Men kan nu een toren van scheldwoorden op Napoleon's harden kop laten

neerstorten, men kan dit demonisch-gevoellooze wezen omslingeren met

brandende vloeken,.... de lezer vermag uit vorige pagina's te weten hoe

ik hierover denk. Ik noem ze smakelooze krachttermen, breedsprakerige

moraal-manifesten, opzichtig vaandelgezwaai van zwetsende pronkridders

die met felle en luidruchtige beweeg'lijkheid de aandacht op eigen

humanisme gevestigd willen zien.

Voor de psychologische doorgronding van dit leven blijven ze waardeloos

materiaal. Ze verklaren veel meer het karakter van den uitschelder,

dan van den uitgescholdene. Een vloek-ritueel is het bij de Bourbons,

maar heel anders weer bij den republikein, schoon ook deze verdoemt.

De socialist raast, de anarchist raast, de nihilist raast. Ze bezien

Bonaparte meest als den Egyptischen, menschoffers-eischenden

heidenen-god, die slechts in bloedwalm kan ademen.

Maar Napoleon's wezen roeren zij niet. Want dan zouden ze het probleem

minder effectvol ethisch en sociaal, doch zuiver psychologisch stellen.

Napoleon beschouwde in zijn tijd het oorlogvoeren als iets grootsch,

iets dat als een soort gericht de waereld overvalt. Men is scheppend

veldheer, geboren strateeg en vechter of men is 't niet. De scheppende

veldheer kan niet met ontroerde harten en beklemmende ethische

beginselen krijgvoeren. De aard van zijn werk eischt menschenlevens en

bloedvergieten. Het is een bloedende, verschrikkelijke kunst, maar het

is een onvermijdbaar en tegelijk grootsch gebeuren. Ik zei u, bij zulke

psychologische ontleding van daden-in-hun-oorsprong, houdt ge uw hart

vast, zoudt ge willen krijschen van woede, of mij willen toeroepen: we

lachen om uw psychologische ontleding. Wilt gij den massa-moord onder

een fraaien naam vangen?

Ik zei u, mijn verklaring van deze ziel eischt zeer veel

gedachten-stoutmoedigheid. Ik voorspelde u dat ge opbotsen zoudt tegen

leeggeplunderde bloemkorven der moralisten, tegen de blinkende pantsers

der dogmatici van allerlei slag, tegen de broze ideologie-bloeiselen der

humane maatschappij-hervormers.

Toch houd ik tegen uw onstuimigste uitvallen vol: zijn krijgvoeren

en zijn eischen van menschenoffers moet alleen psychologisch worden

beoordeeld in Napoleon, en dan verliest het de monsterachtigheid als

menschelijke daad. Kent ge de schoone zinnebeeldigheid van het oude

verhaal waarin de Egregoren, zoogenaamde wacht-engelen, verliefd worden

op menschelijke vrouwen en bij deze daemonen voortbrachten die, in

jammerlijke mengeling van hemelsche en booze driften gebaard, ronddoolen

over de waereld, daden van booze hartstochten volbrengend met de kracht

van het goddelijke? Bezie zóó Napoleon's aandrift als veroveraar.--Hij

geloofde in de grootschheid van den oorlog, waarin alle vormen van moed,

tucht, zelfvertrouwen, doorzettingskracht, overgave, zelfoffering,

heldhaftigheid, tot uiting kwamen. Hij weende bij het zien van een

koen soldaat! Voel nu dat de krijg hem dus nog iets ánders was dan

bloedvergieting. Ik zelf, die het oorlogvoeren om het oorlogvoeren

veracht, die het gansche militarisme één krankzinnige en onzedelijke

instelling vind, in deze zotte maatschappij van anarchistische

voortbrenging; in deze maatschappij, waar alle echte en zuivere

menschenliefde uit is weggezonken, en waarin de valsche, gezwollen,

ziellooze phrasen van ongevoelde christelijkheid en z.g. humaniteit

hun smoezelige en flense triumphen behalen,.... ik zelf probeer de

krijgsmansdrift in een reus als Napoleon, die gaaf en eerlijk was in het

naar buiten brengen van zijn oorlogslust, zuiver te objectiveeren.

Het geheele maatschappelijke leven van nu is één klasse-oorlog, één

vreeselijk slagveld, waar niet minder schennend en onmeedoogend de

menschen tot ellendig gewondenen worden verminkt en getrapt dan in den

concreeten oorlog. Napoleon was als ménsch volstrekt niet bloeddorstiger

dan al de chauvinistische en onafhankelijkheids-oorlogen-gedenkende

helden, die hem nú met hun scheldvloeken en opgeschroefde

verontwaardiging bespuwen.

Voor Napoleon was de krijg iets in-zich-zelf grootsch en geweldigs.

Welke geloovige zal het goddelijk Bestuur van wreedaardigheid

beschuldigen, als het een Titanic-ramp laat gebeuren, als het

aardbevingen, overstroomingen, stormen en branden doet plaats vinden,

waarin menschenoffers geëischt worden, op zoo ijselijke en afgrijselijke

wijze den dood ingaand, dat zelfs een slagveld er naast, zijn

verschrikkelijkheid verliest? Herinnert ge u de angsten der opvarenden

van de Titanic, moeders, die zich uit de armen van hun kinderen

losscheurden; vrouwen die hun echtgenooten voor hun oogen in de zwarte

zeediepte zagen wegzinken?.... De lucht kermde den jammer van al die

menschenstemmen terug. En toch bestond de Algoede die het zoo wilde en

zoo beschikte. Het was en werd onbegrepen en onverklaard gericht.

[Illustratie: Penteekening van Gros.]

Dit standpunt van het onvermijdbaar gericht moet men ook bij Napoleon's

oorlogvoeren innemen. Hij voelde den grooten krijg als een noodlot der

volkren, en het leven schonk hem ál de bedwelmende en suggereerende

krachten, om voor de menschheid te verschijnen als haar verblindendste

veroveraar van den nieuweren tijd. Caesar, Alexander, bleven voor onze

droomen, historische schimmen. Nu stond er een wezen op van vleesch en

bloed, met bliksemende oogen, een godenwil en hij voerde de soldaten aan

die zingende den dood inmarcheerden!

O! zoo het geweest zou zijn voor den bevrijdingsstrijd der menschheid,

zooals de socialisten dit willen en vurig begeeren.

Daar staat hij nu, levend voor de oogen der menschen, koener dan Caesar,

stouthartiger dan Alexander, daemonischer dan Frederik de Groote. Hij

betooverde en maakte tot bukkende bewonderaars van zijn genie mannen als

Goethe en Heine. Hij zou door een wereldoverheersching de menschheid

rust en vrede brengen. Achter al het bloed licht een ideaal.

Maar het ideaal van een tyran.

Voor ons psychologisch hèt aanknoopingspunt.

Zijn onverschilligheid, als strijder, voor menschenoffers, staat er ten

nauwste mee in verband. Hij zou waereld-heerscher worden en de volkren

vrede brengen en die bewaren. Naïeve en tegelijk daemonische waan! Zóó,

in dien waan, werd hem de krijg een soort van bovennatuurlijk gericht.

De offers móesten vallen,..... Bezie het niet dus als een individueele

wreedheid van den ménsch Napoleon. Het beginsel, ik erken het, om

zooveel menschenlevens voor veroverings-oorlogen te durven opeischen,

heeft een wreede worteling, maar het is het daemonische gevolg van

een daemonisch-grootsche veroverings-gedachte, een scheppingsdrift,

ingeboren en onverwoestbaar. Bij zulk een duizelende machtsontwikkeling

geheel aan den krijg ontleend, moest de waan naar beheersching van een

wereldrijk dit menschenbrein overmeesteren. Dat is het punt waarop

Napoleon door de noodzakelijkheid zélf tot slachtoffer wordt gemaakt,

door de onverbiddelijkheid der causale levenswetten meegesleurd, terwijl

hij zelf denkt mee te sleuren. Een stuwkracht, zelve gestuwd! Op dit

punt van zijn roem walg ik van Napoleon's comediespel, zijn krank

vertoon en zijn maatschappelijke machts-verblinding. En tegelijk zegt de

dramaticus in mij: schenk hem juist nu uw edelste aandacht en zuiverste

gevoel, want bij de beoordeeling van zijn innerlijk wezen heeft hij deze

het meest noodig. Napoleon geloofde met een bovenzinlijke zekerheid aan

zijn roeping als waereld-heerscher. Allereerst zijn krijgsgenie, zijn

onoverwinbaarheid, zijn soberheid, zijn verheven ernst, zijn onbegrensde

moed, zijn doodsverachting, zijn geniaal beheerschen, zijn koen overzien

van ontzaggelijke legers. Zelfs in 't aanzicht van den dood blijft dat

gevoel hem doorbruisen. Hij alleen zal de volkren bezielen. Koningen

verdringen zich in zijn kabinet en wachten als gewone generaals

en maarschalken, tot hij zal verschijnen. Zijn ontzaggelijke

heerschersnatuur heeft alle vorstelijkheid getemd en gedwee doen worden.

Zijn taal, volstrekt niet fraai, dikwijls gebrekkig van stijl en

zins-samenstelling, is brutaal, scherp, bijtend en hoonend. Hij ontziet

niets en niemand. Zijn bewegingen zijn overbewust van macht; hij minacht

en vertrapt de bewondering die om hem heen perst als zooveel atmospheren

druk. Hij veracht ze en eischt ze tegelijk. Hij beleedigt en spot en

tart reuzen van kerels, mannen van evenveel moed en koenheid als hij;

hij krenkt vrouwen; hij kwelt en maakt de parade van een parvenu. Men

begrijpt niet, dat niet één stoutmoedig schepsel hem in de nabijheid

van zijn leger heeft aangedurfd. 't Zou heerlijk geweest zijn, juist

zulk een geweldenaar met gelijk geweld te hebben zien behandelen. Maar

diezelfde doldriftige hooner en spotter kan verrukkelijk charmeeren en

zijn nijdigste en onrustigste vijanden met één slag tot vurige vrienden

en bewonderaars maken. Gij zult iemand belegeren en ge wordt zelf

belegerd. Zijn blik, zijn gang, zijn woord, ze zijn loutere betoovering.

Gij verzet u,.. ge wilt niet. Ge knabbelt op uw nuchterste woorden.

Ge bespot zijn kleine beentjes, zijn vrouwelijke handjes, zijn

aandikkend buikje, zijn gedrongen gestalte. Heel de kleine heerscher,

met zijn al kalend hoofd, lijkt u een opgetooid burgerman, wreedelijk

door 't lot begunstigd, befooid door Fortuna. Maar hooge rang en

schittering van costuums, en gouden pronkkoetsen en heel dat flonkerend

keizerlijk borduurwerk, brengen u niet van de wijs. Ei, gij zelfbewuste

en hoogzielige, gij nadert den burgerman. Zijn glimlach is al

beangstigend.... uw dapperheid zinkt reeds. Hij kijkt.... Mijn hemel!

Wat stalen krachtoogen.... Hij spreekt.... Mijn god, wat een synthetisch

verstand.... Gij valt niet met uw gelaat ter aarde, omdat ge geen

Oosterling zijt en geen bemorste broek wilt hebben. Maar ge voelt

sidderend: hier ontstraalt het genie zijn levensgeheim.

In deze alles-bedwelmende machts-sfeer ademde Napoleon.... hij zou de

volkren richten. Ziehier den oorsprong voor zijn onverschilligheid waar

het menschenlevens in den krijg gold. Het opperste individualisme

ontbolsterd uit een soort verward-verheven altruïsme. Viélen de

menschen, ook God eischte zijn offers in storm, brand, orkaan,

overstrooming en aardbeving. Dat meedoogenloos-grootsche en

cosmisch-onbewogene moest hem richtsnoer zijn tegen eigen

weekelijkheid.--Juist op deze grens grijpt hem de tragiek

met ontzettende kracht en vaart aan. Hij valt en tuimelt van

zijn troon.--Zijn wezenlijke val is veroorzaakt door zijn

angstwekkend-halstarrigen waan, die alleen zulk een wezen kon

overmeesteren.

En nu wil ik u doen zien dat er vreeselijke tragiek in Napoleon's leven

was.

* * * * *

Wij allen zien Napoleon eerst in zijn onbegrensde glorie, de krijgsgod

van bijna gansch Europa. Hij is almachtig. Zijn wil wordt een wezen

van duizend lichamen. Hij vermaagschapt zich, hij, de Corsicaansche

avonturier, met een vrouw van keizerlijken bloede.... de trotsch-mooie

Marie Louise. De glorie straalt als een brand achter hem aan. Plots de

oorlog met Rusland, met zijn overweldigend mengleger van allerhande

natie-soldaten. Gij hoort de namen Smolensk, Moscou, Borodino, Berezina

en ze staan vóór u, de veldslag-ontzettingen. De roode vlammen van

Moscou ruischten boven het hoofd van den veroveraar, maar tegen groeiend

vuur bleef ook hij machteloos. Toch wil hij nog naar Kremlin zien,

terwijl onder hem de bodem staat te smelten in het vlammengegloei,

en de rook de gansche stad in een stikwalm omwolkt. Eindelijk wijkt

hij voor het gesmeek zijner oudste en koenste generaals, die niet

willen dat hij in het vuur omkomt. Dan de terugtocht over de Berezina.

De aller-jammerlijkste en meest-tragische in de geschiedenis der

veldslagen. Zijn veldheers-roem heeft den eersten hevigen knak. Hij

blijft oorlog voeren. Zijn eigen volk begint nu te morren, donker,

dreigend..... Hij hoort niet! Het gestap der brigades en 't gebulder

van het geschut overstemt alles. Half militair Europa leek een groot

hospitaal. Het beroemde groote leger was vernield door vuur, kou,

ellende. Napoleon wou het herstellen. Het verraad van Moreau blokte het

lot voor zijn voeten. Bernadotte deed mee. Napoleon ondervond den afval

van alle half en heel veroverde rijken. Een bondgenootschap tusschen

de door Bonaparte bevochten mogendheden ontstond en bedreigde geheel

Frankrijk. Toch wou en bleef hij vechten tegen een overweldigende

overmacht. Eindelijk zijn val, ook als gekroond vorst. De verbonden

mogendheden eischen dat hij afstand doet van den troon. Hier boekt de

geschiedenis het verraad van Marmont, den maarschalk van Bonaparte.

Napoleon voelde zich van alles verlaten! Zijn getrouwen vielen hem af,

de geest van het oude regime begon weer rond te werken. Napoleon deed

afstand van den Franschen troon.

Op dit punt zijner geschiedenis begint Napoleon's lijden, en juist nú

eisch ik uwe objectiviteit. Ik zal u achtereenvolgens, doch zeer kort,

doen zien wàt hij doorstaan heeft, inderdaad met ontzaglijke

heldhaftigheid.

* * * * *

Hij teekende het afstandstractaat. Zijn vrouw en kind trokken naar

Weenen. Eenige dagen later nam hij van zijn leger afscheid. Hij omarmt

het vaandel voor het front der troepen en zegt dat dit omarming van heel

zijn leger, al zijn soldaten is.

De soldaten schreiden.

Ontzettend moment, door zijn tragische trilling, een wereld van menschen

verlammend in stomme ontroering. Even voor dit feit zou de

zelfvergiftiging van Napoleon hebben plaats gevonden.

't Moet in zijn ooren vreemd geklonken hebben, al wat het decreet hem

puntsgewijs voor de voeten wierp. Dat hij, Napoleon, de grondwet had

geschonden door onwettige belastingen te heffen; dat hij het Wetgevend

Lichaam in zijn rechten had beknot; dat hij de rechterlijke macht had

vernietigd, enz. Dat en meer wierp hem de Senaat voor de voeten. Achter

dit decreet schemerde het valsche mom van Talleyrand, stonden Dalberg,

Bournonville, Jaicourt. Napoleon lachte smadelijk toen hem het decreet

werd gelezen. Het laatste punt. Frankrijk had hij met rampen overladen,

door tegen de verbonden mogendheden te vechten inplaats van vrede te

sluiten.... de Senaat verklaart het Fransche volk niet meer gebonden aan

een eed van trouw jegens den keizer; Napoleon en zijn nakomelingen mede

vervallen van den troon.

Het Wetgevend Lichaam had het decreet bekrachtigd. Maar Napoleon

beheerschte nog zijn leger. Ook hier was de eerste opstandige tegen zijn

keizerlijk- en veldheersgezag, Ney, zijn koenste maarschalk. De andere

maarschalken weigerden mede Napoleon te gehoorzamen. Dat was zijn felste

slag. Toen trad hij af, te Fontainebleau. Van alle vleiers, vereerders

verlaten, gehoond en uitgescholden door toongevende couranten, bleef hij

achter. Al wat hij tot het grootste aanzien had gebracht, ging tot de op

Napoleon zegevierende machten over. Zijn glorie verzonk niet slechts,

hij werd diep en diep vernederd, door al zijn vrienden en lallende

vereerders. De gedachte van Levy krijgt hier relief. Napoleon leerde

dáár, te Fontainebleau zien, al het verachtelijke, trouwelooze en

weerzinwekkende in den mensch. Napoleon, de man die vijftien jaar lang

de hoogste glorie van Frankrijk belichaamde in zijn geheele persoon, die

het tot duizelingwekkenden wereldroem had gebracht; die de bewierooking

van een geheele wereld had te besnuiven gekregen, de titan als veldheer,

strateeg van ontzaggelijk genie, en die het Fransche vaandel tot de

wolken had aangestooten,.... hij werd nu op tartende en laaghartige

manier gekrenkt, beleedigd en bespot door dezelfde lui die hij

sarcastisch even er voor, hun lof en hielenlikkerij verzocht te matigen.

Zijn maarschalken, met hun schitterende borsten, hun pluimen en

cocardes, hun statiedegens en vechtsabels, zijn maarschalken waren

het die op brutaal-uitdagenden toon Napoleon's troons-afstand het

klemmendst eischten. Is dat geen tragiek, geen schrikkelijk botsingsspel

van het lot? Met een sarrende onbeschaamdheid bemodderden ze hun

strijd-afgod, loerende op een even gunstige en vette functie bij de

Bourbons, als ze bij den gevallen Napoleon bezetten.

Napoleon-zélf kon zulk een laaghartig overloopen naar den vijand, zulk

een ziels-verraad niet dragen. „Ze hebben hart noch ziel”, riep hij uit.

„Het lot heeft mij niet zóó geslagen als deze daden van weerzinwekkende

zelfzucht en trouweloosheid mijner wapenbroeders.” Hij had ze met eer,

rijkdom en roem overladen; hij had ze als dappere soldaten bemind,

zooals alleen Napoleon 't kon.... Neen.... hij kón dit schurken-verraad

niet dragen.

's Avonds, in alle eenzaamheid nam hij vergif in. Hevige kramppijnen

scheurden zijn lichaam. Hij kon het kermen niet smoren. Zijn

kamerdienaar Constant snelde toe en zag den keizer krimpen in

stuiptrekkingen. In zijn lijflijke ellende jammerde zijn stem nog:

Marmont heeft me verraden en in 't hart geslagen. Ik hield zoo veel van

hem. Berthier's afval heeft me den genadeslag toegebracht.--Docter Yvon,

in allerhaast geroepen, kon nog een sterk tegengift bezorgen, dat hem

redde.

Coulaincourt verhaalt: „Toen Napoleon wakker werd kwam ik voor zijn

bed staan. De bedienden verwijderden zich, we bleven alleen. Zijn

uitgemagerde wangen en zijn ontzielde blik waren vreeselijk om

aan te zien. Hij zocht met zijn doffe oogen de dingen, tastend en

zwak-herinnerend om zich heen. Heel zijn doodsbleek gelaat drukte smart,

vernietiging uit.”

Bij deze opleving klaagde hij ondanks zijn pijn weer: „Het lot wilde

niet dat ik omkwam door vergif. O, denk niet, dat het verlies van mijn

kroon mij zoo bedroeft. Mijn loopbaan was genoeg voor den roem van één

man.... Maar wat me het hart verbrijzelde.... het is de afzichtelijke

trouweloosheid, de ondankbare laagheid mijner strijdkameraden. Zooveel

lafhartige en rauwe zelfzucht heeft me een walg van het leven gegeven.

Ik kreeg afschuw van al het ademende. Wat ik in de laatste twintig dagen

voor smart en droefheid heb doorstaan,........ is voor niemand te

beseffen.”

Is hier niet de tragiek, de ziels-tragiek van Napoleon in volle werking?

En voelt men niet méé met zulk een door verraad en afval voorbereiden

ondergang? Ik sprak van ziels-tragiek. De lots-tragiek zou volgen.

Op zijn reis van Fontainebleau naar het verbanningsoord Elba, liep

te Provence de opgehitste bevolking naar de plaats waar Napoleon

van paarden moest wisselen. Van verre besmakte men zijn koets met

groote keien, en een menigte dromde vlak voor zijn bleek gezicht en

schold hem uit voor lage tyran, monster, ellendeling!.... Toen de

scheldwoorden-voorraad opraakte en het gepeupel zijn haat nog niet had

gekoeld, begon men te dreigen met lynchen.

Graaf Walburg verklaart, dat Napoleon moest worden vermomd in de kleeren

van een postkoerier.

* * * * *

Is zulk een tafreel niet van een ontroerende tragiek? Wie durft de

gedachten peilen die toen in Napoleon's brein zullen zijn opgejaagd? Nog

moesten hem de kreten: „Leve de keizer!” de ooren bekitteld hebben, toen

even daarna het door de lucht gierde: „Leve de koning, den dood aan den

vuilen Corsicaan!” Gisteren nog de beheerscher van een ontzaglijk volk,

door een wereld van menschen toegejubeld...... vandaag postknecht,

vermomd voor zijn eigen koets uitloopend om een smadelijken lynch-dood

te ontgaan. Misstaat hier het woord meelij met zulk een hoon en zulk een

val? Het dolgeworden gepeupel, dat zich de keel had rauwgekrijscht bij

zijn waereld-overwinningen, wou hem nu, bij Argon, in flarden scheuren,

of hem aan de galg knoopen. In zijn stille oogen brandden tranen toen

hij de golvende dreig-menigte zoo zich zag dringen rond zijn koets om

hem te vermoorden.

Ik verhaal geen geschiedenis van Napoleon. Daarom ga ik zijn

triumftocht, toen hij van Elba was gevlucht naar Frankrijk, voorbij.

Ook den slag bij Waterloo breng ik slechts in herinnering. Achter al

deze ellende ligt zijn rampzalig zesjarig verblijf te St. Helena.

[decoratieve illustratie]

ZIJN VERBLIJF OP ST. HELENA.

Te St. Helena werd Napoleon prooi, laaghartig gekwelde prooi van

Engelschen haat en onridderlijken wrok. Rond de piek van Diana, de

steilste rotspunt van St. Helena, zou het leven van dezen keizer, op de

meest sombere wijze beëindigen.

Maar nog zes jaar zou hij in zijn vernederingen leven en hoe groot

gedroeg hij zich in zijn ongeluk en smart.

Het ballingsoord zelf was één droeve verschrikking. Als vesting-eiland

kón het aanzicht niet afschuwelijker. Een geheel plantlooze rotsenkust,

waar de zee eentonig of wild tegen opspoelde. De bazaltpieken groeiden

als versteende schepselen donker de lucht in.

Het is hevig ontroerend te zien hoe goed en rustig Napoleon zich schikte

in de strenge orders der Engelschen.

En ook ervaart men de grootheid van zijn wezen, als ge leest hoe weinig

klein-verbitterd of gegriefd hij is. En hoe heerlijk-eenvoudig hij als

mensch bleef! Betsy Balcombe, verhaalt in haar gedenkschriften, op welke

wijze zij Napoleon op St. Helena leerde kennen. „Niemand,”--schrijft

ze--„heb ik in mijn leven liefdevoller met kinderen zien omgaan.

Hij begreep hun eenvoud en volgde met fijnen tact hun ongekunstelde

invalletjes, om zich met hun kleine genoegens te vermaken. Mij, was

hij, als veertienjarig kind, gelijk een makkertje. Ik sarde honderd maal

zijn uiterste geduld, en nimmer deed hij een beroep op zijn rang of

leeftijd, om mijn opdringerigheid af te weren.”

En als men nu weet hoe zachtjes dit woord „opdringerig” voor Betsy's

gedrag nog luidt. Hij verdroeg van dit vreemde, stout-koutende kind

alles, letterlijk alles met onverstoorde goedigheid.

Vreemd, niet waar, zooveel teederheid en innig-fijn geduld aan te

treffen bij zulk een „beul” en ongenakelijk-hooghartigen geweldenaar.

Toch is er een oplossing misschien voor Napoleon's overgroote

kinderteederheid. Hij had een zoontje achtergelaten, den koning van

Rome.

Hier breekt een der smartelijkste dingen van den mensch Napoleon

uit. Van dit kind hield hij met een teed'ren hartstocht. 't Was zijn

oogenlicht. Hij kuste en koesterde het, wiegde het op zijn armen; het

was hem de heele wereld, het liefste dat zich op aarde rond hem bewoog.

Als ge leest wat De Meneval vertelt van zijn liefde en geduld tegenover

dit gekoesterde koninkje.

Wanneer het knaapje greep naar de gekleurde spelden die Napoleon,

bij zijn veldslag-berekeningen en troepen-overzicht altijd op zijn

plattegronden en kaarten gebruikte, en alles in de war smakte, zoudt ge

niet meenen, dat de tyran en opvliegende trotschaard losstormde, en het

kind in een hoek smakte? Het tegendeel is waar. Honderd keer liet hij de

speelsche pootjes van het plagende koninkje al zijn spelden-combinaties

in de war gooien en nooit volgde de kleinste snauw.

Dat kind nu, werd hem onthouden. Een zijner droefheden, die hij met

nimmer-morrende gelatenheid in zijn eenzaamste peinzen doorleefde in

zijn ellendige kamer, een somber, verwaarloosd, vochtig krot, een

bouwvallige boerderij, waar het stonk naar mest, stalvuil, en waar

vetgevreten ratten onbeschaamde wandeltochten langs zijn keizerlijke

beenen maakten. Fremeaux zegt niet te veel: „een woon voor beesten

gebouwd,” waarin de ellendige Hudson Lowe, den grootsten held zijner

eeuw gevangen hield, bewaakt en beloerd bij iedere beweging. En hoe de

haat en de afschuw zelfs de feiten van simpel-waarneembaren aard kunnen

verwringen, leert u de wijze waarop de vooringenomen Henry ons Napoleon

te St. Helena schetst en hoe, in geheel onpartijdige juistheid het Betsy

Balcombe doet. Henry schrijft: „In Napoleon is niets indrukwekkends.

Zijn gestalte is klein, vet, ineengedrongen, zijn hoofd is tusschen de

schouders ingezakt, zijn gezicht dik, met breede kin-plooien. Zijn

gelaat is kwaadaardig, barsch van uiterlijk, en zijn vetbuikigheid doet

hem op een Spaanschen smulpaap gelijken.”

Napoleon(#45254) · 第 5 / 7 段