Dit gevaar lijkt me bekoorlijk en toch ongewenscht. Bekoorlijk,

wijl ik met vurigen drang gaarne de dompende en dommelende, valsche

verontwaardiging over menschelijke zonde, en 't schel gejuich over

braafheid, edelhartige naastenliefde, enz., verschalk. En ook

bekoorlijk, omdat den geheel uit het leven geduwden duivel, de

roode majesteit van weleer, weer gracieuselijk de gelegenheid wordt

geboden ons zieleluik op een kier te zetten, opdat onze eigene

zonden, gedachtenslechtheid en gesmoorde begeerten weer eens

onverbloemd-menschelijk uit de diepte mogen doorschijnen, nabij

preekstoel of vergaderings-katheder. Maar toch, ongewenscht, omdat een

eigene innerlijke waarheid niet noodig heeft schuw terug te sluipen naar

een duister hol van het onbewuste. Want ik zélf vind in Napoleon soms de

verachtelijkste hartstochten, driften en neigingen aanwezig, instincten

van verbijsterende en duister-bloedende dierlijkheid. Ik zelf vind

hem soms gegrepen door een huiveringwekkenden grootheidswaanzin, zoo

zwart en onpeilbaar als een avondzee, aan alle kanten wijd-verloren, de

wereld overdruischend. Soms is hij de kranke morser met menschenbloed,

van een afzichtelijke zelfzuchtigheid, in een koortsachtige

persoons-begoocheling zijn eigen brein, zijn soldaten, generaals en

zijn armzielig volk, tot den moord aanjagend. Ik zie hem vaak als den

zwarten en roodvlammenden visionnair, die te midden van een wereldonweer

van slagveld-kanonnen, zijn eigen brandende en schroeiende wroeging

wil stillen, onder het donderend geweld van al meer gevechten en

massa-moorden, zooals de deliriumlijder smacht naar het gloeivocht,

dat hem den dood in het sidderende lichaam jaagt. Telkens en telkens

leeft een wild ontroerd verzet in me op, als ik lees,--en de waarheid

van het feit voor eigen ziel voèl,--hoe hij met zijn overrompelende

zinnelijkheid, de vrouw als vrouw, _tegen wil en begeerte_, aan zijn

driften onderwierp, en haar daarna wegtrapt of blijft koesteren, van

verre, met kirrende woordjes of verteederen met geschenken. Ik voel een,

soms tot hevige walging stijgenden weerzin, als ik hem met al zijn

gestolen schatten en millioenen zie manoeuvreeren, en hij verlokkend

het goud laat blinken onder de gretige oogen van zijn vechters en

aanvoerders. En als ge ziet, welk een woeste schittering van cocardes,

pluimen, galon, ornaat, uniform, hij brengt aan Frankrijk, en welk een

parvenuachtige monarchale praal, terwijl de bleeke tronies van Danton,

Robespièrre, en het duivelsmasker van Marat, nog ópschimmen tegen de

muren der huizen, en het bloed der revolutie nog den Parijschen grond

niet gansch en al doorsieperd heeft, dan beseft ge der volkeren hoon

voor dit keizerlijk spel, dat zijn juweelen troon op een lijkenbodem

plantte.

En toch is het dit persoonlijke in haat en afschuw, dat we voor de

psychologische indringing in zijn wezen, uit te schakelen hebben. Want

ik schreef het in den aanvang, ik wil dit leven voor mij zelf verkláren.

Nu moogt gij u dus op ontstellende conclusies voorbereiden.

* * * * *

Wat Napoleon deed, het vreeselijke, het gruwbare, was voor hém niet

vreeselijk en niet gruwbaar, al zal hij ook wel eens keelbeknellende

wroeging hebben gevoeld in tijden van wilszwakte, door uitputting en

vermoeienis. Is het gruwelijke dan niet altijd iets vreeselijks,

onverschillig wie dat gruwelijke bedrijft? Neen, dat is volstrekt niet

onverschillig.

Wij nemen aan dat ieder mensch de krachten en zwakheden, de

lichamelijke, geestelijke en psychische, bij zijn geboorte in kiem

meekrijgt, en dat deze door het onverplaatsbare lot en den wereldloop

zich ontwikkelen en uitplooien. We stellen vast, dat, gelijk ieder

ander mensch, Napoleon het noodlot van zijn gansche wezen tot in de

kleinste schakeeringen in al zijn groeivormen heeft moeten doormaken

en ondergaan. De levens-instincten van Bonaparte waren, naar alle

richtingen uit, bepaald; natuur en maatschappij zouden hem de

voedings-stoffen ter ontwikkeling dezer brengen. Zijn physieke en

psychische persoonlijkheid is een eenheid. Zijn geheugen, zijn

combinatie-vermogen en wilsvorming, zijn groepeeringsmacht, zijn

geweldige imaginatie.... ze zetelen alle in dit brein, deze hersens.

Juist nú moeten we voor onze eigene subjectieve natuur waken. Laten we

ons nu geen oogenblik met begripsleer over goed en kwaad, met doel-leer

en doel-beginselen tegenover een zoo titanisch en grillig-saamgesteld

voortbrengsel van het menschelijke leven, plaatsen. Dit geweldige

intellect is beschouwing en daad tegelijk, en de theorie is even diep in

hem als de praktijk concreet en krachtig. Als hij zich in vechtpositie

stelt tegenover de door hem opgejaagde, in angstige woeling gebrachte

gemeenschap, dan is het om zijn eigen ideaal van gemeenschaps-geluk te

bereiken.

In een vermoeide en uitgeputte samenleving is hij kracht-hersteller

geweest, voor een poos. En zijn geweldsmiddelen werden toegepast als

streelingen voor zijn souvereinen wil. De buigende en juichende massa,

die de glorie zoo heet begeert, bracht hem zèlf tot souverein bewustzijn

van dezen heerscherswil.

Neen, Napoleon kùnt ge psychologisch niet naderen met moraal en ethisch

pathos. Wie duwt er de aardas op zij? Wie onzer verlangt een zonnebaan

te verleggen? Wie houdt den tuimelgang der vallende meteoren tegen?

In Napoleon vierden de wilde cosmische scheppingskrachten der natuur

een demonisch geboortefeest. Op dit menschenschepsel zouden de meest

ontembare, de meest matelooze eerzuchtdroomen ingedreven en de

allergrilligste levensheerschzucht beproefd worden. De Caesar-waanzin

zou dit ontzaggelijke brein omlichten in koortsige glanzingen. Hij, de

avonturier, van de laagte uit, zou tegen den hemel aangeschopt worden

als imperator en wereldheerscher. Hij zou koningen, geboren vorsten, in

eerbied en vrees voor zich zien staan als gestraften voor een rechter,

uit wiens mond ze bevend hun lots-bestemming zullen te aanhooren hebben.

* * * * *

Van heel, heel jong al is hij oud, schuw, peinzer, vechter, held,

dwingeland, bevelvoerder. Maar ook cijferaar.... en droomer. Deze

dubbele macht van wiskunstig denker, rekenaar, getal-formuleerder, en

van verbeeldingswezen, vergroot angstiglijk zijn geheele wezen. Alles

in hem lijkt getal, berekening, manoeuvre,.... en al deze wiskundige

scherpte, steile nuchterheid, en heel die realiteitszin is in dienst

van.... een werelddroom. Ziehier al de primaire psychologische

verklaring van zijn dubbel-bestaan. Een vlijmscherp verstand, een

ondoorgrondelijke, vurige wil en een ontstellend-grootsche verbeelding,

tezaam werkend in één scheppend brein. Hier is wortel, stam en

tak van het ontembaar-energische arbeids-genie, dat hunkert naar

verzadiging van zijn inspiraties en naar daad-werkelijkheid van al

zijn stoute visioenen. Zijn brandende, toch koel-ontledende, toch

heerlijk-beheerschte geest omvat de heele wereld, is vertrouwd met de

zichtbare en onzichtbare dingen. Gij hebt er geen flauwe voorstelling

van, hoe ontzettend ónwerkelijk deze werkelijkheidsman van kanonnen

en leger-aanvoerderij, van atlassen en vorsten-conferentie, van

slagveld-tragiek, administratie en land-bestudeering, eigenlijk leeft in

zijn veldheeren-tent. Hij droomt al de tragedies en comedies der wereld

dóór, gelijk de grooten als Shakespeare die bedachten.

De vlijmscherpte van zijn nuchtere waarneming misleidt officieren,

generaals, maarschalken zoo goed als vorsten. De praktijk van zijn

concreet bedrijf houdt den droomer, den romantischen visioenen-uitlever

van zijn wereldrijk-concepties, donker verborgen. Maar juist die is

Napoleon, de schepper van realiteiten met diepe, mysterieuse goudtonen

en bloed-schijn, de kunstenaar die werelden bevolkt met schepselen van

zijn wil en verbeelding.

Tijd en toestand hebben dit sterke wezen tot een duizelingwekkende

machtshoogte òpgestooten. Maar deze waren slechts geleiders. Want alléen

zulk een ontstellend koen en demonisch wrochter, met zooveel suggestieve

betoovering, zooveel hoogere list, zooveel moed en wilsbeheersching,

kon gebeuren en uur zóó aan zich onderwerpen. De mateloosheid van zijn

wereldrijk-droom spande de wijdte van een hemel. Juist in de ontembare

drift zijner weergalooze daden, openbaart zich het meest mysterieuse

van Napoleon's natuur, voor ons het klaarst en doorzichtigst, wijl zoo

hartstochtelijk verwant aan de koorts van den kunstenaars-werkwil.

Ziehier een tweede verklaring van dit leven. Napoleon werkte zijn

levensdroomen uit als een groot kunstenaar romans, tragedies, als een

groot schilder zijn composities en voorstellingen. Als de scheppende

kunstenaar eenmaal zijn droom, zijn visie heeft doorleefd, staat hij met

een demonische onbewogenheid tegenover de lotgevallen van zijn eigen

schepselen. Met welk een duivelsch vermogen schept Sophocles niet den

bloedigen en schrikkelijken ondergang van Oedipus? En Shakespeare

geeft tot de laatste stuiptrekking zijn Macbeth de maat zijner

waanzinnige angsten. Napoleon werkte met deze zelfde heilige,

demonisch-geobjectiveerde bezetenheid en scheppingsdrift. Zeker, hij zag

menschen, soldaten, verminkte lijken en slagvelden.... Maar van zijn

hoogere scheppingsnatuur uit kón hem dat niet deren. Napoleon werkte met

de gansche lèvende menschheid als stof, ter bevrediging en volvoering

van zijn onverzadigbaren, grootschen verbeeldingsdrang. Hij werkte

als een bezetene, die de middelen waarmee hij arbeidt overziet, en ze

slechts onbewust meetelt als technisch materiaal. Daaruit juist is

geboren zijn demonisch zich ongenaakbaar maken voor lagere, bewuste

invloeden en menschelijke overwegingen. Hij mòest zijn concepties

uitwerken. Rembrandt deed het met den toover der kleuren, Shakespeare

met het goddelijke woord.... hij zou het moeten doen met de menschen en

de hartstochten zèlve, die tot een glorie van nog nimmer geziene daden

de wereld kwamen beschijnen. Voelt ge nu, het was de scheppingsdorst, de

hoogere bezetenheid van den geweldigen kunstenaar, die eerst bevrediging

voelt en rust in de volbrenging, de uitstooting, bij Napoleon: dè daad.

Inwaartsch werken zijn visioenen en bestoken, als een goud vuur, zijn

gedachten en verbeeldingen. De wereld ziet slechts legermanoeuvres,

stoute bewegingen en hoort slechts het kanonnen-gebulder. En in den

nacht onder de sterren, op het slagveld, leeft Napoleon, in geweldig

gesmoorde ontroering zijn droomen die hij tot werkelijkheden ziet

aangroeien.

Eerst veel later werd ook hij aangeknaagd door een soort van

beangstigende wroeging, toen hij bemerkte dat hij de wereld, zijn

materie, niet meer technisch beheerschte. Maar, in zijn glorie-opgang,..

wat was hem met zijn werelddroom en wereldrijk-visioen voor oogen,

leugen, bedrog, list, diplomatie, slagveld en bajonetten-moord? Hij

rende zélf midden in het vuur, op de plaatsen waar het gevecht in

moordende en alles wegmaaiende hevigheid was losgebarsten, woedend,

duivelsch en genadeloos. Wat gaf hij dus om eigen leven? Wat _hij_

waagde, moest iedereen wagen. Hij zou wel laten zien, hoe ontzaglijk en

grandioos het einddoel bleek! Zijn wil werd een soort van natuur-wil.

Zijn hartstocht tot de grootsche daad, een soort van cosmische

storm, die niemand aansprakelijk kon stellen voor vernieling en

levensvernietiging. Was hij nu persoonlijk zoo een wreed-monsterlijk

mensch, dat hij het gekreun der gewonden niet telde, het gejammer

niet hoorde? Gelooft ge dat, dan hebt ge inderdaad den Mephisto van

Lanfrey, den roover-avonturier, misdadiger van Taine, den waanzinnigen,

verblinden egoïst en zelfgenieter, die alles aan de glorie van zijn Ik

offert.--Maar dat is tegelijkertijd niéts verstaan van de epische

drift die dezen oorlogsvoerder als leider en schepper van een leger

beheerschte, en waaraan hij zelve lijdelijk onderworpen was, als een

kunstenaar aan zijn ingevingen. Alles werd onbelangrijk voor hèm, naast

de volbrenging van zijn taak. Wat hem dwarsboomde en zijn scheppingswil

tergde móest uit den weg.

In dit mateloos individualisme herkent ge de elementen van de misdaad.

Zeker. Maar daarmee heb ik de bevestiging van mijn beschouwen, dat

Napoleon niet mag worden bezien als een wezen dat ook _anders_ had

kunnen doen dan hij deed.

De demonische verkoeling van zijn menschelijk levensgevoel, en het

ongebreidelde uitleven van zijn heerschersinstincten, geven hem een

ijzingwekkende kracht, die als aangewend middel abnormaal, afgrijselijk

en gruwbaar voor _onze_ gevoelens en _onze_ menschbeschouwing, _hem

zelve_ toeleek de eenige te zijn, welke hij móest gebruiken.

Voelt ge nu juist niet, in dit, naar het donker-misdadige, dreigende

noodlotsleven, den diep-tragischen gang en ontwikkeling? Eérst de

ontzaglijke avonturiersgeest, die, door de werkelijkheid geholpen, een

romantischen verbeeldingsroes vermag te doorleven als geen enkel zijner

groote tijdgenooten. Hij leeft verdeeld en in het verdeelde toch als een

eenheid. Hij is republikeinsch en fel-democratisch en tegelijkertijd

despotisch alleen-heerscher. Zijn physische veel-ikkigheid, als bij

ieder schepper, doet hem iederen ziels-staat op zich zelf zeer zuiver en

ongekrenkt doorleven. Voor vrijheid en onbelemmerde menschen-rechten

streed hij al met Paoli, tegen Frankrijk. En toch is de kern van zijn

natuur gericht op overheersching, neerdrukking, en belemmering van

anderer individueel uitgroeien, wijl hij zich bewust wordt, dat hij

alleen de mensch-kudden zal kunnen leiden naar hun geluk.

Hier juist begint de verblinde, schitterende waan, door het onbewogen

cosmische leven zélf als een vuur-wil binnen de wanden dezer hersens

ingeschroefd.

Ik ben er voor mij diep van overtuigd dat de psychologisch-doordringende

historie der toekomst dezen schrikkelijken, maar gigantischen en

tegelijk goedaardigen en zielshartelijken man, al naar het kantelend

inzicht wil, beul en held, zélf als een wreed en onpeilbaar smartelijk

slachtoffer zal zien, van een scheppingsfatum der natuur, met dezelfde

onbewuste rampzaligheid en tegelijk prachtige grootschheid innerlijk

en uiterlijk gevormd, voorbereid en geschapen als de kraters die in

aardbevingen losbarstend, steden en menschen vernielen onder hun

vuurasch en vulkanische uitwerpselen. Men zal, eenmaal onwrikbaar

in hem ziend, de openbaring van een door niets te stuiten cosmische

levenswerking, zijn persoonlijke nagedachtenis niet meer vervloeken,

om al de onheilen die hij over de menschen bracht. En als het kan

slechts de grootschheid van een mensch die vermocht te leven met de

ontembaarheid van een natuurverschijnsel, in hem eerbiedigen en

bewonderen.

Wie vloekt een cycloon, een aardbeving, een stormzee? Napoleon was tot

de geringste plooi zijner daden voorbeschikt, en niets ter wereld zou

bij machte geweest zijn er de kleinste wijziging in te hebben kunnen

aanbrengen. Want dan zou alles om en rond hem, van individu tot

menschheid, ook ánders hebben kunnen zijn. En dat is de as van het

noodzakelijk geschieden uit haar onwijzigbare baan willen wegzwikken. Ik

besef volkomen, hoezeer ik met deze beschouwing het gansche vraagstuk

der physische en psychische causaliteit binnen den kring der historische

feiten trek.--En ik verklaar mij dan ook te allen tijde bereid, het

wijsgeerig-psychologische deel dezer karakter-ontleding afzonderlijk

te willen verdedigen tot in de uiterste conclusies. Juist, omdat ik

hier, de causaliteit, heerschende over stoffelijk en z.g. anorganisch

natuur-bestaan, vergelijk met de causaliteit, even onwrikbaar en

noodwendig heerschend over den menschelijken geest, de wilsvorming en

zijn psyche, en dus schijnbaar speelsch van de stoffelijke naar de

geestelijke oorzakelijkheidsleer ben overgestapt, voeg ik er dit

bij.--Bij Napoleon's persoonlijkheid leek mij de toepassing der

psychische causaliteits-leer juist zoo treffend als bij geen ander groot

man. Juist wijl zoo klaar kan worden aangetoond dat de indeterministen

door hun vrijmaking van den menschelijken wil, weer zoo angstiglijk-zot

het „toeval” in het levensgebeuren binnensmokkelen.--Al gaat dit

dan ook met een hoog beroep op Kant's _intelligibele_ wilsleer, die

hoofdzakelijk uitgedacht, uitgevonden lijkt om het Ik _aansprakelijk_ te

kunnen stellen voor zijn handelingen. Maar Napoleon behoeft hier zelfs

niet den grimmigen grijns van Schopenhauer te vreezen.

Ik wil u nog enkele staaltjes geven van zijn veel-ikkigheid en de

tegenstrijdigheid, die zoo buitengewoon zuiver de mengeling van zijn

betooverende grootheid en onmenschelijkheid soms, bevestigen en,

getoetst aan deze grondontleding van zijn karakter en onwijzigbaren

aanleg, mede verklaren.

KARAKTERTEGENSTRIJDIGHEDEN.

Karakter-tegenstrijdigheden van Napoleon zou ik u nog laten beoordeelen;

karakter-botsingen welke soms nog treffender een zoo groote

persoonlijkheid in zijn samengesteld wezen verklaren dan het

overeenstemming van grondeigenschappen kan doen. Voor scherpzienden

en ziels-indringers soms zóó treffend, dat zij alle geschiedkundige

uitpluizerijen van verhaal-feitjes en opzichtige gebeurtenissen

overbodig maken.

Te Auxonne,--in zijn valen armoe-tijd van behoeftig maar

pijnlijk-trotsch luitenantje--woelde er een onrustige uitingsdrang door

Napoleon's geest. Hij bepeinst alles in vlagen van woeste verhevenheid

of van wreed-koele en bijtende nuchterheid, al naar het gevalt in zijn

onstuimig brein.--Hij bepeinst.... de Liefde.... Een kanonnen-man die de

pijlspitsjes van het knusse liefdegodje betast.... Hij schrijft:

_Dialogue sur l'amour_. Zijn slotsom is, alle vervoering en ontroering

nekkend: „Je crois l'amour nuisible à la société, au bonheur individuel

des hommes. Enfin, je crois que l'amour fait plus de mal que de bien.”--

Spinoza had, op zoovele diepere gronden van fijne gewaarwordings-ontleding

omtrent de schadelijkheid der liefde, dezelfde gevolgtrekking gemaakt.

Ziehier Amor bekneld tusschen een wijsgeer en een soldaat. Is het te

verwonderen dat 't gekrenkte godje later op wraak zint en Napoleon's

hart tracht te bekittelen met zijn puntige spitsjes wanneer er slechts

even gelegenheid voor is? Want Amor schuwt slagveld noch lijken, meineed

noch huwelijkstrouw.

Ge meent allicht dat Napoleon met deze uitspraak en vernietigende

slotsom voor minnenden, een zuur liefde-mensch geweest is, die het

menschelijke tortelduiven-spel met speeksellooze tong voorbijging, als

een kuische blauwkous, zeer verbolgen, de schaamtelooze paring der

redelooze dieren?--Geheimzinnige weerstreving van een onontkoombare

werkelijkheid. Deze stroeve en bitse veroordeelaar der liefde, was zèlf

een hevig-hartstochtelijk minnaar en een verrukkelijke uitwerper van

brandende minnetaal.--Ik neem slechts enkele zinnen uit zijn brief van:

le 29 Messidor, Marmisolo, 9 heures du soir, 17 Juillet 1796.

„Je reçois ta lettre, mon adorable amie; elle a rempli mon coeur de

joie.... Depuis que je t'ai quittée, j'ai toujours été triste. Mon

bonheur est d'être près de toi. Sans cesse je repasse dans ma mémoire

tes baisers, tes larmes, ton aimable jalousie; et les charmes de

l'incomparable Joséphine allument sans cesse une flamme vive et brûlante

dans mon coeur et dans mes sens”....

Of dit gedeelte er uit.

„Ah! je t'en prie, laisse-moi voir quelques uns de tes défauts; sois

moins belle, moins gracieuse, moins tendre, moins bonne, surtout;

surtout ne sois jamais jalouse, ne pleure jamais; tes larmes m'otent la

raison, brûlent mon sang. Crois bien qu'il n'est plus en mon pouvoir

d'avoir une seule pensée qui ne soit pas à toi, et une idée qui ne te

soit pas soumise.”

„Repose-toi bien. Rétablis vite ta santé. Viens me rejoindre; et, au

moins, qu'avant de mourir, nous puissions dire: Nous fûmes tant de

jours heureux!!!--Milles de baisers, et même à Fortuné en dépit de sa

méchanceté.” (Pag. 5 _Lettres de Napoléon à Joséphine._)

Is het niet verbijsterend? Met brandend bloed geschreven, ieder woord,

iedere zinsval, en zoo aan allen kant doorgolfd van menschelijken

hartstocht en zoo overal aangestoken van minnaarsvuur dat ge er de heete

pijn van smachtend begeeren en verlangen in ziet rondkruipen. Ge vraagt

u af: zijn dat woorden van den man door wien de liefde als schadelijk

voor ieder persoonlijk geluk en voor het maatschappelijk leven, koel

werd afgewezen, omdat ze veel meer kwaad dan goed sticht in ons bestaan?

Zoo wreekte zich vijf jaar later Amor op den koelen smaler van zijn

pijlengif. De oningewijden zullen veronderstellen, dat Bonaparte slechts

in een vlaag van verteedering zoo schreef. Hoe zot! Zoo hoog bleef

zijn minnevuur òp- en uitlaaien tegenover Joséphine of tegenover een

andere aangebedene; gaf hij zijn taal, aangeblazen door een adem van

zinnen-hitte, jaloesie en vervoerende vurigheid, even onstuimig in zijn

overgave als in zijn afkeer. Hoe gek klinkt tegenover de zielsvaart

dezer minnebrieven, de beschouwing van Emerson,--van hooggeestelijken

kant half bedoeld als beschuldiging--dat Napoleon in alles altijd

geweest was een toonbeeld van bijna listige bedachtzaamheid, een

toonbeeld ook van burgerlijk gezond verstand. Ik heet deze kenschetsing

koelweg belachelijk, rauw belachelijk. Ook in zijn gevoelsbrieven, in

zijn hart-uitstortingen is Napoleon geweest een geweldig ontroerd

vervoerings-schepsel, een zich zelf verterend verbeeldings-mensch, die

mateloos zijn geluksdroom uitspant en alle begoochelingen en droeve

schijngestalten ervan na-rent tot hij tegen zijn eigen schaduw opbotst.

En toch kon hij van een koudmakende, koelbloedige bedachtzaamheid zijn,

als hij de woeste levens-begeerlijkheid van zijn avontuurlijk romantisch

karakter voor een wijle bedwong, en er de felle fonkelingen van smoorde,

allen om nòg grootscher, nog stouthartiger gebeuren te lokken en

te verwerkelijken. Romantisch bleef hij zelfs in zijn keizerlijke

vertrekken, als hij, in het grauwende schemeruur Joséphine en haar

bijgeloovige hofdames, de beklemde harten bespookte met verhalen van

griezel-geschiedenissen en met een soort scheppend treurspel-vermogen

deze verzon, in een dampkring van realiteit dompelde en uitwerkte met

gebaren, stem-wisseling en gelaatsbewegingen van een tooneelspeler.

[Illustration: JOSEPHINE]

Zij, die het persoonlijke leven van Napoleon bestudeerd hebben, kunnen

weten welk een aanbiddelijke liefdes-vleierij en teederheid er leefde in

het slotzinnetje van zijn brief aan Joséphine:.... „et _même_ à Fortuné

en dépit de sa méchanceté.”

Fortuné was het troetelhondje van mevrouw Bonaparte. Napoleon

verafschuwde dit schichtige, bijtende en keffende mormeltje, verwend als

een ziek zuigelingetje. Zonder de geringste spot-beklemtoning neemt hij

zelfs dit vertroeteld schoot-gunstelingetje op in de overvloeiende

genegenheid voor zijn geliefde.

Is dat niet een aanbiddelijk-innig en fijn trekje in dezen

„bloedvergieter?”--Hij was lomp en barsch en onbeminlijk tegenover

vrouwen? Nooit waagde een man stoutmoediger, diepzinniger en tegelijk

vleiender scherts dan Napoleon, toen hij tot de vrouw van den

sterrenkundige Lalande zei: „Partager une nuit entre une jolie femme

et un beau ciel me parâit être le bonheur sur la terre.”

Versta mij wel, hoogdravende en gelijkvloers-levende lezers, ik

verafschuw iedere persoons-karakteristiek die de guitige voorvalletjes

en het prikkelende woord tot grondslag van verhaal heeft. Ze is meestal

waardeloos en geestelijk leeg. Maar indien ge kwinkslag en pittig woord

slechts als vercieringsmotief gebruikt en het uitwendige ook een

uitwendige plaats geeft, dan kan u de anecdote geen opdringerig deel

der ziels-ontleding worden.

Doe ook zoo met dit keizerlijke woord van Napoleon, in zwierige

beminnelijkheid geworpen naar de gestalte eener schoone vrouw,

als een zoetgeurende bloem van toespelingen-verwachtende

minnaars-welsprekendheid. Léon Bloy zou er allicht slechts een

onpeilbare symbolische diepzinnigheid in willen eerbiedigen, om achter

het waarneembaar-gebeurende en zinnen-vurige, den onzichtbaren drang

van zulk een stout gezegde, voor ons te kunnen heffen tot de hoogte van

een godsdienstig embleem, geboren in de schoonheids-ontroering welke

nachtelijke oneindigheid en gracie van een vrouwgedaante in hem wekten.

En zelfs met een huivering kan dit gewaarworden ons ondergaan lijken,

omdat de vrouw, de verleidster van het naar God-geschapene, hier in haar

aanbiddelijke verleidelijkheid, wordt betrokken in cosmisch-almachtig

gevoel voor het grenzeloos duister heelal met zijn verre translichten.

Maar zoo is alle zichtbaar geschieden te verinnerlijken door de

onverklaarbare werkingen van een onderbewust instinct tot een mysterie,

waartegenover de grootste zielsspeurder machteloos en dwergelijk staat.

* * * * *

Een andere tegenstrijdigheid.

Napoleon(#45254) · 第 3 / 7 段