Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij

--Is die er van-middag al weêr geweest?

Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig

belangstelling in was, maar ze zeide het toch.

--Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen.

--Wat komt ze dikwijls! zeî Mathilde, nog onverschillig.

--Och, ze leest graâg, en ze heeft weinig konversatie in de stad ...

Dien avond zat Mathilde weêr te droomen achter het ouderwetsche theeblad,

terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee

een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield,

richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende

punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar

droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van.

--Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf

niet het beste.

--Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week.

's Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zeî Jozef.

--Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde,

het zoû zoo goed voor je zijn ...

--Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de

straat ...

--Kom! zeî hij, maar er was niets aan te doen.

Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uûr 's middags beneden en,

voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken.

Stilletjes ging zij naar de keuken.

--Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij.

--Jufvrouw Hartse, mevrouw.

Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid

van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet

scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk

verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor

het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het

voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den

bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan

Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware

zij van haar plicht afgeweken ging zij weêr door met lezen met dubbelen

ijver.

Een week later,--de deur van de dooden-kamer stond open--hoorde

Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van

het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en

ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open.

't Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na

zes weken.

--Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten.

Emilie zeî te gelijker tijd, met een meêwarig lachje, iets, dat niet

gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen.

--Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren ...

--Dank u, u begrijpt ...

Zij gingen de zijkamer binnen.

--Ja, mevrouw, dat hoor ik ...

Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls

op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak

voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel

aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets

van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar

te vinden. Het deed hem pleizier.

Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend

bij-mekaâr. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een

half uur voór den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de

geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw

als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik

hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen.

Mathilde stond op, ging naar hem toe en zeî met een bevenden mond:

--Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met

haar alleen!

Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn

schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar

eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen,

was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als

riep een onweêrstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar

vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen.

Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij

bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weêr alleen naar bed.

De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een

wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde

voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was

verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude

bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik

kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar

bedacht zich weêr, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd

verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest,

midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug

van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van

den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang vóor dien tijd af

tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar

treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang

geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze

zoenen hadden zij mekaâr in dien tijd gegeven, wat een tijd was het

geleden, sinds zij mekaâr zoenden den heelen dag! Al de gezichten van

haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat

zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet

waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen

verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde

kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht,

al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weêr, een glans

over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat

de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over

haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een

prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer.

Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden

er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot,

naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef,

Jozef, Jozef!

Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in

Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn

blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog

nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar

gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar

den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem

verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden,

vroeg zij:

--Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje

doen?

--Meen je 't wezenlijk?

--Ik verlang er na, zeî ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest!

Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op

het kantoor. Hij was er gelukkig meê.

Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op

met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de

levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo

heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten,

haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas

met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij

wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan

den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden.

Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer.

--Hè, zeî Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje!

Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke

droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering.

Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig

met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens

naderden elkaâr weêr zeer.

Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had

gekend. Langzamerhand begon ze er vrede meê te krijgen haar vader niet

meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een

hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op

haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer

was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch

had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar

vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde,

en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer

over na te denken en er zich onophoudelijk meê bezig te houden.

De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder

gebeurtenissen, in altijd weêr vermeerderende liefde, voorbij. In den

eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan

zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam

man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog

liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, leî haar hand op zijn

schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij

las een paar zinnen met hem meê en vroeg dan, om zijnentwille, wat of

dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen

hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn

schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem,

midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken

kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag

zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd.

Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij

niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon.

Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten,

dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd

hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij

was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem

hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om

zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige

eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die

kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zoû willen, den inhoud

van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te

schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een

morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zeî wat er meê

gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op

de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen

met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te

pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de

voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles.

Al het egoïsme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen.

Zij liet Jozef meêdoen in al de droevige vreugde, die zij van deze

nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten,

die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends ráakte

zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquiën; zij vond er een zoet

genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen

alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het

dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren

deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal

aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij

maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich

met zijn kleêren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te

krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de

bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te

wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf

had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleêren na te gaan, zijn

kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan

wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en

manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen

waren ingericht en werden gebruikt.

Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig

mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde

zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn

geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal;

zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar

verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op

zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet.

Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen

van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde,

het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om

dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn

voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende

glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij

blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige

manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen

moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst,

zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel

langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles

zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te

beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij

raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das

gekocht, en over het strijken van zijn overhemden.

Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn

grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in

't zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleêren kende

zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben vóor hun huwelijk.

Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al

die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had

gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat

deed haar een groot pleizier.

Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij

zijn handen half dicht gehouden, vóor haar, op het kantje van de tafel

zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat

die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat,

toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's

avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neêr liep, zijn

handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de

hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad

zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde

over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar

wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar

afwezigheid, vóor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had

gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in

zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar

te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken

werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem

eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit

de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel

visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig,

als hun rouwtijd om was, zoû zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn

omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar,

nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit

een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik

weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik

eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een

ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van vóor hun

huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang

met elkaâr hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar

was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen?

Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij

zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden,

en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het

zich volledig kon voorstellen.

* * * * *

Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en

Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer

meêbracht, Louis Berlage met wien zij geëngageerd was. Mathilde was toen

bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen.

Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren.

En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van

geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon

't niet uitspreken, zóo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun

engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis

schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen.

Zij had hem eindeloos lief! Zoo zoû 't altijd blijven bij haar, dat

voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel.

Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en

nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn

schouder en weende van zaligheid. Ze zoû altijd bij hem hebben willen

zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem

in-éens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend

bij elkaâr waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te

weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn

borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo

zacht als de gedachte: hoû-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal

zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens,

als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het

venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de

herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk

aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig

hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim

kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen

uitstralen in de open lucht.

Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar

pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles,

zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's

middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den

Nieuwendijk en bracht iets voor hem meê, dat hij dan onder zijn servet

vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een

horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er

nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij

vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die

niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een

uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met

enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met

haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig meê.

--Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog

eens speciaal aan mij denken, ... natuurlijk moet je altijd om mij

denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hoû, maar dan nog eens

bizonder. Hij beloofde het.

Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde

spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken

kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken

moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's

morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zoû, en onder beurstijd.

Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan

haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee

soorten van pudding en éen manier om met kruiden ossevleesch te braden,

daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis

zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen,

zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weêr in de keuken

te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg

zij er toch een zoen voor.

Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeën alleen, het najaar

en den winter en daarna weêr den zomer door. Intieme kennissen hadden

zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw

van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef,

die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zeî: wat ben

je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon

langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen

zijn.

Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat

zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat

huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zoû zijn, heelemaal naar hun

idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weêr over gesproken en

weêr. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel

zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was

nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de

Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye

grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles

wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid

van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij

ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer.

Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw,

toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zoû

bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde

had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te

koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje

in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaâr werd er gereden en

drentelden zij zich moê door vertrekken en portalen, trap op trap af in

die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale

vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig

aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit

wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde

dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd.

Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de

Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van

toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den

eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den

timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan

moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om

meê te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden,

of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de

plafonds. Dán troonde hij haar weêr meê naar den behanger, naar den

meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen

besluiten te nemen had. Dan weêr wandelden zij naar den winkel van

schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had

maar te bevelen en zij kóos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef

eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar

het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en

wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hún huis

hun gezin hadden gevormd.

Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien

kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot

een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden,

het huis van Jozef en haar zoû zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde

zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en

de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een

onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het

nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad,

of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen

vermeerderden met den dag.

Zoo ging weêr de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de

rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken.

Een liefde · 第 12 / 21 题