De politieke partijen welke vóór de invoering van vrouwenkiesrecht

zijn, denken zich deze oplossing verschillend, zonder daarom nog zelf

een vast omlijnd, uitvoerbaar plan te hebben gevonden. Twee partijen,

de sociaal-democraten en de vrijzinnig-democraten hebben de invoering

van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen op hun programma. De

Unie-liberalen willen als einddoel wel het algemeen vrouwenkiesrecht,

doch wenschen te beginnen met een beperkte invoering, mits deze

niet on-democratisch zij, terwijl de vrij-liberalen als partij

tevreden zijn met een beperkt vrouwenkiesrecht. Voor de vrijzinnigen,

die nog niet terstond tot algemeen vrouwenkiesrecht wenschen over

te gaan, schijnt _deze_ overweging vooral te gelden, dat ook het

kiesrecht voor de mannen trapsgewijs is uitgebreid; het zou dus een

verbreken zijn van de historische lijn, zoo men ten opzichte van

de vrouwen anders handelde. Men zou echter de vraag kunnen stellen

of die historische lijn hier wel zooveel gewicht in de schaal mag

leggen, omdat de toestanden niet gelijk zijn. Het mannenkiesrecht is

telkens uitgebreid, wanneer aan die uitbreiding behoefte bestond, en

naarmate de denkbeelden omtrent regeermacht en wetgeving steeds verder

voortschreden in democratische richting. Waar men in het bezit van het

stembiljet ziet een verdedigingsmiddel om zich het recht op arbeiden,

op een behoorlijk loon, kortom, om zich invloed op de regeering te

verzekeren, en het thans aan alle arbeiders wil geven, omdat deze er

behoefte aan hebben, omdat deze klasse van de maatschappij zich zonder

het kiesrecht niet op voldoende wijze kan ontwikkelen op economisch

gebied, daar kan men niet meer willekeurig een deel van de vrouwen

van dat recht uitsluiten; immers, zij eischen op dezelfde gronden

als de arbeiders dat recht op, en kunnen het evenmin als deze langer

ontberen. De historische lijn heeft daar niets mee te maken, omdat

de vrouwen op het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke

ontwikkeling, de evolutie die tot de tegenwoordige toestanden heeft

geleid, reeds met de mannen hebben meegemaakt.

De eisch van de vrouwen luidt dan ook: geen sekseverschil bij de

stembus; wie de vorige hoofdstukken met aandacht heeft gevolgd, zal

begrijpen, dat deze eisch niet anders luiden kàn. Wordt dus bij de

eerstvolgende grondwetsherziening algemeen mannenkiesrecht ingevoerd,

dan zullen de vrouwen niet tevreden kunnen zijn, zoolang ook niet

aan haar datzelfde recht wordt toegekend.

Iets anders is het evenwel, òf, wanneer om practische redenen begonnen

werd met aan een gedeelte der vrouwen het kiesrecht te geven, dit

ook door haar zou worden aanvaard. Hierop moet het antwoord luiden:

zeer zeker. De vrouwen en óók de democratisch-gezinde mannen die voor

het _algemeen_ vrouwenkiesrecht strijden, zouden goed doen desnoods

aanvankelijk een beperkt kiesrecht te aanvaarden, zonder àl te groote

ongerustheid; want men zou dan gemeenschappelijk kunnen werken aan

de uitbreiding van het eenmaal verkregen recht. Hier kan Noorwegen

ten voorbeeld strekken. In 1907 werd daar voor de vrouwen ingevoerd

een census-kiesrecht, dus zeer ondemocratisch; thans, slechts 6 jaren

later is in dat land door samenwerking van mannen en vrouwen uit alle

politieke partijen het algemeen kiesrecht voor de vrouwen verkregen.

Hiermede zijn wij aan het eind gekomen van de bespreking en weerlegging

der bezwaren die tegen de invoering van vrouwenkiesrecht het meest

gehoord worden.

Moge het ons gelukt zijn die bezwaren te ontzenuwen, zoodat in ons land

deze oude bedenkingen niet meer gehoord zullen worden en tegenstanders

van de invoering van vrouwenkiesrecht met nieuwe, frissche argumenten

komen aandragen, zoo die er mochten te vinden zijn.

HOOFDSTUK VI.

VROUWENKIESRECHT IN VERSCHILLENDE LANDEN.

Wat zijn de gevolgen geweest van de invoering van vrouwenkiesrecht

in die landen, waar men den moed heeft gehad te breken met oude

gewoonten en de opbouwing en instandhouding van den Staat, evenals

die van het gezin, aan mannen en vrouwen gezamenlijk durfde toe te

vertrouwen? Heeft het daar de ellende gebracht, die tegenstanders

er van verwacht hebben; is het gezinsleven er door ondermijnd; zijn

de huishoudingen er door verwaarloosd; heeft het ongenoegen tusschen

man en vrouw veroorzaakt; werd de parlementaire arbeid er door op een

lager peil gebracht? Of wel, heeft het al de zegeningen gebracht die

de vrouwen er van verwacht hebben?

Op deze en soortgelijke vragen kan nu een antwoord gegeven worden,

omdat wij op dit oogenblik reeds kunnen nagaan hoe de invoering

van vrouwenkiesrecht werkt in geheel Australië, in 9 Staten van

Noord-Amerika en in Alaska, in Finland en Noorwegen, alwaar overal

algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen bestaat voor alle wetgevende

en wetuitvoerende lichamen, terwijl in tal van andere landen en staten

de vrouwen thans kiesrecht en verkiesbaarheid bezitten voor een deel

dezer lichamen. In rapporten, die alle twee jaar, door de vrouwen aller

landen, op de congressen van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht

worden uitgebracht, in het boek "Vrouwenkiesrecht in de praktijk,"

door den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht dit jaar uitgegeven, in de

openbaar gemaakte uitingen van regeeringspersonen en mannen van naam

en beteekenis uit de landen waar vrouwenkiesrecht bestaat en in de

gepubliceerde feiten, vinden wij genoeg gegevens om de bovenstaande

vragen te kunnen beantwoorden. Wij behoeven gelukkig niet meer te

vreezen, dat met de invoering van vrouwenkiesrecht een sprong in het

duister wordt gedaan, wij behoeven niet meer angstvallig te vragen

"wat zal het vrouwenkiesrecht ons brengen," wij kunnen nu nagaan

"wat _heeft_ het vrouwenkiesrecht gebracht in de landen waar het

is ingevoerd."

Wel is waar kunnen wij uit de tot stand gekomen wetten in de

landen waar de vrouwen aan de wetgeving deelnemen, niet altijd

besluiten, dat zij een gevolg zijn van den arbeid der vrouwen,

omdat mannen en vrouwen beide aan de tot standkoming dier wetten

hebben medegewerkt; maar bij vergelijking met wat in andere landen

onder dezelfde omstandigheden tot wet werd verheven, uit de geuite

wenschen der vrouwen omtrent wetswijziging en uit de punten, die zij

op de politieke partijprogramma's hebben gebracht, is toch de invloed

op de wetgeving van de vrouwen, die over een stembiljet beschikken,

duidelijk genoeg na te gaan.

Laat mij beginnen met datgene te vermelden, waardoor de mannen hunne

meening omtrent de werking van vrouwenkiesrecht openlijk te kennen

gaven in die landen, waar de vrouwen reeds verschillende jaren het

kiesbiljet gebruiken. En dan moet bovenaan vermeld worden de daad

door het Parlement van de Vereenigde Staten van Australië verricht.

Op 17 November 1910 diende Senator Rea de volgende motie in dat

Parlement in: "Dat dit Parlement van meening is, dat het toekennen van

kiesrecht voor parlement en gemeenteraden aan de vrouwen van Australië,

de meest gunstige gevolgen heeft gehad. Dat het de rust en orde op

verkiezingsdagen zeer heeft bevorderd; dat het aantal stemmen door

vrouwen uitgebracht bij de laatst gehouden verkiezing voor leden van

het parlement percentsgewijs hooger was dan dat der mannen.

"Dat het vrouwenkiesrecht de wetgeving ten behoeve van vrouwen en

kinderen meer op den voorgrond heeft gebracht, doch dat daaruit niet

de gevolgtrekking mag getrokken worden, dat de vrouwen alleen aandacht

wijden aan deze zaken. Dat vrouwen in zaken, de landsverdediging en de

imperialistische politiek betreffende, even ruim denken als de mannen.

"Dat deze hervorming het land niets dan goeds heeft gebracht, terwijl

er zoovele slechte gevolgen van voorspeld waren en dat daarom bij alle

andere natiën, die een constitutioneelen regeeringsvorm bezitten,

er eerbiedig op wordt aangedrongen den vrouwen het stemrecht te

verleenen."

Verder werd er voorgesteld dat een afschrift van deze motie gezonden

zou worden naar den Eersten Minister van Engeland, om zoodoende het

Moederland in deze gewichtige zaak van advies te dienen.

In zijne toelichting zeide Senator Rea o. a. "dat nu de tijd voorbij

is, dat een vooruitstrevende natie kan volhouden, dat de vrouwen

minderwaardiger dan de mannen zijn." Op het argument "dat het

Australische parlement zich niet het recht mocht aanmatigen het

Moederland raad te geven," antwoordde hij "dat de Regeering van

Australië niet geaarzeld had zijn oordeel uit te spreken over het

Doggersbank-incident, over den Russisch-Japanschen oorlog, over

Home-rule voor Ierland en dat z.i. het vrouwenkiesrecht een even

gewichtig, zoo niet gewichtiger vraagstuk was, dan de genoemden. Door

de invoering van vrouwenkiesrecht wordt de weg tot vele sociale en

economische verbeteringen gebaand."

De tegenstanders van de motie gaven toe, dat door de invoering van

vrouwenkiesrecht veel goeds was tot stand gekomen, maar zij vonden

dit geen reden om het Moederland van ongevraagd advies te dienen. De

voorstanders waren evenwel van oordeel, dat in zulk een gewichtige

zaak de verkregen ervaring wel degelijk het geven van raad gebiedend

voorschreef. Ten slotte werd de motie met eene groote meerderheid

van stemmen aangenomen, terwijl de enkele tegenstemmers er prijs op

stelden, dat uitdrukkelijk werd vermeld, dat zij wel vóór de gunstige

resultaten van vrouwenkiesrecht gestemd hadden, doch er alleen tegen

waren, dat de gehouden bespreking aan de Engelsche regeering werd

medegedeeld.

De geheele motie met uitgebreide toelichting, werd toen aan Minister

Asquith getelegrapheerd, en door de pers openbaar gemaakt.

Een ander feit waarop wij kunnen wijzen, en dat niet minder getuigt

van de gunstige werking van vrouwenkiesrecht is: "dat in de Vereenigde

Staten van Amerika de Gouverneurs van die Staten, waar de vrouwen

het kiesrecht hebben, zich hebben vereenigd om de Gouverneurs van

andere Staten tot voorlichting te dienen, wanneer dit gewichtig

vraagstuk ook bij hen om oplossing vraagt." Van deze samenwerking der

Gouverneurs hebben de vrouwen reeds veel goeds ondervonden. Sedert

kan geen courant in Amerika meer onware berichten verspreiden omtrent

de werking van vrouwenkiesrecht, omdat dan onmiddellijk de Gouverneur

van dien Staat daarmede in kennis wordt gesteld en daardoor in staat

is met ware gegevens de onware berichten te logenstraffen.

En getuigt het niet ook van de goede werking van het vrouwenkiesrecht

in Noorwegen, dat de Regeering bij elk Congres, waarop dit vraagstuk

ter sprake komt, een of twee Regeeringsafgevaardigden zendt, die op

kosten van de regeering reizen en die komen met een opdracht van de

regeering om de ingenomenheid met de resultaten van vrouwenkiesrecht

aan de wereld kenbaar te maken? Maar sterker spreekt die ingenomenheid

met de resultaten, nu de regeering van Noorwegen in eene vergadering

in Juni l.l. met algemeene stemmen het besluit nam om de vrouwen, die

tot dien tijd nog slechts een beperkt kiesrecht voor het Parlement

bezaten, het volledig kiesrecht toe te kennen, toen een daartoe

strekkend voorstel, uitgaande van leden uit alle politieke partijen,

bij de regeering inkwam.

En in Finland? Meer dan boekdeelen vol theoretische beschouwingen

over het nut van vrouwenkiesrecht, zeggen de uitspraken van de

meest invloedrijke mannen uit Finland, die in de gelegenheid waren

de werkzaamheden van de vrouwen in het Finsche parlement van nabij

gade te slaan. Zij werden in brochurevorm op het Congres van den

Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht den afgevaardigden ter hand gesteld.

De voornaamsten zullen wij hier vertaald wedergeven.

Senator Mechelin, de man die in 1906 het vrouwenkiesrecht voor

Finland invoerde, na het eerst tegenover den Czaar van Rusland

verdedigd te hebben, werd in 1839 geboren. Van 1874 tot 1882 was hij

Professor in het Staatsrecht en Finantiewezen aan de Hoogeschool te

Helsingfors. Daarna ging hij in het politieke leven over en werd weldra

de leider van zijne politieke partijgenooten. Als zoodanig is hij nog

werkzaam. Hij schrijft: "Daar de vrouwelijke afgevaardigden in den

Landdag geen afzonderlijke afdeeling vormen, maar in de verschillende

afdeelingen met de mannen samenwerken, daarom kunnen wij over hen

geen collectief oordeel uitspreken. De grootste arbeid wordt in onzen

Landdag, even als in alle parlementen het geval is, in de commissies

en afdeelingen verricht. In alle commissies, waar de vrouwen tot

leden benoemd werden, hebben zij hare plaats op bevredigende wijze

ingenomen. Vooral was dit het geval in de Commissies voor de financiën,

de sociale hervormingen en voor de landbouwafdeeling. In de openbare

vergaderingen hebben niet alle vrouwenleden het woord gevoerd,

maar dit geldt toch ook voor vele mannen-leden, maar zij die aan

de openbare beraadslagingen deelnamen, deden dat met niet minder

welsprekendheid dan de mannen en toonden over dezelfde zaakkennis te

beschikken als hunne mannelijke collega's. Zoowel de uitingen der

vrouwelijke afgevaardigden, als ook de wetsvoorstellen die op haar

initiatief werden ingediend, bewijzen dat de vrouwen ten opzichte van

het algemeene welzijn aan de Volksvertegenwoordiging nieuwe krachten

hebben toegevoerd en dat zonder haar medewerking vele vraagstukken

door de mannen niet naar behooren overwogen zouden zijn geworden.

Onder de hervormingen, die door de vrouwen in den Landdag tot

stand zijn gekomen, moeten de volgende in de eerste plaats

genoemd worden: "hervorming van het huwelijksgoederenrecht,

verbetering van de rechtspositie van het onechtelijk geboren kind,

moederschapsverzekering, invoering van vrouwelijke inspectrices

van gezondheid, regeeringsbijstand aan vereenigingen die werken

tot verbetering der zeden, uitbreiding van den arbeid der vrouw in

staatsdienst etc.

De genoemde voorbeelden toonen aan, dat de vrouwen zich bij voorkeur

bewegen in de sfeer, waarin de vrouw dieper inzicht heeft dan de

man. Dat noem ik geen feminisme, want de voorgeslagen maatregelen waren

steeds ten algemeenen nutte. In politieke vraagstukken, welke tot

partij-strijd aanleiding geven, heeft zich nooit eene afzonderlijke

vrouwenmeening doen gelden. In het partijleven staan de mannen en

vrouwen bij ons solidair.

De vrouwelijke en mannelijke afgevaardigden werken als goede kameraden

samen, nooit is het voorgekomen dat een vrouwelijke afgevaardigde over

gebrek aan beleefdheid van hare mannelijke collega te klagen heeft

gehad. Op de verhouding in het gezin en in het sociale leven heeft

de politieke ontvoogding der vrouw geen ongunstigen invloed gehad,

veeleer is het tegendeel waar. Het ligt toch in den aard van de zaak

dat gelijkstelling, eenen gunstigen en veredelenden invloed op de

menschen tegenover elkander uitoefenen moet. _En dat de uitoefening

van het kiesrecht op het gezinsleven en op de plichtsvervulling der

vrouw als moeder ongunstig zou werken, is een hersenschim van zwakke

mannen, die vreezen hunne traditioneele autoriteit te verliezen._ [3]

Wij in Finland hebben geen reden over de invoering van vrouwenkiesrecht

te klagen. In de moeilijke tijden, waarin door het telkens ingrijpen

der Russische regeering onze zelfstandigheid wordt bedreigd en het

werk van den Landdag wordt verlamd is eene verheffing en versterking

van het solidariteitsgevoel der geheele natie, waartoe de politieke

gelijkstelling van man en vrouw heeft bijgedragen, niet hoog genoeg

te waardeeren!"

w.g. L. Mechelin.

Helsingfors, 18 Jan. 1913.

Theodolf Rein, vroeger Professor in de Philosophie aan de Universiteit

te Helsingfors, later lid van den Landdag en thans wethouder van de

stad Helsingfors, schrijft: "Sedert de invoering van vrouwenkiesrecht

in 1906 is er tijd genoeg verloopen om een op ervaring gegrond

oordeel over de werking er van te kunnen uitspreken. Ik koester de

overtuiging, die ook wel de gangbare in heel Finland is, dat deze

hervorming, welke mondige medeburgers van beiderlei geslacht gelijke

politieke rechten verleende, het land geen schade gebracht heeft,

al is ook het positieve nut voor de geheele gemeenschap niet altijd

duidelijk aantoonbaar. Dit laatste voor een deel het gevolg van de

ongunstige politieke verhoudingen waarin wij leven. De vrees, dat de

deelneming aan het politieke leven de vrouw minder geschikt zou maken

voor haar werkkring als vrouw en moeder, is bij ons niet bewaarheid

geworden. Inderdaad is het toch slechts een gering aantal dat een

werkzaam aandeel neemt aan het politieke leven en van deze zijn de

meesten ongehuwd of bezitten geen kinderen. De meeste vrouwen nemen

aan het politieke leven slechts bij de verkiezingen deel, door eens

in de drie jaar haar stembiljet in de bus te werpen. Daardoor wordt

niet zooveel tijd in beslag genomen, dat er een of andere plicht door

verzuimd moet worden. Het is toch ook niet aan te nemen dat deelneming

aan de verkiezingen de belangstelling in eigen private aangelegenheden

zou verzwakken. Dat vrouwen trachten zich de noodige kennis te

verschaffen tot eene goede uitoefening van hare nieuwe rechten, kan

toch niet anders dan gunstig werken. Daardoor is bij de vrouwen een

grooter belangstelling gewekt voor het algemeene welzijn, is haar

algemeene kennis verrijkt en grooter verantwoordelijkheidsgevoel

ontstaan voor maatschappelijke toestanden. Vrouwen die kinderen op

te voeden hebben, zijn daardoor beter in staat de opgroeiende jeugd

liefde voor land en volk in te prenten en het plichtsgevoel als

burgers bij te brengen. Doch ook voor de verhouding in het huwelijk

is de vergrooting van den gezichtskring der vrouw een winst geweest.

Vrouwelijke afgevaardigden zijn nog niet talrijk, maar velen

hebben zich reeds door verstand en zakenkennis een grooten naam

gemaakt. Dooreen genomen hebben de vrouwen-afgevaardigden zich in

den Landdag niet zooveel doen hooren als de mannelijke collega's,

doch hieruit mag niet geconcludeerd worden dat zij minder goed werk

hebben geleverd. Sedert 1905 tot 1912 hebben de vrouwen, eensdeels

gezamenlijk, anderdeels met mannen, moties en wetsvoorstellen

ingediend, die van groote algemeene beteekenis zijn, ook al hebben zij

de belangen der vrouwen in de eerste plaats op het oog gehad. Daaronder

zijn: Verhooging van den verantwoordelijkheidsleeftijd der meisjes,

veranderingen in het huwelijksgoederenrecht, afschaffing van de

voogdij van den gehuwden man over zijne vrouw, moederschapsverzekering,

verbetering van den rechtstoestand van het onechtelijk geboren kind,

vergrooting van den werkkring der vrouw in staatsdienst, oprichting van

staats-huishoudscholen, maatregelen tegen drankmisbruik, verbeteringen

in het gevangeniswezen, invoering van vrouwelijke inspectrices voor het

gezondheidswezen enz. Daarbij komen nog wetsontwerpen op het gebied

van communaal recht, van algemeenen leerplicht, van uitbreiding van

het spoorwegnet, van verbetering der rechtspositie der Joden enz. Een

deel dezer wetsontwerpen zijn reeds aangenomen, een ander deel is

nog in behandeling.

De deelneming der vrouwen aan het politieke leven heeft den politieken

partijstrijd niet verscherpt, veeleer getemperd. De vrouwen hebben

geen eigen politieke partij gevormd, doch zijn tot de bestaande

politieke partijen toegetreden. Daardoor zijn de verhoudingen der

verschillende partijen vrijwel gelijk gebleven en is in geen partij

eene verandering ten goeden of ten kwaden ontstaan.

Ten slotte staat thans de vrouw ten opzichte van de groote levensvraag

van ons land aan de zijde van den man met een helderder bewustzijn

en vaster besluit om gezamenlijk met hem het goed recht van het land

te verdedigen dan zij dat in haar vroeger rechtlooze positie heeft

kunnen doen."

w. g. Th. Rein 18/1, 1913.

Op nagenoeg dezelfde gronden verklaarden nog de volgende mannen van

beteekenis in Finland zich ingenomen met het bestaande vrouwenkiesrecht

in hun land en alleen daar, waar zij iets aan het voorgaande hebben

toe te voegen, zal ik hen citeeren. 1º Rechter P. E. Svinhufvud,

2º Doctor en Lid van den Landdag A. Neovius, een bekend uitgever,

die o. m. zegt: "dat het gemiddelde niveau van het intellect der

vrouwen-kiezers nergens lager, veeleer hooger staat dan dat der

mannen. En in den Landdag staan de vrouwen in bekwaamheid niet achter

bij de mannen," 3º Jonkheer V. A. von Born, groot-grondbezitter en

politicus. 4º Ernst Estlander, professor in de geschiedenis van het

Recht aan de Universiteit van Helsingfors en lid van den Landdag. Hij

zegt o. a. "De medewerking der vrouwen aan het werk in den Landdag

heeft nooit moeilijkheden opgeleverd, maar wel heeft het in de

Volksvertegenwoordiging nieuwe ervaring en andere zaakkennis aan het

licht gebracht op sociaal en humanitair gebied." 5º Ook Professor Wrede

spreekt zich ongeveer in den geest van den te voren genoemde uit. 6º

Jonkheer Palmen, ook een professor en afgevaardigde in den Landdag

schrijft o. a. "Voor het overige hangt toch de bekwaamheid van den

persoon van den afgevaardigde af. Enkele vrouwelijke afgevaardigden

hebben zich ontegenzeggelijk, hoe onervaren zij ook in het politieke

leven traden, als zulke bekwame personen doen kennen, dat zij

boven hunne mannelijke collega's uitsteken, even als voor een halve

eeuw de eerste vrouwelijke studenten aan onze Universiteiten zich

wisten te verheffen boven het gemiddelde niveau hunner mannelijke

medestudenten." 7º Dr. Axel Lille, hoofdredacteur van het politieke

Dagblad "Nya Pressen". 8º Rector V. T. Rosenqvist, aan het hoofd van

het Staatsgymnasium voor jongens. 9º Professor C. G. Swan, uitgever

van een ander politiek blad. 10º Professor Ossian Asschan en anderen

laten zich allen in ongeveer dezelfde termen uit. De laatste eindigt

zijn lang artikel met de volgende ontboezemingen: "Onze moeders,

vrouwen en zusters hebben op grond van ervaring het volle recht zich

als rijp te beschouwen voor de uitoefening van politieke rechten. Dit

geldt zoowel voor de vrouwen uit de hoogere standen als voor die uit

het volk. Alle in het buitenland rondgestrooide geruchten, dat de

politieke ontvoogding der vrouwen haar onbekwaam heeft gemaakt voor

de uitoefening van hare huismoederlijke plichten, berust op slechte

voorlichting of opzettelijk valsche voorstelling der feiten."

Alvorens van Finland af te stappen is het goed ook nog even een der

vrouwen van dit land, welke daar een invloedrijke positie inneemt en

ook in ons land bekend is, aan het woord te laten. Het is Vera Hjelt,

de bekende fabrieksinspectrice, die van den wetgevenden arbeid der

vrouwen in Finland, gedurende de jaren 1907-1911, een uittreksel

heeft gemaakt en dit werk, ten behoeve van de vrouwen in andere

landen, gepubliceerd heeft. Zij geeft een volledige reeks van alle

wetsvoorstellen door de vrouwen in die jaren ingediend, een reeks die

meer dan dubbel zoo groot is dan die door de heeren Mechelin en Rein

opgesomd. Ik zal er alleen van noemen die hier nog niet bij de namen

der genoemde heeren voorkomen. Zij zijn: moeders en vaders gelijk

recht te geven over hare kinderen; de oprichting van te-huizen voor

verlaten moeders en kinderen; verhoogde strafbaarheid voor prostitutie

en verminderde strafbaarheid voor kindermoord; uitbreiding van

de wetten tot bescherming van kinderen; de verplichting van elken

gemeenteraad te zorgen dat er in elk dorp goede vroedvrouwen zijn:

een goede dienstbodenwet; hervorming van het gevangeniswezen, met de

verplichting dat elke gevangene een vak moet leeren; tusschenkomst van

de plaatselijke autoriteiten bij moeilijkheden tusschen werklieden en

werkgevers; oprichting van bureaux voor sociale adviezen; leerplicht;

verbod van verkoop van alkohol in het klein; staats-inrichtingen

voor drankzuchtigen; wetten die het vereenigingsleven regelen;

een voorstel om het Ministerie van Justitie om te zetten in een

onafhankelijk Hoog Gerechtshof.

Vera Hjelt zegt, dat niettegenstaande zooveel ijver er toch nog

weinig van al deze wetten is tot stand gebracht. Dit is echter een

gevolg van den ongunstigen toestand waarin Finland verkeert. In die

paar jaar tijds dwong Rusland het land vier keer tot ontbinding van

den Landdag, omdat de daarin behandelde en aangenomen zaken niet in

den smaak van Rusland vielen. Alle reeds behandelde en aangenomen

wetten werden daarbij weder van onwaarde verklaard. De contrôle door

het Russische gouvernement op den Landdag van Finland uitgeoefend,

verlamt daar elken vruchtbaren arbeid.

Verder merkt ook Vera Hjelt op, dat door het vrouwenkiesrecht

nergens ongenoegen in de gezinnen ontstond. Zij schrijft: "Om u

te overtuigen hoe ongegrond deze vrees is, behoeft men slechts te

zien hoe in verkiezingsdagen meestal man en vrouw te zamen, of man,

vrouw en volwassen kinderen gezamenlijk naar de stembus gaan. Als

regel behooren man en vrouw tot dezelfde politieke partij, maar er

zijn toch ook uitzonderingen, en daar hoorde men nooit dat dit tot

onaangenaamheden aanleiding geeft."

Vrouwenkiesrecht · 第 5 / 7 段