Ik heb nog nimmer een zuiver-psychologische ontleding, juist van

dit allermerkwaardigst jeugdgeschrift van Napoleon, gelezen. Er is

een romantische Faust-wroeging in den lateren keizer als hij dit

Discours hervindt. Zelfs Stendhal, de karakter-doorgronder bij

uitnemendheid, verzuimde in zijn fragment-boek, op den jongen, stouten

gedachten-omwoeler een operatie te doen. Brandde hij zich aan den gloed

der vuur-zee? Lanfrey in zijn groot werk over Napoleon waagde het

althans te omschrijven van zijn standpunt uit.... doch zijn standpunt

lijkt me onnoozel. „D'après la façon dont il traita ce sujet, et malgré

l'enthousiasme qu'il y dépensa, il est permis de conclure qu'il n'avait

aucune vocation pour le métier de moraliste.”

Zoo spot lichtelijk Lanfrey (Tome premier, _Histoire de Napoléon_ I,

pag. 20). En toch, juist de woeste levendigheid van dit Discours is zoo

zeer onthullend voor vele verborgen gehouden en gesmoorde gevoelens van

Napoleon, tegelijkertijd schender en bezinger van menschelijke vrijheid.

Hebt ge ooit een vurig dweper met de onstuimige en meesleepende lyriek

van Rousseau, Nietzschiaanscher grondstellingen hooren verkondigen en

wilder duikelingen zien doen over alle moraalheggen en -hindernissen

heen? Met dorpelingen-inzichten, eeuwen ten achter in de kennis der

ethische literatuur, stompt hij de gestalte van Plato op zij, trapt

Aristoteles op de teenen, en richt hij zijn artillerie-geschut op de

gansche menschheid. Een Italiaansch barbaar uit de middeleeuwen,

plotseling met levens-adem doorzwollen, een wilde weetniet, zonder eenig

besef van de klassieke wijsbegeerte, gebaart hij met de schrikkelijke

spier-armen van een Michel Angelo-beeld. En toch, wat een vuur, wat een

snel denkbeelden lichtend doen uitslaan en weer verdonkeren met het

zoekende begrips-woord. Wat een durf, een gang, een stout tarten en

dreigen van den oproerigen, onderzoekenden geest. In zwavelig glanzen

phosphoriseert om hem de duivelsgedachte, de echte, alle hoogere leven

inslurpende Mephisto-conceptie: leef en heersch, kracht en genot is

alles.

Later, als keizer, verbrandde hij dit geschrift. Alsof ooit vuur met

vuur vernietigd werd. Het was een sluwe en snerpende hatelijkheid

van Talleyrand, juist dit Discours terug te vinden op het moment van

Bonaparte's hoogste maatschappelijke macht. Zooals dit stuk venijn en

wrang vernuft het verstond Napoleon tegen den angel te drukken, waagde

het niemand. Een werelddroom doorleefde Napoleon toen reeds met een

stijgerende verbeeldings-romantiek.--Al weer blijkt de verbijsterende

samengesteldheid van zijn wezen, al is ieder onderdeel door één

structuurlijn vastgeschakeld. Van alle kanten druischt het gerucht van

den waterval op ons aan. En toch één stroom, één massa geraasmakend

leven. De samengestelde ziels-staten van Bonaparte brengen de meeste

beoordeelaars op een dooreengeward spoor. Ze zien vooral de vernielende

en vernietigende wanorde van een grootsch gedrocht, in de rijen der

worstelende menschheid op de eerste plaats geschoven. Eén groep roept

u toe: Napoleon is een man, geheel zonder liefde, van steen en ijzer,

kil als een gewelf, en somber als een melancholieke, Italiaansche

bandiet. Napoleon haatte alle ideologie, alle beschaving, alle

vrijheidsgevoelens. Al zijn wijsheid is gestolen geestesgoed van

anderen. Hij pronkte gewetenloos met al de hem toegestopte kennis van

in dienst genomen en beëxploiteerde geleerden, die hij omkocht met geld

en machtsposities. Goedsmoeds aanvaardde hij de lauweren die zijn

stouten generaals om hun dapperheid toekwamen. Lanfrey noemt hem een

onbeteekenend staatsman, een zeer slecht diplomaat, een volslagen

onbekwaam wetgever, een charletanachtig redenaar, als zedelijke

persoonlijkheid een monster, een weerzinwekkend misdadiger zonder

weerga. Alleen als veldheer een genie. Een allicht nog feller vonnis

spreekt Taine uit. Weerzinwekkend eenzijdig, paradoxaal en psychologisch

uiterst zwak.

Het meest schennende vonnis sprak echter Goldsmith.

„Jamais créature humaine n'a réuni en soi autant de cruauté, de

tyrannie, de pétulance, de luxure, de sale débauche, d'avarice, que

ce Napoléon. La nature n'avait pas encore produit un être aussi

effroyable.” Ziedaar een lieflijke zinsnede van dezen kuischen Brit, die

mij de walgelijkste kwaadspreker van zijn tijd toeschijnt. Hij lastert

kwaadsappig en boosaardig als een wrokkige en inhalige baker bij

burgermenschen, die niet genoeg verval heeft gekregen. Want ditzelfde

giftige venijnspuwertje zegt van Diderot, in ditzelfde boek: „Diderot,

fils d'un coutelier, était un homme _très immoral_, et a publié _des

ouvrages licencieux_.” En van Rousseau:

„Rousseau était généralement _connu_ en France pour _le plus vil des

hommes_: dans ses infâmes Confessions” etc. Zoo gaan er aan: Voltaire,

Helvetius, Abt Morellet, D'Alembert, enz.

Volgens dit kwaadsprekend gedrochtje deed Napoleon in ieder zijner

gewoonten Frederik de Groote na. Bonaparte geloofde volgens hem meer

aan kaartlegsters en waarzegsters dan aan den Bijbel. „Deze goddelooze

veinsaard,” zegt hij, „voudrait singer Frédéric-le-Grand; il affecte

de porter la tête comme Frédéric, il porte du tabac dans la poche de

sa veste, comme Frédéric. Il a appris à danser, parce que Louis XIV

dansait. Aussitôt qu'il fut parvenu au consulat, il se mit à chasser; il

n'avait jamais chassé de sa vie; il devint chasseur pour imiter les rois

de France.”

De gif-tong nog vuriger strekkend verhaalt hij:

„On a prétendu que ce grand homme d'état, ce grand capitaine, ce grand

philosophe, était ennemi de la débauche, exempt même des faiblesses

qu'on peut reprocher à quelques grands hommes. Il a deux goûts qui se

trouvent rarement réunis dans le même homme; il est dissolu avec les

femmes, et il s'est montré adonné au vice dont on a faussement accusé

Socrate. Son archi-chancelier Cambacérès le seconde merveilleusement

dans ce penchant honteux! Je ne serais pas étonné que pour imiter Néron

en tout, il n'épousât un jour un de ses pages et un de ses Mamelouks.

Sans respect pour la décence, l'inceste même ne paraît pas devoir être

déguisé; il a vécu publiquement avec ses deux soeurs mesdames, Murat et

Borghèse; la première s'en vantait à tout le monde. On sait assez que

madame Louis Bonaparté, fille de Joséphine, étant devenu grosse de

Napoléon, celui-ci força son frère a l'épouser; il n'est pas moins

certain que ce même Napoléon est le père d'un autre enfant dont la dame

accoucha, il y a environ dix-huit mois.”

* * * * *

Dit aasgiertje der historie en der schande-kroniek voedt zich met vunze

en scabreuse anecdoten, hier en daar door vinnig-lasterende vijanden

van Bonaparte rondgestrooid. Telkens krijscht zijn dikklinkende

papegaaien-stem: „Ziedaar de wellustige moordenaar Napoleon.” En als

zijn walgelijke en onwelriekende adem over allerlei historisch gebeuren

is heengewalmd, en slechts enkele dingen er van onbeslagen bleven, dan

foetert hij tegen den onwijzigbaren gang der feiten zelve.

Zijn boek is geschreven in de hoogeschool der babbelende boosaardigheid.

De verteltoon is van een woekeraar die de noodgeheimen van zijn hooge

klantjes in wraakzuchtige en laaghartige woede onthult en verklapt. Het

is de apotheose der kleine, vervalschende, gniepige schotschriften-durf,

die zijn achterklap ontleent aan gekrenkte zielen. De wrokkende

vinnigheid, de zure, baldadige schimp, het verontwaardigde pathos...

zij walmen ons vlak in 't gezicht, achter het besmoezelde en vuile

loketjes-raampje van een pandjeshuishouder uit. En toch heeft het

machtelooze gestotter van dit kroniekschrijverke door een valschen

schijn van documentatie, vele menschen er argeloos doen inloopen.

Hij leefde in de duisternis en de troebele schampglanzen der

zaakwaarnemers-cabinetjes; vlak nabij het hof. Hij luisterde aan

keukendeuren en loerde door alcove-sleutelgaten. Een gast met

spionnen-ziel, een hongerige visch, de gulzige bek vol vraat. In alles

verkrachtte hij de natuur en den zuiveren gang der dingen, verwrong ze

door zijn galgelen nijd en zijn zieke babbelzucht. Met de morsige handen

nog besmet van het vuil der afbraak, roerde hij op weerzinwekkende wijze

in het particulier leven van Napoleon, en.... men luisterde in gulzigen

honger naar kwaadaardig schandaal. Het allereenvoudigste psychologisch

begrip van Napoleon's genie ontbrak hem en toch keurde men, naar zijn

aangestoken woorden.

Ook Taine, de groote werker, verhaalt anecdotair, als hij het

psychologisch heeft over Napoleon's hartstochten:

„Elles reparaissent dans ce grand survivant du XVe siècle, le jeu de

la mochine nerveuse est pareil chez lui en chez ses ancitre italiens;

il n'y eut jamais, même chez les Malatesta et les Borgia, de cerveau

plus sentitif et plus impulsif capable de telles charges et décharges

électriques, en qui l'orage intérieur fût plus continu et plus grondaut,

plus sondain en éclairs et plus irrésistible en choses. Chez lui, aucune

idée ne demeure spéculative et pure; aucune n'est une simple copie du

réel ou un simple tableau du possible; chacune est une secousse interne

qui, spontanément et tout de suite tend à se transformes en acte;

chacune s'élance et se précipite vers son terme, et y aboutirait sans

intervalle, si elle n'était contenue et réprimée de force. Parfois

l'éruption est si prompte que la répression n'arrive poisit à temps.”

En als voorbeeld deze anecdote:

„Un jour, en Egypte, ayant à diner plusieurs dames françaises, il a fait

asseoir à ses côtés une jolie personne dont il vient de renvoyer le mari

en France; subitement, il renverse sur elle une carafe d'eau, comme

par mégarde, et sous prétexte de réparer les desordre de la toilette

mouillée, il l'entraîne avec lui dans son appartement, il y reste avec

elle longtemps, trop longtemps, tandis que les convives, assis à table

autour du diner suspendu, attendent et se regardent.”

En of het niet genoeg is, dadelijk er op volgend:

„Un autre jour, à Paris, vers l'époque du Concordat, il dit au sénateur

Volney: „La France veut une religion.” Volney séchement et librement,

lui riposte: „La France veut les Bourbons.” Sur quoi, il lance à Volney

un tel coup de pied dans le ventre, que celui-ci tombe sans connaissance

et que, transporté chez un ami, il y reste malade, au lit, pendant

plusieurs jours.”

* * * * *

Dit laatste gebeuren, ontleent Taine aan Bodin en eene „Causerie du

Lundi” van Sainte Beuve over Volney, zie pag. 53 en 54 van _Les Origines

de la France Contemporaine_.

Ook Lévy wijst op dit geval. Hij citeert niet het stuk van Taine, dat

ik hier geef. Slechts wijst hij op het oordeel. En hoe! Stakkerige, toch

eminente Taine, zegt hij, die met al zijn historische geleerdheid niet

verder kan komen, dan tot 't geven van zorgvuldig gekozen aanhalingen

uit de gedenkschriften van mevrouw De Rémusat, en enkele uittreksels uit

het werk van madame De Stael.

* * * * *

„N'est ce pas une pauvreté que de voir la philosophie de l'historie

prendre en considération les commérages de deux bas bleus, l'un et

l'autre incapables de jamais pardonner les mécomptes cuisants de leur

vanité féminine?

Déchirer à belles dents l'homme qui vous éconduisit, c'est pour le sexe

faible la revanche banale et inévitable des rêves pareils à ceux de Mme

de Staël,--froidement repoussée, alors qu'elle s'était enflammée au

mirage de rejouer les grandes favorites d'autrefois,--comme ce devait

être la conséquence du séjour de Mme de Rémusat avec l'Empereur aux

Pont-de-Briques, où elle croyait avoir acquis sur lui une haute

influence. Si ce n'est pas une profonde déception, comment expliquer, à

la fois, les horreurs débitées dans les mémoires, et l'enthousiasme ou,

pour mieux dire, le fétichisme que Napoléon inspirait à Mme de Rémusat

après les longues soirées passées jadis en tête-à-tête?” (Levy,

_Napoléon Intime_, pag. 386.)

Verder wijst Levy er op hoe vaak geschiedschrijvers klakkeloos

z.g. opzienbarende feiten elkaar hebben nageschreven, zonder eenig

persoonlijk onderzoek, terwijl later de malle fantasterij er van bleek.

Levy zegt: zeker, Napoleon kon, gelijk alle personen door gewichtige

zaken in beslag genomen wel eens ongeduldig zijn. Maar was zijn

drift-uitbarsting dan zoo ruw:

* * * * *

„On invoque trois auteurs pour appuyer cette histoire. (de zaak Volney.

Q.) Un peu de méfiance est cependant permise quand on constate que ces

trois auteurs (op wie Taine zich beroept, Q.) ne constituent, en

réalité, qu'un seul conteur.--

En effet. Bodin dit tenir le faìt de Besnard, et Sainte-Beuve s'en

réfère à Bodin.

Donc, l'anecdote du fameux coup de pied repose uniquement sur

l'affirmation de Besnard le nonagénaire.--

A coté de présomptions et de preuves fragiles, il existe un fait patent

qui, à tout le moins, prouverait que Volney, esprit distingué, n'avait

pas de rancune et avait reçu autre chose que des coups de pied: il garda

son siège de sénateur, puis il fut bientôt doté et blasonné; à la chute

de l'Empire, il était sénateur, comte et commandeur de la Légion

d'honneur.”--

* * * * *

Hoeveel onbeschoftheden liet Bonaparte zich niet welgevallen, van

Talleyrand? Hoorde men ooit van zulke mishandelingen? Volgens Levy

hebben noch Talleyrand noch Volney het ooit gewaagd zoo tartend te

spreken in tegenwoordigheid van den keizer. Zoo is Bonaparte nu

uitgemaakt voor bedrieger en comediant, vrek, wellusteling, bandiet,

avonturier, maar verheerlijkt door genieën als Goethe, Heine en

schrijvers als Hugo. En ook, vooral van beteekenis in dit geval, door

geloofwaardige en eenvoudige menschen met bewondering herdacht. Daar is

buiten de Ode aan de Arc de Triomphe van Hugo, Lacretelle die beweert:

„Oui, c'est véritablement le trône de Charlemagne qui se relève après

dix siècles”. En Monge galmt uit: „Dieu s'est complu à douer ce héros

toutes les grandes qualités.” En Jubé jubelt mee: „La terre, s'est tue

devant Alexandre qui voulait l'asservir; devant Napoléon, la terre, les

mers, qu'il veut franchir, l'univers qu'il remplit de son nom, parlent

hautement de la grandeur de son âme” .... Fontaines zegt: „L'homme

devant qui l'univers se tait est aussi l'homme en qui l'univers est

confie.”

Verder dringen La Place, Lacepède tezaâm en spreken luid over zijn

onmetelijke hoogte als genie. Neufchâteau schiet uit zijn lyrische slof

en ijlt zelfs: „Quel dieu nous a fait ces loisirs? C'est cet homme

extraordinaire qui a rajeuni la France.”

Ik beloofde u immers de dolste tegenspraak. Nog meer? Seguier verklaart:

„Napoléon est au delà de l'histoire humaine; il appartient aux temps

heroïques, il est au dessus de l'admiration.” Ik zou zoo kunnen doorgaan

uitzinnigste lofuitingen van dichters, geestelijken, kunstenaars, over

Napoleon, bijeen te lezen. Ge zult er van walgen. Hier, een boef, een

misdadiger, een bedrieger, een monster; nu weer een godheid, een

verheven genie, een Jupiter, een almachtige. En zoo werd hij in

aanbidding verheerlijkt door de grootsten van zijn tijd. Veel, o,

oneindig veel liever zijn mij de rustig-bewonderende oordeelvellingen

van menschen als Bassano, Marmont, De Ségur. Deze eenvoudige

diep-eerlijke bewonderaars verheerlijken niet als gekken, zeggen

simpel-gevoelige en zuivere waardeeringen. Generaal Rapp verklaart:

„Personne, n'était plus sensible, personne n'était plus constant dans

ses affections que Napoléon.”

Dit laatste vooral is een stoot naar zijn vijanden. Hij was vol innige

goedheid, zegt Marmont, terwijl men hem bedroog. Hij was vol eenvoud

verklaart De Ségur. Deze tiran duldde geen tegenspraak, beweert Taine.

Maar Méneval, zijn particuliere secretaris verklaart daar tegenin:

„qu'il souffrait volontiers la contradiction et que même il cédait

souvent.” En Caulaincourt, allerminst een vriend: dat Napoleon op de

meest waardige wijze niet slechts tegenspraak duldde, maar met edelen

moed zijn hechtste overtuiging liet bestrijden. Savary bevestigt dit

getuigenis met even veel klem als Baron Fain. En zelfs een zijner

scherpste vijandinnen, madame De Récamier, bekent eerlijk, verwonderd te

zijn geweest, „de lui trouver un air de douceur, une simplicité de

manières qui contrastait avec les façons toujours theâtrales de Lucien.”

De Hertog de Vivence uit zich in gelijken geest, zelfs Metternich stelt

Napoleons welwillenden en goedmoedigen omgangstoon vast. Stendhal

schrijft dat... „Son regard prenait une douceur infinie,”.... als hij

met een vrouw, of over de dapperheid van zijn soldaten sprak. En als ge

nu nog den pas verschenen zang op Napoleon leest van den grootsten

katholieken schimper en schelder van polemiseerend Frankrijk, Léon

Bloy's „l'Ame de Napoléon,” dan ervaart ge dat zelfs Stendhal, naar

Bloy's inzicht, Bonapartes genie ver beneden zijn grootheid geschat

heeft. En nu, monster, halfgod, held, moordenaar, bedrieger, comediant,

spontaan genie, wat is hij voor mij nu, voor mijn diepste overtuigingen

en grondige indringing in heel zijn wezen? Ik zal het u zeggen.

[decoratieve illustratie]

NAPOLEON ALS KARAKTER.

Napoleon's wezen verklaren, is nog iets geheel anders dan het

beoordeelen. Ik nader hiermee allicht zuiverder de bron van zijn

geestelijk-hypnotische macht, en de kern van zijn bedwelmende,

fascineerende persoonlijkheid. Het is ook, ter verklàring gesteld,

een veel prachtiger psychologisch probleem, dan ter beoordeeling.

Toch eischt deze verklaringsmethode,--o schandelijk woord voor iets

zóó innerlijks als psychisch inzicht--zeer veel onafhankelijke

gedachten-stoutmoedigheid. Want ik moet hierbij opbotsen tegen de

leeggeplunderde bloemkorven der moralisten; tegen de blinkende

en tartende pantsers der dogmatici van allerlei slag; tegen

de broze ideologie-bloeiselen der liefdadige en meest humane

maatschappij-hervormers en de zoetste lokfluiters naar en brengers

van het hoogst menschelijk geluk. Want ik moet hier het meest

grandioze, en voor vele treffelijke keurders van menschendaden, het

gedrochtelijkst-vergroeide individualisme van een reus als Napoleon,

tegen al hun vlammende idealen, hun onmeetbaar-uitstroomend

gemeenschapsgevoel, als cosmisch levensgebeuren, in bescherming

nemen.--We moeten, moéten ons heffen boven eigen levensgevoel en

maatschappij-inzichten, boven dát wat ons innerlijk het liefst is, om

de allerhoogste onbevooroordeeldheid tegenover zulk een phenomeen en

ingewikkelde karakter-persoonlijkheid als Napoleon was, in onzen eigen

zegenenden en vloekenden geest, onszèlf te verzekeren. Maar ik vraag ook

stoutmoedigheid van mijn lezers. Ze zullen aanstonds begrijpen waarom.

[Illustratie: NAPOLEON lezend.

Croquis naar de natuur van Girodet.]

Er bestaat een maatschappij-beschouwing, die langs en dwars door alle

economische crisissen en vervormings-processen, het verschijnsel

Napoleon zou kunnen ontleden in zijn elementen, in zijn sociale eb en

vloed, opkomst en vernietiging. Voor deze studie echter stel ik het

probleem uitsluitend psychologisch, al verlies ik den economischen

ondergrond der gebeurtenissen geen moment uit het oog.

Men zal mij dus vragen: Napoleon een bedrieger, een beul, een

zedeloos monster, een valsche speler, een woordbreukige, een

mateloos-hooghartige, een soort van onverschrokken misdadiger?

Ik antwoord: Neen.

Napoleon dus een edelmoedige, een held, een uiterst-gevoelige,

wereldveroveraar, een genie van de vermetelste soort, een schepsel boven

onze bewondering verheven, een heroïsche droomer, en toch een geweldig

man van de verheven daad?

Ik antwoord: Neen.

En nu begint schijnbaar de verwarring. De deugd-predikers grijpen naar

hun brevier en de geestdriftigen beknabbelen hun knokels. Voor mij

bestaat er geen Napoleon, de wellustige misdadiger en verkrachter van

ieder rechts- en vrijheids-gevoel, noch de legendarische held der

bonkige grenadiers, die weenden als ze den kleinen korporaal te midden

van vuur en kruitdamp, kalm en met den dood op den schoot zagen bevelen,

alsof hij in zijn paleis een kamerdienaar zijn drillenden wil deed

gevoelen. Omdat hij _beide_ was, beul en held, waanzinnig-eerzuchtige,

en rijp voor de hoogste levenswijsheid. En als mij nu door een

historicus gevraagd wordt naar de psychologische oplossing en

verklaring van zulk een monsterachtige en wanstaltige mengeling van

groot-menschelijke en òn-menschelijke eigenschappen, dan til ik hem óver

naar het terrein der blinde, cosmische wils-psychologie en zeg: leg daar

uw voetangels en klemmen: het deterministische levensproces zult ge niet

vangen noch beknellen;.... slechts _ons_ menschelijk bedoelen, _ons_

menschelijk ideaal-begrip van goed en kwaad, dat we òp alle ontstaande

dingen vastplakken, er doorheen rijgen en spijkeren, terwijl toch

de dingen zèlve, hun eigen, onafwendbaren, door niets en niemand

te wijzigen cosmischen gang, groei, ontwikkeling en vernietiging

hebben en ondergaan. Napoleon wás een wezenlijk phenomeen, als

Rembrandt, Shakespeare, maar nu op wereldsch gebied. Stel u door een

begrips-transpositie van idealiteit naar realiteit voor, dat alle

donker-gouden en geheimzinnig van licht omtooverde schilderstukken van

Rembrandt, en alle mystiek-romantische en pantheïstische verzen en van

binnen uit gloed afwerpende poëemen van Shakespeare, daden, menschelijke

en wereldlijke dáden zouden hebben kunnen worden en gij nadert de zich

in werkelijkheid uitlevende oer-instincten van het ontembaar gebeuren-

en daden-scheppende genie van Napoleon. Wat Caesar in verzen, en wat

Macbeth in bloedende strophen doorleefde, dat doorleefde Napoleon

in het wezenlijk bestaande. Gij kunt dezen mensch niet naderen met

christelijke, moreele en sociale beginselen. Wèl naar de veruitwendiging

zijner levensgeschiedenis, niét naar de vermetele, ontembare en

grondeloos-grandioze werkingen van ziel en brein.

Nu naderen we een groot gevaar. Als een brok avond-schemerende stad

onder een wazige viaduct-poort door gezien, zoo ligt zijn tijd achter

den rooden lichtvloed der Groote Revolutie. Het is, alsof wij niets

van het vogelengezang der vrijheid in ons opgenomen hebben, alsof

wij slechts het persoonlijk verschijnsel Napoleon zien, en niet de

geweldige donker-golvende massa, die hem mét haar hoogste stijgingen

opnam en naar zijn troon droeg. Deze onbewuste massa, die een

vrijheidsheld bejubelde en een despoot en tyran door het lot

teruggesmakt kreeg. En nog een gevaar schaduwt op. Het zal nu lijken

of ik Napoleon's monsterachtige eigenschappen ga verdedigen, om

den diepsten grond der persoonlijkheid te verklaren.

Napoleon(#45254) · 第 2 / 7 段