De dokter en de twee professoren hadden gezegd, dat zij niet goed
wisten, wat eigenlijk de ziekte van Mathilde was. De geluiden, het
suizen in haar ooren, de opvloeyingen van het bloed naar het achterhoofd
en de hartkloppingen, waaraan zij leed, bewezen, dat zij iets aan het
hart had, waarschijnlijk een vergrooting, waarmede zij geboren was, maar
die na de bevalling zich pas ernstig openbaarde. Maar zij scheen ook een
kwaal in het ruggemerg te hebben; zij had hevige pijn in den rug en
zakte dan in-een, zonder recht te kunnen zitten. Er deed zich nog een
derde verschijnsel voor: soms, tegen het einde van haar korte daagjes,
als het weinige opzitten haar al zoo vermoeid had, vertoonden er zich
zwellingen in haar beenen, tusschen de knie en de enkels. Dit was
het water.
--Waar zijn uw ouders aan gestorven? had de dokter eens, brutaal-wech,
gevraagd.
--Mijn moeder had iets aan haar hart, heeft mijn vader mij altijd
verteld; waar hij-zelf aan gestorven is, weet ik niet precies.
Mathilde werd zoo zwak, dat zij dikwijls weder dagen achter-een in bed
bleef, zonder kracht, zonder lust om op te staan. Zij steunde zich met
een appart hard kussentje in den rug, als zij overeind kwam om een
beetje te eten. De dokter had gezegd, dat zij den aanstaanden zomer maar
naar Scheveningen moest gaan; daarna had hij weêr van een hooge, een
fijne lucht, het Gooi, gesproken. Jozef hield niet veel van buiten.
Tegen den zomer, had hij gezegd, zouden ze er nog wel eens over spreken.
Maar de kongesties naar het hoofd werden erger; zij veroorzaakten een
bedwelming, met allerlei schemeringen, Nauwe en groene en gele kringen
en vlekken voor Mathildes oogen. Als middel daartegen werden onder
anderen eerst kompressen met karbol, later met ijs gevulde blazen, die
verkoelden, gebruikt. Als het akelige stijgen van het bloed haar al te
veel overweldigde, greep Mathilde zelf een brok druipend ijs uit het
koperen emmertje, dat bij het ledikant stond, en drukte het stuk op haar
haren, dat haar vingertoppen rood en blauw werden van koude tinteling en
het water tappelings haar hoofd af in haar hals sijpelde. Maar Jozef was
hier een ware hulp in den nood. Heel handig wist hij haar te helpen. Met
zijn slanke, mooye vingers, kon hij de kompressen hanteeren, of haar met
zijn ééne hand recht-overeind houden en met de andere het ijs op het
hoofd drukken. Hij wist heel precies hoe hij haar moest behandelen, waar
hij haar moest aanraken, om haar geen pijn te doen.
Eens op een ochtend kwam hij binnen. Mathilde lag nog in bed. Hij hield
een kleinen al opengemaakten brief in zijn hand.
--Thilde, ben-je wakker?
--Ja, wat is 'et?
--Groot nieuws.
--Wat dan?
--Berlage is gister-avond gestorven.
--De ouwe heer?
--Nee, nee, Louis.
-Och, heer, hoe is 't mogelijk! ... Hoe is dat zoo gekomen ... Nu is
Emilie ook gauw weduwe.
--Ja, hij moet een ongeluk hebben gehad. Ik heb hier een briefje van
Emilie; waaraan hij gestorven is, zegt zij niet.
--Ga dan maar dadelijk een visite maken ...
--Ja, vin-je ook niet? Dat had ik ook gedacht.
--Doe mijn komplimenten, hoor! Zeg, dat ik erg medelijden met d'r heb.
--Ja. Wil ik je nog eerst even helpen?
En hij verzorgde haar nog even vóor hij wechging, schikte de kussens
goed, gaf haar in, deed alles met ijver.
Mathilde was dien ochtend als lam wakker geworden. Zij had een
onbegrijpelijk moe gevoel door haar hele lichaam. Toen Jozef te-rug was,
zeide hij:
--Ze is nog al niet erg gedrukt onder haar verlies. Er is hem op straat
iets overkomen, een beroerte. Na den eten was ie gaan wandelen in het
Vondelpark ... en ze hebben zijn lijk thuis gebracht.
--Hè, God, dat is verschrikkelijk! ... En ze is niet éens erg bedroefd?
Hè, ik ijs er van als ik er aan denk.. 't Is toch een vreeselijke vrouw,
die Emilie ... Ik geloof, dat ze niets geen hart heeft.
--Ja, maar hij, denk eens aan hem. Hij is er 't minst pleizierig an toe.
Zoo jong te sterven. 't Is wel erg.
--Ja, maar je weet niet hoe of me dat hindert, dat je zeit dat ze nog al
gelaten is ... Ik vin 'et onmenschelijk! Hè, ik ril er van ... Kom eens
even hier.
Zij sloeg haar zwakke armen om zijn hals:
--Jij zoû heel anders zijn als ik stierf, hè?
--Wat een vraag ... En wat een gedachte!
Gedurende eenige minuten omhelsden zij mekaâr.
* * * * *
Drie dagen later zat Jozef, nadat hij alleen op het zaaltje gegeten had,
in de binnenkamer, waar de groote glazen boekenkast stond, te rooken.
Hij leefde nu al maanden akelig en naar. Dat kon niet langer. De trek
naar al zijn jongeheeren-pleizieren van vroeger kwam dagelijks weêr meer
in hem op. Wat had hij er in 's hemelsnaam aan gehad om te trouwen! Ja,
hij had een geregelder en maatschappelijker leven willen gaan leiden.
Zijn te lang durende jeugd had hem verveeld, hij was verliefd geweest,
ja, en toen was hij getrouwd. En nu, daar zat hij nu, verlaten als een
kluizenaar in een woestijn in zijn huis! Wat had hij nu? Een
waarschijnlijk voor-goed zieke vrouw, van wier zuchtende en machteloze
liefde hij nu al meer dan genoeg had, een klein schreeuwerig wicht, dat
hem niet eens nog kende, met niets dan last en geen-een genoegen. Zijn
hersens dorstten naar het rumoer van de straat, naar hel verlichte
zalen, naar onverschillig eeuwig-grijns-lachende vrienden-gezichten. Hij
had een gevoel alsof het tegenwoordige leven hem langzamerhand heel
uitpompte en verdoofde. Hij maakte er zich driftig over. Hij was toch
waarachtig niet van plan als een oud stil heertje nu verder door te
leven tot alles gedaan zoû zijn! Hij keek denkend, zich bezinnend, in de
rondte, en zag alles leêg en levenloos in de kamer. Het gas wilde niet
eens branden. Dat was ook een ellende met die gasfabriek tegenwoordig!
Hij zoû morgen weêr reklameeren.
Wat zoû hij nu doen? Hij nam in Gods naam maar een boek: een
geïllustreerd werk over China. Het verveelde hem. Hij sloot het dicht.
Een week later, toen hij in de ziekenkamer de koerant zat te lezen,
zeide hij:
--Zoû je 't naar vinden, als ik weêr eens uitging?
--Wat bedoel-je?
--Zoo 's avonds naar de opera of zo.... een enkele keer ... zie-je.
--Welnee, Jos, ik heb 't je immers zelf wel 'es gevraagd, dat te doen,
ga gerust, dan heb je een beetje afleiding.
Hij ging. Gedurende zijn afwezigheid was Mathilde bedroefd en bang, om
dat zij zoo alleen in huis was. Maar zij wilde er zich met kracht en
geweld tegen verzetten. Wel was 't haar goed, terwijl zij daar
machteloos en ziek lag, te weten dat hij dáar was, dáar haar
liefhebbende, hem daar onophoudelijk en vlak bij haar te voelen, altijd.
Maar zóo kon 't niet altijd blijven, zij wist 'et wel. En daarom was 't
maar goed, dat hij gegaan was, heel goed. Hij had wezenlijk niet aan
haar verdiend, dat ze hem zich nu zoo liet dood kniezen in den duffen
dampkring van haar slaapkamer. Een bewustzijn sloop nu haastig bij haar
binnen, dat zij schuld had aan haar ziekte. Zij verweet zich-zelve hun
beider ellendig bestaan van nu. Waarom was ze ook ziek geworden? Waarom
was zij ook in bed gaan liggen? Kom, het was misschien maar gekheid,
maar inbeelding. Wanneer zij zich er toe dwong, zoû ze misschien op
kunnen staan en in eenige dagen weêr gezond zijn, door dat sterk te
willen. Hij zoû dan niet alleen uit hoeven te gaan. Zij zoû altijd en
overal hij hem zijn, hem altijd, altijd vergezellen, zoo als het hoorde.
Zij wilde het dadelijk probeeren. Kom, het ging al. En, aan haar dwazen
inval toegevend, richtte zij zich met geweld op, door den steun van haar
armen. Krachteloos viel zij weêr neêr en lag van zwakte half te slapen
toen Jozef thuis kwam om twaalf uur.
De kongesties, die naar Mathildes hoofd stegen, hielden nu zoo aan, dat
er soms een half uur achter mekaâr telkens nieuwe ijskompressen op
gebonden werden. Den eersten avond dat 'et gebeurde, deed de heftige
reaktie Mathilde zoo'n pijn en had zij zoo'n duizeling, dat zij met haar
handen de kompres naar beneden rukte, die Jozef voorzichtig op haar
hoofd had gelegd. In 't vervolg lieten zij nu Marie er ook bij komen, om
te helpen.
Het was zeven uur in den avond. Jozef had, om zich van zijn groeyende
verveling te verstrooyen, aan tafel twee halve fleschjes fijnen, zwaren
wijn gedronken in plaats van éen. Mathilde zat op in bed, in een hevigen
aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was
lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie
stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond
links, in het doorgangetje, tusschen het ledikant en het behangsel. Zij
hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed,
werkten met de kompressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen,
als zij weêr recht op ging staan en haar armen naar zich toenam, na over
het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw
bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in
blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan
weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde
lust beving hem. Hij voelde een komende stormwind opruischen door zijn
leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand
met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd
vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de
kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries
pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij
had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen
Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand te-rugtrekken.
--O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen
te-rugzonk.
Oogenblikkelijk was Jozef weêr bij zijn zinnen.
--Wat doe je nu toch, Marie? zeî hij, je houdt de kompres niet goed
vast.
Marie liet niets merken en de kompres werd vastgestrikt. Marie had niets
begrepen; zij had zich zeker vergist, dacht zij.
Mathilde had alles begrepen. Toen zij alleen was, bekende zij het
zichzelf. Haar gemoed was verbrijzeld. Zij begon met wezenloos rond te
zien en met haar handen haar hoofd te betasten. Hierop moest zij zich
langzaam, zoetjes aan, rekenschap probeeren te geven van wat er gebeurd
was ... Jozef stond dáar, Marie dáar, er was iets tusschen hen gebeurd.
Hij had haar aangeraakt. Hij was haar, Mathilde, ontrouw geweest.
Ontrouw? Ontrouw? Ja, dat was het woord, waarmede zij dikwijls in boeken
de handeling had genoemd gevonden, die Jozef nu daar-zóo tegen haar had
gepleegd. Neen, hoe was het ook weêr gegaan? Die man, wat toch "die
man"? Het was toch Jozef geweest! ... Jozef! ... Jozef! ... Een man had
daar gestaan, was met zijn hand over haar heen gegaan ... Een man ... O,
God, o, God, waar ben ik? wat is er! ... Ik word gek!... Wat was dat toch?
Een vreemde wind uit de hel, die voorbij is gegaan ... Er is iets wech,
er is iets van me wechgegaan! O, God, waar is 'et, waar is 't gebleven?
Er is iets leêg geworden, hier, van binnen in me, in-eens, heelemaal,
't is wech, wech, mijn leven is wech ... voor altijd wech ...
Als een krankzinnige sprak Mathilde luid in de eenzaamheid. Zij was
zonder het te weten uit haar bed opgestaan, en rilde over de vloer,
op haar bloote voeten. Zij wandelde door de kamer en bevoelde de
voorwerpen, om te weten of zij bestond. Zij ging zitten op een stoel,
als om bedaard over de een of andere zaak na te denken, die haar
bezig-hield. Zij stond weêr op en deed allerlei onverschillige dingen,
alles vergeten hebbende, als of zij plotseling, in een minuut, in een
andere vrouw was overgegaan, een gewone vrouw, die niets deerde, en die
de zaken van haar huis in orde schikte. Haar angst was volkomen; daarom
leî ze haar peignoir goed, die van den rug van een stoel was afgevallen,
bekeek de kleine dingetjes, die zij, als zij naar bed ging, altijd uit
de zakken van haar japon nam en op de tafel leî: een notitieboekje, een
goud potloodje, een speldekussen, bekeek ze een voor een, alsof het
geheimzinnige onbekende zaken waren, voorwerpen uit een andere wereld,
bekeek ze met een koel-opmerkzaam gezicht. Hierna ging zij bij de tafel
zitten, haar eene hand in haar haar, de andere onbewegelijk op haar
schoot. Als een van mensch tot beeld bevroren wezen, bleef zij roerloos.
Haar oogen knipten snel heen en weêr. Zij herkende de plaats niet, waar
zij was. Het scheen haar, als was ze daar plotseling in een kamer
neêrgegooid van een pas nieuw getimmerd huis, dat nog wrak stond, waarin
de wind vrij speling had, dat elk oogenblik in kon storten. Zij was
alleen, heel alleen. Zij sprak een taal, die niemant verstond. Zij
huilde tranen, en niemant wist waarom. Iedereen was haar vreemd; zij was
vreemd aan iedereen. Daar waren een massa menschen in de rondte, ver
beneden haar, die lachten en praatten, maar niemant, die haar zag. Die
man, die éene man, ging ook voorbij ... zij zag zijn achterhoofd ... hij
keek niet naar haar om.
Nu begon Mathilde zachtjes te hijgen. Haar oogen draaiden dan naar
rechts, dan naar links over de tafel. Zij luisterde. Alles was stil.
Niet het minste gerucht steeg op over de trappen, naar boven. Allen
waren dus wechgeloopen en hadden haar alleen gelaten. Zij zag in haar
verbeelding Jozef de trap afgaan, hij keek niet, hij daalde altijd lager
de trap af, hij keek niet om; daar waren andere, onbekende trappen, die,
naar de laagte, voortdurend elkaâr opvolgden. Jozef daalde altijd
dieper, het werd klein, eng om hem heen; die trappen schenen in een
eindelozen koker in het diepste van de aarde uit te komen. De muren, die
om de trappen heen waren, werden grijs; een mist hing om Jozef heen. Hij
daalde voortdurend met denzelfden kalmen tred, zonder éens naar haar om
te zien, hij daalde, daalde altijd, Hij verdween in een ver-vreemd oord,
voor altijd van haar wech. Mathilde zag 't zóo duidelijk; daar, vlak
vóor zich, in haar onmiddellijke nabijheid. Zij had haar hand uit haar
haar genomen, en hield, met de elleboog op tafel steunend, haar hand, de
vingers wijd van-een, op eenigen afstand van haar over de figuren van
het tafelkleed brandende oogen, om haar verdriet te genieten; zoo als
een prentenliefhebber, die nauwkeurig een zeldzame plaat bekijkt. Daarna
stond zij op, ging bedaard weêr naar bed en sliep vast tien uur lang,
zonder éens wakker te worden.
Mathilde zeî aan Jozef geen woord van haar ontdekking. Dat zij zoo
verbazend stilzwijgend werd, dacht hij dat van haar ziekte kwam.
Mathilde beterde nu hoe langer hoe meer. De kwaal bleef, maar zij mocht
opzitten den heden dag, en kwam ten laatste zelfs beneden; maar den
eersten keer deed zij er vijf minuten over, om van de slaapkamer naar de
binnenkamer te komen.
* * * * *
In het begin van Maart was op verzoek van Jozef Emilie Berlage-Hartse op
de koffie gevraagd. Emilie voelde zich tegenwoordig zóo verlaten! In
haar rouwtijd kon zij niet uitgaan, zij, die zooveel hield van zich
overal in het publiek te vertoonen. Nu moest men haar zoo'n klein
pleiziertje aandoen, trachten haar een beetje te verstrooyen. Zooveel
práatte zij ook niet. Haar tegenwoordigheid zoû Mathilde niet vermoeyen.
Jozef was weêr een tijd trouw thuis gebleven. Geregeld, als een
liefdezuster, stond hij Mathilde ter zijde. Hij had zich-zelf verwenscht
om dien éenen keer, dat hij Marie zoo had aangeraakt. Hij wilde het
boeten, en deed het. En vooral in deze dagen voelde Mathilde hoe vol
haar hart van hem was en wát zij leed. Het was twaalf uur. Tegen half
éen werd Emilie Berlage verwacht. Over de tafel lag een damasten servet
met franje. Twee karaffen, de eene met rooden wijn, de andere met blauw
en bleek water, stonden op zwarte flesschenbakjes met randen van
nagemaakt zilver, op de tafel. Een verlakte broodbak, met dof-gouden
ingedrukte bloemen en bladen, uit liet huis-houden van Mathildes vader
afkomstig, stond in 't midden. Verder zouden door Dientje twee warme
schotels op komforen worden binnengebracht; er stonden ook nog twee
schoteltjes met koud vleesch, éen met beschuitjes en éen met kaas. De
burgerlijkheid van de familie de Stuwen loste zich zoo op in de meerdere
voornaamheid, die door Jozef in het huishouden was gebracht. Mathilde
zat in haar ochtendjapon, haar haar zoo'n beetje opgemaakt, vóor de
tafel, botrammetjes te smeren. Jozef zoû zoo met-een van 't kantoor
komen. Dientje, met een ernstig opmerkzaam gezicht, kwam binnen om nog
't een en ander in orde te brengen, te schikken: een vork, die zij naast
een bordje vergeten had, een vingerdoekje, dat scheef lag. Ook trok zij
herhaaldelijk, met een krachtige getemperde beweging van haar vingers,
aan den rand van de tafel, het servet naar zich naar zich toe, om de
rimpels er uit te krijgen.
--Heeft u nou alles, mevrouw? vroeg zij.
--Ja ... dan breng je het vleesch binnen, als wij beginnen, hè?
--Jawel, mevrouw.
Eer Jozef nog thuis was, kwam Emilie. Zij had wat borduursel beneden aan
den rok van haar effen zwarte japon. Zij was erg druk en erg lief. Al de
woorden, die zij gedurende de dagen van haar eenzaamheid niet had kunnen
spreken, daar zij niemant had ontmoet, stroomden nu uit haar mond. Hoe
aardig, hoe recht vriendelijk was 't van Mathilde, er aan gedacht te
hebben haar in haar droefheid een afleiding te bezorgen! En Mathilde-zelf,
hoe maakte zij het toch? Emilie had zooveel onrustbarende tijdingen over
haar gehoord, dat 't haar bepaald goed deed Mathilde eens in eigen persoon
te kunnen ontmoeten. Ging zij wezenlijk beter? Zoo, zoo! dat deed haar
ontzachlijk veel pleizier. Ja, de dood van den goeden Louis, Emilies man,
was als een plotselinge donderslag op haar neêr gekomen. Zij had zooveel
geschreid, dat zij geen tranen meer over had. 't Was iets verschrikkelijks
in den waren zin van het woord, zoo vroeg weduwe te worden Zij was bepaald
overstelpt geweest. Die goede Louis. och, die goede Louis! Wat bleef haar
nu over? Niets. Zij was alleen op de wereld. Dat was ook de titel van een
roman: "Alleen op de wereld!" had Mathilde dien wel eens gelezen? Zoo,
nooit? het was toch werkelijk een mooi boek. Wel de moeite waard. Och,
maar, aan zulke zaken dacht zij nu waarlijk in 't geheel niet. Zij
herinnerde zich het werk alleen van vroeger. Maar Jozef zoû het wel kennen.
Die beste meneer Jozef! Waar was hij? Zeker op 't kantoor? Ja, zoo'n
ijverig man. Altijd was hij in de weêr, van alles op de hoogte, voor alles
te vinden. Altijd tot dienst bereid. Iedereen hield veel van hem. Zij had
ook zeer geappreciëerd, dat hij haar zoo dadelijk na haar verlies een
visite was komen maken. Wat een mooi tafellaken had Mathilde hier! Zeker
nog uit den boedel van den ouden heer. Hoe aardig, van 't zelfde patroon
als de vingerdoekjes! Zij bleef voorloopig maar wonen in het tot nu toe
door haar man en haar bewoonde huis. Och, waarom ook niet? Het was wel wat
groot voor haar alleen, maar op die manier kon zij het meest en het best
in gedachte nog met den dierbaren afgestorvene verkeeren.
Mathilde hoorde Emilie aan, zonder er iets tusschen te mengen, met
bleeke glimlachjes van bevestiging en deelneming, de ringen van haar
vingers op en neêr schuivend om Emilie niet bewegingloos aan te kijken.
Deze eerste rollende woordenroffel aan haar oor, na al de maanden van
stilte en afzondering, deden een hinderlijk gesuis in haar hoofd
ontstaan. Tusschenbeide voelde zij aan haar slapen iets kloppen, met
lichte tikjes.
Toen Mathilde geen andwoord vond, wilde Emilie doorgaan. Zij had nog
duizenderlei dingen op haar hart, die zij behoefte had uit te storten,
maar juist kwam Dientje binnen, met het vleesch.
Er was even onaangename stilte tusschen de dames, terwijl Emilie Dientje
bekeek. Mathilde zeide:
--Je had 'et nog niet binnen moeten brengen, niet vóor meneer er was,
meende ik.
Toen Dientje de deur open deed om weêr wech te gaan, hoorden de vrouwen
het sleuteltje van Jozef in het voordeur-slot bewegen. Met een slag en
een dreun, een lichte rilling van het voordeurglas en een kuch van
Jozef, trad hij door den gang. Zij hoorden nog het gemoffel van zijn
overjas, dien hij aan den kleerenstandaard hing, den stamp van zijn
paraplui dien hij daaronder zette.
Emilies bovenlip en de gedeelten van haar gezicht om haar neus heen,
trilden onmerkbaar, zij keek, afwachtend, naar de kachel, die begon te
gloeyen, terwijl haar handen met haar zakdoek speelden. Een hoog
zongeschitter schoot van de binnenplaats af door het vertrek. Een
verfrissching huiverde door de kamer; langzaam, kalm, koel,
verscheen Jozef.
--Kom ik te laat?
--Juist bij tijds, zeide Mathilde.
Jozef had nu een lichten lach. "Mevrouw!" zeî hij tegen Emilie en boog
even met zijn hoofd, met een voorwending van ernst om de droefheid van
Emilie. Daarna ging hij tot vlak bij Emilie, terwijl zijn voet stootte
tegen den poot van een stoel en Emilie half opstond om zijn hand te
drukken, warm van de pas uitgetrokken handschoen. Hij ging naar Mathilde
en zoende flauwtjes haar voorhoofd.
--Hoe gaat 'et? vroeg hij met een lieve erg gemeenzame-stem.
Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een
last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en
overal zijn meester zocht. Mathilde leî snel haar vork, met de tanden
naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus,
waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan
een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij
was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk
nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug.
Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn
vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit.
--Drink 'es, zeî hij eindelijk.
--Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig.
--Nee, mevrouw, maar, blijft u ... ik moest toch vroeg naar huis, zeide
Emilie.
--Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje
gezelschap.
Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden,
alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zoû.
Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij
dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm
zoû nemen.
--Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen.
Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te
kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij
verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar
ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven,
om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had
zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen
opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde,
om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal.
Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar
vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half
vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den
rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte
tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was
heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd
erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef
en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de
spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel
overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende
zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig
genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een
verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem
eenigszins van haar. Hij zag niet graâg dat zwarte achter zijn glansend
witte tafellaken.
Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane déjeuner, met
een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide
hij zijn eerste beleefdheid:
--Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken?
--O, dat zoû ik zoo graâg zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben
zóo alleen.
Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien
langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef
stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedéjeuneerd hadden,
als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte
glacé handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij
langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie
volstrekt niet naar Felix had gevraagd.