waar hij hoorde. Tijdgenoot van een Beethoven, nam hij de aandacht der
geheele wereld oneindig meer in beslag. Omdat--het klinkt vreemd--de
soort van zijn genie van een zooveel lagere orde was, en berustte op
stoffelijke overheersching en stoffelijke glorie. Niet _persoonlijk_
lijkt hij kleiner genie dan Beethoven, maar de soort die hij
vertegenwoordigde was 't. Het gevolg is, dat Beethoven voor de
menschheid zal blijven leven en millioenen al heerlijker genot schenkt,
terwijl de heugenis aan Bonaparte al meer zal verzwakken, en aan het
wezenlijke geestesleven der tijden geen deel meer kan nemen. Napoleon
heeft ontzettende rampen en vreeselijke doodslaanderij uitgelokt. Ik
heb aangetoond dat dit in hem geen individueele wreedheid mag genoemd
worden. Hij was wat hij moest zijn: de meest overweldigende herleving
van het geconcentreerde heerschersbewustzijn in den nieuweren tijd,
toegerust met een demonische grootheid van eigenschappen. De
noodzakelijkheid, welke voor zijn glorie had gezorgd, bracht hem met
even vreeselijke onverbiddelijkheid zijn val. Eerst liet zij dezen
armen, naakten mensch, in duizelende vlucht losschieten tot de wolken;
toen weer angstwekkend snel neertuimelen in duistere diepte van rampen.
* * * * *
Als voorbeeld van daemonische persoonskracht lijkt Napoleon onder
oorlogsvoerders ongeëvenaard, door zelfbewustheid, zelfvertrouwen en
geconcentreerde wilsmacht. En toch is hij een der meest tragische
slachtoffers van het lot geweest. Men bestudeere zijn leven en als wij
de hoogere en fijnere onderscheidingen bezitten, leeren wij allen veel
van zulk een experiment: op welke wijze een mensch, als _stout individu_
de menschelijke machtsgrenzen kan voorbijsnellen. En hoe, óver deze
grenzen heen, de grootste en vrijmoedigste heerscher der waereld, achter
een bajonet van een Engelsch soldaat gedwongen wordt aan te loopen als
machtelooze gevangene; beknelder leeft dan een landlooper, die zich nog
vrij in de ruimte zijn ongedierte van 't lijf kan schurken.
Op den aard zijner eigene grootheid heeft Napoleon ten slotte zelf een
merkwaardig klaren kijk gehad. Met Bertrand zich onderhoudend, zegt hij:
„Generaal, wat zijn wij anders ten slotte dan lood. Zoo is het einde
van ónze soort groote mannen. Evenals Caesar en Alexander, zoo word ik
vergeten. Onze namen worden alleen nog voor de schoolbanken opgeroepen,
en geheel naar gril en ingeving van den onderrichter hekelt of prijst
hij onze daden. Als ik gestorven ben, is ook alles met mij verzonken.
De scheppingen van onze grootheid gronden zich.... op het geweld.”
Dat Napoleon eerst zóó de oogen konden klaren en hij zoo vermocht te
spreken even voor zijn dood, is misschien wel zijn grootste tragiek
geweest.
[decoratieve illustratie]
AANHANGSEL.
Vertaling der aanhalingen.
_Bladz_: 16.
De tegenstelling welke deze buitengewone man met den algemeenen geest
van zijn tijd vormt behoeft niet gezocht te worden, ze treft al dadelijk
den blik.... Napoleon gelijkt een man van een ander tijdperk.
_Bladz_: 19.
Zelfs Bourienne die op het tijdstip waarin hij zijne „Herinneringen”
schreef, persoonlijke redenen had om Napoleon's zachtaardigheid niet op
te hemelen, beperkt zich niettemin met deze zinsnede te plaatsen op het
oogenblik waarin de jonge Corsikaan verbitterd is door de spotternij
zijner medeleerlingen.
_Bladz_: 25.
„Talleyrand vertelde me dat hij geen tijd had om zich te vermaken, om te
gevoelen en te betreuren zooals andere mannen.”
_Bladz_: 26-27.
„Ik bezit hier geen andere middelen dan die van te werken. Ik _kleedt me
slechts iedere acht dagen_; sinds mijn ziekte slaap ik zeer weinig,
het is ongeloofelijk. Ik ga om tien uur naar bed en sta om vier uur
's ochtends weer op. Ik gebruik slechts één maaltijd per dag, om drie
uur.... _Dit ís uitstekend voor de gezondheid_.”
_Bladz_: 29.
Op één- of twee en twintigjarigen leeftijd moet Napoleon zeer verschild
hebben van wat men in Parijs een beminnelijk jong mensch noemt en zijn
vreugde was groot bij Mevrouw Colombier in den smaak te vallen.
_Bladz_: 29.
Te Valencia werd hij al dadelijk opgemerkt; hij beviel de vrouwen door
zijn nieuwe en trotsche denkbeelden, door zijn stoutmoedige beweringen.
De mannen vreesden zijn logika en de gesprekken, waarin de bewustheid
van zijn persoonlijke kracht hen gemakkelijk meesleepte.
_Bladz_: 30.
De waarheden en gevoelens te bepalen welke noodig zijn de menschen in te
prenten voor hun geluk.
_Bladz_: 30.
„Volgens de wijze waarop hij dit onderwerp behandelde en ondanks de
geestdrift die hij erin legde is het toch geoorloofd te besluiten dat
hij niet de minste roeping had voor het vak van zedemeester.”
_Bladz_: 32.
Nimmer heeft een menschelijk wezen zooveel wreedheid, verdrukkingszucht,
heftigheid, verspilzucht, lage ontucht, gierigheid in zich vereenigd als
deze Napoleon. Nimmer had de natuur nog zulk een afschuwelijk wezen
voortgebracht.
_Bladz_: 32.
Diderot, zoon van een messenmaker, was een _zeer onzedelijk mensch_ en
heeft heel loszinnige werken doen verschijnen.
_Bladz_: 32.
In 't algemeen was Rousseau in Frankrijk _bekend_ als de laagste der
menschen.
_Bladz_: 33.
.... wil Frederik de Groote nà-âpen; hij tracht het hoofd te dragen als
Frederik het deed; hij heeft snuiftabak in zijn vestzak als Frederik.
Hij heeft dansen geleerd, omdat Lodewijk XIV ook danste. Zoodra hij tot
het Consulaatschap geraakt was, ging hij jagen; nooit van zijn leven had
hij nog gejaagd; hij werd jager om de koningen van Frankrijk na te
bootsen.
Men heeft beweerd dat deze groote staatsman, deze groote kapitein, die
groote wijsgeer, een vijand was van losbandigheid, dat hij zelfs vrij
was van de zwakheden welke men enkele groote mannen verwijten kan. Hij
bezit twee smaken die men zelden in denzelfden man tegelijk aantreft:
hij is ontuchtig met de vrouwen en bezit de ondeugd waarvan men
valschelijk Socrates beschuldigde. Zijn aartskanselier Cambacérès staat
hem prachtig terzij in deze schandelijke neiging! Ik zou niet verwonderd
zijn geweest als hij op zekeren dag, om Nero in alles na te volgen, een
zijner pages en een zijner mamelukken huwde. Hij was zonder eerbied voor
de kuischheid en verheelde zelfs geen bloedschande; hij heeft openlijk
geleefd met zijn twee zusters, de dames Murat en Borghèse; de eerste
beroemde er zich jegens een ieder op. Men weet genoeg dat, toen Mevrouw
Lodewijk Bonaparte, de dochter van Joséphine, zwanger van Napoleon was,
hij zijn broeder dwong haar te huwen. Niet minder zeker is het dat
diezelfde Napoleon de vader is van een ander kind waarvan deze dame
achttien maanden geleden beviel.
_Bladz_: 34-35.
In dezen grooten overblijver van de XVe eeuw verschijnen zij opnieuw.
De werking van het zenuwstelsel is bij hem gelijk aan dat zijner
Italiaansche voorouders; zelfs bij de Malatesta's en de Borgia's zijn
er nimmer nog gevoeliger en impulsiever hersenen voorgekomen, in staat
zulke electrische ladingen en ontladingen te weeg te brengen en waarin
de inwendige beroering aanhoudender en donderender was, ook plotselinger
in bliksemsnelheid en onweerstaanbaarder in gebeuren. Geen enkel
denkbeeld blijft bij hem gewaagd en zuiver; geen enkel ervan is
een eenvoudige copie van het reëele of een simpel tafereel van het
mogelijke; een elk ervan is een inwendige schok, die onmiddellijk
en spontaan ernaar streeft zich in een daad om te zetten; een elk
ervan schiet naar voren, snelt op zijn bestemming aan en zou ook
zonder oponthoud er toe geraken, indien hij niet door geweld werd
teruggedrongen en ingehouden. Soms is de uitbarsting zoo snel dat
de onderdrukking ervan niet tijdig genoeg plaats heeft.
_Bladz_: 35.
Op zekeren dag in Egypte, toen hij eenige Fransche dames bij zich had te
dineeren, liet hij een mooi wezen, wier echtgenoot hij naar Frankrijk
teruggezonden had, naast zich plaats nemen. Plotseling en als door
onachtzaamheid stort hij den inhoud eener karaf vol water over haar heen
en onder voorwendsel de daardoor veroorzaakte wanorde in haar toilet te
herstellen, neemt hij haar met zich mee in zijn appartement; langen
tijd, te langen tijd blijft hij daar met haar, terwijl de gasten om de
tafel aan het onderbroken diner gezeten, wachten en elkaar aankijken.
_Bladz_: 35.
Te Parijs, een anderen dag, omstreeks het tijdstip van het concordaat,
zei hij tot den senator Volney: „Frankrijk wil een godsdienst.” Droogaf
en vrijuit antwoordde Volney: „Frankrijk wil de Bourbons.” Hij dient
daarop Volney zulk een schop in den buik toe dat deze buiten kennis
geraakt en bij een vriend gebracht, daar ziek te bed blijft liggen
gedurende eenige dagen.
_Bladz_: 36.
Is het niet ellendig de wijsbegeerte der geschiedenis acht te zien slaan
op de roddelarijen van twee blauwkousen; beide toch waren onmachtig ooit
de brandende misrekeningen van hunne vrouwelijke ijdelheid te vergeven?
Met gretige tanden den man te verscheuren die hen afwees is voor het
zwakkere geslacht de banale en onvermijdelijke wraak der droombeelden,
gelijk die van Mevrouw de Stael; zij toch werd koel teruggestooten toen
zij ontvlamd was bij den waan weer de groote gunstelinge van voorheen
te kunnen spelen, evenals het gevolg moet zijn geweest van het verblijf
van Mevr. de Remusat bij den Keizer te Pont de Briques, waar deze dacht
een machtigen invloed op hem te hebben verkregen. Als dit geen diepe
teleurstelling is hoe zijn dan anders te verklaren de gruwelijkheden in
de herinneringen ten beste gegeven en tegelijk de geestdrift of beter
gezegd het fetichisme waar Napoleon Mevr. de Remusat mee vervoerde na
de lange avonden van samenzijn voorheen door hen geleefd?
_Bladz_: 36-37.
Om deze zaak te bekrachtigen haalt men drie schrijvers aan. Toch is er
wel een weinig wantrouwen veroorloofd wanneer men bemerkt dat deze drie
schrijvers in werkelijkheid een en dezelfde verhaler zijn.
Bodin toch zegt het feit te hebben van Besnard en Sainte Beuve beroept
zich weer op Bodin.
Aldus berustte het verhaaltje van den beruchten schop uitsluitend op de
bevestiging van den negentigjarigen Besnard.
Naast deze wrakke veronderstellingen en bewijzen bestaat er een
onweerlegbaar feit, dat, minstens genomen bewijst dat Volney, die een
beschaafden geest bezat, geen weerwraak wilde en iets anders dan dezen
schop ontvangen had: hij behield namelijk zijn senatorszetel en weldra
werd hij geldelijk beloond en in den adelstand verheven; bij den val van
het Keizerrijk was hij Senator, graaf en kommandeur van het Legioen van
Eer.
_Bladz_: 37.
Ja, het is waarachtig de troon van Karel de Groote die zich na tien
eeuwen weer opricht.
_Bladz_: 37.
Het was Gode gevallig dezen held met alle groote hoedanigheden te
begiftigen.
_Bladz_: 37.
De aarde zweeg voor Alexander die haar wilde onderwerpen; voor Napoleon,
de aarde, de zeeën die hij wil oversteken, het heelal dat hij van zijn
naam vervult, verkondigen luide de grootheid van zijn ziel!
_Bladz_: 37-38.
De man voor wien het heelal zwijgt is ook die, waaraan het heelal zich
toevertrouwt.
_Bladz_: 38.
Welke god heeft ons deze genoegens verschaft? Het is deze buitengewone
man die Frankrijk verjongd heeft.
_Bladz_: 38.
Napoleon staat boven de menschelijke geschiedenis; hij behoort tot de
heldentijden en is boven alle verheerlijking verheven.
_Bladz_: 38.
Niemand was gevoeliger, niemand standvastiger in zijn genegenheden dan
Napoleon.
_Bladz_: 38.
.... „dat hij gaarne tegenspraak duldde en zelfs dat hij vaak toegaf.”
_Bladz_: 39.
„--vond hem zachtaardig van voorkomen, een eenvoud in zijne manieren die
afstak bij de altijd tooneelmatige wijze van doen van Lucien.”
_Bladz_: 39.
„--zijn blik verkreeg een oneindige zachtheid.”
_Bladz_: 52.
„Ik geloof dat de liefde schadelijk is voor de maatschappij en het geluk
der menschen. Ten slotte geloof ik dat de liefde meer kwaad dan goed
doet.”
_Bladz_: 53.
Ik ontvang je brief mijn aanbiddelijke vriendin; hij heeft mijn hart
vervuld van vreugde.... Sinds ik je verliet was ik steeds bedroefd. Mijn
geluk is bij jou te zijn. Onophoudelijk herhalen zich in mijne gedachten
je kussen, je tranen, je liefelijke jaloerschheid; en de bekoorlijkheden
der onvergelijkelijke Josephine ontsteken voortdurend een laaiende,
gloeiende vlam in mijn hart en zinnen.
_Bladz_: 53.
Ach! ik bid je, laat mij eenige van je gebreken zien; wees minder
schoon, minder gracieus, minder teêr, vooral minder goed. Wees vooral
ook nimmer jaloersch, ween nooit; je tranen ontnemen mij het verstand,
verschroeien mijn bloed. Wees ervan verzekerd dat het niet meer in mijn
macht staat een enkele gedachte te hebben die niet voor jou is,--en een
denkbeeld, jou niet toegewijd.
Rust goed uit. Herstel spoedig je gezondheid. Kom bij me; en dat we
tenminste, alvorens te sterven, kunnen zeggen: „Wij waren zooveel
dagen gelukkig!” Duizend kussen en zelfs aan Fortuné ondanks zijn
kwaadaardigheid.
_Bladz_: 58.
„....dat hij zelfs in het schaakspel zijn beide raadsheeren weer
wist te herwinnen. Hij hield er niet van dat men dit te ernstig
opmerkte, hij lachte er zelf het eerst om, maar was toch kwaad als men
er te veel belang aan hechtte; en feitelijk moest men er eigenlijk meer
om spotten dan er kwaad om worden, want hij speelde nimmer om geld.”
INHOUD.
blz.
Psychologie van den kunstenaar-historicus 5
Napoleon's jeugd 16
Vereerders en Haters van Napoleon 28
Napoleon als karakter 40
Karaktertegenstrijdigheden 52
De Tragiek van Napoleon 63
Zijn verblijf op St. Helena 82
Zijn bestemming 95
Aanhangsel (Vertalingen der aanhalingen) 101
+--------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: aan de onzettende rampen van het |
| C: aan de ontzettende rampen van het |
| B: à la Louise Mülhbach, die |
| C: à la Louise Mühlbach, die |
| B: dezen haat verteld.--„Waar ik |
| C: dezen haat vertelt.--„Waar ik |
| B: machtige keizer .Als ge leest |
| C: machtige keizer. Als ge leest |
| B: force l'entrâinaient facilement.” |
| C: force l'entraînaient facilement.” |
| B: te zien. Als een zelfdzaam |
| C: te zien. Als een zeldzaam |
| B: Borghèse; le première s'en |
| C: Borghèse; la première s'en |
| B: madamme Louis Bonaparté, fille de |
| C: madame Louis Bonaparté, fille de |
| B: intervalle, sie elle n'était contenue |
| C: intervalle, si elle n'était contenue |
| B: même à Fortuné en depit de |
| C: même à Fortuné en dépit de |
| B: en depit de sa méchanceté.” |
| C: en dépit de sa méchanceté.” |
| B: Schilderij van Gérard |
| C: Schilderij van Gérard. |
| B: werd van Graaf Neipperb, 't deert |
| C: werd van Graaf Neipperg, 't deert |
| B: van generaal Neipperb, geheel in strijd |
| C: van generaal Neipperg, geheel in strijd |
| B: baron Neipperb, zoo goed kreeg op |
| C: baron Neipperg, zoo goed kreeg op |
| B: _Bladz_: 16. |
| C: _Bladz_: 16. |
| B: „De tegenstelling welke |
| C: De tegenstelling welke |
| B: _Bladz_: 25 |
| C: _Bladz_: 25. |
| B: _Bladz_: 26-27 |
| C: _Bladz_: 26-27. |
| B: _Bladz_: 29 |
| C: _Bladz_: 29. |
| B: _Bladz_: 29 |
| C: _Bladz_: 29. |
| B: _Bladz_: 30 |
| C: _Bladz_: 30. |
| B: _Bladz_: 30 |
| C: _Bladz_: 30. |
| B: _Bladz_: 32 |
| C: _Bladz_: 32. |
| B: _Bladz_: 32 |
| C: _Bladz_: 32. |
| B: _Bladz_: 32 |
| C: _Bladz_: 32. |
| B: _Bladz_: 33 |
| C: _Bladz_: 33. |
| B: _Bladz_: 34-35 |
| C: _Bladz_: 34-35. |
| B: onweerlegbbaar feit, dat, minstens |
| C: onweerlegbaar feit, dat, minstens |
| B: „Napoleon staat boven de menschelijke |
| C: Napoleon staat boven de menschelijke |
| B: _Bladz_: 39 |
| C: _Bladz_: 39. |
| B: jou niet toegewijd.” |
| C: jou niet toegewijd. |
| B: hij speelde nimmer om geld. |
| C: hij speelde nimmer om geld.” |
| |
+--------------------------------------------------------+