Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel.
Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof
over de trappen, een even stilstaan in de gang en weêr in de binnenkamer
en er weêr uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid
door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die
zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van
den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn
verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch
begonnen? Zoû zijn leven nu zóo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen
hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor
dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn
geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin
hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De
geïllustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven
onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over
natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet.
Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het
leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet
besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij
bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel
te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een
half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's
middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen
zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij:
--Ik dacht, dat je God vergeten was.
--Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix.
Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel
genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd
fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid:
--Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind?
--Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen.
Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte
aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom
gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen
doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter
haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het
ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer
zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een
wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die
zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met
een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond
order te geven, dat Marie heen zoû gaan, was die God daar voor een
beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor
Felix, Jozef zoû geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding
Jozef en Marie samen zag elkaâr liefkozend, en zij bij die samenkomst
heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan
straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en
Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte
mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich
vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links
en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die
wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger
waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u.
Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens
verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zoû wachten tot
zij beter werd, om weêr op nieuw gelukkig te zijn.
Het zoû langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange
gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de
dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes,
allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er
besloten, dat de zieke in Hilversum zoû gaan herstellen. Het dorp lag
hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen,
ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in
Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien.
Mathilde woû eerst niet. Zij zoû 't nooit doen, nooit, of Jozef moest
zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich
van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet
staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan
gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven,
wat zij woû. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en
zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een
landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij
minder geregeld thuis om één uur 's middags: de zaken breidden zich zóo
uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In
Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar
vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij
rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in
de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn
er vandaag weêr nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen
was vóor zij naar buiten zoû gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn
zaak aanhield. Zij zoû dan probeeren éen zomer alleen in Hilversum door
te brengen, Jozef zoû elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur
naar Vreeland komen, zoo dat hij vóor vijven in Hilversum kon zijn en
zoû elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van
Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weêr te-ruggaan.
Heel goed, uitstekend! ja, zoo zoû het gaan.
In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak
van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek
te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij
moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo
in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het
dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet,
haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een
duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude
lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel
jammer was, dat zij hén nu ook miste, die haar in de gegeven
omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet
aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest,
dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een
warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met
verliefde blikken.
--Een aardig dier! zeî Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij
riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand.
Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een
buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den
's-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu
verscheiden malen heen en weêr, tot dat alles daar buiten in orde was,
altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een
wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd
nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het
Gooi gauw herstellen zoû, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige
drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Vóor ze ging, kwam Emilie
Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een
van de eerste wezenlijke lentedagen.
Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het
schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele
reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zoû doen. Alleen Marie en
Felix gingen met haar meê. Jozef zoû wel denzelfden dag ook komen, maar
zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het
rammelende rijtuig meê zoû maken.
Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude
barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar
volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn
rijtuigen. Mathilde, die in zóo lang niet in de frissche lucht was
geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele
omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de
gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas
uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee
schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van
de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede
lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de
voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het
doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle poriën
van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen
werd gestort.
De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar
in-eens bedwelmde, verdoofde haar éene oor, zoo dat zij een inwendig
aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wél in haar hoofd, maar toch in
de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een
zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven
tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een
gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend,
en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht.
Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neêrdoen, waaronder nu
het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte
vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en
maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te
steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het
treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier
vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde
met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nú of op zijn
te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den
rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde
neêr, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix
op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van
het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide:
--Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis!
Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk
glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de
barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De
venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast
op en neêr. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de
huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks
aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de
zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde
de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep
groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar
ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weêr dicht
in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die
van-avond komen moest, sluimerde zij half.
Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig
vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weêrszijde.
Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen
van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie,
met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk
geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot
men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan.
Om dat Mathilde geen koû zoû vatten, waren de raampjes toegelaten, maar
door de reten suizelde de lente binnen, éen wordend met de lauwe, doffe
lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de
bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links
en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den
koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende
groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige
zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde,
voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar
verleden leven wechvoeren. Zij had in zóo lang zoo'n nieuwen, zich over
alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen,
waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den
rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven
en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij
voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende
stukken natuur, die van weêrszijden en van voren, door de vierkante
glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens
verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en
goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met
hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige
vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten
van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend
verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den
maatgang van de trappelende paarden.
Dan weêr sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren,
als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het
onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine
van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en
kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en
takken. Dan weêr verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In
snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste
bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag.
Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande
streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij,
langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en
het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde
groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar
bevestigd.
Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van
den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in
een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange
rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde
zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zoû. Zij kon niet
goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich
gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze
gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her,
langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En
plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den
schoot van Marie tegenover haar, Jozef weêr, zoo als zij hem dien
vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet
week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar
beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met
schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen.
De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed.
De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar
beneden; aan weêrszijden waren de breede hellende voetpaden van hard
donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als
de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van éen
tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote
iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen
stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens
aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een
vergezicht opengegaan, hel wit over leêge akkers, te-ruggestooten door
de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine
daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit
en blauw van den rondenden hemel.
Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende
buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen,
dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde
grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend
ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend-
blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen
samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze,
ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de
lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes.
In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken
dansten af in helle spartelingen.
Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den
omtrek goed zien.
Er was bijna niemant over den weg te bekennen.
De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet
aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe
gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste
lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend
uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weêr haar
geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier
met hun tweeën. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad,
Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort.
Mathilde was zóo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het
kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende
hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende
oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis
gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig
scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van
een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen
liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van
de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis,
voor een oude stoep met door den regen versleten treden.
Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje,
daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit,
blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht
opengestooten smalle lange jaloeziën, van zijn schuin-opgaand grasveld
gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht
blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neêrhangend, door
twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken,
en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee
uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans.
Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen
houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna
niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het
kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het
grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend.
Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken
loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en
in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige
hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte
bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden
openen voor de oprijlaan.
Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef,
dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn
uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig.
Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp,
waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje
afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van
Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek.
--Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen
uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn.
Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans
haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij
Mathilde stutte, toen deze op het treêtje zonk met haar éen voet,
waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot
kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek
Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaâr.
Mathilde zeî tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit:
--Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend?
Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in
de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf
geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende
frischheid van de pas schoongemaakte kamer.
Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de
onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude
eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de
jaloeziën dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen
van een harmonika.
Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend,
in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het
tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door
het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde
zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs
bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten
in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn
armen op zijn knieën, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te
zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn
adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt.
Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leêgheid door zijn
leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek
eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die
hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna
fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw
der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven
loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen,
waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond
op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het
hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met
groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een
dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad
leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leêren, het
buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den
korten gang, de twee aan weêrszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes
uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een
zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot
beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte
koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der
jaloeziën hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt.
Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een
in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten
kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het
tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het
middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal,
peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele
rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als
een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het
donkere kamertje stapte Jozef, twee treêtjes op, een deur door, in een
hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een
dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met
een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten
kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt
in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer-
en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts.
De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht.
Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van
gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van
kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige
stem, babbelt.
Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten
inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de
zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden
weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk
en een gewaai van vrouwenkleêren, de keukendeur openging, het portaaltje
plotseling donkerrossig verlichtende, en weêr dicht ging. Het was Marie,
die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar
gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond
van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had
hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en
kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem
niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven
was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende
vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar
schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude
halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn
eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis
vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder
gedachte.
Even later was hij weêr bij zijn zinnen. Hij vond in-éens dat hij in een
verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was
het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weêr een kleurloos
leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds,
voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een
vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weêr zoû ontwaken.
Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn
eenzame, kille, bijna vochtige lakens.
De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven.
Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een
paar uur per dag maar zat zij op.
* * * * *
Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de
kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand.
Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten
rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil.
Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds vóor
zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets
op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites
bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder.
De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen
keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn
raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de
lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de
herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid
in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had
ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van
vóor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet
heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had.
In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er
een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen,
dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera
of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er
niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende
averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om
vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna
ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven,
en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier,
die hij, zoo als altijd, ook nu weêr in de club gevonden had, in het
blauwe bovenzaaltje van café Suisse.
Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte,
loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid.
Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte
met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven
sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De
huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weêr
pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen
toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes
onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaâr, om zich op te
winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare
restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de
witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde
heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't
gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het
verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn
hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of
iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig
echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den
huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op déze manier gelukkig
was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was
onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weêr met het oude
gemak het stugge, weêrspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet
behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten,
zijn leden meer in mekaâr, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal
overgaf in een neêrbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder
zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten
met de grappen van de vrienden.
Toen Jozef, na het diner, weêr op den trottoir stond, ruischte het
verwijt weêr tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de
straat. En Mathilde? ... Mathilde? ... Zij moest den telegram al lang
gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de
gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten
vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden,
als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan
Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn
hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op,
zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van
Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en
laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte
lucht walmde neêr over de huizen. Eén minuut was 't Jozef als of al die
menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun
haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk,
aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig,
afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd.
Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was.
Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan
de waarheid van zijn telegram twijfelen zoû. Hij zag haar van hier voor
op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo
vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet
voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende
krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden
de Stuwen, zóo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem
verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi.
Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zoû haar nooit ongelukkig maken.
Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo
hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij
zijn vrijheid in 't vervolg weêr wat minder opgesloten zoû houden hij
toch vooral zorgen zoû, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in
't minst niet onder leed.
De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de
pauze zeî een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de
muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef.
--Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je.
Er werd verder weêr over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in
de rooyige gezichten.
Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred
naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde
hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een
groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zoû als de
reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was
het eeuwige voorwendsel, onweêrsprekelijk, Met de zaken bemoeide zij
zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af.
En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieën aan
haar knieën, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van
den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weêr
veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een
nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken
moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu
zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne
witte nachtjapon.
Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij
vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd
man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de
Reguliersbreêstraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten
was. Een anderen keer ging hij weêr eens over het Koningsplein, door de
Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weêr
te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de
dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie
steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich
als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de
juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weêr minder in
Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden
echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier
naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat
hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield.
Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van
ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar
hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weêr heelemaal op in het
pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De
beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel.
Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele
kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam
en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om meê te zijn. En
nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze,
onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem
nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had
gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu
voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over
"Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn
zieke vrouw woont".
Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en
Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weêr. Jozef die tegenwoordig
bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan
dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te
gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker
werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met
schoone lakens weêr in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de
stille leêgheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun
slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over
hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke
zonneschemering door de neêrgelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle
stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de lâ zijn boord en
zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch
van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig
gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de
vloer,--dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den
vorigen avond was bitter, was hij dan weêr een groen losbolletje
geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't
vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de
klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde
hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het
herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens
stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te
kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over
het weêr en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo
meteen weêr vertoonen zoû. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij
voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een
kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder.
Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de
kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weêr op hem rekenen moest
met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde
onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij
altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan,
gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer
niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten
te-rug-kwam, en zij hem vóór kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg
zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't
ging met mevrouw.
De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld
gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat
daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele
papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de
Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs.
Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen
getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar
't bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige
honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven.
Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld
van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en
rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden
aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak
karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zoû doen, zonder
dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het
tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor
drieën op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood.
Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt
en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot
aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden,
met zijn leêge handen, zonder hoûvast. De gevangen vogel was door zijn
vingers wechgevlogen. Hij was weêr alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen
bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graâg
op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar
buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem,
vóor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok
boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zoû moeten haasten. Maar hij
wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een
groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding,
in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester
schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich
nooit haasten.
Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn
op-en neêrgaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen,
viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante
gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te
wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn
luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de
geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den
harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn
schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De
flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de
gedachten aan de volgende treinen, waarmêe hij nog zoû kunnen
vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmeê
hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar
die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat
onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging
op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond.
En hij had weêr een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te
herleven.
Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de
vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige
jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende
herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede
huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen,
over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes
voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de
weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars
van café-chantants, hij maakte ze weêr en weêr door, de oude verveling
was geweken, hij hoorde ze aan en sprak meê met zijn mooi bloeyend
gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot
overmaat van pleizierige bevreemding, weêr het genot van zoo gemeenzaam,
met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den
ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te
behandelen.
Vóor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar
zelden, héel veel hield hij er níet van. Na het dinee was het weêr een
komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij
een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid
van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere
rijpheid.
Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd
dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met
de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weêr beter ben,
dan, ... begrijp je, als ik weêr beter ben" Altijd had zij andere
plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen
zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaâr buiten kwam, vond
hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens
wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit
stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte
was over haar gekomen. Eén ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in
haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn
minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding.
Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen
hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende
oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar
aan ...", zij zeide: "ik? ... ik? ... wat bedoel je? ... Wel neen, dat
verbeel-je je maar".
Een andere keer als hij weêr, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf
naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren
pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die
hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weêr
trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het
vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als
belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen
doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als
hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei
burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk,
die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep
al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich
het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van
Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met
den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om
zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs
altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weêr en de
huishouding met de meiden wisselend,--neen, het was te akelig. Zijn
eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar
verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele
landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn
steedsche pleizieren juist weêr herleefde.
Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van
Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad
van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van
huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende
advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde
luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van
het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot
der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze
stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet
opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde.
Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar
Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur--half
tien uiterlijk--op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen
Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te
laat. Ellendig! Dat was éerst een haastig aankleeden in het kleine
kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee
deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij
had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts
iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd,
nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zoû zijn. Nauwelijks
aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte
van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles
maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn
koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend
getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de
vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een
gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een
afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken
nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en--de oude
gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg
in-éen-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit
kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende
bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend,
waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak,
tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee
meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan
begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman
pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene
tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld,
geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieën
kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal
trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes
spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte
er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen
rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van
den tijd heen en weêr gebracht zoû hebben. En onbestemde oude lusten om
zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle
weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij
het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel
door de Muiderpoort rijden. Hij zoû dadelijk beginnen, iets nieuws
verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een
premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren
lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en
mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij
was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weêr te
vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al
genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak.
De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij
voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de
beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten.
Hetgeen Jozef weêr van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger
deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij
voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als
een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zoû zijn
wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de
bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op
haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de
looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het
tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over
gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem
haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te
vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon
geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar
verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje
te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een
woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten.
Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de
zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel
hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r
uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van
de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met
tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een
donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme,
dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij
scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw
van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te
onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en
streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich
afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer éen scheen
te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht
in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen.
Tusschenbeide, na dat hij weêr erg met vrienden in de stad samen was
geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten.
Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna
verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't
station. Hier stond hij met zijn leêge armen, met zijn verlaten borst,
voort! daar ginds was zij, die hem weêr dwingen zoû zijn armen om haar
schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar
handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend.
Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij
daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de
groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met
armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks
zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad,
over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten
sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar
gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop
in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in
't midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder
ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een
ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een
poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen.
Vóor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weêr was, met Felix van
een wandelingetje te-rug; als het slecht weêr was, van boven, om het
kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te
zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met
dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde
was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid
snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver
over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende
het in een voorjaars-storm, vóor de komst van den zomer; in sabelende
scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen
zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende
gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen
iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen
vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind
kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge
keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende
leven. Daarna stond 't weêr effen, zonder een rimpel in het gladde vel.
Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in
haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere
ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen.
Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs
aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt
dokterswagentje, 's ochtend vóor twaalven de ronde deed aan deze zijde
van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit
lagen vleesch en huid die op elkaâr zwabberden, een boerenzoon, die
gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet
zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen
levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar
brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en
behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in
zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze
koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd,
dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zoû kunnen doorbrengen en
wandelingetjes in den omtrek doen, dan zoû 't wel gaan. Jozef vond den
dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs
uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder
wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond
zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig
plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en
kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij.
Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid,
die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef,
die eerst meê gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de
kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte.
Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar
samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging
Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof
langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door
de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar
roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes
koffie, tegenover Jans.
Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij
dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van
Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan,
drinken, en heen en weêr gaan met schuivende stappen, weêr gaan liggen,
zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend
lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie,
verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen
ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier
jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de
verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens
overwogen levensplan of het schoot hem nu weêr te binnen. Waarom niet
dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom
was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als
hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier,
zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het
heele losse huis kraken en inslapen om hem heen.
Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de
eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen,
als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den
kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven
Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de
voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo
dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden
hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware
voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der
zolen, vóor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar
zaakjes, die zij op tafel leî, daarna een dof gemorrel, zij moest zich
uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van
achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind,
slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed.
Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en
sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig
te kloppen.
Eens bleef hij vier dagen achter-mekaâr in Amsterdam, elken dag
telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te
komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende
hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker
aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging
een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zoû zoetjes naderen.
Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij
wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weêr inslapen, zijn
gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets
dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij
sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn
schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend,
onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer.
Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een
onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op
een aanbeeld van uren afstands onder den grond.
--Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker?
Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten,
wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen.
--Mathilde, ben je wakker?
Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd:
--Ja, is er ies?
--Hoor je niets in je kamer?
--Ik? ...nee, nies ...
--Is je licht aan?
--Ja ... ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken.
--Zie je dan nies?
--Ik? nee, nies ...
--O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste.
Jozef sliep weêr in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde
voort achter het behangsel.
Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven
buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter-
mekaâr, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaâr
maar eens in de week over.
Hij leefde weêr in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde
werd een voorwerp, waarmeê hij gedwongen was zich nu en dan bezig te
houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt
en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met
hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren.
Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een
spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te
leggen, via Hilversum. Dat zoû de overtocht veel vergemakkelijken,
Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee
verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig
onderscheid tusschen.