„iemand van indrukwekkend en edel uiterlijk. Ik heb nog nimmer zulk
een eigenaardig gelaat bekeken. Er zijn verscheidene portretten
van Napoleon, die vrijwel gelijken; maar wat niemand heeft kunnen
weergeven.... 't waren zijn betooverenden glimlach en den indringenden
blik van zijn oogen. Zijn gelaatstrekken bleven altijd zeer mooi,
ondanks de vreemde bleekte en zekere koelheid soms. Zijn manieren waren
zacht.”
Nu zijn de feiten omtrent de afsnijding van hem en het leven van 't
jonge koningtje zóó. De Engelschen weigerden hem ieder bericht omtrent
zijn kind. Hij wou alles weten van zijn bestaan, zijn doen. Men zweeg.
Slechts voor zijn zeer intieme omgeving op St. Helena, tegen de
Montholon's sprak hij bij zeldzame gelegenheid even een brandend woord
van zijn smachten naar dit kind.
[Illustration: MARIA LOUISE
Schilderij van Gérard.]
In zijn wegkwijnende veroudering op de mistige St. Helena-rotsen waren
zijn slapelooze nachten vooral van een helschen, martelenden duur en
eindeloosheid. Tot Gourgaud, de eerzuchtige en humeurige Gourgaud
zegt hij: „Gij klaagt en jammert.... Bekijk mij eens.... bedenk mijn
slapelooze nachten en daarin mijn ellende! Gelooft ge dat ook ik helsche
uren doorleef, als ik bedenk wie ik was en wie ik nu ben, van alles
afgescheurd!”
Even voor zijn dood is hij van een grootsche zelfbeheersching. Het uur
komt waarop hij zijn testament wil maken, alleen tezaam met Comte de
Montholon. Hij wil rusten tusschen de Seine-oevers. Een hartverscheurend
oogenblik nadert, als hij zich, hijgende van benauwdheid en inspanning
moet uitspreken over het lot van zijn achterblijvend kind, dat te
midden van zijns vaders lasterende vijanden opgroeit, en de Weensche
hofatmospheer inademt; als hij het lot bepeinst van dit dierbare
tienjarig knaapje, zijn bloed, zijn alles. Napoleon was getrouwd met
Maria Louise, dochter van den Oostenrijkschen Keizer Frans. Maria
Louise's persoonlijkheid kan ik hier niet behandelen. Toch moet haar
gedrag tegenover den grooten man, met enkele woorden gekarakteriseerd.
Het was monsterachtig, wreedaardig en weerzinwekkend zelfzuchtig. Ze
heeft de tragische grootheid van haar gemaal met een harte-kilheid
beoordeeld, zooals men ze niet erger van een vijand verwachten mag. Dat
zij, tijdens Napoleon's leven bijzit werd van Graaf Neipperg, 't deert
ons niet. Ze heeft nooit wezenlijk van Napoleon gehouden. Bovendien,
intiem-persoonlijke aangelegenheden kunnen ons niet ter beoordeeling
verlokken. De daad, in haar subtielsten oorsprong, ontgaat meestal den
buitenstaander. Maar voor iedereen en geheel controleerbaar feit is haar
schandelijke en openlijke verwaarloozing van Napoleon _na_ zijn val.
Eens toch was zij zijn vrouw, ving ze mee óp de schittering van zijn
roem. Ze hadden een zoon. Ze wist dat het Napoleon's oogappel was.
Had zij nu Bonaparte niet moeten probeeren te naderen, of een enkel
troostwoord toeroepen, ook al had ze hem niet lief als echtgenoot? Had
zij die schriklijk-sombere eentonigheid der St. Helena-gevangenschap
niet met een énkel zoet of zacht woord van meelevend herinneren moeten
breken? Altijd hoorde hij in de stille avonden de zee-branding tegen
de rotskusten; nooit, nooit een ander geluid, een andere stem.... En
daar, in het glanzende hofleven.... zijn vrouw kommerloos lachend, en
genietend.... het stemmetje van zijn argeloos kind erneven....
Ze heeft nimmer het geringste levensteeken gegeven, noch één troostwoord
gesproken. In zelfzuchtige genots-bedwelmingen laat zij zich bevleien
door den baron, haar minnaar, en ze lastert mee op haar man mèt de
lasterende en hoonend-spottende vijanden.
En Napoleon, zonder één wrevelig woord, wachtte op, snakte naar dit
levensteeken. Maar de zee bleef druischen, eeuwig druischen, hetzelfde
donkere gezang tegen de rotsen en bazaltblokken. En in zijn krot,
riekend naar stallucht en schimmel, sprongen de vette ratten met hupsche
sprongen over zijn beenen.
Geen tragiek?
En op het uur nu, kort voor zijn dood, stelt hij zijn testament. Het
vreeselijk-bleeke en ingezonken gelaat start in hevige droefheid. Hij
mijmert en aarzelt vóór hij Montholon verder dicteert. Eindelijk werkt
de haperende stem zich los uit de hevige ontroering, overwint hij smaad,
krenkings-gevoel en verbitterd na-peinzen.... verzoekt hij te schrijven:
„Ik kan mijn voortdurende tevredenheid betuigen over mijn dierbare
echtgenoote, Maria Louise, en in haar bescherming beveel ik mijn kind
aan. Voor haar zelve, voel ik tot op dit laatste uur niets dan teedre en
innige gevoelens.”
Ik heb dit gedeelte van zijn testament nooit met droge oogen
kunnen lezen. Het is zoo ontzettend-ingehouden smartelijk en zoo
gróót-menschelijk van beheersching. En op een ander plan van
gewaarworden, geeft het gelijksoortige ontroeringen als het
groot-menschelijk geschreven testament van Beethoven, dat ook een
geweldig brok levenstragiek saamvat in zijn droefste vormen.
* * * * *
Nu kan men nog zeggen, dat de teederheid van Napoleon alleen door de
doodsuren was ingegeven, diepte en duur miste. Maar lees dan hoe
Napoleon zich tegenover de onbeteekenende en onwaardige vrouw Louise
gedroeg, tijdens zijn glorie en erkend keizerschap van Frankrijk.
Coulaincourt verklaart dat al zijn aandacht en oplettendheid naar haar
ging.
Champagny verklaart, dat al zijn fijnste aandacht onafgebroken naar de
keizerin ging.
* * * * *
Er zijn nog vele getuigenissen meer te geven van zijn kieschheid,
bewondering, liefde en ontzag, welke hij Maria Louise toonde. Zelfs
Metternich getuigt gretig mede. En 't allermeest, in haar eerste
huwelijks-correspondentie.... Maria Louise zelve, bekentenissen van
liefde, overgave en geluksvervoeringen, welke niet meer konden te niet
gedaan worden door latere woorden: „eigenlijk heb ik voor Napoleon nooit
wezenlijk teedere gevoelens gekoesterd.” Dat waren de kille woorden van
de beangste bijzit van generaal Neipperg, geheel in strijd met haar
eigen, ongedwongen gegeven getuigenissen van huwelijksgeluk aan haar
vriendinnen. Het is Levy die dit feit in zijn boek over Napoleon
voortreffelijk doet gevoelen.
* * * * *
En nu, Napoleon's eigen tragisch leven op St. Helena.
Allereerst dan de boosaardige kwellingen die hij te dulden en te
verduren had van Hudson Lowe, den menschelijken waakhond van Napoleon.
Over dezen man is veel geschreven, zelden iets wezenlijk-verdedigends.
Ik wil me niet in bizonderheden verdiepen over den krassen kommandant
van St. Helena, wat den oorsprong van zijn haat aan Napoleon betreft. Ik
constateer slechts daden, en hun verderfelijke krenking van Napoleon's
rust.
Zoo goed als Maria Louise zekere stoutzinnige verdedigers of goedpraters
van haar daden vond, o. a. in Fournier, „Maria Louise et la chute de
Napoléon,” en zelfs de krijgshaftig zwarte lappen voor de oogen dragende
baron Neipperg, zoo goed kreeg op zijn beurt, ook Hudson Lowe zijn
pleiters van verzachtende omstandigheden. Onder meer het boek van Seaton
„Napoleon's captivity in relation to Sir Hudson Lowe.” Ook Edmond
Meyer neemt het voor Hudson Lowe op, wat de noodzakelijkheid zijner
waakzaamheid betrof. Bovendien behooren de rapporten van Balmuin nog
genoemd, den Russischen commissaris, aan zijn toenmalige regeering
overlegd. En dan nog dient gememoreerd wat Forsyth ter verdediging van
Hudson Lowe, den kwelgeest van den onttroonden keizer, in het midden
heeft gebracht.
Seaton vooral is door Paul Fremeaux aangepakt. Eerst Fremeaux door
Seaton, Hudson Lowe's verdediger, en toen, op onbarmhartige maar zeer
gedocumenteerde wijze, Seaton door Fremeaux, een der grootste, zoo niet
de grootste kenner van alles wat betrekking heeft op Napoleon's leven te
Sint Helena. Eerst toont geestig Fremeaux aan, dat de twéé verdedigers
van Hudson Lowe slechts één persoon zijn, onder twee namen werkend.
Forsyth en Seaton zijn dezelfde. Het voortreffelijk en gevoelig, toch
zeer zuiver geschreven werk van Fremeaux lijkt mij het boeiendste
boek over St. Helena gepubliceerd en maakt den indruk van volkomen
betrouwbaarheid en met groote zaakkennis bearbeid te zijn. Toch, alweer,
het beste is, eigen indrukken, na alle gegevens omtrent personen en
handelingen te hebben bestudeerd, aan eigen gevoel te toetsen. En
dan maakt Hudson Lowe een vreeselijken indruk. Een dwarse, trotsche,
domme tergnatuur, van al het geniale en spontaan-groote afkeerig uit
afgunstigen wrok; wrok der middelmatigheid tegen geestelijk-machtigen.
Hudson Lowe heeft Napoleon duldeloos gesard, onbeschoft behandeld en
grovelijk beleedigd. Hij heeft hem _in_ zijn val op smadelijk-plompe en
harteloos-onhebbelijke wijze, ieder uur van zijn vulgair cipierschap,
_aan_ dien val herinnerd. Hudson Lowe heeft al de tragische
grootheid,--ook in zijn ongeluk bleef Bonaparte een reus,--van Napoleon
bezoedeld met zijn bureaucratische douanen-gestrengheid, en geen minuut
verzuimd, zijn kleine, bekrompen cipiersziel te toonen, als hij maar den
„generaal” kon kwetsen en kleinhouden. Hij heeft van zijn laffe, maar
veilige overmacht zich klaar bewust, een geslagene en gebondene afgemat
en getergd met schandelijk-onkiesche en wee-opdringerige contrôle.
Zooals een opzichter van een drukke week-markt in een provinciestadje de
baas speelt over boeren en buitenlui, met zijn officieel petje op den
lompen kop, zich bluffend-lekker voelt met zijn rijks-gezag, zoo, even
bekrompen en opgeblazen en stom-aanmatigend, voelde zich de gouverneur
van St. Helena tegenover den gevangen Napoleon. Met een haveloos
verstand tastte hij diens rang en grootheid aan, en de grievendste
beleedigingen in den omgang bedacht hij om dit „generaaltje” klein te
krijgen. In Automarchi's dagboek verhaalt deze docter van Bonaparte,
op welke wijze Napoleon verzoeken van zijn familie, om hem in zijn
gevangenisschap te troosten, van de hand wees. „Nimmer zal ik er
in bewilligen dat mijn familie ziet op welk een weerzinwekkende en
hatelijk-minachtende wijze de Engelschen mij hier behandelen, aan welke
beleedigingen en gemeenheden ik hier word blootgesteld. Ik wil niet dat
iemand dàt ziet. Het is al erg genoeg, dat ik het zélf moet dulden.”
Automarchi verhaalt van de ontroering die den keizer beving bij deze
woorden.... Ook deze dokter getuigt telkens en telkens weer van
Napoleon's humeur op St. Helena. „Napoleon,” verhaalt hij, „luisterde
naar ons, beantwoordde onze vragen, moedigde ons in een onderhoud aan
door zijn geestige, gevatte opmerkingen. Hij was vriendelijk, opgewekt,
correct, zachtzinnig, hij was een zeer beminlijk en goed mensch, vol
hartelijkheid, eenvoud en belangstelling. Als hij iets verweet was het
op den toon van een vriend; raad gaf, op dien van een vader. Op het
moment van toorn, kon hij een oogenblik verschrikkelijk zijn; maar was
deze voorbij, en meende hij iemand onnoodig driftig te hebben behandeld,
dan deed hij alles om 't weer goed te maken.”
Zoo schetst ons Automarchi den rampzaligen man, die zelf voelde dat hij
voor de waereld opgehouden had te leven. En deze tragische held werd in
zijn ongeluk nog getergde prooi van het kleingiftige waakbeest Hudson
Lowe.
Dapper, om een opgesloten leeuw, in zijn kooi met een lang stroo de
ooren te kittelen en met een stok te dreigen. Wie voelt niet den
starend-stalen blik van een gekrenkt koningsdier, als ge 't gewaagd
hebt in laf genoegen, hem in zijn traliekooi óp te jagen met uw malle
parapluie? Het kijken van zulk een heerschend schepsel, drong evenmin
tot dezen bekrompen kustwachter door.
In de meest persoonlijke levens-aangelegenheden van Napoleon wou hij
schaamteloos doordringen. Hij gunde hem geen rust, geen beperkte
vrijheid van wandelen en bewegen, zelfs zijn omgeving geen voldoende
voedsel. Hij omgonsde hem met zijn waakzame oplettendheid, als een mug,
loerend op zoet menschenbloed, en die, na iederen wilden slag van de
hand in 't duister 's nachts, een slapelooze kwelt, sart en afmartelt.
Eens werd het zóó erg dat Napoleon hem toegang weigerde tot zijn woon,
en bezwoer dat hij slechts over zijn lijk den drempel zou overtreden.
Toen, een weinig beangst, druilde de kweller af.
* * * * *
Napoleon's vereenzaamde leven op Sint Helena is van een angstwekkende
verlatenheid geweest. Iederen dag groeide de doods-schaduw voor zijn
oogen. Ook het sterf-bewustzijn van Napoleon loochende Hudson Lowe, en
zijn ziekte beschouwt hij argwanend als een soort tooneelspel van een
arglistige.
Geen brief mocht Napoleon ongeopend ontvangen noch verzenden. Alles
moest eerst door Hudson Lowe gelezen en gekeurd worden. Achter iederen
stap van den keizer volgde de stap van een bewaker. Zes soorten van
signalen werkten op het eiland ten dienste van een gansche vloot, om
Napoleon te bewaken van uur tot uur,.... Deze onteerende ziel deed het
met wellust en wrok en verscherpte nog de meest krenkende voorschriften
met een hatelijk genoegen. De meest gestrenge bevelen had deze man niet
dan zonder zekere ingetogenheid en ontroering moeten volbrengen, gelijk
zijn voorganger. In tegenwoordigheid van Admiraal Molcolm riep Napoleon
het hem toe: „U vult uwe dagen door allerlei kleinzielige, grievende en
beleedigende dingen voor mij uit te denken. Als gedeporteerde boeven,
zoo bewaakt ge ons. Generaals, die enorme legers hebben aangevoerd,
behandelt gij als korporaals.... Een boek, mij opgedragen als keizer,
hieldt gij achter, omdat ik er in als keizer werd toegesproken.” Toen
steeg de drift en verontwaardiging van Napoleon en hij viel uit,
geweldig:
„Mijnheer, bedenk wel, ik ben keizer, kéizer Napoleon.... het is een
boosaardige beleediging mij „generaal” te noemen. Engeland zal niet meer
bestaan als men nog van Keizer Napoleon zal spreken.”
Deze uitdagend-gloeiende woorden zijn wel in hooghartigen trots door
den regeerder en heerscher Napoleon gesproken. Het was een losbarsting
na grievende en vernederende gedragingen, lang en lang van den cipier
Sir Hudson Lowe te hebben geduld. Misschien te fel, te zelfbewust,
te hoog-brandend van individualistisch gevoel tot vlam van toorn
aangeflakkerd, maar toch begrijpelijk en te verwachten. De waakhond
gromde en ging voort met kwellen en sarren en sprak, de gansche
roemrijke geschiedenis van Napoleon uitschakelend, van den barschen en
lompen „generaal” Bonaparte.
Fremeaux spreekt over Hudson Lowe met niet minder afschuw dan Kielland,
en vele anderen, die zoo goed als ik de zware verantwoordelijke
bewakings-taak van dien gouverneur erkennen, doch welke met zooveel
kiesche tact had moeten worden ten uitvoer gebracht.
Vlak vóór de in stilte weenende oogen van Napoleon, heesch hij ieder
uur, de zwarte zeilen van het schip dat neven den gevangene, den Dood
als passagier had opgenomen.
* * * * *
Een der vreeselijkste dingen voor Napoleon op St. Helena was...... de
verveling. Heel de slaperige en ingezonken, moede en lustelooze omgeving
van den keizer te Langwood werd er door aangevreten. Napoleon zélf
kwelde ze het hevigst. Alle getrouwen wilden, ziek van heimwee, ellende
en verveling, hem verlaten. Las Cases.... Mevrouw de Montholon, Graaf
de Montholon, zijn allertrouwste zelfs.... Mevrouw Bertrand.... O, die
eindelooze, kwijnende dagen op het rotseneiland, dit kille, grauwe,
sombere oord, ze groeiden aanéén tot onafzienbaar zich uitrekkend grauw,
grauw van verveling, eentonig en droefgeestig en troosteloos als het
eeuwige zee-geruisch.
* * * * *
Napoleon zit in zijn donker vertrek, ingezonken. De droefheid kwijnt
in zijn gedoofde oogen.... Hij hoort het zee-ruischen.... Het wordt
avond; stilte.... angstige, drukkende uitgestorvenheid; het wordt
nacht.... Slapeloos mijmeren, verlangen en smachten naar iets dat
nooit weerkeert.... Het wordt weer morgen.... dezelfde kwellingen,
eentonigheid en bedrijfloosheid. Hij grijpt altijd weer naar dezelfde
boeken.... komt altijd weer terug op dezelfde gesprekken.... ziet altijd
weer dezelfde gelaten, oogen, trekken, onder één licht, en dezelfde
naargeestige kamer. Nooit een nieuw gezicht, een nieuwe stem, een
afleiding, wisseling van omgeving.
En zulk eentonigheids-gemartel voor een man als Napoleon, die in de
hoogste beweeg'lijkheid, wisseling van gebeuren, vrijheid van handelen,
eerst ademen en gezond kon blijven.
Zaagt ge ooit een visch op het droge luchtzuigen, die vreeselijke,
krampachtige trilling in de kieuwen, de benauwing in het springende,
plotselinge stuiptrekkende bewegen? Zoo moet, in deze opgeslotene,
omknelde gevangenschap Napoleon zich gevoeld hebben.
Zijn vroege dood verloste hem van dat duistere, kruipende, zich zacht
uitrengelende, dan weer inkronkelende monster: verveling, dat hem de
dagen, de avonden, de nachten tot een knagend-martelend verdriet maakte.
„Alweer een overwinning op den tijd,” riep hij wild uit, als hij na een
gesprek of een voorlezinkje, vroeg hoe laat het was, en het bleek later
te zijn dan hij vermoedde.
Wekt ook zulk bestaan geen diep, smartelijk meegevoel?
Ondanks, of misschien wel door zijn peinzende droefgeestigheid, gaf
hij prachtige gedachten over allerlei dingen; kostelijke bespotting van
de geneeskunst, geheel in den geest van Rousseau. Maar zeer klare en
schoone dingen beweerde hij over het treurspel. Den treurspel-schrijver
stelde hij oneindig veel hooger dan den grootsten en den meest
nauwkeurigen geschiedkundige. Gene gaf de ziel, de andere slechts
het uiterlijk gebeuren der dingen. En dat gebeuren vaak nog verward
en onjuist. Ook Napoleon's geestelijk leven op Sint Helena zou een
afzonderlijke studie en behandeling waard zijn.
[decoratieve illustratie]
ZIJN BESTEMMING.
Als men zich nu afvraagt: wat was en wat is Napoleon nu eigenlijk voor
de menschheid, dan kan men vrijelijk antwoorden: voor de menschheid
_was_ hij tijdens zijn leven een der grootste verschijnselen en
verschijningen; _is_ hij, ná zijn leven, niets meer.
Dit zonderling-tegenstrijdige feit wordt verklaard door den
aard van zijn genie en enorme gaven, die toch alleen uit een
bestaans-negativiteit groeien konden. Als ge den levenden bloei van een
tarwe-bloem ziet, dan hebt gij vreugde in haar schoon, maar ook weet ge
de gezegende kracht van het zaad, waaruit ze is opgeschoten. Ook de
giftbloem heeft een levens-bloei, die in haar flonkering en gloed toch
de kwaadsappigheid van haar bloed niet verbergen kan. Het oorlogs-genie,
en het geestelijke genie staan in zulk een bange verhouding tot elkaar.
Het oorlogs-genie gekoppeld aan een machts-wellusteling, een heerscher,
nog angstwekkender.
Al Napoleon's levens-bewegingen waren gericht op stoffelijke glorie en
op concrete geweldenarij, en daarmee al gebonden aan het vergankelijke
en materieel-wegzinkende. Zijn veldheers-genie mag met een glans uit de
hoogte omstraald zijn geweest, het miste den geestelijken ondergrond
van de dingen die eeuwig blijven en altijd weerkeeren in het bestaan.
Onder bepaalde voorwaarden kon dit genie stralen voor den tijd waarin
het zich openbaarde, was het van levende waarde, daarna slechts werd
het van historische beteekenis voor het nageslacht. Niet slechts zijn
daadwerkelijke glorie, maar ook het innerlijk wezen eindigt bij en met
den persoon zelf. Zijn scheppende daad heeft geen duur; ze vergaat met
het gebeuren en de wisseling aller dingen, komt steeds verder en verder
van ons af te staan. Dit is bij geestelijke grootheid en bij daden van
scheppende werkers op geestelijk gebied, in ruimsten zin bezien, nooit
het geval. Ik zou willen schrijven: die worden ons steeds klaarder en
onbenevelder in hunne schoonheid door den tijd-afstand heen.
Ik verzoek u even een stap achterwaarts in de geschiedenis te doen. Voor
wie onzer _leeft_ nog het vechtgedoe van Alexander de Groote? Voor wie
al de andere handelingen van vechthelden, als hun daden niet door een
groot kunstenaar bezongen of in beeld gebracht zijn? Ge zult opmerken:
dan léven toch hun daden. Zou 't? Of leeft alleen de geestelijke
herscheppings-daad van den kunstenaar, die een doode en verwelkte stof
met nieuw leven uit zijn hart bezielde? Over tienduizend jaar....
Nu lacht ge.... ik voel 't!
En toch allersnoepigste en gewiktste lezers.... en toch zal het moment
over tienduizend jaar er even onafwendbaar zijn, als morgen.... uw
„twaalfuurtje.”
Over tienduizend jaar,--ik ga voort ongestoord,--zal de gansche Napoleon
uitsluitend een historische herinnering zijn.... Niets meer.
Nu nog bestaan onze rechtsinstellingen, onze militaire legers, onze
scholen, onze klasse-verhoudingen.
Dán is er een geheel andere maatschappij, met een geheel andere
techniek en door een gansch ander levens-ideaal gestuwd. Men zal de
strategie van Napoleon achterlijk noemen, hoe geniaal ook in de lijst
van zijn tijd, en om den waan van een wereldrijk-verovering, onder
auspiciën van één schepsel, lachen. Onafhankelijk van de dán bestaande
maatschappelijke ontwikkeling zal men zeker zijn persoonlijk genie, in
geestelijke vormen naar buiten tredend, erkennen en ontzaglijk noemen,
en toch in heel zijn individueele bestaan slechts een slachtofferschap
zien van tijd, aanleg en gebeuren. Voor het geestelijke leven van het
menschdom zal dit eens zoo groote genie waardeloos wezen. Want zelfs
de inspiratie's die zijn daden kunnen wekken in jonge zielen, als
koenheid, wilsvastheid, daadkracht, discipline, zullen andere uitwerking
hebben, omdat ze op geheel andere objecten betrokken, ook slechts door
geheel andere prikkels in actie worden gebracht. Een tijd, waarin het
bloedvergieten als een afschuwelijke, lage en zieke daad, door de
geheele menschheid zal worden gevoeld en beoordeeld, kan ook nooit moed-
en koenheid-inspiratie doen putten uit de moordlessen eener achterlijke
strategie.
Napoleon's naam zal historie, doodgewone historie geworden zijn, zoo
goed als beschouwingen over zijn leven en werken, en eens zal het
menschengeslacht zoo ver van hem afstaan, als wij van bepaalde helden
uit de oudheid. Zijn menschelijke natuur, zijn verschijnen, zijn bloei
en ondergang kunnen altijd door een groot beeldend kunstenaar naar voren
gehaald, en ieder geslacht worden voorgehouden. Maar deze grootheid zal
altijd weer een door andere opgewekte zijn, en slechts als herinnering
blijven leven. Hij liet niets achter!
Juist,... met al zijn enorme gaven, is zijn genie voor den nazaat
onvruchtbaar, stierf af mét zijn persoon.
* * * * *
Beethoven, Rembrandt, Shakespeare,.... wat ze deden en dachten bleef en
blijft. Hun daden waren geestelijke handelingen, leefden zelfstandig,
buiten en onafhankelijk van de lijflijkheid des scheppers.
Shakespeare, Rembrandt, Dante, ze gaan en leven mee met de
menschheid, omdat ze van de eeuwige, wel vergankelijke, maar in haar
vergankelijkheid zich altijd herhalende levenskern uit, hun werk hebben
opgebouwd. De menschelijke hartstochten, de edele aandriften, de
vreeselijke, ze gaven die in hun geestelijken oorsprong doorschouwd,
ze vergeestelijkten er de zinnelijke werkingen van en schiepen een
realiteit, door haar innerlijke kracht aan het eeuwig-keerende gebonden
en dus onvernietigbaar als het bestaan zèlf. Ze maakten zich los van den
greep der tijdelijkheid, door zelf léven te worden. Hun werk kon dus
niet slinken, evenmin als het Bestaan ophouden.
Natuurlijk kan een deel van hun arbeid, persoon, toestand, verouderen,
maar de dingen, waarin zij den eeuwig-onwijzigbaren aard en de diepste
werkingen van liefde, begeerte, alle driften en verlangens der
menschelijke natuur, in de algemeenste en tegelijk eigenste vormen
vastgrepen, deze dingen blijven, onverwoestbaar. Hier openbaart zich de
scheppende en onsterfelijke natuurmacht van een geestelijk-arbeidend
genie, die in zijn daad,--zijn werk--het leven voortleeft als in het
bestaande zelf, gecomprimeerd, saamgevat en onuitroeibaar.
Het militair genie, hoe groot ook in bepaalden tijd, is slechts een
klein onderdeel van het uitsluitend geestelijk werkende genie. Zoo ook
met Napoleon.
Zijn machtsglorie verblindde.... in den grond iets geheel materieels.