XIII.

Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle

scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte

nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk

van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode,

omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan

weêrszijde hun bladeren saâmgevlochten, die in groote verwarde trossen

laag neêrhingen, vóor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot

rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten

rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het

dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond

een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker

paarlemoer, door den wind in de zon op en neêr wuivend. De sparren, in

boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weêrszijde, doften, morden

samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs

de oprijlaan, hun pluimen van gedweëe, over elkaâr neêrvallende veêren

verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de

donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine

grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En

alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde

zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of

uitgelegen in den zacht-gelenden glans.

In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen

gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een

leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij

waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts

niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw

Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van éen meter van

Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het

gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half

herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van

haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg,

van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een

buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een

kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn

wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp

streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden

straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van

Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote

grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine

kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en

blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige

steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de

onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool

der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier,

daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaâr op,

tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde

voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg

duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte.

Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er

eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en

omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met

parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was

een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant.

Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar

heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters

ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de

kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek

open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen

voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen,

jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun

takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn

leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan

weêrszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele

bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes.

Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit,

daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel.

Het was bijna aldoor mooi weêr; bijna elken ochtend had Mathilde dat

gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de

wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar

boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het

zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog

bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken,

de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op

groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp

gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide

kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met éen berk, waarvan de

krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere

witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de

machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de

bladen zich uitbreidend, zich aanéen-sluitend tot een dichte, wilde

grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke

samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte

samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend,

een onbeperkte warreling van groen.

Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder

voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo

dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker

worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich

lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen

zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar

heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als

schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel

geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd,

dat ze wél leefde, had zij maar éen bezigheid, die haar hersens en haar

hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te

begeeren, hem altijd ver af te weten.

Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken

morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, wéder verwonderd over de

felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en

akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in

Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd,

vóor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden,

maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe

atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en

ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar

nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te

binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een

klamheid streek, onder de kleêren, over haar huid tot aan haar voeten.

Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde

was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar

armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten

gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig

binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van

lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom,

en haar armen machteloos neêrzonken, in de witte kreukels van haar

schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken

van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren

schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen

Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij

geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de

heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna

van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar

ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie

maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder

van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde

hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben.

Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen

gehoord aan de deur. Dat was dát zeker geweest. Marie zeide daarna, dat

de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos

was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen,

sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie

in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar

ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar

stond, het langzaam op en neêr bewegend, met kleine teugjes, die zij in

haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu

was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in

de stad, zeî Marie.

Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek,

haar knieën bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weêr

verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote

kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te

gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door

de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen

zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met

lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst

tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zoû zweven midden-in den

gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn

van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het

wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar

binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes

zomerlucht door de poriën van haar huid. Elken morgen schrok zij er van

en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het

éene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een

gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende

kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat

stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was

donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote

kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zoû

nu dadelijk weêr een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem

aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst.

Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te

verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn

wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom

geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden.

En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke

afmeting van de gang-zoldering daar boven die neêrdeinde en opklom, met

zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij

niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van

zijn schoenen op de vloer? ... Van den gang, die van gedempter licht was

om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met

koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen

helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het

behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het

witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in

de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur,

daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich

dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een

bad van witheid.

Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen

door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig

spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in

haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de

iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg

zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig

heen en weêr raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige

tusschenpoozen. Zóo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren.

Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weêr

het huishoudentje willen doen, zoo als vóor haar ziekte in de stad. Dit

gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den

slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig

goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging

dadelijk weêr wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap

gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige

wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir

plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier

schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en

schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de

blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige

waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent,

aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een

gulden vijftig ... Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op

het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zóo

doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren:

brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw ... En plotseling

scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar

leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie

zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de

heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot

zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van

haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op,

steeg naar Mathildes hoofd, daalde weêr neêr, vervulde haar, hing zwaar

over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van

haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan

den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door

haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu

herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen

genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs

onverschilligheid nog eens in gedachten doorléven. En zij woonde weêr

alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had

aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos

grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd,

telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de

blikken verloren, waarmeê hij haar kon aanzien, die zekere kracht en

buiging zijner armen, waarmeê hij haar kon omvatten.

Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weêr heelemaal beter zoû

zijn en hem weêr lief zoû kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo

graâg woû, dan zoû ook zijn liefde weêr opleven, die niet dood was, maar

alleen sliep. En toch, neen, wél was zijn liefde dood! Daar kwam een

huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het

behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een

anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet

meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht

zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote

regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te

voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neêr, hij

keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het

was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was

alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn

adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet

een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon?

Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in

wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer

niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar

heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar

buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neêrgegooid,

zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen:

daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen

bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte

de knieën samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding,

boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop leî zij kruiselings,

over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaâr, kromde

zich, zonk inéen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst

zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk

met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele

wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar

ziel leêg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen.

Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weêr een herinnering op,

deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en

borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos,

al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij

deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er

het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden

niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het

venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede

kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen

afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en

daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich

om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel,

te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat

zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren

"niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest",

"niet geweest". Toen dacht zij weêr na. Zes dagen! Waren het maar zes

dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden,

middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een

eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen,

geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een

kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo

onbegrijpelijk leêg scheen! En vóor zijn laatste overkomst was Jozef

toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kón zij er dan niet aan

wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk!

* * * * *

En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het

dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar

gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie

kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote

appel, met Felix op haar arm.

--Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen!

Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen

gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode

vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen,

zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in

het weeken van het ongevormd mondje:

--Môye, liefe moede, goeye mô ...

Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam

het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laâtjes en een

gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde

zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als

hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden;

hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze

verwondering over zijn moeder.

Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te

halen, werd Mathilde weêr aangegrepen door het gevoel van daar alleen

koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zoû blijven

steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige

slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn

koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen

haar aan. Weêr begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij

vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed.

Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen

doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix

ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel

brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te

slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn

kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober

en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een

lichte zweem van zachte troost.

Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang

maakte ze een praatje met Jans over het weêr, heel even, en stapte

daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje

en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had

gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij

eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weêr een eindje

verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu

altijd naar de "hut", een prieël, een soort van wijdopenstaande rieten

kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige

afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut

bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij

daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen,

moê van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij

onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en

vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs

haar schenen, haar knieën, haar dijen woelde de zomerlucht door haar

onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes

aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel

neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind

wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs

het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neêr

gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der

rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van

achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij

de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het

hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neêr te kaatsen. Maar

door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit,

zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den

heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en

geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging,

zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde

haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij

druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van

kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken

in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar

oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar

bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even

naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De

zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk

rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk

golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid

van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen,

bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neêrvallende zon. En

het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het

heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in

haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een

heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes

wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar

hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weêr.

En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf

zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen

aan weêrszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar

vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken.

Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij

den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn

van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren.

Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven

haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar

binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als

een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel,

flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als

vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen

tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare

sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden.

Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een

beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten.

Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk

uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw

voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaâr, er was

als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene

breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en

verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in

speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar.

Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat

klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix

helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord

aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd

onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange

bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn

mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes,

waaruit hij water dronk op den grond. Dan zeî Marie: "ondeugende

jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het

dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat

altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten,

om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide

het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de

buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter,

aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes,

die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen

zoû wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer,

de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat

zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes

nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede

kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of

er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar

Felix meê om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk

te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop

stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een

enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had

opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend

naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem

gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar

wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de

gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als

er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid

zijn vingers in zijn mond.

Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort,

nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde,

dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was

iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk

gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar

eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar

zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij

herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij

verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het

bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen

als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op

dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een

vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de

plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve.

Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der

gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben

opgericht en dat straks op haar neêr zoû storten, zich verbrijzelend

over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere

brokken na elkaâr.

Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed

gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam

der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den

naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags

die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de

iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler,

onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen

verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen

rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als

snelle blikken van vuur, waarmeê die hooge boomen Mathilde bezagen zoo

als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van

den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot

brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen

in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe

blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den

tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de

wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der

madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes

neêrgespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde

bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper,

somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit,

licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden

zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende

blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd

papier. De groepen boomen, aan weêrszijde van het grasveld, de sparren,

de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saâmgedrongen, als

zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van

voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De

boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht

samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen

waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder

in-éen-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om

Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-éen-gezet, in de

bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten.

Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne

wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun

stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de

kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd,

haar wangen, haar hals, weêrkaatste op haar gezicht, glipte bij

tusschenpoozen eerst onder haar half neêrgeslagen, zwaar hangende

oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar

oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met

regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als

haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame

wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe

grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaâr voort; en wanneer haar

oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien

hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weêr vaag af tegen den

geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede

kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend

met al de draden harer verbeelding.

Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor

zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster

binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het

hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak,

hij was een reeks vlakken na elkaâr, een koker van kleuren, de gang met

vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk,

drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weêr kalm,

wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich

zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de

vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde

tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar

voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn

rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren

golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het

groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd

tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen

tot elkaâr, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de

donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende

alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar

schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar

hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige

satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het

huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar

zelf. De dag werd éen met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij

voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd

zoû zij zijn, want de dag zoû nooit vergaan. Zij was in

eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der

omgeving opgegaan.

En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend

van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach.

De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid,

hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes

regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg

neêr, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het

einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye

gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud

opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten,

van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het

vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het

dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge

stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel

zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week

groen, blauwig-teêr violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over

de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het

zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in

matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen

schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen.

Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid,

de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper

omlijnd, van elkaâr afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde

open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte

deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de

kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde,

snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen

weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze

windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde

zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind,

als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende

stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en

blaadjes stilletjes heen en weêr, met een gerucht van verre snikjes.

In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven

de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel,

strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de

deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in

driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de

wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de

hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten,

als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij

spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het

tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij

ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende,

verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren

als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar

alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weêr donkerder en

grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in

glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven

door het plafond. Dan verroerden zij weêr niet, bleven vast overal in

denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen

weemoedsklank van den avond.

De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit,

scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken

hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer

vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen,

andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich

uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden

dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te

bewegen in snel weêr rustende bevingen. Zij schenen sámen te leven,

zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner

schaduwen.

Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder

den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp,

een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat

daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar

kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor

altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de

schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den

wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop

de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar

kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat

aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend

in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar

loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de

ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar

leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over

de zielloze handen op haar schoot.

Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager

geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode

kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als

een heuvelrij aan elkaâr vast. Het bloedrood steeg door het

karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbeziën-rood, het

perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende

lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze

wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van

heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van

den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog

boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen

den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving

van sombere kleur.

Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht,

daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten

over de aarde neêrkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de

wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een

naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der

gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde

langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger

grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen

pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de

zwarterige warreling die er bij scheutjes op neêr rookte en weêr

opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede

weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een

ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het

violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart.

Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde

de schemering neér, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte

schokken schoten, dadelijk weêr verstommend, onder haar kleed, als een

zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieën naderden elkaâr en weken

weêr te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde,

vielen weêr neêr. Haar saâmgevouwen handen ontbonden zich, de vingers

strekten zich in een bibbering even uit-éen; toen klamden haar handen

naast elkaâr neêr om de knieën. Toen raakte de koele duisternis haar

aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen,

haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog

zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte

wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen,

een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te

zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde

lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar

vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver

beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een

wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar

hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds

kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de

dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde

hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de

grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd

haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De

laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit

haar oogen wech.

Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand

voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weêr

te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de

onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de

tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die

zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog

zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins,

zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren.

Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag

zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij

richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag

klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en

zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling

haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de

leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten,

den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen

daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis

grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna

verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken

samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en

ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die

als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar

neêrgezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als

een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich

als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de

schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een

breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed

in 't midden.

Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de

voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde

over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een

enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk,

dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zoû niet

weêrkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige

op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich

leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in

een eindelooze leêgte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken

zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in

de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden

gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank.

En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al

knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar

hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht

een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde

en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en

balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde

haar blik weêr in de donkerder donkerte van de kamer.

Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij

maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes,

schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden

door de kamer, weken weêr te-rug in de wanden en meubels, kwamen weêr te

voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een

ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door

gebroken stemmen geneuriede melodieën, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna

angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en

weêr vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te

voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden

schietend, onmiddellijk naast elkaâr, in verwarde rijen, van de

zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend,

warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een

regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodiën werden

luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de

herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd.

Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren,

achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij

zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van

onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin

waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde

figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als

een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen

hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een

zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de

wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar

neêr, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte.

Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend

hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden

voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet

te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar

heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij

stond weêr recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet

te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet

aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl

angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich

rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef

alleen, schoorvoetend op en neêrgaande in de donkerte. De donkerte hing

in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die

tegen elkaar botsten en in elkaâr overrolden. Mathilde voelde de

afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de

duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij

voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als

gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan

links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een

giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaâr. Daarna

het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neêr slaat.

Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd

aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en

snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat

zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de

kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels,

meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er

was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de

tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er

moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar

was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met

uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen

wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen

wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels,

stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak,

heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal

na elkaâr om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den

achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der

tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met

verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar

armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij

keerde zich weêr om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als

om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neêr op haar schouders,

stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond

niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in

breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weêr samenvoegend en in

vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden,

bewogen, schoven te-rug en naderden weêr met langzame wreedheid om haar

tegen hun groote platte vlakken te verpletteren.

Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de

grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar

oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar

toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de

ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind,

die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op

nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste

grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam

van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen

samenwringende en weêr losrijtende beplantingen om de huizen aan

d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin

aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en

stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide

zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neêrgoten,

opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag

neêrzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den

straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend,

zijn breede rug hoog opkrommend en weêr neerstrijkend, of zijn gele

effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een

schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere

lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend,

tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden

gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend

losrukkend en er in een kramp van jammeren meê wijzend tegen den

donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun

kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van

geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte

vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weêr samenvoegend,

zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke

steenen graven, stom en meêdoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde

plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende

zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner

fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de

stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den

weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij

wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaâr. Er barstten er

van-één, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op,

maar zij sloten weêr samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen

zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen,

schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om

neêr te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde

voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech,

verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er

weêr uit op.

Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de

groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk

plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen

dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg

tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zoû zinken. De muren

dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich

uit, vielen weér plat, heen en weêr zwiepend als linnen

tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het

gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis

scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich

wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper

zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen

de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van

ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neêr

voor het venster.

Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden.

Er was niets dan éen groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de

muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de

steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen

brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge

boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen

vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech

zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam

neêr in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar

eigen wezen zachtjes van elkaâr, ontbonden door de grauwheid, zonder

smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn

geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van

elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen

aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in één, vallend

in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde

alles geëindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef

zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster.

Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat

van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd

sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een

stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan.

Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar

andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de

lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een

blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht

werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van

haar hoofd warm beschenen werd Marie zeî "Wel mevrouw, ik wist gerust

niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang

gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden

vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend

sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken

van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn

wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de

onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de

duisternis in de kamer.

Felix was naar Mathilde geloopen en riep:

--Nacht, moeder, wel te ruste.

Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij

boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien.

Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder

neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in

zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik

waarmeê ze Jozef zoo graâg zag. Felix leek zóo erg op zijn vader. Er

ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden,

haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neêr. Zij drukte

zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er

pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn

oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een

heeschen toon; "goeye nacht!"

Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo

hartelijk goeye-nacht kuste.

Toen Mathilde weêr alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging

in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen.

Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was

hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te

kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover

zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het

bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht

het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar

voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zoû in wat zij wilde, en

het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo

gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zoû van haar benauwdheid uit tot

Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weêr van

haar woû gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde

wech was, die door geen woorden ter wereld weêr op te wekken zoû zijn en

het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen

gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zoû.

Zij wandelde zachtjes heen en weêr, haar hoofd gebogen onder den

nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu

toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had

niet gekund. Hij zoû geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat

hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu

andwoordde, zoû ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weêr

van haar zoû doen houden, dat zij zich zoo gezond en weêr zoo mooi zoû

maken, dat zij zóolang alles beproeven zoû, tot hij weêr veel, veel van

haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken

en overwinnen zoû.

Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den

tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren,

met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de

boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen

en weêr, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met

genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en

gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de

nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar

wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neêr,

bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen

sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op,

als zwarte vlammen om haar hoofd.

En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als

een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en

kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde

kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst

door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken

vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere

bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door

haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen

veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van

iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een

opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als

een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als

zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar

gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar

keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe

toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend

tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen

afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weêr in zich zelve met

gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met

rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar

keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei.

Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar

eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve.

Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom

wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zoû zijn.

Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel

klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond

als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist

zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets

moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een

wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht.

Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen

aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de

hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd

en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar

haar op zoû zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer

ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, leî

hem rechtuit over haar knieën, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot

zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken

over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken

van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teêre neêrzijgingen

harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn

hoofdje met bevende liefde-handen. Zij leî, hem zacht omvattend, haar

handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje

onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zoû, omdat zij Jozefs stem

wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn

vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zoû worden

als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan

zijn mond, opdat hij daarin ademen zoû en zij uit zijn adem klanken op

zoû vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te

ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zoû.

En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij

hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan

huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den

grond, boog zich naast hem neêr, hem in de ronding van haar arm nemend,

en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij meê. Zij

huilden met hun tweeên in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de

kiezelsteenen van de hut.

's Avonds, vóor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel

staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op

zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was

gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna

zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die

dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij

Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weêr op de vloer stond, kuste zij

hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht,

Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij

niet slapen kón. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der

trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef

een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met

de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag.

Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat

hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens,

tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat,

bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe,

van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op

schreef. Jans leî den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar

wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen,

en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen

boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den

brief, zeggende:

--Die brief is gekomme, mefrouw.

Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte

koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht

ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag

daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een

vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje

nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere

kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar

schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp

omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein

vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten

klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was.

Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel

lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo

als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij vóor

aanstaanden Zondag ook niet zoû komen. Het opengevouwen bladje strekte

zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel

als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het

grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over

haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had,

maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe

breedheden van hoop, waarin haar denken waadde.

Jozef zoû dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het

gewichtige gesprek, zoû plaats hebben, verergde Mathildes

zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst

nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmeê

zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot

haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit

door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een

roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden,

toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest

komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel

van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd

aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en

Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en

wech was het weêr, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag,

dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot,

zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder

zich neêrdrukte. Daarna werd zij den dag weêr gewaar als een donker

blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele

randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met

Jozef leven zoû.

En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar

verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er

hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen

op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de

verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde

luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte

achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te

wachten, tot de tijd haar tot hem heen zoû hebben gevoerd. Jozef zoû

Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar

binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem

binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met

ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zoû? En zij liep door het

huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren

gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als

open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele

bladerenschaduwen stilletjes wenkten.

Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de

wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om

dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en

wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de

wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en

recht. Het was haar of zij altijd verder zoû gaan, het hoofd naar voren,

den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was

het alweêr achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaâr

raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den

anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en

zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de

figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat

het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weêr de

gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon.

Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de

kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de

lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten

over Mathildes borst door haar gemoed.

Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven.

Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen

steeds elkaâr voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan,

over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid.

Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zoû ontvangen. Zij

voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren

leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den

tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften

en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende

vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor

den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van

buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust

en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed,

zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een

bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo

leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar

voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen

aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de

kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke

gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps

de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar

een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan.

Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek

met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een

gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij

bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel

toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde

had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik

voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een

gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd

voor, die zoû plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij

maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zoû beginnen met

het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo

groot meer als vroeger. Dan zoû hij zeggen--ze kende hem er goed genoeg

voor om dat zeker te weten--: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog

altijd even veel van haar. Maar dan zoû zij hem bewijzen, dat 't niet

zoo was. Want, zoû zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd

tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw

houdt? Zij zoû het onderscheid laten voelen. Dan zoû hij misschien

toegeven ... En dan, en dan ... Mathilde lachte en trad voort, zij voelde

haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De

woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna

lijnen, die elkaâr naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten

om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op,

verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in

lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden

weêr terug, beglipten haar hals, suisten weêr op door heur haren,

glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort;

haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En

in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te

neuriën, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een

bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille

neuriënde gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna

overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter.

Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd

was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en

keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten

hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de

gordijnen voor het bed over elkaâr, en nam nog hier en daar de stof af,

want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed

in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans

haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de

koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel

op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was.

Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der

kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes

opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi

uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de

tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen,

die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo

slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, leî de

muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze

op-en neêrgaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk

dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden,

bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken.

Zij stond, rustende op haar rechter been, de teêr-grijze wol strak

gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde

aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar

borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weêr; haar blikloze

oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op

hetzelfde punt van den vloer neêr. Of zij streek haar handen van haar

voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder

haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een

aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan

haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den

aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren

vonkjes.

Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als

vroeger, zoû ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam,

maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor

van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was

nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk

de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zoû weêr te-rugkomen, als

hij maar zeî, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield,

och maar zoó weinig, zóo weinig, als een stofje tusschen vinger en

duim ... Als zij dit gezegd had, zoû ze naar hem kijken, hij zoû zeker

een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zoû zeggen ja!, dat hij nog

werkelijk van haar hield, dan zoû zij hem omhelzen, en dan; ... O, 't zoû

heerlijk zijn! ... zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in

den zijnen als toen zij pâs getrouwd waren ...

Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn

speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neêr

wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaâr

aangiggelend, op elkaârs ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne

zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend

tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel

rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neêr,

sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weêr op en neêr.

Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zóo innig

aan hem gedacht, dat een lichte koû over haar heenging, onder haar kin

tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor

haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en

den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om,

met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan.

Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den

hoek zoû verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen

treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon.

Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens vóor

Zondag kwam. Dat was wél heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich

toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kôn. De

deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden

open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware

kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de

ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd

blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weêr donker worden,

was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den

tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje

neuriënd, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets meê dwingen,

deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke

doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele

maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de

marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het

fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken.

Later op den dag,--het was al Donderdag,--werkten Mathildes hersens

voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de

tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de

huid aan de slapen zóo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als

die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de

zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de

geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen

naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager.

De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer.

Zoû zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte

naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zoû zij dan

in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen

bestond, durven verbreken? O ja, zij zoû durven, wat er ook gebeuren

mocht, zij zoû spreken. En dadelijk zoû zij er over beginnen, als hij

aangekomen was ... Na dat zij elkaâr dan omhelsd zouden hebben, zoû ze

hem al haar verdriet vertellen ... O maar, wat een heerlijk idee, de

stilte tusschen hen zoû verdwenen zijn; zij zouden weêr samen praten

uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zoû net zijn, of

Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaâr weêrvonden

na een lange scheiding ... Al wat zij uitgestaan had, zoû zij hem in

onderdeelen haarfijn zeggen ... Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij

weêr meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven,

zoû hij daar misschien te trotsch van worden? ... O Heer! daar wist zij

in eens iets veel beters. Zij zoû hem niet omhelzen, zij zoû volstrekt

zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem

rekenschap vragen van zijn gedrag, dát was het middel ... En neen, ... en

ja ... Ja, ja, zij zoû voorwenden boos op hem te zijn ... Dan zoû hij om

dat weêr goed te maken ... en dan ... hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in

elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig

kon wezen.

Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij

zoû vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zoû, en

hij--geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al

zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde.

Zij zoû hem zien, zij zoû hem hooren, zij zoû hem betasten kunnen. Zij

zoû zijn gezicht wel weêr van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd

dan boog, en als hun monden dan tot mekaâr kwamen ... Zij zag de zon al

gaan over zijne kleéren, ... en zij zoû hem brengen naar het huis, waar

ze hem behouden wilde, zoo als vroeger ...

Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen

lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij

haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen,

die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was

om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de

ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn

arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn

blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast

elkaâr, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weêr, bezijde de tafel

plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de

hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de

rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de

ronding van haar onbewegelijken arm weêr naar de vloer kijkend, zag zij,

in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte

vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die

zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking

verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken.

...Als zij zich boos toonde, zoû hij haar misschien vergeving vragen ...

maar dát zoû zij in geen geval willen ... maar wanneer hij nu eens niet

deemoedig was bij haar trots ... 't Was waar ook, het was ook eigenlijk

maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed,

als zij smeekte en bad, dán bereikte zij stellig haar doel, zij zoû dus

eerst dit zeggen, dan dat, dan zoû hij ... en dan zij ... en dan zoû zij

nauwkeurig bepalen, wat zij graâg had, dat hij deed: elken dag

overkomen, enz....

Jans was de jaloeziën dicht komen maken. Mathilde zat in de

zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond.

In de gleuven der jaloezieën was de rijke warmte der tuinkleuren

neêrgedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloeziën snelden

alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neêr, die op de meubels

lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door

matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe,

geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen

van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van

verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van

de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen

over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel

gouden pijltjes naast mekaâr, die opsprongen en neêrkletterden, met

zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar

driftige mijmering ... Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was

om zoo dikwijls over te komen ... als hij sprak van de verveling van de

reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zoû ..., o, zij zoû hem niet

uit laten spreken, zij zoû hem Felix voorhouden, maar vooral altijd

zich zelve ...

Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar

betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten

zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en

vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaâr naderende, met een dak

van schuine lijnen er boven, als een geheel.

Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van

haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen

van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen

stonden leêg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk

alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voór

hij kwam ...

Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op

zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafellâ lag, iets

wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed.

Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds.

Zoo ging de dag voorbij.

Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als

klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen.

Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag

onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude

gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen,

zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der

plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar

lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte

bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zoû hebben, zeker uitstekend

woord, dat zij zeggen zoû, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en

er weêr uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen.

En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde

overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zoû zij zich vernederen,

zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zoû

weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weêr lief zoû moeten

hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen,

wat hij wil.

Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich

verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de

kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel

waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht;

het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij

nederig; zij zoû kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes

ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor

suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zoû hem beloven zich opzichtiger

te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht

en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen

later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden.

Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De

zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan

in zich af laten drukken. Zij zoû het in hen morgen weêrvinden; zij kon

het nu veilig vergeten en aan niets meer denken ...

Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden.

Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken.

Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zoû, als

zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan

eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet

meer zoû weten wat te doen ... Maar deze schrik, die heenvlood uit haar

wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde

langs het behangsel en weêr te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede

zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op

dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij

bedacht en gezegd zoû hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste

maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep,

en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde ...

Maar, in de laagte, met hun grond en één opstaanden wand, schoven

stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En

zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend,

met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar

kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs

middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit

Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neêrgestooten op de aarde. Felix was,

dus moest Jozef zijn.

En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene,

wat alleen zij zien woû, wat alleen zij hooren woû, wat alleen zij wilde

aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief

had gehad, die haar liefhad ... O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met

zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, wás hij ... O, o,

wat zoû die toekomst gelukkig zijn!

Mathilde stond weêr, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om

dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant

die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij,

door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd,

zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps

stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang

had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weêr door het huis. Zij

ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel

langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neêr, haar

heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg

en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar

zijden en vielen er zachtjes weêr tegen aan. Zij drentelde, afgemat en

rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif

van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en

van haar ademen ritselden glijend door het huis.

Een liefde · 第 18 / 21 题