Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren
en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht
goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook
niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar
een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde.
Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon,
Mathilde zeî "voorkamer", die op de straat uitzag.
Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde
zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid
en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van
dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen
spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne
pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode
klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel
werden weêrkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door
porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte,
aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der
zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen,
kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren
in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren
stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes.
Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht
bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en
statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond
op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten
ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft
wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door
een netwerk van vreemde figuren heen.
Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de
kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs
verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij
nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij
niet vast neêrzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje
haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat meê heen en weêr. Daar stond
zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum,
dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen
buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes
op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op
haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar
hals-en armen-kleur mooyer maakten.
Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weêr op
zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen
de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das,
uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zeî:
--Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet.
--Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga
zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is ...
--Hoû-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zoû er
stellig erger door worden ...
--Gut, ik voel niets meer ... wezenlijk niet ... je moet bepaald
proponeeren om te dansen ... zal je 't nu doen?
Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde
plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder
verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak vóor hem, bleef zij staan:
--Ah, zoo! zie je 't?
--Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij
toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel
schijnbaar gemak.
Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden
waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen
en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke
voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de
satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar
zij, hijgend nog van de beweging, leî ze haar handen op zijn borst, en
terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek
had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen,
die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend.
--Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zeî Jozef! we zullen dansen als
razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech
zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt.
--Je bent goed ... ik hoû van je, ik hoû van je, andwoordde ze, en
dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen.
In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin
en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte
handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden.
Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de
knappe werkmeid, was druk in de weêr. In de zaal, achter, stonden groote
blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in
witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed.
Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes
boterhammetjes deels met galantine, deels met pâté de foie gras belegd;
een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone,
mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen.
Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en
goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een
katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht,
terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende
ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal
ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in
de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder
gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens
aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af
te wachten.
Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen
verschenen met heele hoopjes bij mekaâr, als hadden zij 't afgesproken.
Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de
dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne
versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits
wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers
"twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten
achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en
kraakten piepend over de steenen treden.
De heele achterkamer was in-éens vol beweging. Een gezwaai en geslinger
van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't koû vatten
en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een
geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen,
omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die
Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaârs japonnen,
ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar
goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren
klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun
breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits
keek maar al naar Dientje, greep haar éens bij den schouder,
voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om
daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen.
Weêr door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een
warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden,
want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een
hoekje.
Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen:
de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn
arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met
mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal
jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club ...
--O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te
kunnen maken.
--'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer ...
--Mevrouw van Wilden ...
--Mevrouw ...
--Meneer ...
--Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag.
--Hoe gaat 't meneer Ster?
--Jozef, nog vele jaren hoor.
De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en
neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het
linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met
mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk
uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en
een ter neêr gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende
bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen:
donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al
dadelijk haar groenen waayer.
--Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd ...
--Ja, mevrouw, zeî Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel
gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen
smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te
krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u ... maar u, mevrouw, dat is
waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid ... daar men
't eerst aan denken moest, ... maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte.
--Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het
spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook
gaan zal.
--En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed.
--Ja, mevrouwtje, dat zoû ik u niet durven toegeven, de goeye jongen
heeft het zóo druk, zóo druk, u kunt er u geen idee van maken ... En dat
werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weêr zijn zaak aan 't
uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw
opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weêr
het ook is ...
--Maar als men de verwezenlijking van zijn illuziën in 't vooruitzicht
heeft ...
--Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al
heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan
jufvrouw Hartse.
Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een
fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te
maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er meê heen en weêr.
Intusschen hoorde men weêr het geratel van rijtuigen over de
straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat
uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier
ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus
ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De
andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar
met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader
zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef,
waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meêbracht, en zo
verder. Toch waren alle menschen er nog niet.
Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek
hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames.
--Ik begrijp niet, zeî hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog
niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben.
--Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te ... te ...
te doen, zeî meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond,
verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken.
--Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte
van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht
nietwaar Jô?
--Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen ...
Na eenige minuten kwam Jozef weêr binnen:
--Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den
laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden
morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg
opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag
een begrafenis ... enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten ... Nu
kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te
maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo
goed mogelijk te amuseeren ... wat dunkt u?
Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een
geruisch en geschommel.
Toen alles weêr een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden
male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en
verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-éens
naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond.
--Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden?
--Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij
ingeschoten ... Wat zal ik u zeggen ... Maar wat u daar vraagt brengt me
op een uitstekend denkbeeld. Zoû u ons niet eens op een lied willen
onthalen? ... ja, ja, dat moest u doen ...
--O, meneer! ...
--Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren)
nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of
Quadrille? vroeg Mathilde luid.
--Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden?
Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie ...
--Heel graâg, heel graâg, wat dunk u, mevrouw, en u, en u ...?
Dit werd algemeen goedgekeurd, en zóo hevig, dat Louis Berlage
bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zoû, en om dit te
verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel
nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek
en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te
helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met
schuine blikken naar Louis.
Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen
toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken
te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen
gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch
lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef
akkompaniëerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat
haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en
o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was
Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks
kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't
juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo
knap!
Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie
was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant.
Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en
waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en
stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet.
De menschen waren nu weêr aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden
een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu
een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den
schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en
hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde
menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren
wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder
dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok,
maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer
met een soort van droefheid vóor zich uit te staren en wreef zijn roode
heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaâr. Mathilde had hem al lang
in het oog en woû hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond
op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van
welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van
zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn
oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar
de hoogte en achteren gestreken.
De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken;
verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon,
blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook
bij zijn vrouw en den bediende staan:
--Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil,
jongen.
--Och, meneer!
Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer:
Wie toch Mathildes naaister is?
Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn
handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, meé rond ging. Mevrouw van
Borselen nam een glaasje rooden wijn.
--Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk.
--Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden.
--Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens.
--Nee, wezenlijk! ... O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken
zoudt.
--Kom, mevrouw, zeî mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van
achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen
met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden.
--Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo
heerlijk voordraagt!
--Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden.
Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen
zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig.
Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zoû nu
iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren
verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer
was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje:
Wat is de liefde?
Ik weet 't niet, mijn kind.
Wat zegt de liefde?
Zij spreekt niet, zij bemint!
Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald
leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zeî niemant een woord. De
dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen
haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een
grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van
den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja,
jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een
eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte
zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe.
Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar
een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weêr voorzichtig op
de tafel, den schoorsteen of op de piano neêrzette, droegen nu twee
officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam
Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe
het in de Sint Anthonie-breêstraat toeging, wanneer een joodsche familie
uit rijden ging en ze met zen achten in éen vigelant gingen.
--Die Hasman is onverbeterlijk, zeî Jozef en hij ging naar Hasman toe om
hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen.
Mathilde was weêr bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij
leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet
heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen
erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en
gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er
werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het
glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen.
Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot
herinneringsmiddel aan dezen avond zoû moeten dienen, was er nog niet
geweest.
Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich
van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar
haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat
hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in
langen tijd ook niet zóo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een
elk, door al zijn vrienden bewonderd.
Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt
ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen,
maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als
iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht
iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al
die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens
vergaten! Neen, dat niet! Ze zoû, ze moest iets doen. Nu, hij zoû 't dan
toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon.
--Mathilde, zeî hij, wil jij nu niet eens wat spelen?
--Wel zeker, heel graâg.
--O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis
haar nu voor zich alleen hield.
--Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de
sonnate Pathétique, b.v.?
--Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zeî Mathilde, wel in geen twee
jaar. Mijn vader leefde nog ...
--Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan ...
En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano.
Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn
rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij
Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek
hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje
zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze
het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en
even keek zij Jozef aan.
Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen
zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij
speelde het graâg en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en
statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn
deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig
akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de
verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets
als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat
kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek
werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde
hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog
stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de
punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig
uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan
luisteren.
Toen was er in-éens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig
orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder
fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich
dan en neuriede onder de breedere harmoniën door, als een leeuwerik die
bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden
naar het kerkgewelf zoû opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en
vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in
de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets
vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich
wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei
wondermooye menschen in vreemd-rijke kleéren gingen. En als zij muziek
speelde en zij was er goed in, zag zij weêr altijd zulke zaken. Nu was
't iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de
melodiën. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet
waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was
iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een
gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar
verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar.
Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot
als een mensch, met prachtige, schitterende kleêren aan. Waar had zij zoo
iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet.
Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind
altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek
van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst
met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het
gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud-
wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar
liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens
braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten.
Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een
vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte
veêren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden
luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als
had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van
zilveren golfjes uit de hoogte op haar neêr. De melodie was juichend en
sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher
als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning,
haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld
en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een
diamanten prisma op haar neêrgegoten. Zij wist niet meer, zij voelde
zich niet zitten.
De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat
het zoo mooi zoû zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen
MathiIde en dan weêr beurtelings elkaâr aan. De heeren knikten
goedkeurend. Hasman zeî zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde.
De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de
gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij
onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich
uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende
groep vóor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd.
Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen
waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het
tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was
tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer
dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider,
woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen
te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neêr;
de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er
toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm
van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar
staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest
hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat
deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar
gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen,
dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het
zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers
speelden de melodieën voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de
oude geliefde sonnate niet vergeten De melodiën trilden voort hoog door
den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en
weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling
hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het
stuk was uit.
Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn
handen, met de anderen meê. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en
Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op
haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken
erge komplimenten.
* * * * *
Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer
Berlage had zich verveeld en drentelde op en neêr, door niemant
aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij,
voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar
de piano te turen, als was daar iets heel bizonders meê gebeurd.
Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weêr te praten. Het
was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit
vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood
framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte,
tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen
van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud
was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over
het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door
de boomen na storm en regen.
* * * * *
Mathilde werd zich zelve weêr. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur
stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek
daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar
haar zagen om dat zij zoo bleek was.
De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de
warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige
gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de
kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging
langzamerhand ook naar de kamer over.
De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun
verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees
Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men
verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande
kunstenaars. Zoo kwam men weêr op de deklamatie. Het heele gezelschap
nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een
ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten.
--Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets
meêgebracht?
--Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zeî Mathilde van
d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken?
Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er
van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van
haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend.
--Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zeî hij.
Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een
beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde.
Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van
den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio
regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van
zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het
onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen
bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre
woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht
worden tot aan het einde huns levens.
De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen
luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze
houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaâr over de
onbedreven onnoozelheid van den dichter.
Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht
kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen,
eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech.
Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster
hadden samen vijftien stuivers gegeven.