verliezen, anders, zielkundiger beschouwd, niet tegen de vernedering
van het niet-winnen. Ik besef dat ge onmiddellijk klaar staat met de
veroordeeling, gelijk een ongeduldige donderslag nauw het vlietende
vuur van den bliksemschicht afwacht. Dwingelandij, grove heerschzucht,
waanzinnige trots! Ik heet deze termen, schimpend woordgedoe, waarmee
de diepste gronden van zulk een spelwin-drang verklaard noch geraakt
worden. Alweer, en zeer nadrukkelijk, om het anecdotisch bekend
_feitje_, om het uiterlijk geschiedkundig gebeuren is het ons
nimmer te doen. De inwendige, de diepst innerlijke geschiedenis van
de menschenziel Napoleon beroert en boeit ons _alleen_, het zoeken
naar den geestelijk-psychischen oorsprong van al zijn handelingen,
gedachten en daden. Dit onderzoek is psychologisch en intuïtief het
allermoeilijkste en ingewikkeldste dat er te doen is. Het wordt
niet gedragen op de hooggolvende en uitbruisende zinnen eener
bovennatuurlijkheids-lyriek, waarin bombast en opgeschroefdheid met
kletterend en kolkend woordlawaai opschuimen tot een z.g. godsdienstig
gevoels-ontroeren; dein-golvingen in wier gebroken glanzen zich het
goddelijke, absolute, onkenbare en eeuwige, begeeren te spiegelen
ter beangstigende glorie hunner onmeetbaarheid en onvatbaarheid.
Zulk onderzoek wordt ook niet opgevroolijkt door het verbluffende
kaatsspel met _menschelijke_ begrips- en gevoelsbepalingen van het
_bovenmenschelijke_, met hoog- en bontgetooide en wild-aangelichte
woorden vol schrikkelijken waan van levenswijsheid, die zelfs de
uiterste intellectueele spanning niet over de bevattings-grens van
ons hoogst opgevoerd wereld-beschouwen en onze diepst-dichterlijke
onbewustheid vermag heen te dringen. Omdat hiervoor dogmatisch-begrensde
en geheel subjectieve gemoeds- en levens-gesteldheden worden geëischt,
als van een uitsluitend katholiek voeler en denker gelijk Léon Bloy of
van een slaaf der milieu-theorie gelijk Taine. En meer nog omdat juist
de geestelijke oorsprong van Napoleon's daden en gedachten er door wordt
verward, ze uit hun ziels-oorzakelijkheid losgescheurd lijken met wilde
wondende rukken en een krenken der fijnste en teederste psychische
roerselen van dat innerlijke en inwendige. En of het nu gebeurt met
ontroerde en ontroering schenkende hevigheid, smeekend of gezwollen,
soms schreeuwerig en duister, half in een wereldvloek en in een
godsdienstige prophetie, als bij Léon Bloy, of het geschiedt, geheel
tegengesteld, insnijdend en koel-intellectueel met bijna hardvochtige
nuchterheid en onbewogene strengheid, als bij Taine, beide manieren
van ziels-ontleden en ziels-verklaren dompelen klamme nevels om de
figuur die slechts psychologisch en dramatisch op te bouwen is uit de
innerlijke noodwendigheid van al het wereldgebeuren, het onzichtbare
geschieden waaraan al het historisch waarneembare gebeuren onderworpen
wordt.
Het kan mij in dit verband, geen zier schelen of men op zichzelf een
valsch speler een verschrikkelijk schepsel vindt, noch op welke wijze
de moraal onzer samenleving hem vonnist en radbraakt. Het kan me ook
niet schelen of een begaafd geloovige met een bovenzinlijke zending
Napoleon's triomfeerenden en weer vernederden ommegang rond de wereld
bezwaart. Het valsch spelen als innerlijke mogelijkheid in zulk een
schepsel, de beweegredenen wil ik doorgronden, wijl deze het individu
in zijn werkingen niet veroordeelen, maar verklaren. Napoleon's valsch
spel, als een gebrek aan wilsbeheersching, gaat dwars in tegen twee
grondeigenschappen van zijn natuur. Het valschspelen berust meestal op
lage hebzucht, op _stoffelijk_ begeeren van voordeel. Lagere hebzucht
nu was Napoleon volkomen vreemd en als veldheer lieten hem de verlies-
en winkansen, eenmaal door een _onverbiddelijk_ lot te beslissen, het
hoogste en koudste flegma behouden. Vooral als hij het lot tegen zich
voelde in den krijg, bleef hij van een bewonderenswaardige rust en
innerlijke waardigheid. Deze vergeestelijkte wilswerking van een
geweldig krijgsman meent men stellig te zullen ontmoeten bij dingen van
zoo oneindig minder beteekenis als schaak- of kaartspel. En zie, het
omgekeerde vindt plaats. Davout zegt: „qu'aux échecs même, il savait
rentrer en possession de ses deux fous. Il n'aimait pas que l'on en fit
la remarque trop sérieusement; il en riait le premier, mais il était
évidemment fâché qu'on y mit trop d'importance; et au fait, ne jouant
jamais d'argent, il y avait plus à en plaisanter qu'a se fâcher.”
Wel afdoend, meenen we. Zelfs speelde hij vroeger valsch als het om
geld ging, maar de winst gaf hij na het spel onmiddellijk weer. Alles
dus om grove en kitteloorige bevrediging van brandende eerzucht?
Ik geloof er niets van.
Het begrip: valsch spel, verliest zijn psychologische waarde als het
valsche geen bewust stoffelijk voordeel brengt. Ik voel de oplossing in
dit simpele mededeelende zinnetje van Davout: „il en riait le premier.”
Het was een door hem zelf lachwekkend gevondene, toch smartelijke poging
het lot op zijn beurt te willen verschalken en mores leeren. Het was de
heerscher in hem die een spel speelde met het lot, en niet meer met het
spel zèlf. Hij, de man met het machtige inzicht, het diepste besef en
de geweldigste visie op der dingen verloop, kon de bot-tegenwerkende
domheden van het onpersoonlijke lot en de lompe groepeeringen zijner
gunsten niet verdragen, die met boertige onverschilligheid en een vadsig
gemak, de rijkste kansen en de sterkste machtsmiddelen zoo maar, een
ieder in handen gaven. Waarom, door een grillige en domme opeenhooping,
b.v. alle troeven daar, terwijl hij hier ze noodig had?--Moet Fortuna
zich in een kaas opsluiten, als ze de heele open waereld tot woon kan
kiezen? Het zonder strijd en hooger inzicht in handen krijgen der
winkansen, tegelijk machtsmiddelen, moest een scheppenden en door
alles heendringenden geest als Napoleon voor een bepaalden tijd
ergeren. Daarom, met een fijnen illusie-lach om den mooien mond, en
een bestraffend heerschers-behagen in het tartende hart, wil hij de
kansen van het lot kantelen, in hun zelf zich zien verwarren en zet hij
een tegengang van menschenmacht tegen fatummacht. Hij wint schijnbaar
en lacht fijntjes, wijl hij de ontwrichtende logiek van dit spel met
het spel zoo klaar beseft. En zoo verklaar ik deze instinctmatige
valschheid, in vollen omvang als een psychische weerslag van een geboren
heerscher op de dommekracht van het dwarsboomende lot, om althans in
schijn, zijn wonderbaarlijk gebrek aan schifting en onderscheiding voor
enkele oogenblikken te niet te doen.
Het is geen valsch spel, alleen weerzin van een heerschend intellect om
zich te onderwerpen aan de klemmende causaliteit, werkend zonder eerbied
voor eenig distinctief. Ik heb, voor ik deze beschouwing gaf, lang over
dit probleem nagedacht en het betast, omgekanteld en weer rechtgezet,
met den fijnsten speurzin waarover ik beschik, en voor mij zelf voel ik
er de diepe zielswerkelijkheid van. Niemand gaf mij een verklaring of
een geestelijke ontleding der daad.
Men bevestigde of verhaalde deze onteerende episode. Maar de
psychologische doorschouwing en iets reins in de voorstelling dezer
feiten bleef ver. Ik begrijp zeer wel dat men ook mijn inzicht met
spitsvondige en prikkelende spotternijtjes, muggen-zwermerig kan
omgonzen, en dat ironische snakerij, bruut en op den man af, succes zou
hebben met deze paraphraseering.. „ach, leuter nou niet zoo Sherlock
Holmesachtig speur-psychologisch.... een valsch speler is een valsch
speler, en of hij nu Napoleon heet of Jan Bierkaai.... 't blijft één pot
nat. Maak van de nul geen diepzinnig of raadselachtig cijferpoortje,
onder welks boog alle mysteries het groote onbekende inglippen.”
Het zou me niet raken. Ik min de polemische dartelheid van een fijn en
stekelig vernuft, als er althans gevoelsdiepte onder leeft. En een
schepsel met zulk ondergrondsch begrijpen zal ook den ernst van 't geval
beseffen.
Zoo kan ik mij de mogelijkheid zeer goed voorstellen dat b.v. een
levensgeschiedenis van Napoleon, geschreven door Constant.... premier
valet de chambre de l'empereur sur la vie privée,.... oneindig meer
leesliefhebbers zal lokken dan b. v. het boek van Léon Bloy, _L'âme de
Napoléon_, waarvan ik reeds in een vorig hoofdstuk melding maakte.
De burgerlijke belangstelling en de burgerlijke geest is happig op
tastbaarheden, op episodiek die niet al te hoog boven het tulen
plooimutsje van de keukenmeid, of het neepje van de romantische
werkster zweeft. Deze ondiepe dribbelaars op het pad der onthullende
voorzienigheid hebben dan de volle macht der keurende critiek, al
worden de feiten ook van een verwarrende ingewikkeldheid. Tegen het
waarnemingsvermogen en het intellect van een „premier valet de chambre”
is een ieder opgewassen, en het is verrukkelijk de alledaagsche
intimiteiten van een groot man in loslippige kneuterigheid te
hooren bekletskousen. De kleine feitjes-geschiedenis, de vulgaire
tentoonstellerij van menschelijkheidjes, de peuterige opsomming van
uitwendig gebeuren, wint het dan vér van de zielsontleding en de
innerlijke karakter-synthese. De groote geestelijke speurder en ziener,
zelf beheerscht door een ondoorgrondelijke begeerte tot de ziel van een
geweldig wezen in te dringen dat vaak onbegrepen en eenzaam te midden
van het wereldsch gerucht bleef, legt het dan nederig af tegen de
gezellige kakeltjes en praatjes van een palfrenier der wereldwijsheid.
Er zijn memoires-lezers, die uitsluitend de standjes en de vinnige
ruzietjes achterna loopen. Anderen die slechts bekoord worden door de
erotische kir-stemmen, en weer anderen wier onverwoestelijke en klamme
nieuwsgierigheid zich onverzadigbaar een embonpoint doet eten aan
onthullende feitjes. De een is ziener, de ander historisch knaagdier.
De historische ziener is kunstenaar en dichter, en herschept u een
werkelijkheid van vergankelijke dingen, en penceelt den dauw van het
gebeuren weer over de realiteit van het verleden. Hij wasemt atmospheer
om ons heen opdat ge ademen kunt, breed en rustig, verslindend of
hartstochtelijk. Ik breng, ter bevestiging van een voorkeur der
dichterlijke historie-vertolking bóven een droog-feitelijke, u het
woord van een zeer onpartijdig schouwer, het woord van den grooten
socialist, theoreticus en geleerde, Karl Kautsky. Dichterlijke
beschrijvingen, verklaart hij, zijn van onschatbare waarde voor de
kennis van de maatschappelijke toestanden onder welke ze zijn ontstaan.
En verder: „Dichterlijke scheppingen zijn voor de kennis van hun
tijd vaak _van veel meer_ belang dan de _getrouwste_ geschiedkundige
_beschrijvingen_. Want de laatste vermelden alleen het persoonlijke,
opvallende, ongewone, dat uit een historisch oogpunt het vergankelijkst
is. De kunstenaars daarentegen geven ons een inzicht in het dagelijksch
leven en werken der groote menigte, dat onafgebroken en blijvend inwerkt
en op de maatschappij den meest duurzamen invloed uitoefent. _Daarom
b.v. hebben wij in de romans van Balzac_ een der belangrijkste
_geschiedkundige_ bronnen over het maatschappelijk leven van Frankrijk.”
Ziehier het oordeel van een groot geleerde, door wien de ontzaggelijke
waarde der romanscheppingen ook als geschiedkundige producten volkomen
erkend en beseft wordt. De uiterst gescherpte intellectualiteit en de
critische fijnzinnigheid van dezen beroemden theoreticus, is voldoende
waarborg tegen mogelijke verwijten van zielkundige sentimentaliteit.
Inderdaad, de hoogste, geestelijke ziening schenkt ons eerst de
dichtersvisie op het wereld-gebeuren.
DE TRAGIEK VAN NAPOLEON.
Als wij de gedetermineerde levenswetten en dus een oorzakelijkheid voor
al het bestaande aannemen, dan moeten wij ook de historische causaliteit
erkennen. Spreken wij van een geschiedkundige oorzakelijkheid, waaruit
het onverbiddelijke van al 't gebeuren blijkt, dan is er, steil bezien,
geen plaats voor een term: tragiek. Juist het gevoelsbegrip: tragiek,
heeft een geheel menschelijken oorsprong; is een woord van geheel
menschelijken klank, en in zijn diepsten aard, vreemd aan de
noodwendigheid van het gebeuren zelve.
Bedeesd-geestige menschen zouden hier rustiglijk de opmerking tusschen
kunnen schakelen, dat de oorzakelijkheid zelve _in_ ons een oordeel over
haar eigen wetten laat geboren worden en groeien, en ons dus toestaat
de dingen anders--b.v. tragisch--te bezien dan zij ze afwikkelt. De
oorzakelijkheid zelve brengt dus _in_ ons een geestelijk vermogen
om haar wetten en ineengrijpingen critisch en schiftend te bezien.
Toch zou dit een benauwend kring-redeneeren worden, waarbij het verstand
in een duizelingsdraai kans heeft zich zelf te verliezen.
* * * * *
Iets dat niet anders kán zijn dan het is, valt niet meer tragisch
te noemen. Ik hoorde eens een kinderloozen landman hevig mopperen dat
het lot hem geen kroost had toebedeeld, terwijl hij er naar snakte.
Zijn handen hadden een menschenleven lang in 't vruchtbare zaad van
groenten, vruchten, gerst en tarwe gewoeld. En zijn armen hadden dag
aan dag de versch-omploegde aarde met zaden bestrooid.... En hij had
de goud-zomersche dagen zien blinken en bloeien van nieuwgeboren
gewas; hij had de geuren van ontluiking en de geuren van verwelking
gesnoven op zijn hemel-wijde akkers.... en nooit had het leven zijn
vrouw de menschelijke vrucht gebracht. Het was een vroom en nederig
man.... en toch kón hij niet berusten.--De vurige determinist zal
evenmin in volle begrips-zuiverheid de oorzakelijkheidsleer eerbiedigen
als ze zijn individueel-opgebouwde gedachten omsmakt en zijn innerlijke
verlangens en aandoeningen schendt. Iets is er in ons--de hooge
moralisten noemen 't een werking van het bovenzinlijke bewustzijn--dat
zich onstuimiglijk verzet tegen levensvernietiging en ondergang, al
mogen ondergang en vernietiging slechts menschelijke opvattingen
zijn van een cosmisch-noodwendig verloop der dingen, en dus al weer
vreemd aan vertakkingen der levensbeginselen zelve. Wat komt, in
zijn groei wordt, vergaat, verdwijnt ook weer. In onze jubelende
menschelijkheid spreken wij symbolisch van bloei, in onze tragische
bezinning van verwelking en ontbinding. Het cosmische levensproces heeft
zijn eeuwige onbewogenheid. Het is alles onverbiddelijk, noodzakelijk
en onveranderbaar. Wij menschen echter, willen ons telkens weer met
ónze persoonlijk-levend-gehouden begeerten en voorstellingen tusschen
de causaliteit van het geschieden plaatsen, de afwikkeling van
het ons persoonlijk-tragisch treffende tegenhouden, van het ons
gelukkig-stemmende bespoedigen of bestendigen. Kunnen we ons nu uit
de saamschakeling van subjectief verlangen en objectief gebeuren zoo
koel met onze waarneming heffen, dat we, om zoo te zeggen, onze eigene
ziel smoren, dan ervaren we ontgoochelend, dat de noodzakelijkheid, in
haar onverbiddelijk en onbegrensd zich-zelf-zijn, ons menschjes, mét
onze menschelijke droomen en verlangens, verbeeldingen en illusies,
van minuut tot minuut, van uur tot uur, van dag tot dag, wegdringt,
achteruitstoot of meesleurt, uitschakelt of iets van ons afscheurt, op
een wijze en precies zooveel als er noodig blijkt om haar gebeuren te
volbrengen. Wij meenen, in lieflijken waan, dat de dingen op eenerlei
manier deelnemen aan onze innerlijke realiteit van verlangens en
geestelijk bestaan, terwijl juist andersom, wij slechts deelnemen aan
den algemeenen, eeuwigen, ononderbroken gang van het noodzakelijke en
onafwendbare.
De groote en verbijsterende drang naar het bovenzinlijke leven
heeft echter tegen deze noodwendigheidsleer van het gebeuren, het
schuldigheidsbesef, het verantwoordelijkheids-beginsel, de zonde, de
zaligheid geplaatst, heeft de individueel-vrije wil opgeworpen en zoo
heftig-religieus als levens-principe doorgevoerd, dat zelfs de vurigste
deterministen, in hun eigen bestaan er telkens weer de verschijnselen
naar beoordeelen. En dus ook als de niet-deterministen spreken van
smart, vreugde, blijdschap, ellende, terwijl het begrip hen toch
zegt dat de dingen altijd, door de noodwendigheid zijn gemaakt,
alleronverbiddelijkst tot wat ze moesten worden en geen enkel schepsel
het allergeringste deel van zijn daden- en gedachten-individualiteit,
buiten deze nood- en oorzakelijke levenswerkingen vermag te wijzigen
naar „beter” inzicht van anderen noch „zichzelf.”
* * * * *
Bij de beoordeeling van Napoleon's leven ondergaan we deze
verschrikkelijke en verlammende tegenstrijdigheid van het verzet in ons
tegen het onafwendbaar gebeuren. En we staan verplet voor zulk een....
tragiek, waar toch niets anders geschiedt dan.... het noodzakelijke.
We overzien Napoleon's onaanzienlijk komen.... zijn bloei.... de
ongehoorde stijging van zijn loopbaan.... zijn val.... weggetrapt....
in de eenzaamheid van waereld en buiten menschen gestooten.... d'adem
bewaakt als was hij gevaarlijk misdadiger.
Wij, droeve menschen, zijn zoo gewend door onze innerlijke voorbarigheid
en geluks-gretigheid vooruit te beschikken over kantelingen en
afwikkelingen van lot en gebeuren, dat we de oorzakelijkheid hoonen die
ónze verlangen-werkelijkheid voorbijsnelt, den rug toedraait of door
midden scheurt.
Onze menschelijkheid verzette zich tegen de onteerende vernederingen
hem in zijn ongeluk aangedaan... de oorzakelijkheid, die door hare
totaal-werking op lot en leven der menschheid, alle gebeuren van een
onbereikbaar hoog punt uit overziet, gaat ons klagen en schelden voorbij
met de onbewogenheid van een sphinxen-gelaat, waarop het eeuwige
levensraadsel is versteend in onoplosbaarheid.
Als de noodzakelijkheid haar gelaat eens ging vertoonen,... we zouden
zelfs geen demonischen „glimlach” meer zien, die vreeselijk-zachte
tarting, zacht gelachen naar al de zoekers van bestaans-oplossingen.
* * * * *
Het zal dus niet meer zonderling klinken als men verklaart diep meelij
met den mensch Napoleon te hebben ondergaan. Dat sentiment kan men
alleen ondergaan als men zijn leven wezenlijk heeft ingeleefd. 't Eischt
losmaking van nationale gevoelens, maatschappelijke inzichten, van
beginselen die vervloeken. Het eischt een objectieve zielsindringing.
En achter dit bolwerk van karakter-wetenschap, zult ge toch hevig
ontroeren, indien ge de tragische feiten, zuiver-menschelijk doorleeft.
Den ijzeren heerscher zult ge zien sidderen voor het onverbiddelijke,
zien verzachten tot weemoedige door de tragiek van het gebeuren.
Let wel, ik schrijf geen geschiedenis van Napoleon. Ik verlang slechts
het innerlijke begrip van dit samengestelde karakter te gronden, anders
niet. Toch zal ik, om het diep meegevoel met dezen „geweldenaar” te
verklaren, een groep historische feiten onder een bepaald licht u moeten
doen zien.
* * * * *
Ik ben er ernstig van overtuigd dat bij de beoordeeling der
Napoleon-psyche de meeste rechters en richters zich laten meesleuren,
door--overigens zeer begrijpelijke--aandoeningen van antipathie tegen de
enorme figuur, den tooneelspeler-mensch, en zich, _door dezen weerzin_,
afhouden van de objectieve kennis, welke zij van al zijn daden, woorden
en handelingen, zich zelf kunnen verschaffen, al eischt de saamvatting
der feiten een zeer behoedzame, ineenstrengelenden synthetischen geest
die, onafhankelijk van anderer indrukken, voor eigen karakter conclusiën
stelt. Men moet Napoleon objectief in zijn wezen bestudeeren, gelijk
een dramaticus het doet, als hij zich, bij het scheppen van een groote
geschiedkundige figuur, op zijn innigst en diepst vereend met zulk een
schepsel. Hij stoort zich dan niet aan religie, maatschappij-leer,
ethische beginselen. Hij bouwt de figuur op uit de volle en onbegrensde
menschelijkheid en daaromheen schept hij de realiteits-sfeer.
Als ge meent dat ik met objectief-psychologisch indringen in zulk een
figuur, wetenschappelijke nuchterheid verlang, dan ontbreekt u het besef
van mijn bedoelen, of, wat even zeer mooglijk is, ik drukte dit nog
gebrekkig uit.
Objectieve studie van een figuur beduidt geen liefdeloos beelden van
zulk een wezen. In deze studie bewees ik reeds al het verschriklijke van
de Napoleon-figuur te willen zien. Ik heb van zijn wezenlijke en niet
fantastisch-toebedeelde gebreken geen enkel vermoffeld noch geloochend.
Ze slechts in een ander organisch verband gebracht met zijn innerlijk.
Ik erken, dát was mij een ziele-zorg en.... een psychologisch vagevuur.
Het gewijde brood was steen-oudbakken geworden. De priesters toonden hun
kreupele been en lieten hem ongezegend staan. De historici schreeuwden
wild door elkander.... de een plengde met wijn.... de ander met azijn.
Ten slotte wordt men zelf priester, geschiedkundige, moralist.... en men
objectiveert. En zoo doen wij ook met de bezwaren, opgeworpen tegen het
meelij-gevoel voor een „beul” als Napoleon.
Ik voorspel het een iegelijk.... diepe ontroering zal u bevangen als gij
de geschiedenis van zijn menschelijk lijden op Sint Helena met de ziel
mééleeft en als ge in vollen omvang leert zien welke ontzettende smarten
hij manmoedig en met een grandioze beheersching verdroeg.... en hoe
hij, juist door de wilsbeheersching, zich een sfeer van tragiek schiep
onder de wereld-veroveraars, ongeëvenaard groot-menschelijk. Of hij
anderen nu ontzaglijk liet lijden door zijn alles-tartende eerzucht
en „zwijnachtigheid,” zijn ontuchtige driften, zijn zinlijk-woeste
uitvallen, heeft met zijn eigen ondergang niets te maken. En
evenmin of hij zich vóór zijn val allerlei weelde en onmenschelijke
eigengerechtigdheden kon veroorloven. En toch wordt zoo vaak zijn
eigen tragiek in mindering gebracht van al het leed dat hij anderen
veroorzaakte. Een wreed en wondend beginsel van een koppelaars-moraal.
Dus zèlf door zondige naturen uitgedacht.
Ik hoorde eens in gezelschap een zeer hoogstaand man, die den tyran in
Napoleon verachtte, met scherpen spot en accenten van onhoffelijke
drift, een zeer lieve vrouw be-ironiseeren, omdat zij „meelij” had
uitgesproken voor Bonaparte's ondergang. Hij haalde allerlei staaltjes
van zijn krankzinnige macht-posities aan, vóór Napoleon's val en telkens
sarcastisch besloot hij: „wel 'n manneke om meelij mee te hebben hè?” In
zijn naijverige verontwaardiging vergat hij, dat zóó het psychologisch
probleem geheel valsch gesteld werd. En toch was het geen oneerlijkheid
in dezen man, dien ik als een hart van goud ken en als een groot
psycholoog waardeer. En evenmin overgevoeligheid van de vrouw, die
in onbeperkte gemoedszuiverheid zich gaf. De man kende n.l. het
wezenlijke hevige lijden van Napoleon niet, en de weerzin tegen zijn
gansche menschelijkheid belette hem de opeengehoopte stof objectief en
ziels-zuiver te doorwerken. En zoo gaat het met de meeste beoordeelaars.
* * * * *
Ik erken, op het eerste aanhooren klinkt het naïef.... meelij met....
Napoleon. Maar rustig en diep beschouwd, is de uitdrukking volkomen van
pas. Men wordt van sentimenteel coquetteeren, van een klein en benepen
soort menschelijkheid verdacht.
En toch, en toch, al spot ge met tergende adjectieven, al hoont en
sart uw woord er tegen in, toch is Napoleon's zesjarig leven te Sint
Helena van een overweldigende tragiek, om bij te schreien soms, en is
loochening daarvan hardvochtiger daad dan de „beul” zelf vermag te doen
in zijn particulier leven als mensch.
Weerspannige en hardnekkige oordeels-eenzijdigheid kan slechts beletten
het grootmenschelijke in Napoleon te erkennen.
Te strenge moraal kan als een tuchthuis van beginselen worden,
waarbinnen uw veroordeelde zich doodkniest of verhangt...... Wee, zoo 'n
mensch op zijn eigen schaduw gaat gelijken.
Ik hoor al het woedende relaas!
Meelij met hem?! Had hij het met anderen?--Wat gaf hij om
menschenlevens? Geen zier. Heeft hij het niet zelf uitgeroepen? Hij
oorloogde, zwelgde in krijgspassie.... Doodslaanderij.... dat was hem
alles!
Hij is de wreedaardige onmensch die naar Metternich toeschreeuwde:
„Wat voelt gij van een soldatenhart! Mijn leven is onder kanongebulder
opgeraakt.... strijd is alles.... het leven van een millioen schepsels
is me volmaakt onverschillig.”
Met wilden hartstocht zou men hier 't woord schurk willen plaatsen,
krankzinnige, grootgekke schurk, die het leven van duizenden offerde
aan zijn goden-tartende, diepzieke eerzuchtigheid. Alles drong hij
uit de voegen. Zich zelf alleen zocht en zag hij. Als „goed” katholiek
gestorven, bleef hij bij zijn leven een godloochenaar, een materialist
door en door.