Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun
ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was
er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de
donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was
heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld
met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe
stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden
gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel
nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't
lezen, zijn éene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor
zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op
zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of
van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en
wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank
versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een
aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij
hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje
stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een
mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog
of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem
heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en
turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer
kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek
bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen
boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen,
met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, leî de krant
even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de
kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte
het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig,
vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes
verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in
den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even,
aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de
knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige
steenkolen er op neêr, die knetterend een dichten zwarten rook door de
kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weêr zitten. Hij had er een gloed
van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen
koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden,
door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken
met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er
reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de
Heerengracht.
Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende.
Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede
zwart-fluweelen hals-en handboorden.
--Hè, hier is 't heerlijk, zeî ze en wreef haar handen tegen mekaâr,
waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen.
--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd,
terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde
bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het
ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon
er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren
onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij
had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor
Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee,
daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij
het aannam en voor zijn bord neêrzette, deed zij schielijk een stap naar
hem toe. Zij ging naast hem staan en leî haar handen op zijn schouders.
Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde:
--Ik moet je nog altijd iets zeggen.
--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde
aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op
te letten.
Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over
haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang.
--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden?
--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op!
--Nou, zeî ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te
verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik
geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeën zullen blijven in 't
leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien
of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neêr, dicht over haar hand die
op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken.
--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zoû 't
wezenlijk waar zijn?
Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen,
zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte.
--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken!
Heerlijk! Heerlijk!
Zij danste haast van blijdschap.
--O, heerlijk! zeî ze nog eens.
Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen:
--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, hè?
Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en
witte verdwijnende vlekjes.
Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot
het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel
jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist
het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten
geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist.
* * * * *
Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar
liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder
haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag
en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als
was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zoû
dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch
door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich
voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren
achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar
verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het
donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of
een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zoû. Als zij mekaâr
aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs
schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken
langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van
zijn leven in zich op zoû nemen. Jozef trachtte hun leven in deze
omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste
verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van
haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met
hun tweeën heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon
met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen;
later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen,
eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's
avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook
niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets
te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Woû zij
iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om
't haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de
stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant
aan de Van Wildens.
De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf
daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag,
hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich
zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn
huishouden zoû komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't
wás waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd
een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zoû gebracht
hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij
in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij
haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half
bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was
't of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te
spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid
van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere
kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde,
dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar
moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding,
zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden
zoû hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om
al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en
dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen,
haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die
weêrzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in
dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid.
Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de
waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het
innerlijk, zus of zóo zoû wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan
waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaâr duurden, vervuld
van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van
hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij
wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine
Jozef zoû wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zoû doen zijn; de
eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de
andere klein, teêr, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn
gezichtje, en die beiden toch maar éen Jozef zouden zijn, daar de éene
den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar
een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van éens
te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat,
mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig
niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna
voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef
werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets
vroeg: niet waar?, hè?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja
en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet
vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het
onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met
genoegen waar, hoe vol zij was van hèt leven, hoe gezond en zacht
gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zoû
geboren worden, de eenige dingen waren, waarmeê haar lieve hoofd zich
bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed
getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij
voort: de jongen zoû dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar,
misschien een krullebol. Hij zoû stellig den mooyen neus en ooren
krijgen van zijn vader, maar vooreerst zoû daar nog wel weinig van te
bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een
pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde
Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde
haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde
oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder
tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde
hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe
het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel
van zoû houden. Eéns voelde zij den schrik voor het viezige, het
wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al
gauw weêr vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zóo-veel
liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan
zoû, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte
af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven
te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe,
lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den
anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve
moeder noemde. Wat zoû het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie
te zijn Eerst zoû het kindje, natuurlijk in de lange witte kleêren worden
gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er
aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen,
dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren
vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke
glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide
zij met regelmatige steken, op en neêr met haar hand, op en neêr. Wanneer
zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en
fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die
dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld
zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door
elkaâr, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij
zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen,
met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij-
zelf al die kleêrtjes maken zoû, maar als hij haar nu, na dat zij het toch
doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die
zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig.
Later zoû het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een
zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zoû hij vooral het liefste
zijn--en over dezen tijd sprak zij het graâgst met Jozef--als hij zoû
kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den
dag zouden zien komen. Dan zoû Jozef hem, och heer, met allerlei
nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren,
inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn
omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieën staan, met groote
oogen aandachtig luisterend. Zij zoû hoofdzakelijk zorgen voor dat hij
braaf werd en gezond. Vóor alles zoû zij hem de liefde leeren voor zijn
vader. Zij zoû hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn
moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken
had, wat pleizierig voor hem was. Zij zoû vooral van haar zoon een
tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken.
De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes
gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge
opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen.
Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmeê lachte, een paar nieuwe
boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke
methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten
een kind niet beter maakte. Maar hij woû zich wel onderwerpen, zeî hij,
hij liet háar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende
wonden", zeî Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te
andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere
verhouding tot mekaâr staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen
het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder
het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had
zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering
vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte,
dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen,
later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind
braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en
eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men
op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat
hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken.
Maar zij hield niet op vóor hij zeî: je hebt gelijk. En dan was zij
eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald
plechtig beloven, dat hij streng zoû wezen. Hij begon te lachen, maar
zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles.
Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar
kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader
kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid,
verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij
geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche
werden vervuld.
De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende,
zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zoû geboren worden.
O, wat ging die tijd langzaam!
Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te
duren. Hij woû maar, dat Mathilde gauw weêr elegant en slank zoû zijn,
dat hij zich weêr in 't publiek met haar zoû kunnen vertoonen, in de
komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weêr zoû zeggen: wie is
toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij
vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig.
Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was
altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las
hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed.