dezen te leeren geeft. Het Noorweegsche volk staat in ontwikkeling,
in levenswijze en geaardheid zooveel dichter bij ons volk dan
het Finsche, wij kunnen hen beter begrijpen en ons aan hen beter
spiegelen. Laat ons ook voor Noorwegen eerst aan eenige invloedrijke
mannen het woord geven. Het zijn de antwoorden die zij gaven aan de
Nationale Vereeniging van Vrouwenkiesrecht in Engeland op een tot
hen gericht verzoek om hun uitspraak te vernemen in zake de werking
van vrouwenkiesrecht in den aanvang van 1913.
_Gunnaar Kundsen_, Ex-Eerste Minister en nu opnieuw in het Ministerie,
schrijft: "De vrouwen in dit land bezitten het kiesrecht sedert de
twee laatste algemeene verkiezingen en zij hebben met snel toenemend
aantal aan de verkiezingen deelgenomen. Wij zijn zeer voldaan over de
opgedane ondervinding, en alle politieke partijen zijn nu overtuigd
van de rechtvaardigheid van deze hervorming, welke aanvankelijk
zooveel tegenstand had te overwinnen van de conservatieve partijen."
_G. Hagerup Bull_, President van het hooge Gerechtshof, lid van het
Parlement en President van de conservatieve partij in de Storthing,
schrijft: "Vrouwenkiesrecht, dat hier met den steun van alle politieke
partijen werd ingevoerd, heeft nog niet lang genoeg bestaan om de
direkte gevolgen duidelijk aan het licht te brengen. Van het eerste
oogenblik af hebben de vrouwen echter in grooten getale van haar
stembiljet gebruik gemaakt en in twee richtingen kan de invloed reeds
aangetoond worden. Het kiesrecht heeft veel gedaan om den gezichtskring
der vrouwen te vergrooten en heeft verder, alleen door het feit dat
vrouwen het kiesrecht hebben, een goeden invloed gehad op de houding
van het parlement bij verschillende voorkomende gelegenheden."
_Chr. H. Knudsen_, Lid van het Parlement en leider van de
Werkliedenpartij in het Parlement, schrijft: "Ik ben overtuigd dat
vrouwenkiesrecht in Noorwegen een goeden invloed heeft gehad op de
ontwikkeling van het gemeentelijk en parlementaire leven hier te
lande; en ik ben overtuigd dat het zeer zal helpen om betere sociale
toestanden en betere wetten tot stand te brengen."
_J. Gastberg_, Ex-Minister van Justitie, lid van het Parlement en
leider van de radicale groep der liberalen, schrijft: "Het is gebleken
dat vrouwenkiesrecht een weldadigen invloed op het politieke leven
heeft gehad en het zedelijk aanzien der partijen heeft verhoogd. Het
heeft volstrekt niet het gevoelen van patriotisme, zooals door
eenigen gevreesd werd, verzwakt. Er bestaat thans geen partij of
onderdeel van een partij, die het vrouwenkiesrecht zou wenschen af
te schaffen. Integendeel, alle politieke partijen,--conservatieven,
liberalen en werklieden--wenschen allen, het beperkt vrouwenkiesrecht,
zooals het nu bestaat, tot een algemeen kiesrecht uit te breiden en
er is reeds een voorstel daartoe ingediend. In de naaste toekomst
zal het wel zoodanig gewijzigd worden." (Zooals wij hiervoren hebben
opgemerkt, is in Juni 1913, reeds in het Noorweegsche Parlement het
algemeen kiesrecht voor vrouwen aangenomen. Schr.)
_Frederik Stang_, Minister van Justitie, schrijft: "Vrouwenkiesrecht
heeft in Noorwegen zeer goed gewerkt en krijgt steeds meer
voorstanders. Door leden uit alle politieke partijen werd het
ingevoerd."
_K. Thinn_, President van het Hooge Gerechtshof, schrijft: "Ik beschouw
de invoering van vrouwenkiesrecht een daad van rechtvaardigheid
tegenover de vrouw en een weldaad voor het geheele land."
_W. Konow_, vroeger lid van verschillende Ministeries, van 1907-1912
leider van de linker groep (de oppositie-partij), die thans aan het
bewind is, schrijft: "Niets dan goeds kan gezegd worden van de wijze
waarop de vrouwen van het stembiljet gebruik maken. In de politieke
vergaderingen die ik bijwoonde, waren de vrouwen onder de aanwezigen
de meest belangstellenden en intellectueelen en herhaaldelijk gaven
zij de mannen een kranig voorbeeld door haar beschaafd en ingehouden
gedrag. Eén vrouw, Fr. Rogstad, heeft alleen van 1910-1912 een
zetel in het parlement ingenomen. Haar recht-door-zee-gaan en haar
eenvoudig optreden, even als hare gaven om haar gevoelens onder
woorden te brengen, heeft haar de sympathie en het respect van hare
medeafgevaardigden bezorgd. Vele vrouwen zijn in Gemeenteraden en
Provinciale raden gekozen, of hebben andere gemeentelijke functies
waargenomen. Overal wordt het werk door de vrouwen in het gemeentelijk
leven uitgeoefend, op hooge waarde gesteld. Voor zoover ik weet heeft
nooit een vrouw door hare politieke ontvoogding eene onvrouwelijke
daad gepleegd, niettegenstaande dat toch als een onvermijdelijk gevolg
van het uitoefenen van het kiesrecht, voorspeld werd."
_Eugen Hanssen_, Predikant, schrijft: "Het was wel te voorzien dat
vrouwenkiesrecht, eenmaal ingevoerd, uit zich zelf zou aantoonen
de rechtvaardigheid van den eisch. Het is gemakkelijk in te zien
dat vrouwenkiesrecht het natuurlijke gevolg van mannenkiesrecht
is. De eigenschappen van mannen en vrouwen moeten samenwerken om
de belangen van een vereenigd volk harmonisch te behartigen. Zelfs
de korte periode, in welke de vrouwen politiek ontvoogd zijn, heeft
reeds proefondervindelijk de waarheid van dit beweren aan het licht
gebracht. De toekomst, en de taak die ons daarin wacht, zal nog meer
aantoonen hoe noodzakelijk de invoering van vrouwenkiesrecht was
en nog duidelijker bewijzen dat deze maatregel een was van wijsheid
en rechtvaardigheid."
En ten slotte schrijft _Professor W. C. Brogger_, Eeredoctor van
de Universiteiten van Glasgow, Heidelberg, Cambridge en Stockholm,
bezitter van verschillende medailles van verdienste: "Vrouwenkiesrecht
heeft geen enkel slecht gevolg gehad. De vrouwen hebben er niet hare
huishoudingen door verwaarloosd en de verhouding tusschen man en
vrouw heeft er niet door geleden."
De vrouwen van Noorwegen ontvingen in 1901 voor het eerst
het Gemeentekiesrecht. Het was echter een zeer ondemocratisch
kiesrecht. Alleen vrouwen die meer dan 25 jaren oud waren en die
belasting hadden betaald voor een vermogen van 400 kronen in de
steden en 300 kronen op het platte land, kregen het kiesrecht en waren
verkiesbaar voor de gemeenteraden. De mannen kregen toen tegelijkertijd
algemeen kiesrecht voor de gemeenteraden. In 1902 namen de vrouwen
voor het eerst aan de verkiezingen deel en trachtten toen direkt
zooveel mogelijk vrouwen in de gemeenteraden verkozen te krijgen. In
de steden namen dooreengerekend 90% kiesgerechtigde vrouwen aan de
verkiezingen deel, op het platte land, voor een deel een gevolg van
de geographische gesteldheid van het land, aanmerkelijk minder. Over
geheel Noorwegen werden 98 vrouwen direkt in de gemeenteraden gekozen,
tegenover 12330 mannen. Toch heeft dit gering aantal vrouwen kans
gezien vele verbeteringen tot stand te brengen in zaken, waarover de
mannen alleen niet of niet genoegzaam hadden nagedacht. Zoo wisten
zij door te voeren dat in de gemeentelijke pandjeshuizen geen goederen
mogen worden aangenomen van kinderen beneden 16 jaren. Daardoor werd
voorkomen, dat men kinderen gebruikte om goederen te beleenen, die
van diefstal afkomstig waren. Ook werd verboden aan kinderen tabak
en sigaren te verkoopen. Het alkoholverbod bestond reeds. Verder werd
een verbod uitgevaardigd om meisjes, beneden 18 jaren, boodschappen te
laten verrichten aan boord van schepen, die in de havens liggen. Het
was n.l. bekend dat jonge meisjes door werkgevers, onder voorwendsel
van een boodschap te moeten doen, naar zulke schepen gestuurd en daar
misbruikt werden. Beter toezicht van gemeentewege op de keuring van
voedingsmiddelen, het oprichten van tehuizen voor kleine kinderen en
zuigelingen, enz. werd mede in het eerste jaar verkregen. Ook was een
onmiddellijk gevolg van het uitoefenen van dit kiesrecht, dat vrouwen
in de Juries benoemd werden. "De groote waarde en beteekenis van het
feit dat vrouwen als gezworenen worden toegelaten, komt het meest
uit in onaangename en pijnlijke aangelegenheden. In alle gevallen,
waarin moeilijkheden tusschen man en vrouw gerezen zijn, heeft het
vrouwelijk inzicht, het vrouwelijk rechtvaardigheidsgevoel, er toe
geleid dat er een hoogst verstandig en uiterst rechtvaardig vonnis
werd uitgesproken," schrijft een der Noorweegsche dagbladen.
In 1906 werd door de Nationale Vereeniging voor vrouwenkiesrecht
bij het parlement een verzoek ingediend om de vrouwen op dezelfde
voorwaarden als de mannen het kiesrecht en de verkiesbaarheid te
verleenen voor gemeenteraden en parlement, terwijl een andere
vereeniging een verzoek indiende om het parlementair kiesrecht
aan de vrouwen te verleenen op dezelfde voorwaarden als zij het
gemeentekiesrecht bezaten. Deze beide voorstellen werden met al den
ernst, dien een dergelijke hervorming eischt, door het parlement
in overweging genomen, met het gevolg, dat 14 Juni 1907 met groote
meerderheid besloten werd den vrouwen algemeen kiesrecht te geven
voor de gemeenteraden en een politiek kiesrecht op de voorwaarden,
waarop zij voorheen het gemeentekiesrecht hadden uitgeoefend. Daardoor
kreeg op eens de grootste helft der vrouwen gelijke politieke rechten
als de mannen.
Door het feit, dat dit jaar de Noorweegsche vrouwen allen politiek
ontvoogd zijn, wordt bewezen, hetgeen door de voorstanders van
vrouwenkiesrecht tot in den treure wordt beweerd, dat het er met de
invoering van vrouwenkiesrecht maar opaan komt om den eersten stap te
doen en het vrijwel onverschillig is, welke vrouwen het eerst hare
politieke rechten krijgen. Is eenmaal een begin met deze hervorming
gemaakt, dan volgt de geheele politieke gelijkstelling spoedig en
zonder veel strijd. De 300.000 vrouwen, die in de eerste instantie
ontvoogd werden, hebben den strijd niet opgegeven en hebben zes jaren
later reeds voor de 200.000 nog politiek bevoogden, het kiesrecht
verworven.
Mevrouw Ella Anker uit Noorwegen, vertelde ons wat de vrouwen in de
4 jaren dat zij het beperkt kiesrecht hebben uitgeoefend, daardoor
hebben tot stand gebracht. Het is natuurlijk nog geen lange lijst
van hervormingen waarop zij kunnen wijzen.
Op onderwijs-gebied hebben zij gedaan gekregen dat er van
gemeentewege overal goede kookscholen zijn opgericht en dat
onderricht in kooken verplichtend is gesteld op alle scholen van
lager onderwijs. Huishoudscholen en eenvoudige landbouwscholen, met
staatssubsidie, zijn in alle provincies thans in aanbouw. Verder is
een soort van Hoogeschool, om leeraressen te vormen in huishoudkunde
en kooken, door den staat opgericht. Ook staat nog op het programma
der vrouwen om moederscholen tot stand te brengen, waar de moeders
onderricht kunnen ontvangen in de opvoeding en verzorging der kinderen,
en om cursussen te stichten waar mannen en vrouwen, elk afzonderlijk,
onderricht ontvangen in sexueele hygiène en allerlei vraagstukken
het sexueele leven betreffende.
De huwelijkswetten zijn reeds zeer goed in Noorwegen geregeld
geworden. Vader en moeder hebben in Noorwegen dezelfde rechten op hunne
kinderen, de vrouw heeft evenveel recht op het gezamenlijk inkomen
als de man en het beheer er van is aan beiden toevertrouwd. De vrouw
kan, als zij wil, haar eigen vermogen behouden en er zelfstandig het
beheer over voeren, ook over het geld dat zij zelf verdient.
Men werkt nu om "moederschapsverzekering" te verkrijgen, niet alleen
voor vrouwen die bij een werkgever werken, maar ook voor vrouwen van
werklieden. Het voorstel luidt, om een vrouw gedurende 8 weken 60% van
het weekloon uit te betalen, als zij een kind heeft gekregen. Ook is
door de vrouwen reeds een voorstel ingediend om voor ongehuwde moeders
en hare kinderen betere toestanden in het leven te roepen. Daarin
wordt, economisch zoowel als zedelijk, een grooter verantwoordelijkheid
tegenover de kinderen op de schouders der vaders gelegd. Ook hebben
de vrouwen in menig geval een strengere straf geeischt dan was
uitgesproken, voor vele zedelijkheidsvergrijpen tegenover kinderen
en vrouwen gepleegd. Vooral zulke vergrijpen tegenover kinderen,
die vroeger slechts licht gestraft werden, worden nu gestraft met de
hoogst daarop gestelde eischen.
Voor wat hooger loonen voor vrouwenwerk betreft, hebben de vrouwen nu
reeds verkregen dat bij post en telefoon vrouwen en mannen gelijke
belooning ontvangen en dat het salaris van alle onderwijzeressen
verhoogd is en ook daar gelijk loon voor gelijken arbeid in uitzicht
is gesteld.
Als een belangrijke winst is zeker te beschouwen, dat nu alle
Staatsambten voor de vrouwen zijn opengesteld.
Dus ook van Noorwegen zijn niets dan goede gevolgen te boeken van de
invoering van vrouwenkiesrecht.
Gaan wij thans na wat Australië en Nieuw-Zeeland ons in dezen te leeren
geven. De toestanden zijn daar wel is waar anders dan bij ons, maar
wij behoeven immers ook niet alles over te nemen wat daar geschiedt,
wij deelen alleen mede wat de geschiedenis van het vrouwenkiesrecht
in die landen ons te boekstaven geeft.
In Nieuw-Zeeland kregen de vrouwen het kiesrecht voor de Gemeenteraden
in 1886, en in 1893 werd dit tot het parlement uitgestrekt. Als
een bijzonder in het oog springend resultaat van het verleenen van
kiesrecht aan de vrouwen moet vermeld worden, dat het bij de mannen
de belangstelling in de verkiezingen zeer heeft verhoogd. Klom het
percentage der mannen-kiezers, die aan de verkiezingen deelnamen,
vóór de invoering van vrouwenkiesrecht, nooit hooger dan 74%, doch was
het dikwijls niet meer dan 55%, na de invoering van vrouwenkiesrecht
klom het onophoudelijk en bereikte bij de laatste verkiezingen zelfs
de hoogte van 84,43%. Ook de vrouwen nemen in nagenoeg dezelfde
verhouding aan de verkiezingen deel.
Ook uit Nieuw-Zeeland hebben vele mannen van naam zich openlijk
uitgelaten over de werking van vrouwenkiesrecht. Zoo zeide
mr. W. Pember Reeves, vroeger Gouverneur-generaal van N. Z. en nu
Vertegenwoordiger van dien Staat in Engeland: "Altijd wordt mij de
vraag gedaan of wij in N. Z. niet te klagen hebben over verwaarloozing
der kinderen, over ongelukkige huwelijken, over slordige huishoudens,
over verlies van vrouwelijke gratie, alles ten gevolge van de invoering
van vrouwenkiesrecht. Ik moet echter bekennen dat geen van die slechte
gevolgen door mij zijn bespeurd; maar wel moet getuigd worden dat de
vrouwen met opvallend helder oordeel haar taak als kiezers hebben
opgevat en uitgevoerd en dat zij in dit opzicht in geen enkel punt
bij de mannen achterstaan."
Sir Joseph Ward schreef in 1907, toen hij Eerste Minister van
Nieuw-Zeeland was: "Wij hebben hier niet opgemerkt dat door eens in de
drie jaar een punt op het verkiezingsbiljet zwart te maken, de vrouwen
haar huiselijke plichten hebben verwaarloosd. Integendeel, wij hebben
gezien dat het vele goede gevolgen heeft gehad en de verkiezingsdagen
heeft gezuiverd van de vroegere leelijke bijkomende omstandigheden. Het
drinken, vechten, schelden van vroeger heeft nu plaats gemaakt voor een
waardig optreden, zoodat de verkiezingsdagen nu gelijken op plechtige
bijeenkomsten, waarin de burgers van den Staat een ernstigen plicht
vervullen, waarvan de uitkomst bevorderlijk moet zijn aan het heil van
den Staat. In aanmerking genomen dat het voor eene vrouw moeilijker
is om een dag vrij te komen dan voor een man, blijkt toch duidelijk
uit de opkomst bij de verkiezingen, dat de vrouwen evenveel prijs op
haar kiesrecht stellen als de mannen. Het gehalte was bij de laatste
verkiezingen 84,07% mannen en 82,23% vrouwen."
Nog tal van andere invloedrijke mannen uit N. Z. hebben zich in
dien geest uitgelaten en hunne uitlatingen gepubliceerd. Doch meer
dan al deze goede getuigenissen interesseeren ons de daden der
vrouwen in N. Z., sedert zij het kiesrecht bezitten. Uit de lange
lijst van wettelijke hervormingen, die door of na de invoering van
vrouwenkiesrecht tot stand kwamen, zal ik de meest sprekende opnoemen:
1. De wet op den alkohol-handel geeft den kiezers in elk district
het recht te stemmen of er in dat district herbergen met vergunning
zullen zijn of niet, en zoo ja, hoeveel er zullen zijn. Daar de vrouwen
over dit verlof ook stemmen mogen, zijn nu alle arbeidersdistricten
gezuiverd van lokalen waar alkohol verkocht wordt.
2. Kinderbeschermingswetten, waarbij tehuizen van staatswege voor
verwaarloosde en verweesde kinderen.
3. Wet, waarbij de vrouwen het recht hebben op eigen bezit en eigen
verdiend geld.
4. De winkels en winkelbedienden-wet, waarbij de arbeidsuren der
winkelbedienden en de hygiënische toestanden in de winkels wettelijk
geregeld zijn.
5. Wet op de levering van onvervalschte voedingsmiddelen.
6. Verbod van opiumverkoop.
7. Leerplicht tot 14 jaar en oprichting van scholen voor doove en
blinde kinderen.
8. Vroedvrouwenscholen en verplichting van gemeenteraden om
gemeente-vroedvrouwen aan te stellen in elke gemeente.
9. Een wet, die de Overheid het recht geeft om in wenschelijke
gevallen de vrouw van den werkman de helft van zijn verdiend loon
door den werkgever te laten uitbetalen.
10. Gelijk loon voor gelijken arbeid voor mannen en vrouwen.
11. Een wet die veroorlooft het weduwenpensioen uit te keeren in
gevallen waar de man ongeneeslijk ziek is en niet kan voorzien in
het onderhoud van het gezin.
12. De pensioenwet zoo uit te breiden dat, wanneer een man van 60 en
een vrouw van 55 jaar twee of meer kinderen hebben van onder 14 jaar,
zij dan eene wekelijksche toelage kunnen verkrijgen. En zoo zou ik
nog wel een paar dozijn wetten kunnen opnoemen, waaruit duidelijk de
invloed van het kiesrecht der vrouw blijkt; maar genoeg om te doen
zien dat ook in N. Z. de invloed van vrouwenkiesrecht geen slechte
gevolgen voor het land heeft opgeleverd en dat het te begrijpen is
dat de mannen van dat land het niet betreuren dat zij tot de invoering
zijn overgegaan.
En dat de mannen van de 6 verbonden Staten van Australië er even
zoo over denken heb ik reeds in den aanvang van dit hoofdstuk
aangetoond. Maar toch wil ik nog even het besluit dat genomen is in
December 1910, weergeven, omdat dat misschien nog duidelijker aantoont,
welke gevolgen de invoering van vrouwenkiesrecht in geheel Australië,
volgens het oordeel der Volksvertegenwoordigers, heeft gehad. Ook toen
hebben de beide Kamers in openbare Zitting de vraag besproken. "Wat
is het gevolg geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht?" en
als besluit van deze bespreking, de volgende motie met algemeene
stemmen aangenomen:
"Dat deze Kamer, na eene ondervinding van 16 jaren in verschillende
staten van Australië en na eene ondervinding van 9 jaren in het
Parlement der Vereenigde Staten van Australië, moet verklaren, dat
de invoering van vrouwenkiesrecht alle goede resultaten heeft gehad,
die er van verwacht werden;
"dat, zooals door de voorstanders er van voorzien was, het tot
resultaat heeft gehad, dat het de vrouwen zoodanig ontwikkeld heeft,
dat zij zich meer dan voorheen mede verantwoordelijk gevoelen voor
de sociale toestanden en voor de welvaart van het land;
"dat de sociale wetgeving en de wetten met betrekking tot het
gezinsleven op den voorgrond zijn gekomen;
"dat daardoor de ondervinding het Australische Parlement heeft
geleerd, dat invoering van vrouwenkiesrecht eenvoudig beteekent:
het verantwoordelijkheidsgevoel voor het openbare welzijn, de basis
voor eene goede regeering, door onderlinge samenwerking van mannen
en vrouwen, te vergrooten."
Voor elk der 6 verbonden Staten zou ik een heele reeks van
wetsartikelen kunnen opnoemen, die een gevolg zijn geweest van den
invloed der vrouwen. Zij hebben echter zooveel met elkander gemeen,
dat ik gerust volstaan kan met het opnoemen van enkele, die het
meest sprekend zijn en overal zijn ingevoerd. Zoo vooral de wet die de
regeering verplicht steeds gelijk loon voor gelijken arbeid te betalen,
waardoor een eerlijke concurrentie tusschen mannen en vrouwen ontstaan
is en het gevolg is geweest, dat in alle staatsbetrekkingen steeds de
meest geschikte persoon geplaatst werd. Dit voorbeeld door de regeering
gegeven om gelijk loon te betalen voor gelijken arbeid, is spoedig
door particuliere werkgevers gevolgd en heeft thans in Australië
een toestand geschapen, waarbij mannen en vrouwen op eerlijke wijze
kunnen concureeren om het beste werk te leveren. Verder is overal
voor mannen en vrouwen een gelijk minimum-salaris vastgesteld.
In alle Staten is een wet aangenomen, die de vrouwen recht
geeft op eigen bezit en op eigen verdiend geld; een wet die de
verantwoordelijkheidsleeftijd van het jonge meisje verhoogt tot 17 of
18 jaren, (in ons land is een meisje van 16 jaren verantwoordelijk);
kinderbeschermingswetten, waaruit duidelijk den invloed der vrouw
spreekt; vaders en moeders dezelfde rechten geven en dezelfde
verplichtingen opleggen voor hunne kinderen, ook als die kinderen
geboren zijn uit niet-gehuwde ouders; een heele reeks hygiënische
wetten; verbod van verkoop van alkohol en tabak aan kinderen onder de
18 jaren; verplichting om winkelbedienden stoelen achter de toonbank
te verschaffen.
Het feit dat Australië een van de gezondste landen der geheele wereld
is, wat niet aan de geographische en klimaterische gesteldheid kan
worden toegeschreven, moet ons doen zien, dat Australië goed geregeerd
wordt. Het sterftecijfer in geheel Australië is lager dan in eenig land
in Europa en lager dan in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er
is geen land waar op de 1000 inwoners jaarlijks zoo weinig menschen
sterven. Nog gunstiger dan het sterftecijfer in het algemeen is dat van
jonge kinderen. In geheel Australië sterven er gemiddeld 75 kinderen op
de 1000, beneden den leeftijd van één jaar en in Nieuw-Zeeland is dat
cijfer zelfs gedaald tot 68 op de 1000. En nu is het opmerkelijk dat
overal, in de geheele wereld, dit cijfer veel hooger is, behalve in
Noorwegen en Zweden. In het eerstgenoemde land hebben de vrouwen ook
het kiesrecht en in het laatstgenoemde bezitten zij kiesrecht voor de
gemeenteraden en kunnen dus op de plaatselijke gezondheidstoestanden
een invloed ten goede oefenen. Als men daar tegenover stelt het
sterftecijfer van kinderen beneden 1 jaar in ons land, dat van 1910,
toen ook de andere cijfers te boek zijn gesteld, 108 bedraagt, dat
van Duitschland 178, dat van Engeland 105 en van Frankrijk 120 is,
dan ziet men eerst het gunstig verschil van Australië en zal men toch
zeker niet langer kunnen volhouden, dat het geven van kiesrecht aan
de vrouw verwaarloozing van de gezinnen en zorgeloosheid ten opzichte
van het kind tengevolge heeft. Ook geeft het iets te denken, dat in
heel Australië het aantal huwelijken, dat jaarlijks gesloten wordt,
gerekend op de 1000 inwoners, zoo groot is, dat het nergens overtroffen
wordt. Mij dunkt, genoeg gegevens om ons te doen zien dat de mannen
in dat werelddeel verstandig gehandeld hebben, toen zij de politieke
rechten en de politieke verantwoordelijkheid eerlijk met de vrouwen
zijn gaan deelen.
In de Vereenigde Staten van Amerika komen van de Staten die het
eerst het vrouwenkiesrecht hebben ingevoerd, ook niets dan goede
berichten. De eerste Staat die het aandurfde om met de oude sleur te
breken, was Wyoming, waar de vrouwen in 1869 reeds hare politieke
rechten kregen. Toen was Wyoming nog een grondgebied en toen dat
grondgebied in 1890 verzocht opgenomen te worden in de rij der
Amerikaansche Staten en een poging werd aangewend om het dan te
verplichten het vrouwenkiesrecht weder te doen vallen, was het fiere
antwoord van de mannen, die het verzoek bij de federatie in Washington
indienden: "Liever blijven wij nog honderd jaar een grondgebied dan
een Staat te worden zonder vrouwenkiesrecht." En zoo was Wyoming op
den 27sten Juni 1890 de eerste Staat in Amerika, welke zich inderdaad
een Staat van vrije burgers kon noemen.