+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
| accent, met/zonder afbreekstreepje, met/zonder extra spatie). |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
+----------------------------------------------------------------+
IS. QUERIDO
NAPOLEON
[decoratieve titelpagina]
STAATKUNDE LETTEREN
HANDBOEKJES
ELCK 'T BESTE
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
UITGEGEVEN DOOR DE
MAATSCHAPPIJ VOOR
GOEDE EN GOEDKOOPE
LECTUUR AMSTERDAM
KUNST WETENSCHAP
[decoratieve titelpagina]
GESCHIEDENIS HYGIENE
IS. QUERIDO
NAPOLEON
MET ILLUSTRATIES
[decoratieve illustratie]
WIJSBEGEERTE PRACT. LEVEN
A. C. BERLAGE
De vertalingen van de in dit werk voorkomende vreemde citaten vindt de
lezer achterin.
In deze serie zijn reeds mede verschenen:
C. K. ELOUT: _Onze Politieke Partijen_.
Th. HOLMES en I. H. BOEKE: _In en Buiten de Gevangenis_.
Dr. FRITS VAN RAALTE: _Vragen van Opvoeding_.
Jhr. Dr. NICO VAN SUCHTELEN--Mr. Dr. M. J. v. d. FLIER--Mej. Mr.
J. F. LYCKLAMA à NYEHOLT--Jhr. Mr. Dr. B. DE JONG VAN BEEK EN DONK:
_De wordende wereldcultuur--Wereldwelvaart--Wereldrecht--Wereldvrede_.
Per deeltje in kleurig cartonnen band ƒ 0.40
Compleet prospectus der serie op aanvrage gratis.
[Illustratie: Jeugdportret.
Teekening, toegeschreven aan Prud'hon.]
PSYCHOLOGIE VAN DEN KUNSTENAAR-HISTORICUS.
In onze beschouwingen over en gevoelens voor Napoleon, zijn met sterk
zichtbare grenzen, vijf tijdperken af te bakenen.--Eerste tijdperk:
jeugd-vergoding, de alles overstralende atmospheer van bewondering voor
den stouthartigen held; de vereering van den vurigen jongen voor den
avontuurlijken kleinen korporaal die Keizer der Franschen werd. Tweede
tijdperk: reactie op de vergoding, haat voor zulk een menschenmoorder op
groote schaal, verachting voor het sociaal „monster”.--Aan dit tweede
tijdperk koppelt zich vast een sterke ontwikkeling van maatschappelijk
bewustzijn, dat de romantisch begeesterende heroïek van den held,
toetste aan de ontzettende rampen van het oorlogsbedrijf en tegelijk
de menschheids-vernedering constateerde, gevolgelijk de hysterische
overheerschingsdrift van één enkel wezen. Den drek, over hem
uitgeworpen door even mallotige nationalisten en vaderlandslievende
bazelaars, veegde ik koeltjes weg. De wrange en van vreugderoes gekke
apen-grimassen, die de „dapperen” tegen dezen geweldenaar maakten na
zijn val en den laster die zich ontzwachtelde rond zijn persoonlijk
leven, ging ik met stillen, hoogen afschuw voorbij. Toen trad het
tijdperk in, het derde, waarin ik Napoleon, Talma nadoend, en
acteursstanden bestudeerend, zoo een potsierlijk en protserig parvenu
vond, dat ik niet anders dan spotten en lachen kon met en om zijn
uitzinnige, burgerlijk-barbaarsche tyrannen-comedie, zijn poenig en
smakeloos koningsgekroon.
Eindelijk het tijdperk der vollediger-objectieve, historische en
psychologische bewustwording, waarin, zonder vooringenomenheid of haat,
zijn persoon en leven, als cultuurverschijnsel een waardeschatting
onderging, en in koele kracht, onbewogene rangschikking plaats vond van
zijn geweldigheid en grootheid als creatuur, als ontbrander en weer
lader van eeuwige menschen-hartstochten. Ten slotte het tijdperk der
altijd hevig-ontroerende herdenking van zijn tragisch-menschelijken
ondergang en zijn grootsch afsterven van alle aardsche praal, in de
nevelend-sombere verlatenheid van de rotsgrauwe en de ziel ziek
uitvretende bannelings-ellende op St. Helena. Het is weer door enkele
zeer merkwaardige werken van den laatsten tijd over den colossus der
negentiende eeuw,--over den tyran, den struikroover zooals Taine hem
liefelijk tooide, den gewetenloozen misdadiger, naar het oordeel
van den onverschrokken Franschman en beroemden historicus Pierre
Lanfrey,--dat we weer al de ontwikkelings-tijdperken van onze gedachten
en aandoeningen over en voor Napoleon klaar voor ons kregen, en juist
daarom, naar aanleiding dezer werken, nog eens zelf willen weergeven hoe
wij Napoleon zagen en zien, van de jeugd af tot den zelfkeurenden en
bezinnenden leeftijd.
* * * * *
Met Napoleon is zekerlijk een der merkwaardigste dingen gebeurd. Goed
beschouwd, gebeurt dit vreemdsoortige met alle groote mannen, maar toch
niet zóó verbijsterend, omdat _zijn_ maatschappelijke macht en glorie
oneindig meer soorten van beschouwende monden tot spreken en leuteren
aanzet, dan dit het geval is bij geestelijke machten en triumfen,
waarvan de werkingen zoo hóóg boven het verblindend-materieele en
pralend-zichtbare uitgaan. Wat geschiedt er met Napoleon? Dat de één een
leeuw, de ander een wild zwijn voor zijn zegekar spant, terwijl ze van
één route verhalen.
Bepaalde menschen, die vlak in zijn omgeving hebben geleefd, zeggen
zeer besliste dingen van heel zijn wezen en al zijn gedragingen. Weer
een andere groep menschen, die even intiem met Napoleon verkeerden,
verhalen dezelfde dingen, vaak geheel in tegenovergestelden zin. Bij
den éen ontdekt ge de roode punt van de flapperende Jacobijnenmuts
en hoort ge nog het nagezucht over den onteerenden schavot-dood van
Robespierre; bij den ander staart ge op een zoet schilderij van
allerliefste glimlachjes-beminnelijkheden van den „beul”; valt ge
in scènetjes te Malmaison, puntig-coquet en dartel-argeloos en van een
sensueel-streelende bekoorlijkheid, alsof Lancret of Watteau ons een
bonbonnière-Napoleon op groen gazonnetje te kijk wilden stellen. En
precies zoo tegenstrijdig is het oordeel onder de geschiedkundigen in
ontelbare werken over den comediant, den duivel, den charmeur, den
held, den afgod zijner grenadiers, den bruten schurk en vrouwschenner.
Menschen als Thiers, Masson, Lanfrey, Taine, Carlyle, Emerson, Balzac,
Chateaubriand, Levy, Kielland, Metternich, Reybaud, Talleyrand, Hugo,
Las Casas, Automarchi, Montholon, Goethe, Heine, Bégin, Fouché, De
Ségur, Walter Scott, enz., wier beschouwingen ik hier nog nader zal
behandelen, oordeelen over Napoleon, ieder op geheel eigen wijze, en
meestal zoo verbijsterend tegenstrijdig voor elkaars aanvoelings-
en onderscheidingsvermogen, dat het bijna tot koddigheids-tragiek
overslaat.
Eén rukt u uit de nevelen van uw droomrig verheerlijken.... Napoleon een
held?.... smaalt hij, en zijn laffe, valsche en benepen-bange vlucht
uit Egypte dan, die zelfs de oudsokkige en femelende Thiers nauw goed
kon praten? Napoleon een held?.... die waarheidsprekers tegen den buik
trapt dat ze bezwijmen; deze hysterische en krankzinnig-eerzuchtige
een vrijheidsvechter, omdat hij bekladders van zijn grootheid smadelijk
in 't slijk trapt, laat doodschieten of verbannen? Heeft deze arglistige
slimmeling en heimelijke Jezuïet ooit een grootsch gevoel van
menschelijkheid door zich heen voelen trillen, deze wreede, laffe beul
en laaghartige comediant?
Heel groote namen richten zoo over Napoleon.
Daartegenover ontrollen de vereerders hun vaandel. Gij schept er behagen
in ons Napoleon voor te stellen als een afzichtelijke, schraperige vrek,
een zieke gierigaard en potter, als zijn onbeschaafde moeder Letizia,
en zijn gansche familie, broers en zusters, die gelijk gieren Frankrijk
plunderden en met weerzinwekkende genots-gulzigheid en wellust aasden op
allerlei blinkend afval van de bestolen schatkist; ik zal u toonen hoe
onbegrensd goed- en gulhartig Napoleon altijd was en tot zijn laatsten
snik is gebleven.
Niemand heeft zoo maniakaal en bijna parvenuachtig woest en opdringerig
met rijke belooningen verkwistend rond zich gesmeten als Napoleon. Hij
heeft letterlijk zijn helpers in gunsten en goederen ingewikkeld. Hij
beloonde met paleizen, met kronen, met prinsen-, graven-, hertogen-,
en markiezen-adel. Hij beloonde met ducaten en banknoten. Hij beloonde
met steden en eerepoorten en zijn dank was vol en weelderig om de daad
heengerankt als bloeiende druiventrossen aan een wijngaardmuur.
Napoleon was een bulderende bruut, een beest, vooral tegenover vrouwen
van een afstootelijke, alleen zinnelijk-brandende overrompelingskracht,
of van een kil-spottende minachting. Hij kon vrouwen, wier mannen hij
eerst had weggestuurd, op schaamtelooze wijze zijn kamers insleuren
en naar zijn wil dwingen, tergen en schenden. Lanfrey noemt hem de
meest wanstaltige saamtreding van Mephisto en Satan in één gestalte,
rangschikt hem om zijn misdadigheid, aan de spits der Borgia's.[1]
Lanfrey schrijft absoluut zonder haat en dweperij. Eerder koel-critisch,
nuchter, met een ietsje droefnis in de bijna onbewogene stem om zooveel
verdorvenheid en ontaarding. Taine in zijn _Le Régime Moderne_, vooral
in het deel dat een op zichzelf staande karakterontleding van Napoleon
bevat, schrijft even ijskoel, schijnbaar moordend logisch over het
ondier van Corsica, door niets anders dan feiten aaneen te schakelen,
gelijk Lanfrey, gelijk Masson, gelijk Lévy. Dat juist is het
verbijsterende. Wat,.... zegt Lévy, Napoleon een Italiaansch bandiet
à la Castracani, een monster van zelfzucht, een afstootelijke
vrouwverachter? Ik zal je eens wat anders toonen. Arthur Lévy treedt
voor en doet niets anders dan officieele brieven, gegevens, documenten
en feiten leven, door Bonaparte's lasteraars of verzwegen of vervalscht.
Napoleon een vrouwenranselaar? Wacht, zegt hij, ziehier een reeks
brieven; ziehier een allerbeminlijkst charmeur, een teeder-dichterlijk
idealist. Alleen reeds zijn liefdes-uitstortingen voor de zeer beminde
Poolsche mevr. Walewska bewijzen zoo allerklaarblijkelijkst het
tegendeel. Ook zijn houding tegenover de lichtzinnige, elegant-dwalende
en weelde-streelende Josephine, de behaagzieke en koud-wulpsche vrouw
der groote wereld, hoe innig-vergevingsgezind was deze niet, hoe roerend
van overgave en geloof in 't goede. Er zijn zeer begaafde Franschen die
zich door de smerigste en meest lasterende schotschriften der Franschen
hebben laten beïnvloeden in oordeel en karakter-ontleding en zich lieten
bestoken door de krenkende woede-woorden van de, in haar ijdelheid
gekwetste Mevrouw de Staël. En madame de Rémusat konkelde zich vast in
achterklap die alleen kon leven op giftsappen, van de kwaadaardigste
lastertong afgespuwd. Madame de Rémusat graaide in intimiteiten, door
de luchtige hersentjes van het geestelijk-gewichtlooze en zwierige
Josephientje óvergekeuveld. En zonder evenmatigheid snaterde Madame ná
in haar haat en afgunst en klapte als een zieke raaf allerlei dolle
woordjes dooreen. Soms in theatrale gevoels-schikking, wrokkende,
apotheose-achtig-opgestelde, dof-knallende verontwaardiginkjes. Maar zoo
aartsdom en benepen en zoo beuzelachtig babbelzuchtig blijft deze, door
een ingeholden lachspiegel tot caricatuur verbrokkelde memoire-zuster
van de fijnzinnige mevrouw de Sévigné, dat we door haar woorden heen,
Napoleon zelfs niet eens meer negatief belangrijk kunnen zien.
[1] Ik wil hier nog even nuchterlijk bij melden, dat omtrent de
beestachtigheid der Borgia's veel fabelachtig-malle dingen zijn
verteld, inzonderheid over Lucrezia. Men leze over dien laster het
boek van Gregorovius: „Lucrezia Borgia.”
Bij de wezenlijk groote historici en Napoleon-beelders is de
veroordeeling althans geen hitsige wrok en nog iéts anders dan
teleurgestelde blauwkouserij, gelijk bij madame de Rémusat, die eens zóó
onbewimpeld-bewonderend haar man over den tyran geschreven
heeft.[2]--Het grondbegrip waarvan de anderen uitgingen was althans
eerlijk. Heel opmerkelijk lijkt 't dat Masson, Taine, Lanfrey, even fijn
gespeurd hebben naar allerlei bizondere documenten als Lévy en even
angstvallig bestudeerd, alles wat over Napoleon geschreven en bekend
geworden is.
[2] Precies hetzelfde gebeurde met Mad. de Staël. Pierre Gautier heeft
in zijn werk over Mad. de Staël en Napoleon, zeldzaam klaar doen
uitkomen hoe geestdriftig zij Bonaparte eerst bewonderd heeft;
hoe Napoleon geheel ongeroerd bleef door dien lof en deze vleierij,
en zij, door zijn terugstootende koelheid geprikkeld, pas overging
tot schimp en aanval.
En toch wordt het verschil in hun beeltenis oneindig veel grooter dan
er bestaat tusschen het portret van Guérin, en dat van den kleinen
Isabey, die eens zoo komiekelijk haasje over speelde met den keizer,
zonder te weten dat 't Napoleon was. En zooals ieder ding en iedere
daad bij Napoleon zijn gespecialiseerde uitleggers heeft, zoo is zijn
wezenlijke lichamelijke aanzien telkens anders en geheel verschillend
weergegeven. Er bestond zelfs een schrijver die beweert vierkantweg, dat
er geen waar portret van Napoleon is gemaakt, dat ook daarin alleen
vervalsching voorkwam.--Men heeft hem volgens dezen nimmer gegeven als
hij was. Zoo draaft een criticus op zijn apostelpaarden door de stad
Parijs en schreeuwt zijn nieuwtje uit als een groenteventer zijn jonge
kool.--
Eén ding is er uit dit wirwarrende gekletter van tegen elkaar inhakkende
oordeelsvechters te peuren: het feit dat er, in engeren zin, absoluut
geen historische „waarheid” bestaat. Ik bedoel: een waarheid die
het innerlijke leven van groote mannen zoo vastgrijpt en voor onze
gretige oogen ontweeft, en weer zoo zuiver gedragingen en handelingen
bijeenbindt, gelijk ze eens toch werkelijk-oorzakelijk moeten
hebben plaatsgevonden, dat we ieder deel van hun wezen en hun heel
zijns-complex organisch en psychisch vóór ons zien en verstaan.
Want alles wat ons door de meest nuchtere waarnemers als historische
feiten wordt voorgehouden, is toch ook eerst _waargenomen_ werkelijkheid
geweest. Dat wil dus zeggen: een ding dat de een zus, de ander zoo
beoordeelde en bezag. En al zijt ge nu zoo arm aan verstand als
een Laplander aan geld, dát dunkt mij, zal de meest onnoozele dra
erkennen. Natuurlijk zijn er zekere onomstootbare feiten, maar deze
zijn dan ook zóó algemeen dat ze de waarneming van duizenden behoefden
om,--in alle onderdeelen met elkaar overeen komende,--eerst tot een
wezenlijke historische werkelijkheid vast te kunnen groeien op den
bodem der eeuwen.--Maar niet zoodra ontstaan er beschouwingen, als
gevolgtrekkingen, gegrond op z.g. waarnemingen van tijdgenooten, en het
blijkt dat deze observaties gedaan werden door menschen wier subject
moest berechtigen en beslissen, of de historie onttrekt zich aan de
algemeene controle en jaagt de waarheid over de klink. Dan wordt de
geschiedenis geschreven door de tongen van dienstboden, afluisterende
knechten, door vijanden, lasteraars en wraakgierigen, of door verblinde
geestdrijvers, ophemelende vereerders en muitelingen der rede. Dan
botst ge óp tegen het vulgaire, innig-duffe zoodje van Jan-Hens en
keukenpieten, van tromroffelaars en marskramers, op de kermis der
ijdelheid hun schelle waar te koop krijschend.
Wat staat ons dus te doen als we een figuur voor ons zien verschijnen,
van wie gelijksoortige en evenboortige geestelijke grootheden getuigen:
een schurk, een ondier, een held, een lafaard, een stumperig staatsman,
een alles omvattend genie, een vrek, een edelaardige belooner, een
hond, een dankbare, een valschspeler, een tijger, een zacht en
fijn-glimlachende, een droomer, een uitgeslepen diplomaat, een zeer
grof intellect, een monster, een teeder echtgenoot en vader?
Dit, dat we al deze lectuur toetsen aan onze eigene levenservaringen.
Er is, tusschen het struikgewas van schots en scheef door elkaar
heenpiekende beschouwingen, geen uitzicht. Gij moet u zélf een
verschaffen. Eén komt met bronnen en toont ze u. Een ander komt tot
u met andere bronnen en spuwt in de uwe. Waarom? Wat gene u gaf is
vervalscht! Maar achter de vervalsching-ontdekker staat weer een monster
in grimmigen spot. Waarom? Omdat dit op zijn beurt weer op vervalsching
betrapt. Bewust of onbewust. Maar dit grimmige spotmom kan morgen, over
een week, zélf weer aan de kaak gesteld worden,.... en de zoeker naar
het ware historische beeld blijft zoeken....
We moeten ons dus zelf een uitweg scheppen. En we laten ons uitsluitend
door eigen innerlijke gevoels-bepalingen leiden, en stappen dwars over
de tegenstrijdigheden heen. Hier een scheur, een hak, een trap, een
kneuzing,.... daar een streel, een triumfgerucht, een toejuiching.
Het deert niet. We wenschen voor ons eigen binnenste een overtuiging,
en die willen wij ons in objectieve rust en zuivere oordeels-kalmte
veroveren; we gaan eerst door het rijk der meest nuchtere feiten op den
trein van den schoenmaker, d.w.z. te voet en zonder stormgeraas in den
rug. En als uit de wolken een schip met grauwe erwten omkantelt, en de
hagelbui neerklettert als een schermutselend salvo van karabijnen, dan
schuilen we een poosje. Deze hagelvlagen zijn de dramatische bezoekingen
voor een ieder die zijn eigen weg hardkoppiglijk wil vinden. Maar
wégregenen laten we ons niet en we blijven op de nuchterlijke wielkar
doormarcheeren. Want laten we ons gerust stellen: er zijn ook wezenlijke
feiten, absoluut onaantastbare feiten, die door alle beoordeelaars
eensluidend worden erkend. Alleen zijn de gevolgtrekkingen van geheel
verschillenden aard.
De een noemt lappen en lorren, wat een ander kleurige en verrukkelijke
snuisterijen heet. Als b.v. persoonlijke moed van Napoleon uit
verschillende daden onloochenbaar blijkt, dan kunnen nog de oorzaken tot
en drijfveeren van de daad zelve, gansch verschillend bezien worden.
Eén kan b.v. zeggen: zijn moed is de gemeene durf van een struikroover,
die in hondsche onverschilligheid ontstaat, nóch geeft om eigen, nóch
om anderer levens. Het is de koudhartige, roekelooze moed van een
avonturier, die in zijn monsterachtige hebzucht alles of niets begeert.
Een ander kan beweren: Napoleon bezat den moed der ongetoomden, wijl
hem ieder verantwoordelijkheids-besef ontbrak. Zijn roekeloosheid is
van een psychisch plan uit bezien: hersenloosheid. Weer een ander kan
oordeelen: zijn moed was de vermetelheid van een oorlogsdichter, die
in het slagveld-geraas zwelgt van genot, den kruitdamp proeft als een
tonglekkernij en wiens ziel op zijn wijze zingt als de kanonnen bulderen
en het leven overal uiteenscheurt en springt.
We ervaren dan dat de moed althans niet is geloochend. Oordeelen zullen
wij zelf.--Als we het van giftigen haat stotterende, kleine brullertje
Lewis Goldsmith hooren uitpakken over Napoleon, zoo aartsgemeen en
smalend als wellicht niemand ooit over hem geschreven heeft,--(ik kom
op dit schotschriften-schrijvende kereltje, dien meester-lasteraar op
alle giftwapens, terug),--en we vernemen zelfs dat dit doldrieste
venijn-spuwertje Bonaparte's persoonlijken moed niet al te schriel meet,
noch in twijfel durft te trekken, dán staan wij wezenlijk op „den bodem
der feiten.”--
De slingersteentjes van dit gedrochtjen en caricaturaal Angelsaksertje
raken hier zelfs den kaplaarshiel van Napoleon niet. Zoo zijn er meer
onomstootbare, ik bedoel: door alle beoordeelaars gelijksoortig erkende
feiten in Bonaparte's leven en deze juist geven iederen onpartijdige het
recht van mee-oordeelen over 's mans diepere wezen.
Ik wil nu gaarn, ook naar aanleiding van verschillende nieuwere werken
over den geweldenaar, de Napoleon-figuur behandelen, van de vijf
tijdperken uit, waarin ik hem heb gezien en zie.
Want vooral wil ik u beknoptelijk doen begrijpen, dat ook historici,
zich bewegend in het rijk der gissingen en vermoedens, geen veiliger
steunsels vinden kunnen dan in de indringende psychologie der
kunstenaars, al is deze, gelijk de hunne, een hypothetische werkmethode
ter reconstructie van menscheninnerlijkheid bij geschiedkundige
personen.
Ze is van oorsprong zeer intuitief en helderziend, geestelijk en
psychisch vaak veel machtiger en dieper dan de historische gissingen die
alleen door het brein worden opgebouwd. Het psychologisch tasten naar
de waarheid van innerlijk gebeuren bij personen uit de geschiedenis,
mag geen moment verward worden met de armzalige, valsch-beknutselde
fantasterij van nietige romanschrijverkens, à la Louise Mühlbach, die
oningetogen zottelijk klappen, allerlei bonte, grove, naargeestige en
botte leugens voor „fantasie” en hooger „inzicht” uitgeven, met een
kuisch gezicht als wijlen de Maagd van Gent. Deze holle en jeukerige
fantasterij is geheel waardeloos voor de scheppende, historische
psychologie. Ook dat wil ik u beknoptelijk aantoonen.
[decoratieve illustratie]
NAPOLEON's JEUGD.
Bij het beschouwen van het kind Napoleon is er een indruk, dien we nooit
kwijtraken: zijn ontzaggelijke ernst, zijn sombere, bijna tragische
overwijsheid.--Zijn mismoedigheid is die van een groot mensch; zijn toon
van critiek en schimpende afkeuring, van een volwassene; z'n brieven
zijn van een rijpzinnige; zijn beheerschte en sobere levenswijze is van
een stil en kuisch denker, zijn houding van koele, vreeslooze kracht en
koenheid. De kleine Napoleon van veertien jaar spreekt als een man van
vier-en twintig. Zelfs Lanfrey blijkt dat gevoeld te hebben als hij
schrijft in zijn _Jeunesse de Napoléon_, een zeer vluchtig historisch
karakteristiekje over den lateren man: „Le contraste que cet homme
extraordinaire offre avec l'esprit général de son époque n'a pas besoin
d'être cherché; il frappe tout d'abord les yeux.. Napoléon semble un
homme d'un autre âge.” (_Histoire de Napoléon_ I, par Lanfrey).
* * * * *
Vóór ons staat het eenzame en stroefbleeke Corsikaantje te Brienne,
met zijn opvliegenden en toornigen trots en zijn ongenakelijke
hooghartigheid tegenover de adellijke mede-scholieren. Hij is heel klein
en nietig en smallekes in de schouders. Hij is schraal en schriel en
hij loopt als een hazewind. Zijn zwart haar hangt stug om zijn wit,
strak, fijn gezichtje. En zijn oogen diepen in onder het hooge voorhoofd
en fonkelen woest en ongedurig. Zijn medeleerlingen sarren en krenken
hem. Is hij wel van adel, dit sombere en melancholische baasje, deze
lieveling van zijn mooie moeder Letizia? Wat een driftige, zich
zelf opvretende ergernis in dit ziedende zieltje. En altijd in de
eenzaamheid, ver van de militaire kweekelingen, als een groot mensch,
peinzend en arbeidend en.... stoutmoedig.
[Illustratie: NAPOLEON als knaap van 6 of 7 jaar met zijn moeder.
Naar een gravure uit dien tijd. (Anoniem.)]
Al dadelijk heeft de eenzame, kleine Napoleon ons jongenshart. Hij
wordt uitgejouwd, gekwetst om zijn mallen tongval, om zijn hoekigheid.
De jongens, hardvochtig, bespotten hem, schelden hem voor „strooneus.”
Paille au nez, een jolige verbastering van zijn Italiaanschen naam:
Napoléoné. Hij is „vreemdeling”; hij ondergaat de kwellende minachting
van wreed kindergedoe. Er is vroege tragiek in het knapenleven van
Napoleon. Te Brienne wordt hij door de scholieren half en half
weggetrapt. Maar hoe weet hij ze soms te boeien en te doen beven van
angst. Ze spelen met vuurwerk. Er springt een kist met geraasmakende
klappers en sissers plots uitéén. Al de jonge en voor helden op te
fokken scholieren rennen in wilde benauwing weg. Alleen de beleedigde
Napoleon stáát. Hij ziet de vlucht der branies. Deze helden op
hazenpooten prikkelen zijn woede en te midden der weggeholde bende
stuift Napoleon met een knuppel rond en ranselt er zijn toorn uit op de
ruggen der knapen. Hierin schijnt de bladgraat van zijn toekomstigen
krijgsmans-moed al door. Geen drinkebroer, geen dischgenoot, geen
vroolijke kameraad, maar een sombere, stille en alles ontwrichtende
werker.... zóó leeft de jonge Napoleon. Om den kleinen Napoleon is al
iets beangstigends-suggestiefs, een zwijgende sfeer van kracht, een
gordel van hoog-stijgende gedachten en begeerten, waarmee hij zich zelf
in- en tegelijk afsluit van het kameraadschappelijk verkeer. Er is een
woeste stroomversnelling in zijn denken en handelen. Hij helt uit de
loodlijn en toch valt hij niet. Hij is streng als een monnik, en toch
ontroert hem de ijsblauwige maanglans van den doorlichten nacht. Hij
is als een passer, een gradenboog, een natuurkundig instrument, zoo
strak, afgemikt en uitgeteld. En toch, hoe gloeit het onder dit vertoon
van stroeve soberheid. We dwepen niet met dit jongensleven, zooals
we dwepen met den schalkschen Michiel de Ruyter. Onzen Michiel, onzen
stouthartigen pracht-jongen zien we den steilen Vlissinger toren
beklauteren zonder een rimpeltje angst in 't hart. Boven, op de spits,
blaast hij leutig uit en overziet in kostelijke verbazing het trillende
vergezicht.
En in verrukkelijken belhamels-overmoed grabbelt hij uit zijn zak
keisteentjes bijeen en begint te mikken op de leuk-stappende, donkere
menschen-popjes, die hij, van zijn torenhoogte uit, zoo grappig-klein
ziet dooreen marcheeren. Hij voelt de verbluffing van de menschen die
maar niet beseffen waar dat fijne steentjes-raketsel vandaan komt,......
tot ze den lachenden rakker hoog in de lucht als een donker gezel van
het blinkende torenhaantje zich zien vermaken met hun ontsteltenis.
Deze hoogere oolijkheid van een lateren held ontbreekt Napoleon. Als
hij met keitjes zou geworpen hebben, zou het geen looze schermutseling
en een koen spel van een belhamel geweest zijn, maar een snijdend
wapen, te gebruiken gelijk David tegen Goliath. We lezen met verrukking
wel de anecdoten van zijn jeugdleven; vooral de wijze waarop hij al
vroeg aanvoerdertje speelde en de besneeuwde wallen liet ondergraven
volgens zijn hoog bevel. We lezen met genot van zijn Grieken- en
Romeinen-comedie, zijn strijd- en wedspelen en de onverschrokkenheid
van zijn gedrag als vechter en bataillon-leidertje in 't klein, en zijn
onnavolgbaar uitdenken van de stoutste krijgsplannen. Maar om alles van
zijn jeugd floerst een jonge droefnis. Het zorgelijk en armoedig gezin
te Ajaccio beklemt hem en dooft zijn energie. Hij denkt om zijn vader,
zijn zusters, zijn broers met de teederste belangstelling en niet het
minst om zijn lieve moeder. Later is de liefde voor zijn moeder alleen
slechts kinder-eerbied gebleven. Men beweerde dat Napoleon eigenlijk
niet het kind was van Carlo Buonaparte, den man van mevrouw Buonaparte,
maar van zekeren markies of graaf De Marbeuf, die als bevelvoerend
generaal op Corsika lag en zeer met de schoone Letizia was ingenomen.
Dergelijke warmgeblazen fabeltjes gaan er meer rond over de geboorte van
groote mannen, al erkennen we, dat het voor de fijnere psychologische
gronding van Napoleon's eigenschappen als mensch, niet onverschillig zou
wezen of hij een kind van den advocaat Carlo of van den Corsikaanschen
gouverneur zou blijken te zijn, juist in verband met zijn z.g.
vreemdelingschap en zijn jeugdigen haat aan de Franschen om hun
onderdrukking van Corsika. Het is zijn vroegere medescholier Bourrienne,
die ons in zijn gedenkschriften van dezen haat vertelt.--„Waar ik kan,
zal ik jelui Franschen afbreuk doen.”--Een zinsnede, een uiting van
kinderverbittering, waar Taine later een geheele karakter-ontleding van
Napoleon op bouwt. Ook Arthur Levy critiseert de z.g. onpartijdigheid
van Bourrienne en zegt:
„Bourrienne lui-même, qui, à l'époque où il écrit ses Mémoires, a des
raisons personnelles pour ne pas vanter la douceur de Napoléon, se borne
cependant à placer cette phrase au moment où le jeune Corse est aigri
par les moqueries des élèves.”
Het is ook Levy, die van de tragische jeugd van Napoleon te Brienne
niet veel weten wil[3], en van het geboorte-fabeltje zelfs niet rept.
Caulaincourt's woorden over de school te Brienne, door Napoleon in 1811
zelf uitgesproken, dienen als bewijs, dat hij zich zijn eigen trots zeer
bewust was. Er gaan mallotige verhalen rond over zijn ruim vijfjarig
verblijf te Brienne, en de jeugd-romantiek koestert ze tot een sombere
legende van smart, miskenning en vernedering. Maar ook Levy, zoo goed
als Kielland, zoo goed als bijna alle bestudeerders van Napoleon's
jeugdleven, bevestigen zijn geweldigen mannen-ernst, reeds op
dertienjarigen leeftijd. Zie o. m. Napoleon's brief aan zijn vader, als
Joseph, zijn broertje, van den geestelijken naar den militairen stand
wil overgaan. Briefje van een dertienjarige! Het is ongelooflijk. Met al
de accenten van levensrijpe zorgzaamheid en innige broeder-genegenheid
geschreven. Een kind dat zóó schrijft heeft nooit een jeugd gehad! En al
is het de knakkende wil van Chateaubriand, die durft beweren: Napoleon
was op de school te Brienne een jochie als ieder ander jochie van zijn
leeftijd,.... we zeggen, met alle respect voor Chateaubriand's groot
literair talent:...... brave royalist, gij bazelt!
[3] Hoezeer Levy hierin mistast, blijkt wel 't klaarst uit den
smartelijken brief door het twaalfjarig Napoleonnetje zijn vader
geschreven, „cette plainte amère” naar Th. Jung het noemt (pag. 84,
deel I) in zijn groot werk _Bonaparte et son Temps_. De brief zelf
is een wonder van overrijp kinderverstand.
* * * * *
Er is geen tijdperk in het bestaan van Napoleon, dat ons zóó in
eerbiedvolle bewondering vasthield als zijn leven van zeventienjarig
tweede luitenantje te Valence, en zijn daaraan voorafgaand verblijf op
de koninklijke militaire school te Parijs. Hier nergens door jeugdvuur
belichte daden-verdichtselen; hier felle, pijnlijk-nauwkeurige en
geboekte realiteit van de nijpendste en nuchterste soort. Later,
o veel later bonsde ons hart van verrukking bij het lezen van
zijn veldheersdaden en zijn koenst krijgsbedrijf. Later was onze
jongensvervoering voor den held van Toulon, Marengo, Austerlitz, van
een bevende, hevige, ontroerende vereering,.... maar nooit voelden
we sterker en dieper _eerbied_ dan voor den Napoleon der militaire
cadettenschool en den gehavenden, geplunderden, doodsjofelen tweeden
luitenant te Valence.
Op den eersten Sept. 1784 wordt Napoleon naar de academie te Parijs
gestuurd. Een duizeling van woelend en gonzend-gloeiend leven druischt
om den stuggen en afgetrokken provinciaal. Geweldig, zooals hij op deze
adellijke school, hij, de doodarme en republikeinsch-gezinde, zich
staande houdt. Hij leeft in strengste zelftucht, en spinozistische
soberheid. De ontbering wordt hem een sacrament. Het blinkende ornaat
van uniform en de overdadigheid der feestelijke weelde steken zijn
oogen. De beschermvriend zijner familie, De Permont, kan van Napoleon's
schimpende, alles aanrandende critiek en toornende verbittering over
het weeldeleven der jonge cadetten-aristocraatjes, meepraten. Bij dezen
vriend lucht hij zijn opgekropte woede en smart, hoon, verbittering en
critiek. Het hersenlooze van deze opgewonden mannetjes ergert hem zoo
hevig, dat hij een niets-ontziend rapport uitbrengt over het leven
aan de militaire school, en waarin hij, vijftienjarige, den directeur
waagt voor te leggen een geheel nieuw plan, volgens welk het verblijf
daar moest worden ingericht. Matigheid allereerst; feestelijk gedoe
verbieden; alle uitspattingen straffen en tegengaan en niets anders
dan zelf-bediening, opdat een ieder het minste werk leert doen. Let
wel, men had dit beginnelingetje niets gevraagd. En toch spreekt zoo
zijn brandend hart, en zijn ondoorgrondelijke begeerte naar tucht,
beheersching en soberheid. Soms, een oogenblik, groeit dit schrale,
geelbleeke vrijwilligertje voor ons òp tot een Michelangelo-achtig
gedrocht van levensrijpheid, klopt achter het hooge voorhoofd het
gerucht van een wereld-bewustzijn, dat binnen geen grenzen van beperkt
menschelijk inzicht meer terug te dringen noch te temperen is. Zijn
oudere vriend Permont gebiedt hem te zwijgen als de knaap zelfs den
koning beoordeelt en bits zwijgt hij, met gesmoorden gram in zijn
gistende ziel.
Ook de plotselinge dood van zijn vader te Montpellier slaat hem hevig.
Het blijft een verborgen innerlijk kreunen, waarvan zoo nu en dan een
kreet losschiet, de onverschillige wereld in. Hij voelt, de lasten van
het gezin zullen hem nog zwaarder nu gaan drukken. Hij weigert hulp van
wien ook. Zijn moeder schrijft hij een innig-gevoeligen brief, bij den
dood van Carlo, haar man, een, van ongekende droefheid en alweer.. van
ontstellende levens-rijpheid.
Op zijn zestiende jaar wordt hij benoemd tot tweeden luitenant bij
de artillerie te Valence. Voor het eerst zal hij het groote uniform
der luitenants dragen en pronken met zijn blinkende cierselen. Hij
voelt zich ontroerd en gelukkig. Maar zijn armoe nekt zijn trots.
In een amerij heeft hij zich slechts de hoogst-noodige dingen kunnen
aanschaffen. Kaal en triest is zijn kale en onvercierde plunje.
Bovendien heeft hij zich kaplaarzen gekocht, waar heel zijn tenger en
lenig wezentje in schijnt te verzinken. Manhaftig, zal hij gedacht
hebben en onder het rinkelend sporengerammel ook wel: krijgshaftig. Maar
argeloos in zijn nieuwe waardigheid als luitenantje, stapt hij op zijn
geweldige rijlaarzen naar het huis van de familie De Permont. Vóór hij
naar zijn garnizoen vertrekt zal hij nog eerst eenige dagen in dit
beminlijke gezin doorbrengen.
Niet zoodra zien de snoeperige en spotzuchtige dochtertjes van mevrouw
De Permont het spiksplinternieuwe luitenantje verschijnen onder het
martiaal gerucht van zijn geweldige laarzen, of ze barsten in een
alleronbehoorlijkst schaterlachen uit. Zulke onofficieele nesten ook!
Vooral Cecilia van veertien jaar, met gracieuse maniertjes en hoffelijke
buiginkjes, treitert met bevallig-ironische lachjes het nieuwbakken
krijgertje. Napoleon verbleekt, als altijd wanneer hij zich gekrenkt
voelt. Hij loopt heen en weer, of liever de laarzen loopen en de
meisjes, hoezeer ook half bedwongen door de afkeurende mompeling van
mevrouw De Permont, schieten telkens opnieuw in een lachen en gieren de
waardigheid van Napoleon wèg onder het geroep van „je bent de Gelaarsde
Kat.” Even sidderde er een kramptrek over het bleeke gelaat van den
kleinen luitenant. Zijn wraak was alleraardigst. Bij zijn afscheid
bracht hij Lolotte, het jongste meisje, een verguld koetsje van
papier-maché, getrokken door een guitige, 't snorretje naar voren
stekende gelaarsde kat, en de oudste en snibbigste schonk hij de
geschiedenis van Pernault: _De gelaarsde kater_.
In zijn garnizoensplaats werkt Napoleon met een waanzinnige
hartstochtelijkheid. En dat, te midden van een bijna onteerend
gebrek aan het allernoodigste. Hier juist grijpt hij ons jongenshart,
en openbaart hij zich als een wezen om nooit meer te vergeten. De
oppervlakkige genoegens van het gewone garnizoensleven staan hem niet
aan. Hij studeert, alleen op zijn kamer. Tusschen de koesterende
gezelligheid van makkelijke meubelen en rijke weelderigheid, meent ge?
Op de vadsig-makende sofa's van fluweel, cigarettes rookend en zich zelf
kip-lekker voelend in het zalige nietsdoen en toch met het bewustzijn,
alles te kunnen bevredigen wat de trappelende begeerten en driften
willen?
Napoleon kende dit vadsige en weelderige leven der cierlijk getooide
makkers wel, maar hij verachtte het gelijk hij het verachtte onder de
cadetten te Parijs. Al deze blinkende haantjes op torens kraaien den
morgenstond niet toe. En hij wil werken, wérken. Op zijn kale kamer een
gordijnloos bed, een paar boekenplanken tegen het raam, een koffer, een
smerige houten kist. En waarom leefde Napoleon zoo triest en ellendig?
Omdat hij nog zijn broer Lodewijk, toen dertien jaar, uit Corsika had
meegenomen, om hem op te voeden en te leeren, onder zijn leiding. Hij
wou zijn moeder verlichten in lasten, hij wou helpen, steunen en met
raad en daad bijspringen. Later verklaarde hij zelf dat hij Lodewijk had
opgevoed van zijn armzalige luitenantssoldij. Caulaincourt vertelde hij
van zijn toenmalig leven. Om dat te kunnen volbrengen, moest hij zich
zelf alle genoegens ontzeggen. Nooit mocht hij zich in gezelschappen
vertoonen; nooit een café instappen. Hij moest slechts droog brood eten
en zich de verschrikkelijkste ontberingen getroosten, alleen om zijn
broertje bij zich te kunnen houden, den lateren koning van Holland. Dat
alles is feit, feit en nog eens feit. En dan moeten zijn vijanden nog
schrijven dat Napoleon een dierlijke, zelfzuchtige man was, die nooit en
nimmer het geringste besef van zelfopoffering bezat! Later zal deze
armoedzaaier grabbelen in de millioenen als een burgerman in zijn bak
kippenvoer. Maar toen, toèn...., wat een allergeweldigste geestkracht.
Ik zal u een ironisch feitje noemen, door de nuchtere geschiedenis
geboekt. Stel u voor, den toekomstigen brigade-generaal,
opperbevelhebber, consul, keizer, krijgsheld, afgod van heel de
lofzingende menschheid, daar triest en baloorig op zijn karig hok,
de rekening van den kleermaker Biotte uitpluizend en vier stuivers
korting beknibbelend op twee onderbroeken. Met een vlijmscherp sarcasme
moordt hier de ironie van het lot alle opgebolde vereering voor den
romantischen Napoleon en zijn heroïek wèg. Want deze geweldige man,
later verdronken in weelde, wou als jong werker geen sou schuld
maken. Liever door de historie geboekt als de beknibbelaar van
een kleermakers-rekening, dan als jeugdig brasser en lichtzinnig
potverteerder. Emerson heeft in zijn psychologisch schandelijk
oppervlakkige studie over Napoleon, vooral het weerzinwekkend
materialisme en de stoffelijke genotzuchtigheid van Bonaparte gekastijd.
Emerson heeft hem als man van steen en ijzer ieder dieper menschelijk
gevoel ontzegd. Wat een grove en malstomme karakter-doorgronding. Onder
welke omstandigheden, na al de Paoli-idealen in Corsika te hebben zien
opgaan in nevel, keert hij niet terug tot zijn garnizoensplaats met
den jongen broer Louis? Als een geheel _geestelijk-levende_ held, wars
van alle materieel genot, droomt hij zijn droomen van wereld-glorie
en wereld-hervorming. Zijn broer Lodewijk slaapt in zijn hok op
een naakte matras en Napoleon prent hem in lessen van tucht, orde,
begeerte-inbinding en hoogste zelfbeheersching.[4] Hij schrijft
innig-gevoelige en geheel innerlijk-doorleefde brieven van deelneming
aan zijn familie. Hij is vol belangstelling voor veler lot. Lees, in
dit verband, den achterklap van madame De Rémusat, als zij het in haar
onnoozele blauwkousen-mémoires heeft over „insensibilité de l'empereur”
en kakelt dat Talleyrand: „m'a conté qu'il n'avait pas le temps de
s'amuser à sentir et à regretter comme les autres hommes.”
[4] Uit dien tijd getuigt ook zijn broeder Joseph in zijn _Mémoires
et Correspondence du Roi Joseph_, dat Napoleon „était alors
admirateur passionné de Jean Jacques.” En met genoegen las hij
Racine, Plato, Tacitus, Plutargus. (Mémoires, pag. 32, deel I.)
Let wel, Talleyrand, de weerzinwekkende bedrieger, deelt mee,....
Talleyrand, met de ziel van een geestelijk sluipmoordenaar en
verraderlijk woekeraar, die het fijne salongehuichel en al de
diplomatieke verstandhoudingslachjes van het hof bezwaarde met een grove
belasting van infame spionnage-nieuwsgierigheid,.... Talleyrand en
madame De Rémusat tezaam.... Napoleon te biecht bij den gehandschoenden
bokspoot en de versmade liefde.... de krijgsheld, dien zij dwingen van
de kanonnen en het slagveld over te stappen op hun ganzebord, om hem met
paarlmoeren dobbelsteentjes zijn ongeluksworp te zien doen.
Het is bovenal Victor Hugo, die de slimme diplomaten-duivelarij van
Talleyrand in zijn _Choses Vues_ beknoptelijk geteekend heeft. Daarnaast
slaat de hofdame De Rémusat een figuur als een gruttersmolentje. Zelfs
de koele en Engelsch-flegmatische karakteristiek van het Napoleon-genie
en vooral van zijn gevoels-innerlijk, zooals deze tot ons komt in het
zeven deelen dikke boek van Walter Scott over Bonaparte's leven, brengt
ons niet van de overtuiging af, dat nimmer een groot man zoo laaghartig
belasterd en bezwalkt is als de machtige keizer. Als ge leest in Scott:
bladz. 53, deel III: „Buonaparte had something of his native country
in his disposition--he forgot neither benefits nor injuries,” dan
slaat ge, kennende Napoleons daden, de handen van verbazing in elkaar.
Integendeel, Napoleon was nimmer wraakgierig; zijn felste en venijnigste
lasteraars kon hij vergeven en.... vergeten. Er bestaat een heel
eigenaardig boekje van Lodewijk Napoleon, waarin hij op zéér klare en
uiterst-scherpzinnige wijze de heele levensgeschiedenis van Walter
Scott's „Napoleon” weerlegt en op een wemeling van de grofste fouten
en lasterlijkste beweringen en beschouwingen wijst. Zou het niet beter
geweest zijn, als Scott de „preliminary view” op de Fransche Revolutie
in dit werk over, en dat eerst bij het derde deel _met_ Napoleon
aanvangt, had weggelaten om zich dieper en vooral oorspronkelijker in
het leven van Napoleon te hebben kunnen inwerken?
Het is wel merkwaardig, dat ook Goethe het werk van Walter Scott zoo
vlijmscherp aansnijdt: „....und man sieht also, dasz Walter Scott eben
in seinem Hasz gegen Napoleon und die Franzosen der wahre Dolmetscher
und Repräsentant der englischen Volksmeinung und des englischen
Nationalgefühls gewesen ist. Sein Buch wird keineswegs ein Dokument
für die Geschichte Frankreichs, allein es wird eins für die Geschichte
Englands sein.”
[Illustration: NAPOLEON te Brienne.
Standbeeld van Rochet.]
Ook in zijn luitenantsleven te Valence is Napoleon een levensheld, een
wijsgeer, van een onbegrijpelijke geesteskracht. Onder de grootste
benepenheid en zorgen schrijft hij zijn geschiedenis van Corsika,
beantwoordt hij prijsvragen, schrijft hij een drama, een roman.... en
b.v. zulke brieven aan zijn moeder: „Je n'ai d'autres ressources ici que
travailler. Je ne _m'habille que tous les huits jours_; je ne dors que
très peu depuis ma maladie; cela est incroyable. Je me couche à dix
heures, et je me lève à quatre heures des matin. Je ne fais qu'un
repas par jour à trois heures.. _Cela fait très bien à la santé_.”
Dit laatste zinnetje cursiveer ik, omdat het van zulk een lieve,
onrust-in-de-moeder, temperende innigheid en geruststellende
goedhartigheid getuigt. Ziedaar nu den jongen, inmiddels eerste
luitenant geworden Napoleon, uit gebrek slechts één keer etend per dag,
bijna niet slapend en zich ééns in de acht dagen kleedend. En toch zijn
beminde moeder zelf voorjokkend, „dat het gezond is zoo te leven.”
En nu kakele men vrij van Napoleon's „insensibilité.” Want zooals hij
toen zich gaf is hij altijd in diepsten grond gebleven. Ook Goethe zegt
tot Eckermann:
„Napoleon was darin besonders grosz, dasz er zu jeder Stunde
_derselbige_ (Goethe cursiveert in dit gesprek, Q.) war. Vor einer
Schlacht, während einer Schlacht, nach einem Siege, nach einer
Niederlage, er stand immer auf festen Füszen, und war immer klar und
entschieden was zu thun sei.” (Gespräche, Zweites Band).--
[decoratieve illustratie]
VEREERDERS EN HATERS VAN NAPOLEON.
Het garnizoensleven te Valence kende ook een guitig-mondain luitenantje
Napoleon. Zonderling in strijd met zijn disciplinaire soberheid en
stroeve onthouding van alle dartele genoegens. Zonderling... toch meer,
schijnbaar in strijd. Ook hij kon de pleizier-vlaggetjes laten wapperen,
als zijn schalksche aard er hem toe dreef. Hier staat vóór u, de
door-vier-spelden heengetrokken dansmeester Dautel te Valence. Hij leert
den krijgers van het garnizoen hun marschpassen omzetten in danspassen.
Een parfum-wolkje omzoet zijn keurige gestalte. Hij drilt en sart de
luidruchtige sabelgrijpers met drie- en vierkwartsmaten en besprenkelt
hen met het reukwater zijner hoofsche salon-bevalligheid. Ook Napoleon.
Want Napoleon nam dansles. Den salon van mevrouw Du Colombier
doorzwierde hij slechts in walstempo. En Caroline, de dochter, wentelt
hij mee.
En indien Napoleon door zijn heroïeken aard van een legende vaak een
stoute werkelijkheid waagde te maken, de verbijsterde tijdgenooten
vervormden andersom zijn werkelijkheid nog vaker tot een legende.
Want er klinkt allerlei verdacht gemompel rond zijn levenslustige
bezoeken aan den salon van madame Du Colombier. De groote Stendhal,
de scherpzichtigste auteur-tijdgenoot van Napoleon, die zijn geheel
onvoltooid gebleven _Vie de Napoléon_ schreef, merkt op: „Napoléon, à
vingt-un ou vingt-deux ans, devait être fort différent de ce que à Paris
on appelle un jeune homme aimable, et son bonheur fut grand d'être goûté
par madame du Colombier.” (_Vie de Napoléon_, fragments, par De
Stendhal, pag. 27.)
Bonaparte had toendertijd al ontzettend veel gelezen. Zijn geest werkte
levendig en energiek. Dadelijk omgloorde hem roem. Stendhal verklaart:
„A Valence, il fut aussitôt remarqué, il plut aux femmes par des
ideés neuves et fières, par des raisonnements audacieux. Les hommes
redoutaient sa logique et les discussions auxquelles la connaissance de
sa propre force l'entraînaient facilement.” (_Vie de Napoléon_, pag. 27.)
Ook zoo moet men zich wennen Napoleon te zien. Als een zeldzaam
beminlijk harten-veroveraar van geestige vrouwen, die met fijn-literair
esprit, de beeldende macht van zijn schilderend en soms vlijmend woord
konden schatten. Geen bouwmeester van diepzinnige gedachten-tempels
die koel-donkere wandelingen toelaat in de ondergrondsche gangen
van verheven-rustig gepeins,.... slechts een vormkneder van het
suggestieve, alle levens-acties saamvattende woord, gebruiker van een
snel-aangrijpende, overrompelende taal, zinnen en expressies die voorbij
vliegen als karabijnschoten, beleedigend, uitdagend, jubelend, of
brandend uiteenspatten als granaten. Napoleon manoeuvreerde en vocht....
ook met zijn taal. Hij is de schrik voor alle schetteraars. Door niemand
werd zoo op heeterdaad de bedoeling in, de levende daad áchter een
woord, een zin betrapt, als door hem. Alle uitingsvormen kon hij dulden:
redekunstigheid in de meest broze dialectiseeringen, lyriek, in haar
brandende hevigheid, dramatiek en epiek in hun meest grandioos gebaar,
als er maar een geweldig of echt Ik doorheen leefde. Want deze zelfde
stroeve en ongenaakbare heerschzuchtige en heerscher leek mij altijd
een romanticus van het zuiverste gehalte. Met al zijn wiskunde,
zijn landkaarten, zijn krijgsgerucht, zijn nuchter-snijdende
mensch-psychologie, is hij gegrepen door het grootsche, siddert en
huivert hij voor edelmoedige daden en menschelijke liefde. Dit beweren
zou ik onweerlegbaar kunnen waarmaken door een ontleding van zijn
geschrift, dienende als antwoord op de prijsvraag van de Lyonsche
academie: „Déterminer les vérités et les sentiments qu'il importe le
plus d'inculquer aux hommes pour leur bonheur.”