Keizer en de Keizerin, en den eersten minister, bij bijzondere
gelegenheden. De Keizer legt op een tafel drie fijne zijden draden
van zes duim lang; het eerste is blauw, het andere rood, het derde
groen. Deze draden zijn bestemd tot prijzen voor die personen, die de
Keizer lust heeft door een bijzonder gunstbewijs te onderscheiden. De
plechtigheid wordt volvoerd in Zijner Majesteits groote statiezaal,
waar de kandidaten een proef van hun behendigheid moeten afleggen
heel verschillend van de vorige, en eigenlijk zóó een, als ik nooit in
eenig ander land, van de oude of de nieuwe wereld, heb waargenomen. De
Keizer houdt een stok in zijn hand, met beide einden evenwijdig aan
den horizon, terwijl de kandidaten, één voor één aanloopende, soms
over den stok heenspringen, soms er onder door kruipen, achteruit
en vooruit, verscheiden malen, naar de stok vooruit of naar beneden
gehouden wordt. Soms houdt de Keizer een eind van den stok en de eerste
minister het andere; soms houdt de minister hem geheel alleen. Wie zijn
rol nu het vlugst speelt en het langst aan den gang kan blijven met
springen en kruipen, die wordt beloond met het blauw zijden lintje;
het roode is voor den volgende, en het groene voor den derde, en
allen dragen het als een gordel tweemaal om het middel gewonden;
ook ziet men in de buurt van het hof weinig personen van beteekenis,
die niet met een van die gordels zijn getooid.
De paarden van het leger en die uit de keizerlijke stallen waren, nu
ze een tijdlang dagelijks langs mij waren geleid, niet schuw meer,
maar plachten tot vlak voor mijn voeten te komen, zonder schichtig
te worden. De ruiters lieten hen over mijn hand springen, die ik
plat op den grond hield; en een van de keizerlijke jagers, op een
grooten harddraver, nam mijn voet met schoen en al, wat eigenlijk een
ontzaglijke sprong was. Ik had het geluk den Keizer op een keer op een
heel buitengewone manier te vermaken. Ik verzocht hem bevel te geven
dat mij een aantal stokken van twee voet hoog, en de dikte van een
gewonen wandelstok, zouden gebracht worden; waarop Zijne Majesteit den
intendant van de bosschen beval maatregelen daarvoor te nemen; en den
volgenden morgen kwamen zes houthakkers aan met evenveel voertuigen,
elk getrokken door acht paarden. Ik nam negen van deze stokken, plantte
die fiksch in den grond in een vierkant van twee en een halven voet,
en nam toen vier andere stokken, die ik in een vlak, evenwijdig aan
elkaar, aan de hoeken vastbond, zoowat twee voet boven den grond;
toen bevestigde ik mijn zakdoek aan de negen stokken, die rechtop
stonden, en spande hem naar alle kanten uit, totdat hij zoo strak
was als een trommelvlies; en de vier evenwijdige stokken, die zoowat
vijf duim hooger waren dan de zakdoek, dienden aan elken kant als
leuning. Toen mijn werk af was, vroeg ik den Keizer een troep van zijn
beste paardevolk, vier-en-twintig in getal, op deze vlakte te laten
exerceeren. Zijne Majesteit keurde dat voorstel goed en ik nam ze op,
een voor een in mijn handen, gelaarsd en gespoord, met de bijbehoorende
officieren om ze te kommandeeren. Zoodra ze waren opgesteld verdeelden
zij zich in twee partijen, voerden spiegelgevechten uit, schoten stompe
pijlen af, trokken hunne zwaarden, vloden en vervolgden, vielen aan en
trokken terug, in 't kort openbaarden een militaire bedrevenheid zoo
groot als ik ze ooit had gezien. De evenwijdige stokken beveiligden
hen en hun paarden voor afvallen van de stellage; en de Keizer was er
zoo mee in zijn schik, dat hij verscheiden dagen de vermakelijkheid
opnieuw liet geven, en het hem eens zelfs behaagde erop te worden
getild en zelf het bevel te voeren; en met groote moeite overreedde
hij zelfs de Keizerin zich door mij in haar gesloten draagstoel binnen
twee el van de stellage te laten houden, vanwaar zij een goed gezicht
had op de heele uitvoering. Tot mijn geluk gebeurde er geen ongeluk
tijdens die spelen; alleen geviel het een keer, dat een vurig paard
van een van de kapiteins met zijn hoef een gat in mijn zakdoek sloeg,
en toen zijn voet erdoor gleed, met ruiter en al over den kop ging;
maar ik tilde ze onmiddellijk allebei op, en terwijl ik het gat
met een hand dicht hield, zette ik den troep met de andere eraf, op
dezelfde manier als ik ze erop getild had. Het paard dat gevallen was,
had zijn rechter schouder ontwricht, maar de ruiter had geen letsel;
en mijn zakdoek herstelde ik zoo goed als ik kon; evenwel wou ik zijn
sterkte niet meer beproeven in zulke gevaarlijke ondernemingen.
Zoowat twee of drie dagen vóór ik in vrijheid werd gesteld, terwijl
ik het hof met dit soort grappen vermaakte, kwam er een ijlbode Zijne
Majesteit mededeelen, dat eenige van zijn onderdanen, rijdende dicht
bij de plaats waar ik het eerst gevonden was, een groot zwart voorwerp
op den grond hadden zien liggen, dat er heel vreemd uitzag, met randen
rondom uitgestrekt, zoo groot als Zijner Majesteits slaapkamer en in
't midden opstijgende tot manshoogte; dat het geen levend wezen was,
zooals zij eerst gevreesd hadden, want dat het op het gras lag,
bewegingloos, en dat eenigen van hen er een keer of wat omheen
waren gewandeld; dat ze door op elkaars schouders te gaan staan,
op den top waren geklauterd, die vlak en effen was, en door erop
te stampen, bespeurd hadden dat het van binnen hol moest zijn; dat
zij onderdaniglijk meenden dat het iets zijn mocht dat den man-berg
behoorde; en dat, als het Zijne Majesteit behaagde, zij het met niet
meer dan vijf paarden naar de hoofdstad vervoeren zouden. Ik begreep
dadelijk wat zij bedoelden en was van harte blij met dit bericht. Het
schijnt, dat ik in 't eerst, toen ik pas na de schipbreuk de kust
bereikte, en vóór ik nog kwam aan de plaats waar ik slapen ging,
te verward was om te merken dat mijn hoed, dien ik met een koord om
mijn hoofd had vastgemaakt terwijl ik roeide, en die al den tijd dat
ik zwom erop gebleven was, afviel vlak nadat ik aan land kwam; zeker
doordat door een of ander toeval de koord brak; terwijl ik het niet
merkte, maar dacht dat ik mijn hoed op zee verloren had. Ik verzocht
zijne Keizerlijke Majesteit, wien ik uitlegde wat het voorwerp was en
waartoe ik het noodig had, orders te geven, zoodat het mij zoo gauw
mogelijk zou gebracht worden; en den volgenden dag kwamen de voerlui
er mee aan, maar niet in heel goeden toestand; zij hadden namelijk
twee gaten in den rand geboord, anderhalven duim van den kant af,
en in die twee gaten twee haken geslagen; die haken waren met een
lang touw aan het tuig bevestigd, en zoo was mijn hoed meer dan een
halve Engelsche mijl voortgesleept; maar daar de grond in dat land
bijzonder glad en effen is, had hij minder geleden dan ik verwachtte.
Twee dagen na die gebeurtenis kreeg de Keizer, die juist bevolen had
dat het deel van zijn leger dat in en bij de hoofdstad in kwartier
lag, zich gereed moest houden, een bijzonder vreemde aardigheid in 't
hoofd. Hij wenschte dat ik zou gaan staan als een Kolossus, met mijn
beenen zoover van elkaar als ik zonder hinder doen kon. Toen beval hij
zijn generaal, (die een oud ervaren aanvoerder en een groot beschermer
van mij was) de troepen op te stellen en in gesloten gelederen onder
mij door te laten trekken; het voetvolk in rangen van vier-en-twintig
en het paardevolk van zestig, met slaande trommen, vliegende vaandels
en gevelde lansen. Dit leger bestond uit drieduizend man voetvolk en
duizend paarden.
Ik had zooveel rekwesten en memories voor mijn vrijheid ingezonden,
dat Zijne Majesteit de zaak eindelijk ter sprake bracht, eerst in den
ministerraad, daarna in de voltallige raadsvergadering; waar niemand
er tegen was dan Skyresh Bolgolam, die zonder eenige aanleiding er
behagen in vond mijn doodsvijand te zijn; maar de heele raad haalde
het voorstel tegen zijn zin erdoor, en de Keizer bevestigde het. Die
minister was galbet, of admiraal van het rijk; hij genoot zeer het
vertrouwen van zijn meester, en was zeer ervaren in staatszaken, maar
van een zwartgallige en vinnige natuur. Op 't laatst echter liet hij
zich overhalen toe te geven; maar behield zich voor zelf de artikelen
en voorwaarden op te stellen, waarop ik zou worden vrijgesteld
en die ik bezweren moest. Deze artikelen werden mij gebracht door
Skyresh Bolgolam in persoon, vergezeld door twee onder-secretarissen
en verscheidene personen van rang. Nadat zij waren voorgelezen, werd
mij gevraagd of ik wou zweren ze na te komen; eerst naar de wijze van
mijn eigen land en daarna naar de bij hun wetten voorgeschrevene;
die daarin bestond dat men den rechtervoet in de linkerhand hield,
den middelvinger van de rechterhand op de kruin van het hoofd, en den
duim op de lel van het rechteroor plaatste. Omdat de lezer misschien
gaarne eenig denkbeeld wil krijgen van den stijl en de bijzondere
wijze van zich uit te drukken van dit volk, en ook misschien wel de
artikelen weten wil waarop ik mijn vrijheid terugkreeg, heb ik een
vertaling van het heele dokument gemaakt, zooveel mogelijk woordelijk,
die ik het publiek hierbij aanbied.
"Golbasto Momarem Evlame Gurdilo Shefin Mully Ully Gue, de zeer
machtige Keizer van Lilliput, de verrukking en de schrik van het
heelal, wiens gebied zich uitstrekt vijfduizend blustrugs (zoowat
twaalf mijl in omtrek) tot aan het einde van den aardbol; de vorst der
vorsten, grooter dan de zonen der menschen; wiens voeten neerdrukken
tot het middelpunt der aarde, wiens hoofd stoot tegen de zon, die het
hoofd schudt en de knieën knikken van koningen, de aangename als lente,
de heerlijke als zomer, de vruchtbare als herfst, de verschrikkelijke
als winter. Zijne verhevenste Majesteit stelt den man-berg, onlangs
in ons hemelsche rijk aangekomen, de volgende artikelen, voor welke
hij door een plechtigen eed zich verplichten zal te houden:
1e. "De man-berg zal niet vertrekken uit onze landen zonder onze,
van ons groot zegel voorziene, schriftelijke toestemming.
2e. "Hij zal het niet wagen in onze hoofdstad te komen, zonder ons
bepaald daartoe uitgedrukt bevel; wanneer de inwoners twee uur vooruit
zullen gewaarschuwd worden binnenshuis te blijven.
3e. "De gezegde man-berg zal zijn wandelingen beperken tot onze
voornaamste heerwegen, en niet gaan wandelen of neerliggen op een
weide of in een korenveld.
4e. "Wanneer hij op die wegen wandelt, zal hij de grootste zorg dragen
niet te stappen op de lichamen van eenige van onze beminde onderdanen,
hun paarden of voertuigen; noch eenige van onze bovengenoemde
onderdanen in zijn handen nemen zonder hunne toestemming.
5e. "Als een bericht buitengewonen spoed vereischt, zal de man-berg
verplicht zijn den bode en zijn paard in zijn zak zes dagreizen ver
te dragen, eens in iedere maand, en (zoo noodig) dien bode veilig in
onze keizerlijke tegenwoordigheid terug te brengen.
6e. "Hij zal onze bondgenoot zijn tegen onze vijanden op het eiland
Blefuscu, en zijn uiterste best doen om hun vloot te verwoesten,
die zich op dit oogenblik gereed maakt hier een inval te doen.
7e. "Dat gezegde man-berg, in zijn vrije uren, onze werklieden helpen
zal in het optillen van sommige groote steenen, voor het dekken van
den muur van het hoofdpark en andere van onze aanzienlijke gebouwen.
8e. "Dat gezegde man-berg, in twee maanden tijd, zal inleveren een
nauwkeurige opmeting van den omtrek van ons gebied, berekend naar
zijn eigen stappen langs de kust.
"Ten laatste: dat op zijn plechtigen eed al de bovengenoemde artikelen
te houden, gezegde man-berg een daaglijksch rantsoen zal hebben van
eet- en drinkwaren, als voldoende is voor het onderhoud van 1728 van
onze onderdanen, met vrijen toegang tot onze keizerlijke persoon, en
andere bewijzen van onze gunst. Gegeven in ons paleis te Belfaborac,
den twaalfden dag van de een-en-negentigste maan van onze regeering."
Ik bezwoer en onderteekende deze artikelen met groote opgeruimdheid
en tevredenheid, ofschoon eenige ervan niet zoo eervol waren
als ik kon gewenscht hebben, wat heelemaal te wijten was aan de
kwaadwilligheid van Skyresh Bolgolam, den groot-admiraal; waarop
mijn ketens onmiddellijk werden losgemaakt, en ik weer mijn volle
vrijheid had. De Keizer deed me de eer, in persoon bij de heele
plechtigheid tegenwoordig te zijn. Ik toonde hem mijn erkentelijkheid
door mij voorover te werpen aan Zijner Majesteits voeten; maar
hij gebood mij op te staan; en na menig aangenaam woord, dat ik,
om de beschuldiging van ijdelheid te ontgaan, niet herhalen zal,
zei hij, dat hij hoopte dat ik een nuttig dienaar zou blijken en
al de gunsten verdienen waarmee hij mij al begiftigd had of in de
toekomst begiftigen zou. De lezer heeft misschien gemerkt, dat, in
het laatste artikel waarop ik werd vrijgelaten, de Keizer mij een
hoeveelheid eten en drinken toestaat voldoende voor het onderhoud van
1728 Lilliputters. Eenigen tijd later vertelde mij een vriend aan
het hof, wien ik vroeg hoe zij juist zoo precies dát getal hadden
voorgesteld, dat Zijner Majesteits wiskunstenaars, nadat zij met
een kwadrant de hoogte van mijn lichaam genomen hadden en gevonden
dat het de hunne overtrof in de evenredigheid van twaalf tot een,
daaruit en uit de gelijkvormigheid van onze lichamen het besluit hadden
getrokken, dat het mijne tenminste 1728 van de hunne moest inhouden,
en dientengevolge evenveel vereischte als noodig was tot onderhoud
van dat aantal Lilliputters. Waardoor de lezer een denkbeeld krijgen
kan van de vernuftigheid van dat volk, zoowel als van het voorzichtige
en nauwkeurige overleg van hun grooten vorst.
VIERDE HOOFDSTUK.
Mildendo, de hoofdstad van Lilliput, beschreven tegelijk met het
paleis van den Keizer.--Een gesprek tusschen den schrijver en een
eersten secretaris, over de zaken van het rijk.--De aanbiedingen
van den schrijver om den Keizer in zijn oorlogen te helpen.
Het eerste verzoekschrift dat ik opstelde toen ik mijn vrijheid
verkregen had, behelsde het verzoek om verlof Mildendo te gaan
zien, de hoofdstad, hetwelk de Keizer mij gewillig toestond, maar
met bijzonderen last geen schade te doen aan de inwoners of hun
huizen. Het volk werd, bij proklamatie, met mijn plan om de stad
te bezoeken, in kennis gesteld. De muur, die haar omringt, is twee
en een halven voet hoog, en minstens elf duim breed, zoodat paard en
rijtuig veilig er op rond kunnen rijden; en op tien voet afstand is ze
geflankeerd door sterke torens. Ik stapte over de groote westerpoort,
en liep heel zoetjes in de dwarste door de twee hoofdstraten, met
niets dan mijn korte vest aan, uit vrees dat ik de daken en lijsten
van de huizen zou beschadigen met mijn jaspanden. Ik wandelde met
de uiterste voorzorg, om te voorkomen dat ik op den een of anderen
achterblijver trapte, schoon zeer strenge bevelen waren uitgevaardigd
dat ieder tot zijn eigen welzijn in huis moest blijven. De bovenste
vensters en de nokken van de huizen waren zoo vol met kijkers,
dat ik mij verbeeldde op geen van mijn reizen een plaats gezien te
hebben die zóo bevolkt was. De stad is precies vierkant, en iedere
zij van den muur is vijfhonderd voet lang. De twee hoofdstraten, die
er dwars doorgaan en haar in vier kwartieren deelen, zijn vijf voet
breed. De lanen en dwarsstraten die ik niet kon ingaan, maar alleen
in het voorbijgaan zag, zijn van twaalf tot achttien duim. De stad
kan vijfhonderdduizend zielen bevatten; de huizen hebben drie tot
vijf verdiepingen; de winkels en markten zijn goed voorzien.
Het keizerlijk paleis staat midden in de stad, waar de twee groote
straten saamkomen. Het is ingesloten door een muur van twee voet
hoog, die twintig voet van de gebouwen afstaat. Ik had verlof van
Zijne Majesteit om dien muur over te stappen; en daar de ruimte
tusschen muur en paleis zoo groot was, kon ik het op mijn gemak
van alle kanten bezien. Het buitenste paleis is een vierkant van
veertig voet en omsluit twee andere gebouwen; in het binnenste zijn
de keizerlijke vertrekken, die ik graag zien wou, maar moeielijk kon,
want de groote poorten van het eene vierkant in het andere waren
maar achttien duim hoog en zeven breed. Nu waren de gebouwen van
het buitenhof minstens vijf voet hoog, en het was onmogelijk voor
me er overheen te stappen zonder onnoemelijke schade aan het dak
te doen, schoon de muren sterk gebouwd waren van gehouwen steen,
en vier duim dik. Tegelijk wou de Keizer heel graag, dat ik de
pracht van zijn paleis zien zou; maar ik was niet in staat dat te
doen voor drie dagen daarna, die ik doorbracht met een paar van de
grootste boomen van het keizerlijk park om te snijden, met mijn mes,
een honderd el zoowat van de stad van daan. Van die boomen maakte
ik twee stoelen, elk zoowat drie voet hoog en sterk genoeg om mijn
gewicht te houden. Nadat het volk een tweeden keer een kennisgeving
ontvangen had, ging ik weer door de stad naar het paleis met mijn
twee stoelen in mijn handen. Toen ik aan den muur van het buitenhof
kwam ging ik op den eenen stoel staan met den anderen in mijn hand;
dien tilde ik over het dak en zette hem zachtjes op de plaats tusschen
het eerste en tweede hof, die acht voet breed was. Toen stapte ik heel
op mijn gemak van den eenen stoel op den anderen en trok den eersten
achter me op aan een stok met een haak. Op die manier kwam ik tot in
het binnenhof, en daar, languit op mijn zij liggende, hield ik mijn
gezicht tegen de vensters van de middenverdiepingen, die met opzet
waren opengelaten, en ontdekte zoo de prachtigste vertrekken, die men
zich kan voorstellen. Daar zag ik de Keizerin en de jonge prinses,
in hun verschillende vertrekken, met hun voornaamste bedienden om hen
heen. Het behaagde Hare Keizerlijke Majesteit mij allerminzaamst toe
te lachen, en mij door het venster haar hand te kussen te geven.
Maar ik zal den lezer niet vooruitloopen met meer beschrijvingen van
dit soort, omdat ik die bewaren moet voor een grooter werk, dat nu
al haast klaar is voor de pers, en dat een volledige beschrijving
van dit rijk zal inhouden, van zijn eerste opkomst, onder een lange
reeks van vorsten, met een afzonderlijk overzicht van zijn oorlogen en
staatkunde, wetten, geleerdheid en godsdienst; zijn planten en dieren,
zijn eigenaardige manieren en gebruiken, benevens andere zaken, zeer
nuttig en merkwaardig; terwijl het op 't oogenblik alleen mijn doel
is zulke gebeurtenissen en voorvallen te verhalen als het volk en
mijzelf overkwamen gedurende een verblijf van ongeveer negen maanden
in dat rijk.
Eens op een morgen, ongeveer twee weken nadat ik mijn vrijheid
herkregen had, kwam Reldresal, eerste geheimschrijver (zooals zij hem
noemen) aan mijn huis, alleen vergezeld door een bediende. Hij beval
dat zijn draagkoets hem op eenigen afstand wachten zou, en vroeg
mij hem een gehoor van een uur toe te staan, waarin ik gereedelijk
toestemde, in aanmerking nemende zijn rang en zijn persoonlijke
verdiensten, zoowel als de vele goede diensten, die hij mij tijdens
mijn sollicitaties aan het hof bewezen had. Ik bood aan te gaan liggen,
opdat hij wat dichter bij mijn oor zou kunnen spreken; maar hij wou
liever dat ik hem gedurende ons gesprek in de hand hield. Hij begon
met mij geluk te wenschen met mijn invrijheidstelling; zei dat hij
zich eenigszins er op beroemen mocht daartoe te hebben medegewerkt,
maar voegde er bij, dat ik nochtans, als niet de tegenwoordige staat
van zaken aan het hof geholpen had, haar misschien niet zoo gauw
zou hebben verkregen. "Want", zeide hij, "in hoe bloeienden toestand
wij voor een vreemde ook schijnen te verkeeren, wij lijden onder twee
smartelijke kwalen: een hevigen partijtwist binnenslands, en het gevaar
van een inval door een zeer machtigen vijand erbuiten. Wat de eerste
betreft moet gij weten dat sinds zeventig manen twee overhoop liggende
partijen in dit rijk geweest zijn, die zich noemden Tramecksan en
Slamecksan, naar de hooge en lage hakken van hun schoenen, waardoor
zij zich van elkander onderscheiden. Men beweert wel eens, dat de
hoog-hakken het meest in gunst zijn bij ons oude vorstenhuis; maar,
wat daar ook van aan zij, het is een feit dat Zijne Majesteit in
het staatsbestuur, en, zooals ge wel zult bemerkt hebben, in al de
posten, die de kroon te begeven heeft, alleen laag-hakken gebruikt;
en wat meer zegt, dat Zijner Majesteits keizerlijke hakken minstens
een drurr lager zijn dan van iemand aan 't hof (drurr is een maat van
zoowat een veertiende van een duim). De vijandelijkheden tusschen deze
twee partijen loopen zoo hoog, dat ze met elkaar eten, drinken, noch
praten willen. Wij schatten de Tramecksan, of hoog-hakken, grooter in
aantal dan wij; maar de macht is heelemaal in onze handen. Wij vreezen
dat Zijne Keizerlijke Hoogheid de Kroonprins, zich min of meer tot
de Hoog-hakken voelt aangetrokken; we kunnen tenminste duidelijk zien
dat een van zijn hakken hooger is dan de andere, wat maakt dat hij een
beetje mank loopt. Nu, te midden van deze huiselijke onrusten worden
wij bedreigd door een inval van het eiland Blefuscu, dat het andere
groote rijk van de wereld is, bijna zoo groot en machtig als dit van
Zijne Majesteit. Want, wat aangaat wat wij u hebben hooren beweren,
dat er andere koninkrijken en staten in de wereld zijn, bewoond door
menschelijke wezens zoo groot als gij zijt, daarover verkeeren onze
wijsgeeren zeer in twijfel, en gelooven liever dat gij van de maan
of een van de sterren gevallen zijt; omdat het zeker is dat honderd
stervelingen van uw omvang in korten tijd al het vee en de vruchten
van Zijner Majesteits landen zouden uitroeien; bovendien maakt onze
geschiedenis over zesduizend manen geen melding van eenige andere
streken dan de twee groote rijken Lilliput en Blefuscu; welke twee
machtige rijken, zooals ik u juist vertellen wou, sinds zes-en-dertig
manen in een uiterst hardnekkigen oorlog gewikkeld zijn. Die begon
door het volgende voorval: Het wordt door niemand tegengesproken dat de
oorspronkelijke manier om eieren open te breken, voor we ze eten, was
op de stompe punt; maar nadat de grootvader van onzen tegenwoordigen
Keizer, toen hij nog een jongen was, eens het ongeluk gehad heeft,
toen hij een ei ging eten en dat openbrak volgens de oude manier,
zich in den vinger te snijden, liet de Keizer, zijn vader, een
bevel afkondigen, waarbij al zijnen onderdanen met bedreiging van
strenge straffen bevolen werd hun eieren aan de spitse punt open te
breken. Het volk was over dit bevel zoo verbitterd, dat, zooals onze
geschiedenissen melden, tengevolge daarvan zes opstanden verwekt zijn,
waarin één Keizer zijn leven en een ander zijn kroon verloor. Deze
binnenlandsche onrusten werden gestadig aan 't gisten gehouden door
de vorsten van Blefuscu, en als ze gedempt waren zochten de ballingen
altijd in hun rijk een schuilplaats. Men heeft berekend dat elfduizend
menschen op verschillende tijden zich lieten dooden, eerder dan er in
toe te stemmen hun eieren te breken aan de spitse punt. Veel honderden
dikke boekdeelen zijn over dit strijdpunt uitgekomen; maar de boeken
van de stomppunters zijn sinds lang verboden, en de heele partij bij
de wet uitgesloten van het vervullen van staatsambten. Gedurende
den loop van deze twisten, protesteerden de Keizers van Blefuscu
herhaaldelijk door hun gezanten, ons beschuldigende een scheiding te
maken in den godsdienst, door te handelen tegen een grondstelling van
onzen grooten profeet Lustrog, in het vier-en-vijftigste hoofdstuk
van den Blundecral (dat is hun Alcoran). Dit wordt evenwel als een
verwringing van den tekst beschouwd, want de woorden zijn: dat alle
ware geloovers hun eieren zullen openbreken aan de punt, die daartoe
het geschiktst is. En welke punt daartoe het geschiktst is, lijkt,
naar mijn bescheiden meening, te zijn overgelaten aan ieders oordeel
en geweten, of hoogstens in de macht van de overheid gesteld om uit
te maken. Nu hebben de verbannen stomppunters zooveel invloed gekregen
aan het hof van den Keizer van Blefuscu, en zooveel geheimen bijstand
en aanmoediging van hun partij hier in 't land, dat een bloedige
oorlog tusschen de twee rijken al sinds zes-en-dertig manen met
afwisselenden voor- en tegenspoed wordt gevoerd; gedurende welken
tijd wij veertig kapitale schepen en een veel grooter aantal kleine
vaartuigen verloren hebben, gezamenlijk met dertigduizend van onze
beste zeelui en soldaten; en de schade door onze vijanden geleden wordt
iets grooter geschat dan de onze. Zij hebben nu echter een talrijke
vloot uitgerust en maken zich juist gereed om op ons af te komen;
en de Keizerlijke Majesteit, die het grootste vertrouwen stelt in uw
moed en kracht, heeft mij bevolen u dit overzicht van onzen toestand
voor te leggen."
Ik verzocht den secretaris mijne onderdanige groeten aan den Keizer
over te brengen en hem te doen weten, dat ik van meening was dat
het mij, als vreemdeling niet passen zou mij met partijtwisten in te
laten; maar dat ik gereed was mijn leven te wagen om zijn persoon en
rijk tegen alle indringers te verdedigen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De schrijver voorkomt een inval, door een zeer bijzondere
krijgslist.--Hem wordt een hooger rang geschonken.--Gezanten komen
van den Keizer van Blefuscu om over den vrede te onderhandelen.