IX.

Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun

ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was

er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de

donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was

heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld

met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe

stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden

gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel

nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't

lezen, zijn éene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor

zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op

zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of

van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en

wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank

versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een

aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij

hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje

stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een

mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog

of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem

heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en

turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer

kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek

bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen

boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen,

met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, leî de krant

even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de

kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte

het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig,

vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes

verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in

den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even,

aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de

knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige

steenkolen er op neêr, die knetterend een dichten zwarten rook door de

kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weêr zitten. Hij had er een gloed

van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen

koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden,

door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken

met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er

reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de

Heerengracht.

Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende.

Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede

zwart-fluweelen hals-en handboorden.

--Hè, hier is 't heerlijk, zeî ze en wreef haar handen tegen mekaâr,

waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen.

--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd,

terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde

bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het

ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon

er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren

onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij

had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor

Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee,

daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij

het aannam en voor zijn bord neêrzette, deed zij schielijk een stap naar

hem toe. Zij ging naast hem staan en leî haar handen op zijn schouders.

Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde:

--Ik moet je nog altijd iets zeggen.

--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde

aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op

te letten.

Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over

haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang.

--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden?

--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op!

--Nou, zeî ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te

verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik

geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeën zullen blijven in 't

leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien

of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neêr, dicht over haar hand die

op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken.

--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zoû 't

wezenlijk waar zijn?

Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen,

zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte.

--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken!

Heerlijk! Heerlijk!

Zij danste haast van blijdschap.

--O, heerlijk! zeî ze nog eens.

Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen:

--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, hè?

Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en

witte verdwijnende vlekjes.

Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot

het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel

jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist

het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten

geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist.

* * * * *

Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar

liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder

haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag

en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als

was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zoû

dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch

door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich

voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren

achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar

verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het

donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of

een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zoû. Als zij mekaâr

aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs

schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken

langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van

zijn leven in zich op zoû nemen. Jozef trachtte hun leven in deze

omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste

verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van

haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met

hun tweeën heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon

met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen;

later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen,

eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's

avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook

niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets

te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Woû zij

iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om

't haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de

stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant

aan de Van Wildens.

De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf

daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag,

hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich

zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn

huishouden zoû komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't

wás waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd

een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zoû gebracht

hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij

in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij

haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half

bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was

't of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te

spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid

van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere

kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde,

dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar

moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding,

zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden

zoû hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om

al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en

dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen,

haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die

weêrzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in

dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid.

Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de

waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het

innerlijk, zus of zóo zoû wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan

waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaâr duurden, vervuld

van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van

hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij

wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine

Jozef zoû wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zoû doen zijn; de

eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de

andere klein, teêr, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn

gezichtje, en die beiden toch maar éen Jozef zouden zijn, daar de éene

den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar

een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van éens

te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat,

mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig

niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna

voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef

werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets

vroeg: niet waar?, hè?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja

en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet

vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het

onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met

genoegen waar, hoe vol zij was van hèt leven, hoe gezond en zacht

gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zoû

geboren worden, de eenige dingen waren, waarmeê haar lieve hoofd zich

bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed

getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij

voort: de jongen zoû dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar,

misschien een krullebol. Hij zoû stellig den mooyen neus en ooren

krijgen van zijn vader, maar vooreerst zoû daar nog wel weinig van te

bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een

pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde

Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde

haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde

oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder

tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde

hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe

het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel

van zoû houden. Eéns voelde zij den schrik voor het viezige, het

wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al

gauw weêr vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zóo-veel

liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan

zoû, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte

af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven

te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe,

lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den

anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve

moeder noemde. Wat zoû het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie

te zijn Eerst zoû het kindje, natuurlijk in de lange witte kleêren worden

gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er

aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen,

dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren

vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke

glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide

zij met regelmatige steken, op en neêr met haar hand, op en neêr. Wanneer

zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en

fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die

dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld

zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door

elkaâr, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij

zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen,

met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij-

zelf al die kleêrtjes maken zoû, maar als hij haar nu, na dat zij het toch

doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die

zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig.

Later zoû het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een

zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zoû hij vooral het liefste

zijn--en over dezen tijd sprak zij het graâgst met Jozef--als hij zoû

kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den

dag zouden zien komen. Dan zoû Jozef hem, och heer, met allerlei

nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren,

inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn

omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieën staan, met groote

oogen aandachtig luisterend. Zij zoû hoofdzakelijk zorgen voor dat hij

braaf werd en gezond. Vóor alles zoû zij hem de liefde leeren voor zijn

vader. Zij zoû hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn

moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken

had, wat pleizierig voor hem was. Zij zoû vooral van haar zoon een

tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken.

De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes

gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge

opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen.

Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmeê lachte, een paar nieuwe

boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke

methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten

een kind niet beter maakte. Maar hij woû zich wel onderwerpen, zeî hij,

hij liet háar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende

wonden", zeî Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te

andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere

verhouding tot mekaâr staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen

het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder

het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had

zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering

vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte,

dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen,

later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind

braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en

eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men

op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat

hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken.

Maar zij hield niet op vóor hij zeî: je hebt gelijk. En dan was zij

eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald

plechtig beloven, dat hij streng zoû wezen. Hij begon te lachen, maar

zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles.

Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar

kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader

kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid,

verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij

geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche

werden vervuld.

De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende,

zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zoû geboren worden.

O, wat ging die tijd langzaam!

Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te

duren. Hij woû maar, dat Mathilde gauw weêr elegant en slank zoû zijn,

dat hij zich weêr in 't publiek met haar zoû kunnen vertoonen, in de

komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weêr zoû zeggen: wie is

toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij

vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig.

Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was

altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las

hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed.

Een liefde · 第 14 / 21 题