veel
komplimenten over mijn dapperheid en edelmoedigheid, noodigden mij in
naam van hun Keizer uit tot een bezoek aan zijn rijk, en vroegen of
zij eenige blijken zien mochten van mijn ontzaglijke kracht, waarvan
zij zooveel wonderen gehoord hadden, wat ik hun gereedelijk toestond,
maar met de bijzonderheden waarvan ik den lezer niet lastig zal vallen.
Toen ik hunne Excellenties eenigen tijd tot hun onuitsprekelijke
voldoening en verrassing had beziggehouden, verzocht ik hun mij de
eer te willen doen mijn onderdanigste groeten over te brengen aan
den Keizer hun meester, de roep van wiens deugden zoo ten rechte
de geheele wereld met bewondering vervuld had, en wiens vorstelijke
persoon ik besloten was mijne opwachting te maken voor ik terugkeerde
naar mijn eigen land. Dienovereenkomstig vroeg ik den eerstvolgenden
keer dat ik de eer had onzen Keizer te zien, zijn onbepaald verlof
om den Blefuscudiaanschen vorst mijn opwachting te gaan maken, dat
hij mij toestond, zooals ik duidelijk merkte, op eenigszins koude
manier; maar ik kon daar de reden niet van gissen, totdat mij iemand
een gerucht overbracht als zouden Flimnap en Bolgolam mijn onderhoud
met de gezanten hebben voorgesteld als een bewijs van verandering in
mijn gezindheid; waarvan ik zeker ben dat mijn hart volkomen vrij
was. Dit was de eerste keer dat ik eenigszins een voorstelling van
hoven en ministers begon te krijgen.
Hier moet ik doen opmerken dat de gezanten tot mij spraken door middel
van een tolk, daar de talen van de beide rijken evenveel verschilden
als twee talen in Europa, en iedere natie zich verheft op de oudheid,
schoonheid en gespierdheid van haar eigen taal, met een duidelijk
merkbare minachting voor die van haar naburen; onze Keizer evenwel had,
gebruik makende van het voordeel dat de vermeestering van hun vloten
hem gegeven had, hen verplicht hun geloofsbrieven over te leggen en
hun rede te houden in de taal der Lilliputters. En het moet gezegd
worden, dat door het drukke handels- en bedrijfsverkeer tusschen
de beide rijken, door het voortdurend opnemen van uitgewekenen, dat
weerkeerig bij hen is, en door de gewoonte in elk rijk, den jongen
adel en de rijke burgerzoons naar elkaar over te zenden, opdat ze hun
opvoeding voltooien door de wereld te zien, en menschen en zeden te
leeren verstaan, er weinig personen van beteekenis: òf handelaren òf
zeelui, in de zeeplaatsen zijn, die niet een gesprek kunnen voeren
in beide talen, zooals ik een paar weken later merkte, toen ik mijn
opwachting ging maken bij den Keizer van Blefuscu, wat, temidden
van groote rampen, veroorzaakt door de boosheid van mijn vijanden,
een gelukkig voorval bleek, zooals ik op de daartoe geschikte plaats
zal mededeelen.
De lezer zal zich herinneren, dat er, toen ik de artikelen teekende,
waar ik mijn vrijheid op herkreeg, sommige bij waren waar ik op tegen
had, omdat zij mij te vernederend voorkwamen; ook kon niets dan een
uiterste noodzakelijkheid mij er toe gebracht hebben ze te teekenen;
maar nu, daar ik een nardac van den hoogsten rang in het rijk was,
werden zulke diensten beneden mijn waardigheid gerekend, en ik doe
den Keizer slechts recht door te verklaren, dat hij er mij nooit ééns
aan herinnerd heeft.
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de inwoners van Lilliput; hun wetenschappen, wetten en
gewoonten; de wijze van opvoeding hunner kinderen.--Des schrijvers
leefwijze in dat land.--Zijn rechtvaardiging van een edele dame.
Ofschoon ik van plan ben de beschrijving van dit rijk te bewaren voor
een afzonderlijk werk, zal ik den belangstellenden lezer toch graag,
voorloopig, eenige algemeene denkbeelden erover geven. Terwijl dan de
gewone lengte van de inboorlingen iets minder dan zes duim is, bestaat
er een juiste overeenkomst daarmee bij al de andere dieren, zoowel
als bij planten en boomen; de grootste paarden en ossen bij voorbeeld
zijn misschien vier en vijf duim hoog, de schapen anderhalven duim,
iets meer of iets minder; hun ganzen zoowat zoo groot als een musch,
en zoo de verschillende soorten, al kleiner, totdat men komt aan
de kleinste, die voor mijn oogen bijna onzichtbaar waren; maar de
natuur heeft de oogen van de Lilliputters bekwaam gemaakt tot het
zien van alles wat hun noodig te zien is; zij zien zeer scherp,
maar niet op grooten afstand. Zoo vond ik het heel aardig--om een
voorbeeld te geven van hun scherpte van gezicht voor voorwerpen die
dichtbij zijn--een kok waar te nemen als hij een leeuwrik plukte,
die niet zoo groot was als een gewone vlieg en een klein meisje,
dat een onzichtbaren draad door het oog van een onzichtbare naald
haalde. Hun grootste boomen zijn zoowat zeven voet hoog; ik bedoel
sommige uit het Keizerlijk park, waarvan ik de toppen maar effentjes
met mijn gesloten vuist bereiken kon. De overige plantengroei is naar
dezelfde verhouding; maar dat kan de lezer zich wel zelf verbeelden.
Ik zal hier maar weinig zeggen van den toestand der wetenschap,
die verscheidene eeuwen geleden, in al haar takken bij hen gebloeid
heeft; maar van hun wijze van schrijven vermeld ik als bijzonderheid,
dat die niet is van links naar rechts, zooals bij de Europeanen;
noch van rechts naar links als bij de Arabieren; noch van boven naar
beneden zooals bij de Chineezen; maar schuins van een hoek van het
papier naar den anderen, zooals die van de dames in Engeland.
Zij begraven hun dooden met het hoofd recht naar beneden, omdat zij
de meening zijn toegedaan, dat zij in elfduizend manen allen weer
zullen opstaan; in welken tijd de aarde (die ze zich als een plat
vlak voorstellen) zich juist onderste boven keert, zoodat ze bij hun
opstanding precies recht overend zullen staan. Hunne geleerden zien
de onzinnigheid van die leer in, maar de gewoonte wordt gevolgd,
ten believe van het gemeen.
Er zijn sommige zeer eigenaardige wetten en voorschriften in dit
rijk; en als ze niet zoo regelrecht tegenovergesteld waren aan die
van mijn eigen dierbaar vaderland, zou ik mij geneigd voelen het een
en ander tot hun rechtvaardiging aan te voeren. Men zou er alleen
van kunnen wenschen, dat ze ook goed uitgevoerd werden. De eerste,
waar ik van spreken wil, betreft de aanklagers. Alle misdaden tegen
den staat worden met de grootste gestrengheid gestraft, maar als de
beschuldigde voor de rechtbank zijn onschuld duidelijk weet te doen
uitkomen, wordt de aanklager onmiddellijk tot een onteerenden dood
veroordeeld, en uit zijn goederen en bezittingen wordt de onschuldig
beschuldigde vierdubbel schadeloos gesteld voor zijn tijdverlies,
voor het gevaar dat hij geloopen heeft, voor de ontberingen van
zijn gevangenschap en voor al de kosten die hij gemaakt heeft voor
de verdediging. En, als dat eigendom daartoe niet groot genoeg is,
wordt het ontbrekende door de Kroon aangevuld. De Keizer geeft hem
dan tevens een openlijk bewijs van zijn gunst, en zijn onschuld wordt
door de heele stad bekend gemaakt.
Zij achten bedrog een grooter misdaad te zijn dan diefstal, en plegen
het daarom zelden anders te straffen dan met den dood; want, beweren
zij, zorg en waakzaamheid, met een klein beetje gezond verstand, kunnen
iemands bezittingen van dieven vrijwaren, maar eerlijkheid heeft geen
beschutting tegen grootere slimheid; en, aangezien het noodzakelijk
is dat er een voortdurend verkeer bestaat van koopen en verkoopen,
en leveren op crediet, zou, als bedrog geoorloofd of geduld was,
of niet strafbaar bij de wet gesteld, de eerlijke handelaar altijd
gepierd worden en de schurk de winst maken. Ik herinner me dat ik eens
bij den Keizer een misdadiger voorsprak, die met een groote som geld,
die hij voor zijn meester in ontvangst had genomen, was op den loop
gegaan, en dat, toen ik, als verzachtende omstandigheid, zoo tegen
Zijn Majesteit opmerkte dat het alleen maar misbruik van vertrouwen
was, de Keizer het monsterachtig in mij vond de grootste verzwarende
omstandigheid voor een verzachtende te willen laten doorgaan; en,
werkelijk, ik kon weinig anders daarop antwoorden dan het gewone
gezegde, dat andere volken andere zeden hebben; want ik moet zeggen
dat ik diep beschaamd was.
Ofschoon wij gewoonlijk straf en belooning de twee scharnieren noemen,
waar alle bestuur op draait, heb ik die stelling toch bij geen enkel
volk in praktijk gebracht gezien, behalve bij dat van Lilliput. Al
wie daar afdoend bewijzen kan, dat hij de wetten van zijn land
zorgvuldig gehoorzaamd heeft, gedurende drie-en-zeventig manen, die
heeft aanspraak op zekere voorrechten, verschillend naar zijn stand
en rang in de maatschappij, met een daaraan evenredige som gelds, uit
een daartoe ingericht fonds; ook krijgt hij den titel van snilpall,
of wettige, die bij zijn naam gevoegd wordt, maar niet overgaat op
zijn nakomelingen. En deze lieden vonden het een verbazend groote
staathuishoudelijke fout in ons, dat wij het opvolgen van onze wetten
alleen door straffen afdwongen en niet door belooningen aanlokkelijk
maakten. Om die reden heeft het beeld van de gerechtigheid, dat in
hun gerechtshoven zit, en zes oogen heeft, twee van voren, twee van
achteren, en een aan iedere zijde, om alzijdige waakzaamheid uit te
drukken, in haar rechterhand een open tasch met goud, en een zwaard
in de scheede in haar linker, om te toonen dat zij meer tot beloonen
dan tot straffen geneigd is.
Bij het kiezen van personen voor alle ambten, letten zij meer op
goede zeden dan op groote bekwaamheden, want, daar regeeringen
noodig zijn voor de menschheid, gelooven zij dat de gewone mate van
menschelijke wijsheid voldoende is voor een of ander regeeringsambt;
en dat de Voorzienigheid nooit kan bedoeld hebben het bestuur van de
staatszaken tot een geheimenis te maken, alleen doorgrondelijk voor
zeldzame verheven geesten, zooals er zelden drie in een eeuw worden
geboren; maar waarheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en dergelijke
deugden gelooven zij dat in het bezit van iedereen zijn kunnen,
en de beoefening van die deugden, gezamenlijk met ondervinding en
goede bedoelingen stelt elk mensch, meenen ze, in staat, zijn land te
dienen in betrekkingen, waar niet een bepaalde studie voor onmisbaar
is. Het gemis daarentegen van zedelijke deugden, vonden zij, kon zoo
weinig worden opgewogen door schitterende geestesgaven, dat nooit
eenige betrekking kon gewaagd worden in zoo gevaarlijke handen als
van zúlke personen, want zelfs de fouten, door onwetendheid begaan,
maar met deugdzame bedoeling, zouden nooit van zoo noodlottig gevolg
voor het algemeen welzijn wezen, als de practijken van een, die uit
lust tot kwaaddoen iets verderflijks deed, en dat verderflijke met
zijn groote bekwaamheden uitvoerde, voortzette en verdedigde.
Eveneens maakt het ongeloof aan een Goddelijke Voorzienigheid iemand
ongeschikt tot het bezetten van een staatsambt; want, daar de koningen
zich plaatsvervangers van de Voorzienigheid noemen, kan niets--naar de
meening van de Lilliputters--dwazer voor een Vorst zijn, dan in zijn
dienst menschen te gebruiken, die het gezag niet erkennen, waar hij
onder heerscht.
Ik wil, bij het verhaal van deze en de volgende wetten, wèl verstaan
hebben dat ik de oorspronkelijke instellingen bedoel, en niet de
zeer schandalige afwijkingen, waartoe dit volk door zijn ontaarde
menschennatuur vervallen is; want, wat betreft die schandelijke
gewoonten van groote ambten te krijgen door op koorden te dansen, of
lintjes van gunst en onderscheiding door over stokken te springen en
er onder door te kruipen, de lezer moet wel bedenken, dat die eerst
werden ingevoerd door den grootvader van den nu regeerenden Keizer, en
toenamen tot wat ze tegenwoordig zijn door de voortdurende verergering
van partij- en club-geest.
Ondankbaarheid wordt onder hen voor een halsmisdaad gehouden, zooals
we lezen, dat ook in andere landen het geval is geweest; want zij
redeneeren zoo, dat iemand, die zich slecht gedraagt tegenover zijn
weldoener, noodzakelijk een vijand van de overige menschheid, die
hem niet aan zich verplicht heeft, zijn moet, en dat zulk een man
niet geschikt is om te blijven leven.
Hun begrippen omtrent de plichten van ouders en kinderen verschillen
bijster van de onze. Zij zijn van meening, dat ouders de laatste
van alle menschen zijn, wien de opvoeding van hun eigen kind mag
worden toevertrouwd; en daarom hebben zij in iedere stad publieke
opvoedingsgestichten, waar alle ouders, behalve landbouwers en
arbeiders, verplicht zijn, hun kinderen van beiderlei geslacht heen te
zenden, om opgevoed en onderwezen te worden, zoodra ze den leeftijd
van twintig manen bereikt hebben, op welken tijd zij verondersteld
worden eenigszins handelbaar te zijn. Deze scholen zijn in verscheiden
soorten, voor de verschillende standen, en voor beiderlei geslacht. Zij
hebben bepaalde leeraren, ervaren in het opleiden van kinderen voor
zulk een betrekking, als den rang van hun ouders, zoowel als hun
eigen bekwaamheden en neigingen, het meest passend is. Ik zal eerst
iets zeggen van de mannelijke opvoedingsgestichten, en dan van de
vrouwelijke.
Aan de opvoedingsgestichten voor mannelijke kinderen van adellijke
of deftige geboorte, zijn ernstige en geleerde professoren en
verschillende andere leeraren aangesteld. Kleeding en voedsel der
kinderen zijn eenvoudig en sober. Zij worden opgevoed in de beginselen
van eer, rechtvaardigheid, moed, bescheidenheid, lankmoedigheid,
godsdienst en vaderlandsliefde; zij zijn altijd bezig met het een
of ander, behalve in den tijd van eten en slapen, die heel kort is,
en de twee uren van afleiding, die in lichaamsoefeningen bestaat. Zij
worden door mannelijke bedienden gekleed tot ze vier jaar oud zijn, en
zijn dan verplicht zich zelf te kleeden, al zijn ze nog zoo hoog van
rang en geboorte; de vrouwelijke bedienden, die, naar evenredigheid
met ónzen leeftijd, van vijftig jaar oud zijn, doen alleen het
laagste werk. Zij mogen nooit met de bedienden babbelen, maar gaan
gezamenlijk in kleine of groote groepen hun uitspanning houden, en
altijd vergezeld van een professor, of een van zijn onder-leeraren,
waardoor zij die vroege verderfelijke indrukken van dwaasheid en
ondeugd vermijden, waaraan onze kinderen zijn blootgesteld. Hun ouders
mogen hen tweemaal per jaar bezoeken; het bezoek duurt maar een uur;
het staat hun vrij het kind bij het komen en het gaan te kussen; maar
een professor die er altijd bij is, staat hun niet toe te fluisteren
of suikerwoordjes te gebruiken, of eenigerlei geschenk mee te brengen:
speelgoed, zoetegoed of dergelijke.
Het kostgeld van iedere familie voor de opvoeding en het onderhoud
van een kind, wordt, als het niet op tijd betaald is, door keizerlijke
beambten geïnd.
De opvoedingsgestichten voor kinderen van gewone burgers, kooplieden,
handelaars en fabrikanten, worden naar verhouding op dezelfde wijze
behandeld, alleen worden zij, die voor den handel of eenig vak bestemd
zijn, op hun elfde jaar in de leer gedaan; terwijl de kinderen van
personen van stand tot hun vijftiende jaar in het gesticht blijven,
wat overeenkomt met hun een-en-twintigste bij ons, maar de laatste
drie jaren wordt de afzondering gaandeweg minder.