Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
GULLIVER'S REIZEN
Naar
Lilliput en Brobdingnag,
Door
JONATHAN SWIFT.
Vertaald Door
Albert Verwey.
Met 23 afbeeldingen.
Uitgave van
Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
Heerengracht 326
DE REIS NAAR LILLIPUT.
EERSTE HOOFDSTUK.
De schrijver deelt het een en ander mede over zichzelf en zijn
familie.--Zijn eerste aanleiding tot op reis gaan.--Hij lijdt
schipbreuk en zwemt om zijn leven te redden.--Hij komt veilig
aan land in het rijk Lilliput.--Wordt gevangen genomen en het
land ingevoerd.
Mijn vader had een kleine bezitting in Nottinghamshire; ik was de derde
van vijf zoons. Hij zond mij naar de Emanuelschool in Cambridge, toen
ik veertien jaar was, waar ik drie jaar bleef, en me ijverig op mijn
studies toelegde; maar daar de kosten van mijn onderhoud, ofschoon ik
maar een heel kleine toelaag kreeg, te groot waren voor een beperkt
fortuin, werd ik in de leer gedaan bij den heer James Bates, een
voornaam geneesheer in Londen en bleef bij hem vier achtereenvolgende
jaren; en daar mijn vader mij nu en dan een sommetje geld zond,
gebruikte ik dat om de scheepvaart te leeren, en andere deelen van
de wiskunde, die van nut zijn voor hen, die zich voorstellen te gaan
reizen, zooals ik altijd geloofde, dat ik op den een of anderen tijd
nog wel eens zou doen. Toen ik den heer Bates verliet, ging ik naar
mijn vader in de provincie, waar ik, met behulp van hem, mijn oom Jan,
en een paar andere bloedverwanten, veertig pond bij elkaar kreeg,
en een belofte van dertig pond 's jaars om me te laten studeeren in
Leiden. Daar studeerde ik twee jaar en zeven maanden in de geneeskunde,
omdat ik wist dat ik daar nut van hebben kon op lange reizen.
Kort na mijn terugkomst van Leiden, werd ik, op aanbeveling van mijn
goeden meester, den heer Bates, dokter op de Swallow, gezagvoerder
kaptein Abraham Pannell; bij wien ik drie en half jaar bleef en in
dien tijd een reis of twee maakte naar de Levant en een paar andere
streken. Toen ik terugkwam, besloot ik, mij in Londen te vestigen;
waartoe de heer Bates mij aanspoorde; en door hem werd ik aanbevolen
bij verscheidene patiënten. Ik ging een deel van een klein huis in de
Old Jewry bewonen; en daar men mij den raad gaf te trouwen, huwde ik
Mrs Mary Burton, tweede dochter van Mr. Edmund Burton, winkelier in
gebreide goederen, in Newgate Street, die mij vierhonderd pond als
bruidschat aanbracht.
Maar daar mijn goede meester Bates twee jaar later stierf en ik weinig
vrienden had, begon mijn zaak te verloopen; óok omdat mijn geweten
mij niet toeliet de kwade praktijken van te veel van mijn vakbroeders
na te doen. Nadat ik daarom mijn vrouw en enkele van mijn kennissen
geraadpleegd had, besloot ik weer naar zee te gaan. Achtereenvolgens
was ik toen dokter op twee schepen, en maakte verscheidene reizen,
gedurende zes jaar, naar Oost- en West-Indië, waardoor mijn vermogen
een weinig toenam. Mijn vrije uren besteedde ik met het lezen van de
beste schrijvers, antieke en moderne, waarvan ik altijd een goede
hoeveelheid bij mij had; en, als ik aan land was, met het opmerken
van de gewoonten en neigingen van het volk en het leeren van hun taal;
waarin ik heel vlug was, omdat ik zoo'n sterk geheugen heb.
Toen de laatste van deze reizen niet erg gelukkig uitviel, kreeg ik
genoeg van de zee, en nam me voor thuis te blijven bij mijn vrouw en
mijn familie. Ik verhuisde van de Old Jewry naar Fetter Lane, en daar
vandaan naar Wapping, in de hoop patiënten onder de zeelui te krijgen;
maar het leverde niets op. Na drie jaar wachten of de zaken beter
zouden gaan, nam ik een voordeelig aanbod aan van Kaptein William
Prichard, schipper van de Antilope, die een reis ging maken naar de
Zuidzee. Wij gingen onder zeil, uit Bristol, den 4den Mei 1609, en in
't eerst was onze reis voorspoedig.
Het zou, om sommige redenen, niet gepast zijn, den lezer lastig te
vallen met bijzonderheden van onze lotgevallen in die zeeën; het
is voldoende als ik meedeel, dat wij, in onzen overtocht vandaar
naar Oost-Indië, door een hevigen storm noordwest van Van Diemens
Land gejaagd werden. Volgens onze waarneming bevonden wij ons op een
breedte van 30 graden 2 minuten zuidelijk. Twaalf van onze bemanning
waren doodgegaan door overmatigen arbeid en slecht voedsel; al de
anderen waren erg verzwakt. Op den 5den November, in die streken het
begin van den zomer, en terwijl het bar mistig weer was, bespeurde
het volk een rots binnen halve kabelslengte van het schip; maar de
wind was zoo zwaar, dat we regelrecht erop gejaagd werden en het
schip onmiddellijk stukstiet. Zes van de bemanning, waarvan ik een
was, lieten de boot in zee, en probeerden het schip en de rots kwijt
te raken. Wij roeiden, naar mijn berekening, omstreeks drie mijlen,
totdat we niet meer konden, want al aan boord waren op geweest van
't werken. Wij dreven daarom maar voort, op 't geluk van de golven;
en binnen nagenoeg een half uur lag de boot omgekanteld door een
plotselinge windvlaag uit het Noorden. Wat er werd van mijn makkers in
de boot, en van die zich op de rots redden, of van die in het schip
bleven, kan ik niet zeggen, maar ik onderstel, dat ze allemaal zijn
omgekomen. Ik, voor mij, zwom, waar de Fortuin me hebben wou, en liet
me door wind en vloed voortduwen. Dikwijls liet ik mijn beenen zakken,
en kon geen grond voelen; maar toen ik bijna dood-op was, en geen
kracht meer had om me op te houden, merkte ik dat ik mijn diepte had;
de storm was toen juist vrijwel gaan liggen. De strandhelling was zoo
flauw, dat ik bijna een uur liep eer ik op 't droge was, wat, naar
gissing, gebeurde omstreeks acht uur 's avonds. Ik liep toen nog bijna
een halve mijl vooruit, maar ontdekte nergens eenig spoor van huizen
of bewoners; tenminste, als ze er waren, was ik te zwak dan dat ik ze
kon zien. Ik was verschrikkelijk moê en daardoor, en door de hitte,
en door bijna een halve pint brandewijn, dien ik gedronken had eer ik
van het schip ging, voelde ik me heel geneigd gauw te gaan slapen. Ik
ging op het gras liggen, dat heel kort en zacht was, waar ik vaster
sliep dan ik me ooit in mijn leven herinner gedaan te hebben; en,
naar mijn berekening, meer dan negen uur; want toen ik wakker werd
was het juist dag. Ik trachtte op te staan, maar was niet in staat
me te bewegen; want, zooals ik lag, op mijn rug, vond ik mijn armen
en beenen stevig vastgemaakt aan weerszijden aan den grond, en mijn
haar, dat lang en dik was, net zoo. Ook voelde ik allerlei smalle
banden dwars over mijn lichaam, van mijn oksels tot mijn dijen. Ik
kon alleen naar de hoogte kijken: de zon begon warm te worden en het
licht deed mij zeer in mijn oogen. Ik hoorde een verward gesoes om me
heen, maar in de houding, waarin ik liggen moest, kon ik niets zien,
als de lucht. Na een poosje voelde ik iets levends op mijn linkerbeen
bewegen, dat zachtjes vooruit kwam over mijn borst, en zoo staande,
bijna tot de hoogte van mijn kin kwam; en toen ik mijn oogen zoover
ik kon neerboog, merkte ik dat het een menschelijk wezentje van nog
geen zes duim hoog was, met een pijl-en-boog in zijn handjes en een
pijlkoker op zijn rug. Tegelijkertijd voelde ik, dat tenminste nog
veertig, naar ik giste van dezelfde soort, dien eersten volgden. Ik
was in de uiterste verbazing, en schreeuwde zóó hard, dat ze allemaal
in doodsangst weer wegliepen; en eenige van hen werden, zooals mij
later gezegd werd, ernstig gekneusd door den val dien zij deden,
toen ze in eens van mijn zijden af op den grond sprongen.
Zij kwamen echter gauw weerom; en een van hen, die zich zóó ver
waagde, dat hij mijn heele gezicht zien kon, riep, zijn handen en
oogen opheffende bij wijze van verwondering, met een schrille, maar
duidelijke stem: Hekinah degul: de anderen herhaalden dezelfde woorden
verscheidene malen; maar ik wist toen niet wat zij beteekenden. Ik
lag al dien tijd, zooals de lezer wel gelooven zal, lang niet
gemakkelijk. Maar, al worstelende om los te komen, had ik, eindelijk,
het geluk de koorden te breken en de pinnen uit te wrikken, die mijn
linkerarm aan den grond hielden; want, door hem op te lichten naar mijn
gezicht toe, ontdekte ik op wat voor manier zij me gebonden hadden; en
tegelijkertijd maakte ik, met een hevigen ruk, die me erge pijn deed,
de koorden wat losser, die mijn haar aan de linkerzij bevestigden,
zoo dat ik juist zoowat in staat was mijn hoofd twee duim om te
draaien. Maar de wezentjes gingen nu de tweede maal aan den haal,
voordat ik ze pakken kon; waarop er een groot geschreeuw opging,
heel schril, en toen dat uit was, hoorde ik een van hen uitroepen:
Tolgo phonac, waarna ik in één oogenblik meer dan honderd pijlen
op mijn linkerhand voelde afgeschoten, die mij prikten als zooveel
naalden; en zag bovendien, dat zij nog een heele vlucht pijlen in de
lucht schoten, zooals wij met bommen doen in Europa, waarvan vele,
naar ik vermoed, want ik voelde er geen een van, op mijn lichaam
vielen, en sommige op mijn gezicht, waar ik dadelijk mijn linkerhand
over heen hield. Toen die pijlenregen over was, lag ik te kreunen
van pijn en boosheid; en toen, omdat ik weer probeerde los te komen,
kreeg ik nog een lading, grooter dan de eerste, en sommigen poogden,
met speren, mij in de zijden te steken; maar, gelukkig, had ik een
leeren wammes aan, waar ze niet doorheen konden. Het leek mij toen het
voorzichtigst mij stil te houden; en ik overlegde bij mijzelf daarmee
voort te gaan tot 's nachts, wanneer ik, nu mijn linkerhand al los was,
mij gemakkelijk zou kunnen vrijmaken. Wat de inwoners betrof, had ik
reden te gelooven, dat ik een portuur zou wezen voor de grootste legers
die zij tegen mij op de been konden brengen; als ze tenminste allen
van dezelfde grootte waren als de eene, dien ik gezien had. Maar het
lot had anders over mij beslist. Toen het volk zag dat ik stil was,
schoten zij geen pijlen meer af; maar aan het lawaai dat ik hoorde,
merkte ik dat hun aantal toenam: en ongeveer vier el van mij af,
vlak tegenover mijn rechteroor, hoorde ik, gedurende meer dan een
uur, een geklop als van timmervolk aan het werk; en zag, toen ik mijn
hoofd dien kant uitdraaide, zoover als de koorden en pinnen mij dat
toelieten, een stellage gebouwd, zoowat anderhalven voet van den grond,
waarop vier van de inboorlingen staan konden, met twee of drie ladders
om erop te gaan; van waaraf één, die een heer van gewicht scheen
te wezen, een lange rede tegen mij hield, waar ik geen syllabe van
verstond. Hier had ik nog moeten doen opmerken, dat die hoofdpersoon,
vóór hij zijn rede begon, driemaal uitriep: Langro dehul san; (deze
woorden en de vorige werden mij later herhaald en uitgelegd); waarop
onmiddellijk omstreeks vijftig van de inwoners de koorden doorsneden,
die de linkerzij van mijn hoofd vasthielden, en mij zoo de vrijheid
gaven het naar rechts te draaien en de gestalte en het voorkomen
te zien van den man, die spreken ging. Hij leek me van middelbaren
leeftijd, en grooter dan de andere drie die bij hem waren; waarvan
de een een page was, die zijn sleep ophield, en een beetje langer
leek dan mijn middelvinger; de twee anderen stonden aan weerszijden
van hem. Hij was uitstekend in de rol van een redenaar; en ik kon
nagaan sommige volzinnen met bedreigingen en andere met beloften,
medelijden en vriendelijkheid. Ik antwoordde in enkele woorden, maar
op de onderdanigste manier, terwijl ik mijn linkerhand en allebei mijn
oogen naar de zon ophief, alsof ik die tot getuige nam; en daar ik
nagenoeg dood van den honger was, want ik had geen stuk gegeten sinds
eenige uren voor ik van het schip ging, werd de natuur me zoo sterk,
dat ik niet laten kon mijn ongeduld te toonen (misschien een beetje
tegen de strenge regelen van welvoegelijkheid) door herhaaldelijk
mijn vinger aan mijn mond te brengen, om te kennen te geven, dat
ik eten noodig had. De Hurgo (want zoo noemen zij een groot heer,
zooals ik later vernam) begreep me volkomen. Hij ging van de stellage
af, en beval dat een aantal ladders tegen mijn zijden zouden gezet
worden, waar toen meer dan honderd van de inwoners boven-op klommen,
en naar mijn mond wandelden, allen beladen met manden vol vleesch,
dat aangevoerd en verzonden was op bevel van den koning, zoodra die
bericht omtrent mij ontvangen had. Ik merkte op, dat daar vleesch van
allerlei dieren was, maar kon ze niet door mijn smaak herkennen. Er
waren schouders, bouten en lendenstukken, gevormd als van schapen,
en uitstekend toebereid, maar kleiner dan leeuweriks-vleugels. Ik at
ze bij twee of drie in een mondvol, en nam drie brooden tegelijk,
elk zoowat van de grootte van een musketkogel. Zij voorzagen mij
zoo snel zij konden, en toonden duizend teekenen van verbazing
en ontzetting over mijn omvang en mijn eetlust. Toen gaf ik hun te
verstaan, dat ik drinken wou hebben. Aan mijn eten hadden zij gezien,
dat een kleine hoeveelheid niet genoeg voor me was; en, daar ze een
allervindingrijkst volk waren, heschen ze, met groote behendigheid,
een van hun grootste okshoofden op, rolden dat naar mijn hand en
sloegen er den boôm uit. Ik dronk het in één slok leeg, wat ook best
kon, want het hield geen halve pint, en het smaakte als een licht
Bourgondisch wijntje, maar veel lekkerder. Zij brachten me een tweede
okshoofd, dat ik net zoo uitdronk, en vroeg toen om meer; maar meer
hadden ze niet. Toen ik deze wonderen verricht had, schreeuwden zij
van pleizier, en dansten op mijn borst, en riepen verscheiden malen,
juist als zij in den beginne gedaan hadden, Hekinah degul. Zij
vroegen mij met teekens de twee okshoofden naar beneden te gooien,
maar vooraf waarschuwden zij het volk beneden uit den weg te gaan,
door te roepen Borach mivolah; en toen zij de vaten in de lucht zagen,
was er een algemeen geschreeuw van Hekinah degul. Ik moet zeggen,
dat ik dikwijls in de verzoeking kwam, terwijl zij zoo vooruit en
achteruit over mijn lichaam wandelden, veertig of vijftig, die het
eerst onder mijn bereik kwamen, op te grijpen en tegen den grond te
smijten. Maar de herinnering aan wat ik gevoeld had, wat waarschijnlijk
nog niet het ergste was wat ze doen konden, en ook mijn woord van
eer dat ik hun gegeven had--want als zoodanig beschouwde ik mijn
onderdanige gedragingen--dreven deze voornemens weg. Bovendien achtte
ik mij nu door de wetten der gastvrijheid verplicht aan dit volk, dat
mij met zooveel kosten en pracht onthaald had. Ondertusschen kon ik
mij in stilte niet genoeg verbazen over de stoutmoedigheid van deze
stervelingen in miniatuur, die het durfden wagen op mijn lichaam te
klimmen en er over heen te wandelen, terwijl een van mijn handen vrij
was, en niet al beefden bij het enkele zien van zoo'n monsterachtig
wezen, als ik toch voor hen moest zijn. Na eenigen tijd, toen zij
zagen dat ik niet meer om eten vroeg, verscheen vóór me een heer van
hoogen rang van wege Zijne Keizerlijke Majesteit. Zijne Excellentie
kwam, nadat hij eerst op den enkel van mijn rechterbeen geklommen was,
vooruit tot aan mijn gezicht, met zoowat een dozijn van zijn gevolg,
en terwijl hij zijn geloofsbrieven voor den dag haalde, voorzien
van het keizerlijk zegel, dat hij vlak bij mijn oogen hield, sprak
hij nagenoeg tien minuten zonder een blijk van boosheid, maar met
een soort van welbesloten vastberadenheid; daarbij wees hij telkens
vooruit, zooals ik later merkte, naar de hoofdstad, een halve mijl
daar vandaan, waarheen Zijne Majesteit in den raad besloten had dat ik
vervoerd zou worden. Ik antwoordde met een paar woorden, zoo maar wat,
en maakte een gebaar met de hand die los was, door daarmee eerst de
andere aan te raken (maar over het hoofd van Zijne Excellentie heen,
uit vrees dat ik hem of zijn gevolg bezeeren zou), en toen mijn eigen
hoofd en lichaam, om daarmede te kennen te geven, dat ik nu vrij wou
wezen. Het bleek dat hij me uitstekend begreep, want hij schudde zijn
hoofd afkeurend en hield zijn hand zoo, alsof hij wou uitdrukken,
dat ik als een gevangene moest vervoerd worden. Evenwel maakte hij
ook andere gebaren, om me te doen begrijpen, dat ik eten en drinken
genoeg zou krijgen en een heel goede behandeling. Toen dacht ik er nog
eens aan te beproeven mijn banden te breken; maar onder den indruk
van de pijn, die hun pijlen mijn gezicht en handen gedaan hadden,
die heelemaal stuk waren, en waar een heeleboel pijlen nog in staken,
en ook bemerkende, dat het aantal van mijn vijanden vermeerderde,
gaf ik door teekens te kennen, dat zij alles met mij doen mochten
wat zij wilden. Daarop vertrokken de Hurgo en zijn gevolg met veel
beleefdheid en opgeruimde gezichten. Spoedig daarna hoorde ik een
algemeen geschreeuw, met voortdurend herhalen van de woorden Peplom
selan; en ik voelde groote hoopen volk aan mijn linkerzijde de koorden
zooveel losmaken, dat ik in staat was mij naar rechts te draaien. Eerst
evenwel hadden zij mijn gezicht en mijn handen bestreken met een
soort van zalf, zeer aangenaam van geur, die, in een minuut of wat,
al de pijn van hun pijlen wegnam. Deze omstandigheden, samen met de
verfrissching die ik door hun eten en drinken, dat zeer voedzaam was,
ondergaan had, maakte mij geneigd een beetje te gaan slapen. Ik sliep
nagenoeg acht uur, zooals men mij later verzekerde; en dat was geen
wonder, want de geneesheeren hadden, op bevel van den Keizer, een
slaapdrank in de okshoofden wijn gemengd.
Het schijnt, dat onmiddellijk nadat ik op den grond slapende ontdekt
was, de Keizer door een bizonderen bode daar bericht van kreeg, en in
den raad besloot dat ik zou gebonden worden op de wijze, die ik verteld
heb (wat gedaan werd 's nachts, terwijl ik sliep); dat mij overvloed
van eten en drinken zou gezonden worden, en een werktuig gereed gemaakt
om mij te vervoeren naar de hoofdstad. Dit besluit zal misschien heel
baldadig en roekeloos lijken, en ik ben wel zeker dat geen vorst in
Europa het bij een soortgelijke gelegenheid zou navolgen. Toch was
het, naar mijn meening, bij uitstek voorzichtig zoowel als edelaardig,
want gesteld dat deze lieden getracht hadden mij in mijn slaap met hun
speren en pijlen te dooden, dan zou ik zeker door het eerste gevoel van
pijn ontwaakt zijn, wat mijn woede en kracht zóó had kunnen opwekken,
dat ik de koorden, waarmee ik gebonden was, gebroken en hun, die mij
niet weêrstaan konden, stellig geen genade geschonken had.
Deze lieden zijn zeer uitstekende wiskunstenaars, en hebben een groote
volkomenheid bereikt in het maken van werktuigen, daartoe opgewekt
en aangemoedigd door den Keizer, die een beroemd beschermheer van
wetenschappen is. Deze vorst heeft verscheiden werktuigen op wielen,
voor het vervoer van boomen en andere groote gewichten. Dikwijls bouwt
hij zijn grootste oorlogsschepen, waarvan sommige negen voet lang zijn,
in de bosschen waar het timmerhout groeit, en laat ze dan vervoeren
op die werktuigen, drie of vierhonderd el, naar zee. Vijfhonderd
timmerlieden en werktuigkundigen werden onmiddellijk aan het werk gezet
om het grootste werktuig dat zij hadden, in gereedheid te brengen. Dat
was een houten gestel, drie duim van den grond, zoowat zeven voet lang
en vier breed, dat zich voortbewoog op twee-en-twintig wielen. Het
geschreeuw, dat ik hoorde, ging op bij de aankomst van dit werktuig,
dat, naar het schijnt, vertrok vier uur na mijn landing. Het reed
tot waar ik lag, naast me. Maar de grootste moeielijkheid was nu
mij op te tillen en in dat voertuig te zetten. Tachtig palen, ieder
van een voet hoog, werden daartoe opgericht, en zeer sterke touwen,
van de dikte van pakgaren, met haken bevestigd aan een groot aantal
banden, die de werklieden om mijn hals, handen, lijf en beenen hadden
gewonden. Negenhonderd van de sterkste mannen werden gebruikt om die
touwen op te trekken, die met een groot aantal katrollen aan de palen
bevestigd waren; en zoo was ik in minder dan drie uur opgetild, in het
voertuig geheschen en daar vastgebonden. Dit werd me later allemaal
verteld; want gedurende die heele bewerking lag ik in een diepen
slaap, tengevolge van het drinken van den slaapdrank, die in mijn wijn
was. Vijftienhonderd van des Keizers grootste paarden, elk zoowat vier
en een halven duim hoog, werden gebruikt om mij naar de hoofdstad te
trekken, die, zooals ik al zei, een halve mijl verwijderd lag.
Omstreeks vier uur nadat wij onze reis begonnen waren, werd ik wakker
door een heel belachelijke gebeurtenis; terwijl het rijtuig nl. even
stilhield, omdat er iets aan in orde moest gebracht worden, hadden twee
of drie van de jonge inboorlingen de nieuwsgierigheid te willen zien
hoe ik eruit zag als ik sliep; zij klommen daartoe op het voertuig, en
toen ze heel zoetjes tot bij mijn gezicht waren gekomen, stak een van
hen, een officier van de garde, het scherpe eind van zijn handspeer
een goed end in mijn linker neusgat, wat mij een gevoel gaf of er
met een strootje in mijn neus gekriebeld werd, en me heel erg aan 't
niezen maakte; toen kropen zij onbemerkt weg, en het duurde drie weken,
eer ik wist hoe het kwam, dat ik zoo in eens wakker geworden was. Het
overige deel van dien dag maakten wij een langen marsch en hielden 's
nachts stil, met vijfhonderd man keurbenden aan weerszijden van mij,
de eene helft met toortsen en de andere met bogen en pijlen, gereed
om mij dood te schieten als ik mij bewegen dorst. Den volgenden dag,
met zonsopgang, zetten wij onzen tocht voort, en kwamen omstreeks den
middag tot op twee honderd el afstand van de stadspoorten. De Keizer
en zijn heele hof kwamen naar buiten om ons te ontmoeten, maar zijn
hoofdofficieren wilden in geen geval toestaan, dat Zijne Majesteit
zijn persoon in gevaar zou brengen door op mijn lichaam te klimmen.
Op de plaats waar het rijtuig stilhield stond een oude tempel, die
voor den grootsten in het heele koninkrijk gehouden werd, maar die,
daar hij voor eenige jaren door een onnatuurlijken moord bevlekt was,
door het volk, in zijn godsdienstijver, voor ontheiligd werd aangezien,
en daarom voor onheilig gebruik bestemd en van al zijn versierselen en
meubelen was ontdaan. In dit gebouw, was er bepaald, dat ik verblijf
zou houden. De groote poort, staande naar het noorden, was ongeveer
vier voet hoog en bijna twee voet breed, zoodat ik er lichtelijk door
kon kruipen. Aan weerszijden van de poort was een klein venster,
niet meer dan zes duim van den grond; door het linker brachten des
konings smeden een-en-negentig kettingen binnen, zooals in Europa
de dames aan hun horloges dragen en bijna even groot, die aan mijn
linkerbeen werden vastgemaakt met zes-en-dertig hangsloten. Tegenover
dien tempel, aan den anderen kant van den heerweg, op twintig voet
afstand, was een toren van minstens vijf voet hoog. Dien besteeg
de Keizer met de voornaamste heeren van het hof, om mij vandaar te
kunnen zien, zooals mij later verteld werd, want ik zag hem niet. Men
berekende dat meer dan honderdduizend inwoners uit de stad kwamen
met hetzelfde doel, en in weerwil van mijn bewakers, geloof ik,
dat er niet minder dan tienduizend achtereenvolgens geweest zijn,
die met behulp van ladders mijn lichaam bestegen. Maar spoedig werd
een proklamatie uitgevaardigd, waarbij dit op straffe des doods
verboden werd. Toen de werklieden ervan overtuigd waren dat het
mij onmogelijk was los te breken, sneden zij de koorden stuk, die
mij bonden; waarop ik opstond, zoo melankoliek als ik ooit in mijn
leven was geweest. Maar het geschreeuw en de verbazing van het volk,
toen het me opstaan en loopen zag, zijn niet te zeggen. De ketenen,
die mijn linkerbeen vasthielden, waren omstreeks twee el lang, en
lieten mij niet enkel vrij om achter- en vooruit in een halven cirkel
te wandelen, maar daar zij vier duim van de poort waren vastgemaakt,
ook om naar binnen te kruipen en lang-uit te liggen in den tempel.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Keizer van Lilliput, vergezeld van verscheidene edelen, brengt
den schrijver in zijn gevangenis een bezoek.--Beschrijving van
des Keizers persoon en kleeding.--Geleerden aangesteld om den
schrijver hun taal te leeren.--Hij raakt in gunst door zijn
zachtmoedigheid.--Zijn zakken worden onderzocht en zijn zwaard
en pistolen hem afgenomen.
Toen ik mij weer op mijn voeten voelde staan, keek ik om me heen, en
ik moet zeggen, dat ik nooit een aangenamer vergezicht gezien had. Het
land in de rondte zag er uit als één eindelooze tuin, en de omheinde
velden, die gemiddeld veertig voet in 't vierkant waren, leken even
zooveel bloembedden. Deze velden werden afgewisseld door bosschen van
een halve roede, en de hoogste boomen er in waren, voor zooveel ik
kon berekenen, zeven voet hoog. Aan mijn linkerhand zag ik een stad,
die eruit zag als een geschilderde dekoratief-stad in een schouwburg.
De Keizer was al van den toren afgeklommen en kwam te paard naar me
toe, wat hem bijna duur te staan was gekomen, want het dier, dat,
hoewel uitstekend gedresseerd, niet was afgericht op het zien van
een schepsel, dat wel een voor hem heenbewegende berg moest lijken,
steigerde achteruit; maar de vorst, die een uitmuntend ruiter is,
hield zich in 't zadel tot zijn gevolg kwam aanloopen en den teugel
greep, terwijl Zijne Majesteit afsteeg. Toen hij was afgestapt nam hij
me rondom op met groote verwondering, maar hij bleef op een afstand
van iets meer dan de lengte van mijn keten. Hij gaf zijn koks en
schenkers, die al gereed stonden, bevel mij voedsel en drank te
geven, dat zij vooruitreden in een soort wagentjes op wielen, tot
ik erbij kon. Ik nam die wagentjes en maakte ze al heel gauw leêg;
twintig waren gevuld met vleesch en tien met drank; elk van de eerste
hield twee of drie goede mondvollen in; en een hoeveelheid drank
van tien vaten, die in aarden kruikjes bewaard werd, ledigde ik in
een wagentje, en dronk dat in één slok uit; zoo deed ik met al den
drank. De Keizerin en de jonge prinsen en prinsessen van den bloede,
vergezeld door verscheiden dames, zaten op eenigen afstand in hun
draagstoelen, maar zoodra dat geval met het paard van den Keizer
gebeurde, stapten zij uit en kwamen naar hem toe. Deze Keizer is van
een voorkomen als ik nu zal gaan beschrijven. Hij is hooger, haast
een nagelbreedte, dan iemand van zijn hof, wat alleen al voldoende
is om allen die hem zien eerbied in te boezemen. Zijn trekken zijn
sterk en mannelijk, met een Oostenrijksche lip en een gewelfden neus;
zijn gelaatstint olijfachtig, zijn houding flink recht, zijn lichaam
en leden goed van evenredigheden, al zijn bewegingen bevallig, zijn
optreden vorstelijk. Hij was toen van middelbaren leeftijd, daar hij
acht-en-twintig en drie kwart jaar oud was, waarvan hij ongeveer zeven
voorspoedig geregeerd had, en haast altijd zegevierend. Om hem meer
op mijn gemak te bekijken, lag ik op mijn zij, zoodat mijn gezicht
evenwijdig aan het zijne was, en hij stond maar drie el van me af;
bovendien heb ik hem later meermalen in mijn hand gehad, zoodat
ik mij in mijn beschrijving niet vergissen kan. Zijn kleeding was
zeer eenvoudig en zonder versierselen, en hield het midden tusschen
de Aziatische en de Europeesche; maar op zijn hoofd had hij een
lichten helm van goud, getooid met juweelen, en een pluim op den
kam. Hij hield zijn bloot zwaard in de hand om zich te verdedigen
als ik los mocht breken; het was bijna drie duim lang, het gevest
en de scheê waren van goud met diamanten bepronkt. Zijn stem was
schel, maar zeer helder en verstaanbaar, en ik kon haar duidelijk
hooren als ik rechtop stond. De dames en hovelingen waren allen
allerprachtigst gekleed, zoodat de plaats waar zij stonden wel een
vrouwerok geleek, geborduurd met gouden en zilveren figuurwerk, op den
grond uitgespreid. Zijn Keizerlijke Majesteit sprak dikwijls tot mij
en ik gaf ook antwoord, maar geen van tweeën konden wij een syllabe
verstaan. Er waren verscheidene van hun priesters en rechtsgeleerden
(want daar hield ik ze voor naar hun kleeding) tegenwoordig, wien
bevolen werd mij aan te spreken, en ik sprak tot hen in al de talen,
waar ik maar het minste mondje van machtig was, namelijk Hoog- en
Laag-Duitsch, Latijn, Fransch, Spaansch, Italiaansch, en Lingua Franca,
maar alles zonder gevolg. Na twee uur ongeveer verwijderde zich het
hof, en ik bleef achter met een sterke wacht om de brutaalheid en
waarschijnlijk ook de kwaadwilligheid te verhinderen van het gepeupel,
dat ongeduldig drong om mij te zien van zoo nabij als het durfde,
en waarvan eenigen zelfs de onbeschaamheid hadden, terwijl ik op den
grond zat voor de deur van mijn huis, hun pijlen op mij af te schieten,
waarvan het niet veel scheelde of een had mijn linkeroog geraakt. Maar
de kolonel beval dat zes van de belhamels zouden gevat worden, en
oordeelde dat geen straf zoo geschikt was als hen gebonden in mijn
handen over te leveren, wat sommigen van zijn soldaten dan ook deden,
door hen met de achtereinden van hun speren tot binnen mijn bereik
te duwen. Ik nam ze allen in mijn rechterhand, stak er vijf in mijn
jaszak, en toen, tegen den zesde trok ik een gezicht of ik hem levend
wou opeten. De arme man schreeuwde verschrikkelijk, en de kolonel en
zijn officieren zaten er erg meê in, vooral toen ze mij mijn pennemes
zagen uithalen; maar ik hielp hen gauw uit de bangigheid, want terwijl
ik weer vriendelijk ging kijken, en dadelijk de koorden doorsneed,
waarmee hij gebonden was, zette ik hem zoetjes op den grond, en weg
was hij. Ik behandelde de rest net zoo, terwijl ik ze één voor één
uit mijn zak haalde, en ik merkte dat èn de soldaten èn het volk
hoogelijk waren ingenomen met dat blijk van mijn lankmoedigheid,
wat ook aan het hof erg in mijn voordeel werd voorgesteld.
Tegen den nacht geraakte ik met eenige moeite weer in mijn huis,
waar ik op den grond lag, en hield dat vol ongeveer veertien dagen,
in welken tijd de keizer bevolen had dat een bed voor mij gereed
moest zijn. Zeshonderd bedden van de gewone afmetingen werden in
voertuigen aangebracht en mijn huis binnengewerkt; honderd vijftig
van hun bedden aan elkaar genaaid vulden de lengte en breedte, en
de dikte was van vier bedden, wat evenwel nog maar tamelijk weinig
gaf tegen de hardheid van den vloer, die van effen steen was. Naar
dezelfde berekening voorzagen ze mij van lakens, dekens en spreien,
tamelijk voldoende voor iemand, als ik, die zoolang aan ontberingen
was gewoon geweest.
Toen het nieuws van mijn aankomst door het koninkrijk werd verspreid,
kwamen er ongelooflijke aantallen rijke, luie en nieuwsgierige
menschen om me te zien, zoodat de dorpen bijna leeg waren; en een
groote verwaarloozing van bedrijf en huishoudelijke zaken zou daarvan
het gevolg geweest zijn, als Zijne Keizerlijke Majesteit niet, door
verscheidene proklamaties en bevelschriften, in dien onhoudbaren
toestand had voorzien. Hij beval dat zij die mij al gezien hadden,
naar huis terug zouden keeren, en het niet wagen binnen vijftig
el van mijn huis te komen zonder vergunning van het hof; wat den
staats-secretarissen belangrijke voordeelen verzekerde.
Intusschen belegde de Keizer gedurig zijn raad, om te bespreken wat
er met mij gedaan zou worden; en mij werd later verzekerd door een
bizonderen vriend van mij, een persoon van hoogen rang, die geacht
werd in 't geheim te zijn zoo goed als de beste, dat het hof zich in
groote ongelegenheid bevond en niet wist wat het met me moest doen. Zij
vreesden dat ik zou losbreken; dat mijn onderhoud erg kostbaar zou
wezen, dat het een hongersnood zou veroorzaken. Nu eens besloten ze mij
te laten doodhongeren, of voor 't minst, mij met vergiftigde pijlen in
gezicht en handen te schieten, die mij gauw uit den weg zouden helpen,
maar dan weer bedachten zij dat de rotting van zoo'n groot lijk een
pest in de hoofdstad zou aansteken, en waarschijnlijk het geheele rijk
vergiftigen. Te midden van deze beraadslagingen kwamen verscheidene
officieren van het leger aan de deur van de groote raadskamer, en
toen twee van hen waren toegelaten, gaven die een verslag van mijn
boven beschreven manier van handelen met de zes misdadigers, dat
zoo'n gunstigen indruk maakte op Zijne Majesteit, en den geheelen
raad zoo gunstig voor mij stemde, dat een keizerlijke commissie
werd saamgesteld die al de dorpen negenhonderd el in omtrek rondom
de hoofdstad verplichten moest, iederen morgen zes ossen, veertig
schapen, en andere levensmiddelen voor mijn onderhoud te leveren;
gezamenlijk met een daaraan evenredige hoeveelheid brood en wijn en
andere dranken; wat alles naar behooren door Zijne Majesteit betaald
zou worden in schuldbrieven op zijn schatkist:--want deze vorst leeft
hoofdzakelijk van zijn eigen domeinen, en heft zelden, dan alleen bij
groote gelegenheden, eenige belasting van zijn onderdanen, die alleen
verplicht zijn hem in zijn oorlogen op eigen kosten te volgen. Er
werden ook zeshonderd personen tot mijn bedienden aangesteld, die
kost en loon kregen voor hun onderhoud, en voor wie tenten gebouwd
werden, heel geriefelijk aan weerszijden van mijn deur. Ook werd
bepaald dat driehonderd kleermakers mij een pak kleeren zouden
maken, naar lands-fatsoen; dat zes van Zijner Majesteits grootste
geleerden zouden worden benoemd om mij in hun taal te onderwijzen,
en ten laatste, dat des Keizers paarden, en die van den adel en de
gardetroepen, gedurig in mijn nabijheid zouden geoefend worden om aan
mij gewend te raken. Al die bevelen werden naar behooren uitgevoerd;
en in nagenoeg drie weken maakte ik groote vorderingen in 't leeren
van hun taal; gedurende welken tijd de Keizer mij herhaaldelijk met
zijn bezoeken vereerde en er behagen in vond mijn meesters te helpen
in hun onderricht. Wij begonnen al eenigszins samen te praten, en
de eerste woorden die ik leerde waren om mijn wensch uit te drukken,
dat hij mij mijn vrijheid mocht weergeven; dien ik elken dag op mijn
knieën herhaalde. Zijn antwoord was, zooals ik wel gevreesd had, dat
dit een zaak van tijd was, en dat hij er niet aan denken kon zonder
zijn raad te hooren, en dat ik eerst moest lumos kelmin pesso desmar
lon emposo, dat is: zweren met hem en zijn rijk vrede te houden. Dat
ik evenwel met alle goedheid zou behandeld worden. En hij raadde mij,
door geduld en een passend gedrag de goede gezindheid van hemzelf en
zijn onderdanen te verwerven. Hij vroeg of ik het niet kwalijk zou
nemen, als hij sommigen geschikten beambten last gaf mij te doorzoeken,
want 't zou kunnen zijn dat ik verscheidene wapenen bij mij droeg,
die stellig heel gevaarlijk moesten zijn, als ze overeenkwamen met den
omvang van zoo'n ontzaglijk persoon. Ik zeide dat aan Zijner Majesteits
wensch zou voldaan worden, want dat ik bereid was mij heelemaal uit te
kleeden en mijn zakken voor hem om te keeren. Ik bracht er dat uit,
half in gebaren, half in woorden. Hij antwoordde, dat ik volgens de
wetten van het rijk onderzocht moest worden door twee beambten; dat hij
wist dat dit niet gebeuren kon zonder mijn toestemming en hulp: dat
hij zoo een goeden dunk had van mijn edelmoedigheid en billijkheid,
dat hij hunne personen in mijn handen vertrouwde; dat al wat ze
mij afnamen, mij zou worden teruggegeven als ik het land verliet,
of betaald met den prijs, dien ik zelf ervoor vragen zou. Ik nam toen
de twee beambten in mijn handen, stak ze eerst in mijn jaszakken, en
daarna in iederen zak, dien ik aan me had, behalve in mijn twee kleine
zakjes in den band van mijn broek, en een ander geheim zakje, dat ik
liever niet wou laten doorsnuffelen, omdat ik er kleine benoodigdheden
in had, die voor niemand dan mezelf van belang waren. In een van mijn
broekband-zakjes was een zilveren horloge, in het andere een kleine
hoeveelheid goud in een beurs. Deze heeren, die pen, inkt en papier bij
zich hadden, maakten een nauwkeurigen inventaris van al wat zij zagen;
en toen ze klaar waren, vroegen zij mij hen op den grond te zetten,
opdat ze hem aan den Keizer konden overhandigen. Dien inventaris
vertaalde ik later in 't Engelsch; hij is woordelijk als volgt:
"Imprimis. In den rechter jaszak van den grooten man-berg, (want
zoo vertaal ik de woorden quinbus flestrin) vonden wij, na het
nauwkeurigste onderzoek, niets dan een groot stuk ruwe lap, groot
genoeg voor vloerkleed in Uwer Majesteits grootste statievertrek. In
den linkerzak zagen wij een zware zilveren kist, met een deksel van
hetzelfde metaal, dat wij niet in staat waren op te lichten. Wij
zeiden hem, die kist te openen, en een van ons bevond zich, toen hij
er in stapte, tot de knie in een soort van stof, waarvan een gedeelte,
dat ons in 't gezicht vloog, ons een keer of wat achter elkaar niezen
deed. In zijn rechter vestjeszak vonden we een ontzaglijken bundel
witte dunne stof, over elkaar gevouwen, van omstreeks den omvang
van drie mannen, met een sterken kabel saamgebonden, en beteekend
met zwarte figuren, waarvan wij onderdaniglijk vermoeden dat ze
geschriften zijn, iedere letter bijna half zoo groot als onze
handpalm. In den linkerzak was een soort werktuig, met een rug,
waarvan twintig lange palen uitstaken, gelijkende op de palissaden
voor Uwer Majesteits paleis; waarmee wij vermoeden dat de man-berg
zijn hoofd kamt; want wij hebben hem niet telkens geplaagd met vragen,
omdat wij het zoo moeielijk vonden ons door hem te doen verstaan. In
zijn grooten zak, aan den rechterkant van zijn midden-bedeksel (zoo
vertaalde ik het woord ranfu-lo, waarmee ze mijn broek bedoelden)
zagen we een hollen pijler, van ijzer, van de lengte ongeveer van een
man; en aan een zij van den pijler staken groote stukken ijzer uit,
in vreemde figuren gesneden, waarvan we niet wisten wat we ervan
moesten maken. In den linkerzak nog zoo'n werktuig. In den kleineren
zak, rechts, waren verscheidene ronde, platte stukken wit en rood
metaal van verschillende grootte; sommige witte, die wel zilver leken,
waren zoo groot en zwaar, dat mijn makker en ik ze nauwelijks konden
optillen. In den linkerzak waren twee onregelmatig gevormde pilaren:
staande op den bodem van zijn zak konden wij niet zonder moeite
den top ervan aanraken. Een ervan was dicht en leek uit één stuk;
maar boven aan den anderen scheen een wit rond voorwerp uit, van
zoowat tweemaal de grootte van ons hoofd. In elk van deze was een
ontzaglijke stalen plaat bevat, die wij hem bevalen ons te laten zien,
omdat wij vreesden dat het gevaarlijke werktuigen zijn zouden. Hij
nam ze uit hun scheden en vertelde ons, dat hij in zijn land gewoon
was, met de eene zijn baard te scheren en met de andere zijn vleesch
te snijden. Er waren twee zakken waar we niet in konden, die noemde
hij zijn broekband-zakjes; dit waren twee groote insnijdsels in den
top van zijn middenbekleedsel, maar dichtgesloten door de drukking van
zijn buik. Uit het rechter zakje hing een groote zilveren ketting, met,
aan het eind, een wonderlijk soort werktuig. We zeiden hem, dat wat aan
't eind van dien ketting was eruit te halen, en dit bleek een bol te
zijn, half van zilver en half van 't een of ander doorschijnend metaal;
want op de doorschijnende zij zagen we in de rondte een soort vreemde
figuren, en dachten, dat wij die konden aanraken; maar bevonden,
dat onze vingers werden tegengehouden door een soort doorschijnende
zelfstandigheid. Hij hield dit werktuig aan onze ooren, en dit maakte
een aanhoudend gedruisch als een watermolen: en wij gelooven dat het
òf een onbekend soort beest òf de god van den man-berg is; schoon we
meer het laatste geneigd zijn te gelooven, want hij verzekerde ons,
(als we hem wel verstonden, want hij drukte zich heel gebrekkig uit)
dat hij zelden iets deed zonder het te raadplegen. Hij noemde het
zijn orakel, en zei dat het den tijd voor elke daad van zijn leven
aanwees. Uit het linker zakje nam hij een net, bijna groot genoeg
voor een visscher, maar zoo ingericht, dat het open en dicht kon als
een beurs, en dat hij daar ook voor gebruikte: daarin vonden wij een
aantal zware stukken van geel metaal, die als ze wezenlijk goud zijn,
onmetelijk veel waard moeten wezen.
"Toen wij aldus, gehoorzaam aan de bevelen van Uwe Majesteit, al zijn
zakken hadden doorzocht, bespeurden wij om zijn middel een gordel,
gesneden uit de huid van een of ander ontzaglijk gedrocht, waar, aan
de linkerzijde, een zwaard van de lengte van vijf mannen in hing; en
rechts een zak of tasch in twee cellen verdeeld, waarvan ieder twee
of drie van Uwer Majesteits onderdanen kon inhouden. In een van die
cellen waren verscheiden ballen of kogels, van een verbazend zwaar
metaal, zoowat zoo groot als onze hoofden, en men moest een sterke
kerel zijn om het op te tillen, de andere cel bevatte een hoop zwarte
korrels, maar van geen grooten omvang of zwaarte, want wij konden
meer dan vijftig in onze handpalm houden. Dit is een nauwkeurige
inventaris van wat we vonden op het lichaam van den man-berg, die
ons behandelde met groote beleefdheid en met den eerbied, aan Uwer
Majesteits commissie verschuldigd.
"Geteekend en van ons zegel voorzien den vierden dag van de
negen-en-tachtigste maan van Uwer Majesteits heilrijke regeering.
"CLEFSEN FRELOCK, MARSI FRELOCK".
Toen deze inventaris den Keizer was voorgelezen, beval hij mij,
ofschoon in de minzaamste termen, die verschillende voorwerpen af te
geven. Eerst vroeg hij om mijn sabel, die ik voor den dag haalde met
scheê en al. Ondertusschen beval hij drieduizend man keurbenden (die
hem toen vergezelden), mij te omringen op een afstand, met hun pijlen
en bogen, gereed om af te schieten, maar ik lette daar niet op, want
mijn oogen waren alleen op den Keizer gevestigd. Hij beval mij toen
de sabel te trekken, die, ofschoon zij een beetje geroest was door
het zeewater, toch nog voor 't grootste deel geweldig schitterde. Ik
deed het en onmiddellijk gaven al de troepen een schreeuw evenzeer
van schrik als van verrassing, want de zon scheen helder en de
weerkaatsing verblindde hun oogen, toen ik de sabel heen en weer
wuifde in mijn hand. Zijne Majesteit, die een uiterst moedig vorst
was, was minder ontsteld dan ik verwachten kon; hij beval mij haar
weer in de schede te steken en zoo zacht ik kon haar op den grond
te werpen, tot ongeveer zes voet van 't eind van mijn keten. Het
volgende voorwerp dat hij vroeg was een van de holle ijzeren pilaren,
waarmee hij mijn zakpistool bedoelde. Ik haalde het uit en verklaarde
hem, op zijn verlangen, zoo goed ik kon, het gebruik ervan; daarna
laadde ik het alleen met kruit, dat, door de dichtheid van mijn
tasch, toevallig niet nat was geworden van 't zeewater (een ongemak,
waartegen alle voorzichtige zeevaarders zich met zorg voorzien), en
nadat ik eerst den Keizer gewaarschuwd had niet te schrikken, schoot
ik het af in de lucht. De ontsteltenis hierover was veel grooter
dan die bij het zien van mijn sabel. Honderden vielen neer alsof ze
waren doodgeslagen; en zelfs de Keizer, schoon hij zich goed hield,
kon toch de eerste oogenblikken niet tot zichzelf komen. Ik gaf mijn
beide pistolen op dezelfde wijs over als ik de sabel gedaan had, en
toen kruitzak en kogels; terwijl ik verzocht dat de eerste van het
vuur zou worden verwijderd gehouden, want dat hij van de kleinste vonk
zou vlam vatten en het keizerlijk paleis doen in de lucht vliegen. Ik
gaf ook mijn horloge af, dat de Keizer heel benieuwd was te zien,
en dat hij twee van zijn grootste garde-soldaten beval aan een paal
op hun schouders te dragen, zooals brouwersknechten in Engeland een
vat bier doen. Hij was verbaasd over het onophoudelijk lawaai dat het
maakte, en over de beweging van den minuutwijzer, dien hij gemakkelijk
onderscheiden kon; want hun gezicht is veel scherper dan het onze, en
vroeg de meeningen van zijn geleerden erover, die, zooals de lezer wel
gelooven zal zonder dat ik ze opnoem, erg verscheiden en vaag waren;
bovendien kon ik ze niet heel goed verstaan. Toen gaf ik mijn zilver-
en kopergeld af; mijn beurs met negen groote stukken goud en een paar
kleinere; mijn zak- en scheermes, mijn kam en zilveren snuifdoos,
mijn zakdoek, en mijn dagboek. Mijn sabel, pistolen en kruitzak
werden in karren naar de magazijnen van Zijne Majesteit gebracht;
maar de rest van mijn goederen werd mij teruggegeven.
Ik had, zooals ik vroeger deed opmerken, een geheim zakje, dat ze niet
vonden; daar had ik in: een bril (die ik soms gebruik, omdat ik zwakke
oogen heb), een zak-teleskoop, en verscheidene andere kleinigheden;
die ik, omdat zij voor den Keizer van geen belang waren, mij niet
verplicht rekende, aan te wijzen, en die ik ook vreesde dat verloren
of bedorven zouden worden als ik ze uit mijn handen gaf.
DERDE HOOFDSTUK.
De schrijver vermaakt den Keizer en den adel van beiderlei geslacht
op een zeer ongewone manier.--Beschrijving van de vermaken aan
het hof van Lilliput.--De schrijver verkrijgt zijn vrijheid op
zekere voorwaarden.
Mijn zachtzinnigheid en goed gedrag hadden zulk een goeden indruk
op den Keizer en zijn hof, ja ik mag wel zeggen op het leger en het
volk in het algemeen gemaakt, dat ik de hoop ging koesteren binnenkort
in vrijheid te worden gesteld. Ik deed al wat ik kon om die gunstige
gezindheid te doen toenemen. De inboorlingen begonnen langzamerhand
minder gevaar van mij te duchten. Soms ging ik op den grond liggen,
en liet vijf of zes van hen dansen op mijn hand; en eindelijk waagden
de jongens en meisjes het zelfs in mijn haar verstoppertje te gaan
spelen. Ik was nu ook al vrij ver in het verstaan en spreken van hun
taal. De Keizer kreeg het eens op een dag in den zin mij te vermaken
met een paar nationale spelen, waarin ze alle volken, die ik ken,
overtreffen door pracht en behendigheid. Geen spel vermaakte me zoo
als dat van de koorddansers, dat werd uitgevoerd op een dunnen witten
draad, ongeveer twee voet twaalf duim boven den grond gespannen. Als
de lezer geduld heeft zal ik daar een beetje over uitweiden.
Deze vermakelijkheid wordt alleen uitgevoerd door zulke personen,
als belust zijn op hofgunst en voorname betrekkingen. Ze worden
in die kunst geoefend van hun jeugd aan en zijn niet noodzakelijk
van adel of goede opvoeding. Als een groote betrekking openkomt,
door dood of ongenade (wat dikwijls gebeurt), verzoeken vijf of zes
kandidaten Zijne Majesteit en het hof te mogen vermaken met een dans
op de koord; en wie het hoogst springt zonder te vallen, krijgt de
betrekking. Heel dikwijls moeten zelfs de eerste ministers hun kunst
toonen, om den Keizer te overtuigen dat ze nog even knap als vroeger
zijn. Van Flimnap, den minister van financiën, is het bekend dat
hij een sprong maakt op de gespannen koord, van minstens een duim
hooger dan iemand anders in het heele rijk. Ik heb hem verscheidene
malen achter elkaar kopje-over zien doen op een bordje bevestigd
op een koord, niet dikker dan gewoon Engelsch pakgaren. Mijn vriend
Reldresal, eerste geheimschrijver, is, naar mijn meening, als ik niet
partijdig ben, de tweede na den minister van finantiën; de overige
grootwaardigheidsbekleeders zijn tamelijk wel van dezelfde kracht.
Deze vermakelijkheden loopen dikwijls niet af zonder noodlottige
ongevallen, waarvan heel wat voorbeelden verteld worden. Ik zelf heb
twee of drie kandidaten een arm of been zien breken, maar het grootst
is het gevaar, als den ministers zelf gelast wordt hun behendigheid
te toonen; want door hun angst om zichzelf en hun mededingers te
overtreffen, spannen zij zich zóó in, dat nauwelijks één onder hen
niet één keer en verscheidene twee of drie keer gevallen zijn. Men
verzekerde mij dat een jaar of twee voor mijn aankomst, Flimnap
ontwijfelbaar zijn nek zou hebben gebroken als niet een van de
keizerlijke kussens, dat toevallig op den grond lag, de kracht van
zijn val had verzwakt.