dit allermerkwaardigst jeugdgeschrift van Napoleon, gelezen. Er is
een romantische Faust-wroeging in den lateren keizer als hij dit
Discours hervindt. Zelfs Stendhal, de karakter-doorgronder bij
uitnemendheid, verzuimde in zijn fragment-boek, op den jongen, stouten
gedachten-omwoeler een operatie te doen. Brandde hij zich aan den gloed
der vuur-zee? Lanfrey in zijn groot werk over Napoleon waagde het
althans te omschrijven van zijn standpunt uit.... doch zijn standpunt
lijkt me onnoozel. „D'après la façon dont il traita ce sujet, et malgré
l'enthousiasme qu'il y dépensa, il est permis de conclure qu'il n'avait
aucune vocation pour le métier de moraliste.”
Zoo spot lichtelijk Lanfrey (Tome premier, _Histoire de Napoléon_ I,
pag. 20). En toch, juist de woeste levendigheid van dit Discours is zoo
zeer onthullend voor vele verborgen gehouden en gesmoorde gevoelens van
Napoleon, tegelijkertijd schender en bezinger van menschelijke vrijheid.
Hebt ge ooit een vurig dweper met de onstuimige en meesleepende lyriek
van Rousseau, Nietzschiaanscher grondstellingen hooren verkondigen en
wilder duikelingen zien doen over alle moraalheggen en -hindernissen
heen? Met dorpelingen-inzichten, eeuwen ten achter in de kennis der
ethische literatuur, stompt hij de gestalte van Plato op zij, trapt
Aristoteles op de teenen, en richt hij zijn artillerie-geschut op de
gansche menschheid. Een Italiaansch barbaar uit de middeleeuwen,
plotseling met levens-adem doorzwollen, een wilde weetniet, zonder eenig
besef van de klassieke wijsbegeerte, gebaart hij met de schrikkelijke
spier-armen van een Michel Angelo-beeld. En toch, wat een vuur, wat een
snel denkbeelden lichtend doen uitslaan en weer verdonkeren met het
zoekende begrips-woord. Wat een durf, een gang, een stout tarten en
dreigen van den oproerigen, onderzoekenden geest. In zwavelig glanzen
phosphoriseert om hem de duivelsgedachte, de echte, alle hoogere leven
inslurpende Mephisto-conceptie: leef en heersch, kracht en genot is
alles.
Later, als keizer, verbrandde hij dit geschrift. Alsof ooit vuur met
vuur vernietigd werd. Het was een sluwe en snerpende hatelijkheid
van Talleyrand, juist dit Discours terug te vinden op het moment van
Bonaparte's hoogste maatschappelijke macht. Zooals dit stuk venijn en
wrang vernuft het verstond Napoleon tegen den angel te drukken, waagde
het niemand. Een werelddroom doorleefde Napoleon toen reeds met een
stijgerende verbeeldings-romantiek.--Al weer blijkt de verbijsterende
samengesteldheid van zijn wezen, al is ieder onderdeel door één
structuurlijn vastgeschakeld. Van alle kanten druischt het gerucht van
den waterval op ons aan. En toch één stroom, één massa geraasmakend
leven. De samengestelde ziels-staten van Bonaparte brengen de meeste
beoordeelaars op een dooreengeward spoor. Ze zien vooral de vernielende
en vernietigende wanorde van een grootsch gedrocht, in de rijen der
worstelende menschheid op de eerste plaats geschoven. Eén groep roept
u toe: Napoleon is een man, geheel zonder liefde, van steen en ijzer,
kil als een gewelf, en somber als een melancholieke, Italiaansche
bandiet. Napoleon haatte alle ideologie, alle beschaving, alle
vrijheidsgevoelens. Al zijn wijsheid is gestolen geestesgoed van
anderen. Hij pronkte gewetenloos met al de hem toegestopte kennis van
in dienst genomen en beëxploiteerde geleerden, die hij omkocht met geld
en machtsposities. Goedsmoeds aanvaardde hij de lauweren die zijn
stouten generaals om hun dapperheid toekwamen. Lanfrey noemt hem een
onbeteekenend staatsman, een zeer slecht diplomaat, een volslagen
onbekwaam wetgever, een charletanachtig redenaar, als zedelijke
persoonlijkheid een monster, een weerzinwekkend misdadiger zonder
weerga. Alleen als veldheer een genie. Een allicht nog feller vonnis
spreekt Taine uit. Weerzinwekkend eenzijdig, paradoxaal en psychologisch
uiterst zwak.
Het meest schennende vonnis sprak echter Goldsmith.
„Jamais créature humaine n'a réuni en soi autant de cruauté, de
tyrannie, de pétulance, de luxure, de sale débauche, d'avarice, que
ce Napoléon. La nature n'avait pas encore produit un être aussi
effroyable.” Ziedaar een lieflijke zinsnede van dezen kuischen Brit, die
mij de walgelijkste kwaadspreker van zijn tijd toeschijnt. Hij lastert
kwaadsappig en boosaardig als een wrokkige en inhalige baker bij
burgermenschen, die niet genoeg verval heeft gekregen. Want ditzelfde
giftige venijnspuwertje zegt van Diderot, in ditzelfde boek: „Diderot,
fils d'un coutelier, était un homme _très immoral_, et a publié _des
ouvrages licencieux_.” En van Rousseau:
„Rousseau était généralement _connu_ en France pour _le plus vil des
hommes_: dans ses infâmes Confessions” etc. Zoo gaan er aan: Voltaire,
Helvetius, Abt Morellet, D'Alembert, enz.
Volgens dit kwaadsprekend gedrochtje deed Napoleon in ieder zijner
gewoonten Frederik de Groote na. Bonaparte geloofde volgens hem meer
aan kaartlegsters en waarzegsters dan aan den Bijbel. „Deze goddelooze
veinsaard,” zegt hij, „voudrait singer Frédéric-le-Grand; il affecte
de porter la tête comme Frédéric, il porte du tabac dans la poche de
sa veste, comme Frédéric. Il a appris à danser, parce que Louis XIV
dansait. Aussitôt qu'il fut parvenu au consulat, il se mit à chasser; il
n'avait jamais chassé de sa vie; il devint chasseur pour imiter les rois
de France.”
De gif-tong nog vuriger strekkend verhaalt hij:
„On a prétendu que ce grand homme d'état, ce grand capitaine, ce grand
philosophe, était ennemi de la débauche, exempt même des faiblesses
qu'on peut reprocher à quelques grands hommes. Il a deux goûts qui se
trouvent rarement réunis dans le même homme; il est dissolu avec les
femmes, et il s'est montré adonné au vice dont on a faussement accusé
Socrate. Son archi-chancelier Cambacérès le seconde merveilleusement
dans ce penchant honteux! Je ne serais pas étonné que pour imiter Néron
en tout, il n'épousât un jour un de ses pages et un de ses Mamelouks.
Sans respect pour la décence, l'inceste même ne paraît pas devoir être
déguisé; il a vécu publiquement avec ses deux soeurs mesdames, Murat et
Borghèse; la première s'en vantait à tout le monde. On sait assez que
madame Louis Bonaparté, fille de Joséphine, étant devenu grosse de
Napoléon, celui-ci força son frère a l'épouser; il n'est pas moins
certain que ce même Napoléon est le père d'un autre enfant dont la dame
accoucha, il y a environ dix-huit mois.”
* * * * *
Dit aasgiertje der historie en der schande-kroniek voedt zich met vunze
en scabreuse anecdoten, hier en daar door vinnig-lasterende vijanden
van Bonaparte rondgestrooid. Telkens krijscht zijn dikklinkende
papegaaien-stem: „Ziedaar de wellustige moordenaar Napoleon.” En als
zijn walgelijke en onwelriekende adem over allerlei historisch gebeuren
is heengewalmd, en slechts enkele dingen er van onbeslagen bleven, dan
foetert hij tegen den onwijzigbaren gang der feiten zelve.
Zijn boek is geschreven in de hoogeschool der babbelende boosaardigheid.
De verteltoon is van een woekeraar die de noodgeheimen van zijn hooge
klantjes in wraakzuchtige en laaghartige woede onthult en verklapt. Het
is de apotheose der kleine, vervalschende, gniepige schotschriften-durf,
die zijn achterklap ontleent aan gekrenkte zielen. De wrokkende
vinnigheid, de zure, baldadige schimp, het verontwaardigde pathos...
zij walmen ons vlak in 't gezicht, achter het besmoezelde en vuile
loketjes-raampje van een pandjeshuishouder uit. En toch heeft het
machtelooze gestotter van dit kroniekschrijverke door een valschen
schijn van documentatie, vele menschen er argeloos doen inloopen.
Hij leefde in de duisternis en de troebele schampglanzen der
zaakwaarnemers-cabinetjes; vlak nabij het hof. Hij luisterde aan
keukendeuren en loerde door alcove-sleutelgaten. Een gast met
spionnen-ziel, een hongerige visch, de gulzige bek vol vraat. In alles
verkrachtte hij de natuur en den zuiveren gang der dingen, verwrong ze
door zijn galgelen nijd en zijn zieke babbelzucht. Met de morsige handen
nog besmet van het vuil der afbraak, roerde hij op weerzinwekkende wijze
in het particulier leven van Napoleon, en.... men luisterde in gulzigen
honger naar kwaadaardig schandaal. Het allereenvoudigste psychologisch
begrip van Napoleon's genie ontbrak hem en toch keurde men, naar zijn
aangestoken woorden.
Ook Taine, de groote werker, verhaalt anecdotair, als hij het
psychologisch heeft over Napoleon's hartstochten:
„Elles reparaissent dans ce grand survivant du XVe siècle, le jeu de
la mochine nerveuse est pareil chez lui en chez ses ancitre italiens;
il n'y eut jamais, même chez les Malatesta et les Borgia, de cerveau
plus sentitif et plus impulsif capable de telles charges et décharges
électriques, en qui l'orage intérieur fût plus continu et plus grondaut,
plus sondain en éclairs et plus irrésistible en choses. Chez lui, aucune
idée ne demeure spéculative et pure; aucune n'est une simple copie du
réel ou un simple tableau du possible; chacune est une secousse interne
qui, spontanément et tout de suite tend à se transformes en acte;
chacune s'élance et se précipite vers son terme, et y aboutirait sans
intervalle, si elle n'était contenue et réprimée de force. Parfois
l'éruption est si prompte que la répression n'arrive poisit à temps.”
En als voorbeeld deze anecdote:
„Un jour, en Egypte, ayant à diner plusieurs dames françaises, il a fait
asseoir à ses côtés une jolie personne dont il vient de renvoyer le mari
en France; subitement, il renverse sur elle une carafe d'eau, comme
par mégarde, et sous prétexte de réparer les desordre de la toilette
mouillée, il l'entraîne avec lui dans son appartement, il y reste avec
elle longtemps, trop longtemps, tandis que les convives, assis à table
autour du diner suspendu, attendent et se regardent.”
En of het niet genoeg is, dadelijk er op volgend:
„Un autre jour, à Paris, vers l'époque du Concordat, il dit au sénateur
Volney: „La France veut une religion.” Volney séchement et librement,
lui riposte: „La France veut les Bourbons.” Sur quoi, il lance à Volney
un tel coup de pied dans le ventre, que celui-ci tombe sans connaissance
et que, transporté chez un ami, il y reste malade, au lit, pendant
plusieurs jours.”
* * * * *
Dit laatste gebeuren, ontleent Taine aan Bodin en eene „Causerie du
Lundi” van Sainte Beuve over Volney, zie pag. 53 en 54 van _Les Origines
de la France Contemporaine_.
Ook Lévy wijst op dit geval. Hij citeert niet het stuk van Taine, dat
ik hier geef. Slechts wijst hij op het oordeel. En hoe! Stakkerige, toch
eminente Taine, zegt hij, die met al zijn historische geleerdheid niet
verder kan komen, dan tot 't geven van zorgvuldig gekozen aanhalingen
uit de gedenkschriften van mevrouw De Rémusat, en enkele uittreksels uit
het werk van madame De Stael.
* * * * *
„N'est ce pas une pauvreté que de voir la philosophie de l'historie
prendre en considération les commérages de deux bas bleus, l'un et
l'autre incapables de jamais pardonner les mécomptes cuisants de leur
vanité féminine?
Déchirer à belles dents l'homme qui vous éconduisit, c'est pour le sexe
faible la revanche banale et inévitable des rêves pareils à ceux de Mme
de Staël,--froidement repoussée, alors qu'elle s'était enflammée au
mirage de rejouer les grandes favorites d'autrefois,--comme ce devait
être la conséquence du séjour de Mme de Rémusat avec l'Empereur aux
Pont-de-Briques, où elle croyait avoir acquis sur lui une haute
influence. Si ce n'est pas une profonde déception, comment expliquer, à
la fois, les horreurs débitées dans les mémoires, et l'enthousiasme ou,
pour mieux dire, le fétichisme que Napoléon inspirait à Mme de Rémusat
après les longues soirées passées jadis en tête-à-tête?” (Levy,
_Napoléon Intime_, pag. 386.)
Verder wijst Levy er op hoe vaak geschiedschrijvers klakkeloos
z.g. opzienbarende feiten elkaar hebben nageschreven, zonder eenig
persoonlijk onderzoek, terwijl later de malle fantasterij er van bleek.
Levy zegt: zeker, Napoleon kon, gelijk alle personen door gewichtige
zaken in beslag genomen wel eens ongeduldig zijn. Maar was zijn
drift-uitbarsting dan zoo ruw:
* * * * *
„On invoque trois auteurs pour appuyer cette histoire. (de zaak Volney.
Q.) Un peu de méfiance est cependant permise quand on constate que ces
trois auteurs (op wie Taine zich beroept, Q.) ne constituent, en
réalité, qu'un seul conteur.--
En effet. Bodin dit tenir le faìt de Besnard, et Sainte-Beuve s'en
réfère à Bodin.
Donc, l'anecdote du fameux coup de pied repose uniquement sur
l'affirmation de Besnard le nonagénaire.--
A coté de présomptions et de preuves fragiles, il existe un fait patent
qui, à tout le moins, prouverait que Volney, esprit distingué, n'avait
pas de rancune et avait reçu autre chose que des coups de pied: il garda
son siège de sénateur, puis il fut bientôt doté et blasonné; à la chute
de l'Empire, il était sénateur, comte et commandeur de la Légion
d'honneur.”--
* * * * *
Hoeveel onbeschoftheden liet Bonaparte zich niet welgevallen, van
Talleyrand? Hoorde men ooit van zulke mishandelingen? Volgens Levy
hebben noch Talleyrand noch Volney het ooit gewaagd zoo tartend te
spreken in tegenwoordigheid van den keizer. Zoo is Bonaparte nu
uitgemaakt voor bedrieger en comediant, vrek, wellusteling, bandiet,
avonturier, maar verheerlijkt door genieën als Goethe, Heine en
schrijvers als Hugo. En ook, vooral van beteekenis in dit geval, door
geloofwaardige en eenvoudige menschen met bewondering herdacht. Daar is
buiten de Ode aan de Arc de Triomphe van Hugo, Lacretelle die beweert:
„Oui, c'est véritablement le trône de Charlemagne qui se relève après
dix siècles”. En Monge galmt uit: „Dieu s'est complu à douer ce héros
toutes les grandes qualités.” En Jubé jubelt mee: „La terre, s'est tue
devant Alexandre qui voulait l'asservir; devant Napoléon, la terre, les
mers, qu'il veut franchir, l'univers qu'il remplit de son nom, parlent
hautement de la grandeur de son âme” .... Fontaines zegt: „L'homme
devant qui l'univers se tait est aussi l'homme en qui l'univers est
confie.”
Verder dringen La Place, Lacepède tezaâm en spreken luid over zijn
onmetelijke hoogte als genie. Neufchâteau schiet uit zijn lyrische slof
en ijlt zelfs: „Quel dieu nous a fait ces loisirs? C'est cet homme
extraordinaire qui a rajeuni la France.”
Ik beloofde u immers de dolste tegenspraak. Nog meer? Seguier verklaart:
„Napoléon est au delà de l'histoire humaine; il appartient aux temps
heroïques, il est au dessus de l'admiration.” Ik zou zoo kunnen doorgaan
uitzinnigste lofuitingen van dichters, geestelijken, kunstenaars, over
Napoleon, bijeen te lezen. Ge zult er van walgen. Hier, een boef, een
misdadiger, een bedrieger, een monster; nu weer een godheid, een
verheven genie, een Jupiter, een almachtige. En zoo werd hij in
aanbidding verheerlijkt door de grootsten van zijn tijd. Veel, o,
oneindig veel liever zijn mij de rustig-bewonderende oordeelvellingen
van menschen als Bassano, Marmont, De Ségur. Deze eenvoudige
diep-eerlijke bewonderaars verheerlijken niet als gekken, zeggen
simpel-gevoelige en zuivere waardeeringen. Generaal Rapp verklaart:
„Personne, n'était plus sensible, personne n'était plus constant dans
ses affections que Napoléon.”
Dit laatste vooral is een stoot naar zijn vijanden. Hij was vol innige
goedheid, zegt Marmont, terwijl men hem bedroog. Hij was vol eenvoud
verklaart De Ségur. Deze tiran duldde geen tegenspraak, beweert Taine.
Maar Méneval, zijn particuliere secretaris verklaart daar tegenin:
„qu'il souffrait volontiers la contradiction et que même il cédait
souvent.” En Caulaincourt, allerminst een vriend: dat Napoleon op de
meest waardige wijze niet slechts tegenspraak duldde, maar met edelen
moed zijn hechtste overtuiging liet bestrijden. Savary bevestigt dit
getuigenis met even veel klem als Baron Fain. En zelfs een zijner
scherpste vijandinnen, madame De Récamier, bekent eerlijk, verwonderd te
zijn geweest, „de lui trouver un air de douceur, une simplicité de
manières qui contrastait avec les façons toujours theâtrales de Lucien.”
De Hertog de Vivence uit zich in gelijken geest, zelfs Metternich stelt
Napoleons welwillenden en goedmoedigen omgangstoon vast. Stendhal
schrijft dat... „Son regard prenait une douceur infinie,”.... als hij
met een vrouw, of over de dapperheid van zijn soldaten sprak. En als ge
nu nog den pas verschenen zang op Napoleon leest van den grootsten
katholieken schimper en schelder van polemiseerend Frankrijk, Léon
Bloy's „l'Ame de Napoléon,” dan ervaart ge dat zelfs Stendhal, naar
Bloy's inzicht, Bonapartes genie ver beneden zijn grootheid geschat
heeft. En nu, monster, halfgod, held, moordenaar, bedrieger, comediant,
spontaan genie, wat is hij voor mij nu, voor mijn diepste overtuigingen
en grondige indringing in heel zijn wezen? Ik zal het u zeggen.
[decoratieve illustratie]
NAPOLEON ALS KARAKTER.
Napoleon's wezen verklaren, is nog iets geheel anders dan het
beoordeelen. Ik nader hiermee allicht zuiverder de bron van zijn
geestelijk-hypnotische macht, en de kern van zijn bedwelmende,
fascineerende persoonlijkheid. Het is ook, ter verklàring gesteld,
een veel prachtiger psychologisch probleem, dan ter beoordeeling.
Toch eischt deze verklaringsmethode,--o schandelijk woord voor iets
zóó innerlijks als psychisch inzicht--zeer veel onafhankelijke
gedachten-stoutmoedigheid. Want ik moet hierbij opbotsen tegen de
leeggeplunderde bloemkorven der moralisten; tegen de blinkende
en tartende pantsers der dogmatici van allerlei slag; tegen
de broze ideologie-bloeiselen der liefdadige en meest humane
maatschappij-hervormers en de zoetste lokfluiters naar en brengers
van het hoogst menschelijk geluk. Want ik moet hier het meest
grandioze, en voor vele treffelijke keurders van menschendaden, het
gedrochtelijkst-vergroeide individualisme van een reus als Napoleon,
tegen al hun vlammende idealen, hun onmeetbaar-uitstroomend
gemeenschapsgevoel, als cosmisch levensgebeuren, in bescherming
nemen.--We moeten, moéten ons heffen boven eigen levensgevoel en
maatschappij-inzichten, boven dát wat ons innerlijk het liefst is, om
de allerhoogste onbevooroordeeldheid tegenover zulk een phenomeen en
ingewikkelde karakter-persoonlijkheid als Napoleon was, in onzen eigen
zegenenden en vloekenden geest, onszèlf te verzekeren. Maar ik vraag ook
stoutmoedigheid van mijn lezers. Ze zullen aanstonds begrijpen waarom.
[Illustratie: NAPOLEON lezend.
Croquis naar de natuur van Girodet.]
Er bestaat een maatschappij-beschouwing, die langs en dwars door alle
economische crisissen en vervormings-processen, het verschijnsel
Napoleon zou kunnen ontleden in zijn elementen, in zijn sociale eb en
vloed, opkomst en vernietiging. Voor deze studie echter stel ik het
probleem uitsluitend psychologisch, al verlies ik den economischen
ondergrond der gebeurtenissen geen moment uit het oog.
Men zal mij dus vragen: Napoleon een bedrieger, een beul, een
zedeloos monster, een valsche speler, een woordbreukige, een
mateloos-hooghartige, een soort van onverschrokken misdadiger?
Ik antwoord: Neen.
Napoleon dus een edelmoedige, een held, een uiterst-gevoelige,
wereldveroveraar, een genie van de vermetelste soort, een schepsel boven
onze bewondering verheven, een heroïsche droomer, en toch een geweldig
man van de verheven daad?
Ik antwoord: Neen.
En nu begint schijnbaar de verwarring. De deugd-predikers grijpen naar
hun brevier en de geestdriftigen beknabbelen hun knokels. Voor mij
bestaat er geen Napoleon, de wellustige misdadiger en verkrachter van
ieder rechts- en vrijheids-gevoel, noch de legendarische held der
bonkige grenadiers, die weenden als ze den kleinen korporaal te midden
van vuur en kruitdamp, kalm en met den dood op den schoot zagen bevelen,
alsof hij in zijn paleis een kamerdienaar zijn drillenden wil deed
gevoelen. Omdat hij _beide_ was, beul en held, waanzinnig-eerzuchtige,
en rijp voor de hoogste levenswijsheid. En als mij nu door een
historicus gevraagd wordt naar de psychologische oplossing en
verklaring van zulk een monsterachtige en wanstaltige mengeling van
groot-menschelijke en òn-menschelijke eigenschappen, dan til ik hem óver
naar het terrein der blinde, cosmische wils-psychologie en zeg: leg daar
uw voetangels en klemmen: het deterministische levensproces zult ge niet
vangen noch beknellen;.... slechts _ons_ menschelijk bedoelen, _ons_
menschelijk ideaal-begrip van goed en kwaad, dat we òp alle ontstaande
dingen vastplakken, er doorheen rijgen en spijkeren, terwijl toch
de dingen zèlve, hun eigen, onafwendbaren, door niets en niemand
te wijzigen cosmischen gang, groei, ontwikkeling en vernietiging
hebben en ondergaan. Napoleon wás een wezenlijk phenomeen, als
Rembrandt, Shakespeare, maar nu op wereldsch gebied. Stel u door een
begrips-transpositie van idealiteit naar realiteit voor, dat alle
donker-gouden en geheimzinnig van licht omtooverde schilderstukken van
Rembrandt, en alle mystiek-romantische en pantheïstische verzen en van
binnen uit gloed afwerpende poëemen van Shakespeare, daden, menschelijke
en wereldlijke dáden zouden hebben kunnen worden en gij nadert de zich
in werkelijkheid uitlevende oer-instincten van het ontembaar gebeuren-
en daden-scheppende genie van Napoleon. Wat Caesar in verzen, en wat
Macbeth in bloedende strophen doorleefde, dat doorleefde Napoleon
in het wezenlijk bestaande. Gij kunt dezen mensch niet naderen met
christelijke, moreele en sociale beginselen. Wèl naar de veruitwendiging
zijner levensgeschiedenis, niét naar de vermetele, ontembare en
grondeloos-grandioze werkingen van ziel en brein.
Nu naderen we een groot gevaar. Als een brok avond-schemerende stad
onder een wazige viaduct-poort door gezien, zoo ligt zijn tijd achter
den rooden lichtvloed der Groote Revolutie. Het is, alsof wij niets
van het vogelengezang der vrijheid in ons opgenomen hebben, alsof
wij slechts het persoonlijk verschijnsel Napoleon zien, en niet de
geweldige donker-golvende massa, die hem mét haar hoogste stijgingen
opnam en naar zijn troon droeg. Deze onbewuste massa, die een
vrijheidsheld bejubelde en een despoot en tyran door het lot
teruggesmakt kreeg. En nog een gevaar schaduwt op. Het zal nu lijken
of ik Napoleon's monsterachtige eigenschappen ga verdedigen, om
den diepsten grond der persoonlijkheid te verklaren.