Het stembiljet zonder meer zou niet bij machte zijn dat nieuwe,

opgewekte leven te brengen. Maar wel datgene wat het kiesrecht

noodzakelijk in zijn gevolgen _moet_ medevoeren, en wat wij alom zien

dat het telkenmale gebracht heeft aan die categorieën van mannen,

die bij eene uitbreiding van het kiesrecht in het bezit kwamen van

politieke rechten, en dat zich uit in een zich bewust worden van zijn

rechten en plichten als staatsburger, in verhoogden gemeenschapszin,

in meerdere geestelijke ontwikkeling en ten slotte in de behoefte om al

deze nieuw verworven eigenschappen om te zetten in daden ten behoeve

van het gemeenschappelijk belang. Onze tegenwoordige maatschappij

gaat gebukt onder een te kort aan geestelijke werkkracht, zij lijdt

aan een ontbreken van den noodigen gemeenschapszin, om haar zedelijk

te verheffen en innerlijk gezonder en krachtiger te maken. Door aan

de vrouwen het kiesrecht te verleenen en haar zoodoende meer in het

gemeenschapswerk te betrekken, kan men voor een zeer groot deel in

dit te kort voorzien.

HOOFDSTUK V.

DE BEZWAREN TEGEN VROUWENKIESRECHT WEERLEGD.

Het kan niemand verwonderen, dat terstond toen het denkbeeld

vrouwenkiesrecht voor het eerst werd geopperd, ook bergen van bezwaren

daartegen werden aangevoerd, of, eigenlijk niet terstond. Zelfs

voor het opperen van bezwaren achtte men in den beginne de zaak te

dwaas. Men vergenoegde zich met de schouders op te halen en te lachen

om dergelijke dwaze denkbeelden.

Een vrouw die aan politiek zou doen!

Maar daar heeft een vrouw immers geen verstand van! Doch door het

lachen heen klonk daar al het eerste bezwaar: een vrouw heeft geen

verstand van politiek. Men vergat daarbij te bedenken, dat ook de

man niet als politicus wordt geboren; voedde men het meisje evenals

den jongen man op tot staatsburger(es), zij zou evengoed verstand

krijgen van politiek, zooals zij thans ook wel verstand krijgt van

talen, van boekhouden, van geschiedenis enz. enz., zaken die men haar

vroeger evenmin leerde "omdat zij een meisje was."

Nu ja, zoo redeneert men, natuurlijk kan een vrouw leeren, evenals een

man en zij kan het soms heel ver brengen. Maar dooreengenomen is de

vrouw toch intellectueel beneden den man gebleven. De man heeft steeds

meer gepresteerd op het gebied van wetenschap en kunst. De mannen zijn

het geweest die de maatschappij vooruit geholpen hebben; zij hebben

richting gegeven aan het denken der massa, zij zijn het, die de groote

uitvindingen deden, aan hen hebben wij de groote schatten te danken

op het gebied van muziek, van litteratuur, van beeldende kunsten. De

mannen hebben de geschiedenis gemaakt, niet de vrouwen. Daarom moeten

de mannen de wetten maken en de leiding in handen houden.

Onlogisch als deze redeneering is, dient zij echter tòch in het kort

even te worden bestreden, om de eenvoudige reden, dat zelfs verstandige

en geletterde menschen er nog heden ten dage mede aankomen.

Dat tot op heden de vrouw veel minder presteerde dan de man op het

gebied van wetenschap en kunst, dat er oneindig veel meer groote

mannen dan groote vrouwen zijn geweest, zij grif toegegeven. Hoe zou

dit echter anders kunnen, waar tot voor korten tijd beide geslachten

onder zoo ongelijke bedeeling leefden, wat betreft de gelegenheid

om onderwijs te ontvangen en zich te ontwikkelen? Dat er desondanks

door alle eeuwen heen vrouwen zijn geweest die zich door bijzondere

geestesgaven of talenten hebben weten te verheffen boven haar

tijdgenooten en tot op heden beroemd bleven, mag veeleer verwondering

wekken. Eerst als gedurende vele jaren de ontwikkelingsvoorwaarden

voor beide sexen gelijk zijn geweest, kan de balans worden opgemaakt

en bepaald, aan welke zijde men het grootste intellect heeft gevonden.

Doch zelfs al viel de balans dan geheel en al ten nadeele van het

vrouwelijk geslacht uit, zoo zou dit allerminst een reden kunnen zijn

om aan de vrouw het kiesrecht te onthouden. Immers ook aan den man

wordt geen enkele maatstaf van intellectueele ontwikkeling aangelegd

om hem tot kiezer te maken. Moge onder de vigeerende kieswet het feit

dat men eenig examen heeft afgelegd één der voorwaarden zijn waardoor

men aanspraak kan maken om op de kiezerslijst te worden gebracht,

aan den anderen kant kan een mannelijke analphabeet hetzelfde

voorrecht deelachtig worden, mits hij maar het aangewezen minimum

loon verdient, of aan een der andere, met intellect allerminst

verband houdende eischen voldoet, die indertijd werden uitgedacht

om iemand tot kiezer te maken. Evenmin eischt het zwartmaken van

het balletje achter den naam van den gewenschten candidaat eenige

bijzondere geestesontwikkeling.

"Maar de vrouw is te goed voor de politiek," zegt de galante man;

het zou zonde wezen een zoo idyllisch wezen te besmetten met al het

minderwaardige en verderfelijke dat nu eenmaal onafscheidelijk aan

alle politiek gedoe is verbonden, daar staat de vrouw te hoog voor.

Wij zouden de vraag kunnen stellen, of door de medewerking der vrouwen

ook veel leelijks, wat menigmaal aan de politiek is verbonden, zou

kunnen verdwijnen, of althans verminderen; doch men mocht ons eens van

te groot idealisme beschuldigen. Evenwel zou de kans op een zuiverder,

eerlijker politiek leven allicht grooter worden, wanneer naast de

beste mannen, de beste vrouwen aan wetgeving en regeering zouden kunnen

deelnemen. Doch vanwaar overigens die vrees om de vrouw z.g. vuil werk

te laten doen, onder voorwendsel dat zij er te goed voor is? Acht men

de vrouw te goed voor zwaren lichamelijken arbeid? Bespaart men haar

als verpleegster der menschelijke ellende naar lichaam en geest die

in de ziekenhuizen of op het slagveld te aanschouwen valt? Acht men

haar te goed om slecht betaalden nachtarbeid te verrichten indien dit

maar in het voordeel is van den werkgever? (Denk aan kellnerinnen in

nachtkroegen). En heeft de vrouw zich ooit--óók in de huishouding--het

moeielijke en het vuile werk van den hals geschoven, indien zij wist

dat het in het belang van anderen gedaan _moest_ worden? Ook dit

argument kan men gerust laten varen.

Dat de vrouw te veel gevoelsmensch zou zijn, iets wat óók als argument

tegen vrouwenkiesrecht wordt aangevoerd, is nimmer bewezen en indien

het zoo ware, zou het nog geen argument zijn. Want indien het waar is,

dat bij de mannen het verstand domineert, dan zou dit juist een reden

zijn om het vrouwelijk gevoel naast het mannelijk verstand te laten

werken in het bestuur van stad en staat. Wat met het verstand alléén

geregeld wordt, is dor en liefdeloos; het gevoel brengt leven en

warmte aan, dus behooren deze twee eigenschappen elkaar aan te vullen.

Dan is daar nog het stokpaardje van den dienstplicht. Meent niet

dat dit beestje te oud is, om nog van stal gehaald te worden;

zelfs in den tegenwoordigen tijd hoort men beweren dat de vrouw,

indien zij het kiesrecht wil bezitten, dan óók maar soldaat

moet worden. Alsof kiesrecht ooit eenig verband had gehouden

met dienstplicht! Integendeel; toen het kiesrecht nog enkel werd

uitgeoefend door de welgestelden in den lande, waren het juist

de _niet_-kiezers die hun dienstplicht vervulden. Immers, wie het

betalen kon, kocht zich een remplaçant. En ook thans ontneemt men

het kiesrecht niet aan degenen die hun dienstplicht niet vervullen,

anders zouden zij die voor theoloog studeeren, de afgekeurden,

degenen die vrijloten, kortom allen die buiten de militie vallen,

het stembiljet moeten derven. Is het er echter om te doen, dat wie

zijn volle burgerschapsrechten wil bezitten ook gedwongen moet kunnen

worden om gedurende één of twee jaar gemeenschapsdienst te verrichten,

dan zullen de vrouwen zeker niet achter blijven. Doch zij zouden

dan ook op echt _vrouwelijke_ wijze aan dien plicht kunnen voldoen,

en diensten bewijzen bij de verpleging van burgers en soldaten, bij

kinderverzorging, in de huishouding van rijksinrichtingen, enz. enz.

Het is te begrijpen, dat voor de gehuwde vrouw nog enkele afzonderlijke

bezwaren worden te berde gebracht. Dat de gehuwde vrouw op voldoende

wijze door haar echtgenoot zou worden vertegenwoordigd, is reeds

in een der vorige hoofdstukken weerlegd; thans kan dit argument dus

buiten bespreking blijven.

Een ander bezwaar is dit, dat de vrouw geen tijd zou hebben; immers

haar gezin eischt al haar krachten. Gaat de vrouw mee-kiezen, dan

wordt zij uithuizig; zij verwaarloost dan haar kinderen en verzuimt

haar huishoudelijke plichten. Welke wonderlijke denkbeelden heeft men

toch omtrent het wezen der vrouw. Zou de uitoefening van het kiesrecht

en al wat daarmee verband houdt, nu werkelijk zóóveel beslag op haar

tijd leggen, zóó haar denken en haar geheele wezen vervullen, dat

zij alle andere plichten daarvoor zou moeten verzuimen? De mannen

hebben toch immers óók hun betrekking, hun beroep, hun zaken,

en nog nimmer is gebleken dat zij die niet konden behartigen en

daarbij tòch hun kiesplicht naar behooren waarnemen. Wij moeten

dus aannemen, dat men veronderstelt dat de vrouw zich in meerdere

mate van haar werk zal laten aftrekken. Doch dan rijst de vraag,

besteedt de vrouw dan nu werkelijk al haar tijd aan huishouding

en kinderen? De arbeidersvrouw moet in vele gevallen mee den kost

verdienen; de vrouw uit den kleinen burgerstand helpt mee in winkel

of zaak. En de welgestelde vrouw? Denkt men er ooit over haar kwalijk

te nemen dat zij uit wandelen gaat, theevisites ontvangt, schouwburg

en concerten bezoekt? Toch onttrekt zij de daarvoor benoodigden

tijd evengoed aan haar gezin; wat voor kwaad zou er dan in steken,

wanneer óók een avond nu en dan wordt besteed aan het bijwonen van

een vergadering, of wanneer de romanlectuur eens wordt afgewisseld

met wat degelijker kost in tijdschrift of courant?

Dan is daar nog het schrikbeeld, dat er twist zal ontstaan in de

gezinnen wanneer man en vrouw beiden het kiesrecht bezitten, en zij

van politiek inzicht verschillen. Ook dit argument kan gerust bij de

vorige worden opgeborgen, als zijnde van onwaarde. Men bedenke toch dat

er over zooveel andere zaken als de politiek verschil van meening kan

bestaan tusschen echtgenooten; er kan verschil in godsdienst zijn,

over de opvoeding der kinderen kunnen vader en moeder het oneens

zijn, en over nog heel wat andere zaken meer. Ontstaat daarover dan

ook steeds twist, of leert men niet elkanders meening eerbiedigen,

of tracht tot overeenstemming te komen? Wanneer de vrouw door middel

van het stembiljet eigen inzicht kan doen gelden, zal dit zelfs in

zeer vele gevallen een aanleiding tot oneenigheid wegnemen.

Een bezwaar dat haast het tegenovergestelde van het voorgaande zou

kunnen worden genoemd, is dit: dat het geven van kiesrecht aan de

gehuwde vrouw hierop zou neerkomen, dat de man dan 2 stemmen had. Uit

dit argument blijkt weer hoezeer is vastgeroest de meening, dat de

gehuwde vrouw geheel opgaat in haar echtgenoot en eigen persoonlijkheid

prijsgeeft. Het gaat toch niet aan om voor twee zelfstandige, denkende

wezens maar willekeurig te bepalen: "omdat gij waarschijnlijk over

politiek beleid dezelfde meening zijt toegedaan, is het voldoende dat

één uwer die meening tot uiting brengt, anders hebt gij een dubbele

stem." Wonderlijk toch, dat daarbij dan als vanzelf sprekend de vrouw

wordt geëlimineerd! Maar bovendien: in de meeste gezinnen zullen de

denkbeelden van vader en van de volwassen inwonende zoons óók parallel

loopen; doch die zoons zal men om die reden het kiesrecht niet willen

ontnemen. Zelfs de voorstanders van het z.g. gezinshoofden-kiesrecht

zitten met deze aangelegenheid in de war en zoeken naar middelen om

aan het euvel te ontkomen, dat vele volwassen jonge mannen door hun

systeem het kiesrecht zouden moeten verliezen.

Weer anderen begrijpen niet, hoe de vrouw zoo op het kiesrecht

kan gesteld zijn om haar invloed te vergrooten; deze is immers al

groot genoeg en door alle eeuwen heen is hij zelfs in de staatkunde

merkbaar geweest?

Ongetwijfeld heeft die invloed bestaan, doch het zijn juist de

om kiesrecht vragende vrouwen die daar een eind aan willen maken,

omdat zij hem verderfelijk achten. Niet natuurlijk den vrouwelijken

invloed op zich zelf beschouwd, maar wel den invloed, die niet wordt

beheerscht door een diep besef van verantwoordelijkheid. En bij alle

macht die de vrouwen indirect hebben uitgeoefend, óók op de staatkunde,

is dat verantwoordelijkheidsgevoel ver te zoeken geweest. Die vrouwen

wilden haar zin doordrijven, menigmaal uit puur eigenbelang. Men

hield haar buiten alle ernstige vraagstukken, waardoor zij niet konden

handelen met oordeel des onderscheids, doch wilde wel als het zoo te

pas kwam van haar hulp en van haar macht over den man gebruik maken,

om eigen inzicht te doen zegevieren of zichzelf te bevoordeelen. Een

dergelijk uitoefenen van niet door een gevoel van verantwoordelijkheid

gelouterden en gecontroleerden invloed is verderfelijk voor het

algemeen belang, maar tevens vernederend, zoowel voor de vrouw die

hem aanwendt, als voor den man die hem ondergaat. Het kiesbiljet

daarentegen zal aan de vrouw het recht verschaffen zich openlijk en

langs directen weg met de publieke zaak te bemoeien; doch juist door

dit openlijk handelen, zal zij zich verantwoordelijk weten voor haar

doen en laten, wat wederom meebrengt zelfcontrôle en nadenken.

Nu kunnen wij nog niet van deze algemeene en primitieve bezwaren

afstappen, zonder even te weerleggen de bewering, dat de vrouw door

zich met politiek te bemoeien haar specifiek vrouwelijke eigenschappen

zou verliezen. Alweder is dit argument haast te absurd om het te

bespreken; doch wij willen zoo volledig mogelijk zijn.

Wat zou het inderdaad treurig gesteld zijn met die vrouwelijke

eigenschappen als zij al reeds door de uitoefening van het kiesrecht

konden verdwijnen. In werkelijkheid loopen zij veel meer gevaar in

den hoek geduwd te worden door den harden strijd om het bestaan,

dien de vrouwen in den tegenwoordigen tijd gedwongen zijn te voeren,

een strijd, die haar door het gemis van politieke rechten zoo oneindig

veel zwaarder wordt gemaakt. Hoe zou het overigens ooit onvrouwelijk

kunnen zijn, belang te stellen in alles wat het algemeen welzijn

betreft, en de taak die men in het huisgezin volbrengt ten behoeve

van de huisgenooten, uit te breiden tot grooter kring?

Het voorafgaande zou men kunnen noemen de primitieve bezwaren, in dien

zin, dat zij voornamelijk in de allereerste tijden van de beweging

voor vrouwenkiesrecht werden genoemd, terwijl zij nu zoetjes aan

op den achtergrond raken, althans niet meer tellen bij menschen die

onbevooroordeeld de zaken beschouwen. Al kan men, wat de behandelde

argumenten betreft, dan ook thans voor een goed deel spreken van een

overwonnen standpunt, zoo moesten toch deze primitieve bezwaren ter

sprake gebracht, omdat men ze nog steeds hoort opperen in sommige

kringen waar de denkbeelden over vrouwenkiesrecht voor het eerst hun

intrede doen.

Hoe staat het echter met degenen voor wie alle tot dusverre genoemde

bezwaren niet meer bestaan en die zich in beginsel voorstanders noemen

van de invoering van vrouwenkiesrecht? In die kringen worden weer

andere moeielijkheden geopperd en deze zullen opnieuw door de vrouwen

moeten worden overwonnen, vóór haar zonder aarzelen het stembiljet

in handen zal worden gegeven.

Laten we dan beginnen met een paar argumenten te noemen die zoo

ongeveer tegen elkaar opwegen en daardoor hun kracht van zelf

verliezen.

Het is gevaarlijk om aan de vrouwen het kiesrecht te geven zegt

de eene partij, want zij staan veel meer dan de mannen onder den

invloed van de geestelijkheid; het conservatisme zou dan in ons

land hoogtij vieren. Als de vrouwen het kiesrecht krijgen, zullen de

sociaal-democraten te veel aan invloed winnen, zegt de andere, wij

zouden dan veel te veel naar links opschuiven. Beide bezwaren heffen

elkaar dus op. Het zijn echter alleen denkbeeldige bezwaren, want

in landen waar vrouwenkiesrecht bestaat, heeft de uitkomst bewezen,

dat er in de verhouding der politieke partijen geen noemenswaardige

verandering is gekomen.

Doch hoe dit ook zij, men vraagt toch ook bij de uitbreiding van

het mannenkiesrecht niet eerst hoe de nieuwe groep kiezers stemmen

zal? De groote Engelsche staatsman Gladstone noemde het een zondigen

tegen grondbeginselen om eerst na te gaan hoe een groep zal stemmen,

alvorens men haar het kiesrecht verleent. Moet deze uitspraak niet

evenzeer gelden waar het vrouwen betreft?

Maar de vrouwen zijn onverschillig voor het kiesrecht, zij begeeren

het niet, zegt weer een ander. Minister Heemskerk ging zelfs zoo ver

om te verklaren dat hij de vrouwen die om kiesrecht vragen niet zag;

de vrouwen zijn stil in ons land, zeide hij. Wonderlijke uitspraak

inderdaad van een minister, onder wiens regeering twee groote

volkspetitionnementen ten gunste van de invoering van algemeen

kiesrecht voor mannen en vrouwen werden ingediend, waarop ver over

de honderdduizend handteekeningen van vrouwen voorkwamen. En dat

geschiedde in een land, waar ruim 20.000 vrouwen in twee groote

corporaties die voor de invoering van vrouwenkiesrecht strijden,

vereenigd zijn, waarvan ééne, de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht,

alleen meer dan 16000 leden telt, een schare, die nog met

ettelijke duizendtallen zou vergroot worden, wanneer alle vrouwen

die het kiesrecht begeeren, zich bij die vereenigingen hadden

aangesloten. Geen enkele politieke partij in ons land telt zooveel

leden als het gezamenlijk aantal strijdsters voor vrouwenkiesrecht

bedraagt; indien die 20.000 vrouwen dan ook kiezers waren geweest,

geen twijfel, of minister Heemskerk zou hen wèl hebben gezien!

Verder mag nog wel gewezen worden op de groote meeting die 4 Mei 1913

in den Haag was belegd door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht,

om te protesteeren tegen de kiesrechtparagraaf in de voorstellen tot

grondwetsherziening, door het ministerie Heemskerk ingediend. Genoemde

meeting was bezocht door 3 à 4000 personen, waaronder vrouwen uit alle

streken van ons land, die zich veel moeite en kosten hadden getroost

om tegenwoordig te kunnen zijn.

Een ander staaltje, dat getuigt van de belangstelling der vrouwen

in de publieke zaak is dit, dat, toen onder het ministerie Heemskerk

wetsvoorstellen tot wijziging van de Tariefwet werden ingediend, onder

de vrouwen in ons land eene spontane beweging ontstond om de Tweede

Kamer te verzoeken dat wetsontwerp niet aan te nemen. Een adres in

dien geest, dat circuleerde in alle plaatsen van eenige beteekenis

in ons land, werd in korten tijd door 94.000 vrouwen geteekend.

Dit zijn alle verschijnselen die wijzen op het tegendeel van

onverschilligheid. Dat deze nog in sommige kringen van vrouwen bestaat,

mag men gerust op rekening schrijven van het feit, dat tot dusverre

de vrouwen zijn opgevoed in het begrip, dat politiek en kiesrecht

zaken zijn die buiten de vrouwelijke sfeer liggen; nu de publieke

meening in dezen begint te veranderen, zal ook die overgebleven

onverschilligheid met toenemenden spoed verdwijnen. Wel merkwaardig

is het, dat die onverschilligheid voor het kiesrecht ook bestond

bij de arbeiders, toen de beweging voor algemeen kiesrecht voor

het eerst tot uiting kwam. De arbeiderspartijen klaagden daarover

tijdens de grondwetsherziening van 1887. Niet veel beter was het,

toen in 1893 de kieswet-Tak in behandeling kwam; doch terecht vonden

de voorstanders van algemeen kiesrecht het feit dat nog niet alle

arbeiders het begeerden, geen reden om hun strijd te verslappen,

omdat zij wisten dat het bezit van het stembiljet voor den man uit

het volk van onschatbare waarde zou zijn. Het is dan ook goed, en

volkomen verklaarbaar, dat de voorstanders van vrouwenkiesrecht zich

op hetzelfde standpunt plaatsen.

Weer anderen komen met het bezwaar aandragen dat het gros der vrouwen

nog niet rijp zou zijn voor het kiesrecht. Wat is natuurlijker dan

dat wij daar tegenover de vraag stellen, of alle mannen daar dan

wél rijp voor zijn? Niemand voorzeker zou deze vraag bevestigend

durven beantwoorden; de onrijpe mannen worden evengoed gevonden,

en wel in alle kringen der samenleving. Maar zooals ieder weet,

ontbreekt het in de verkiezingsdagen allerminst aan de noodige

voorlichting. Groote en kleine pers bespreken de zaken en de

candidaten dag in, dag uit; er worden vergaderingen gehouden, waarop

de candidaten hun standpunt uiteenzetten en er zijn kiesvereenigingen

die bij de keuze der volksvertegenwoordiging de organisatie en de

leiding op zich nemen. Hebben de vrouwen het kiesrecht verkregen, dan

kunnen zij dus van diezelfde gelegenheden tot voorlichting gebruik

maken. Overigens zal van verschillende zijden wel getracht worden,

den vrouwen de noodige politieke kennis bij te brengen. Immers,

wanneer de vrouw kiezeres is geworden, d.w.z. iemand die een woordje

mee mag spreken en met wie dus rekening dient te worden gehouden,

dan hebben verschillende partijen en personen er belang bij haar voor

zich te winnen; alleen reeds om die reden zal zij gedwongen worden

kennis te nemen van de zaken van den dag.

Maar men behoeft zich over die beweerde onrijpheid van de vrouwen

niet bezorgd te maken. Reeds gedurende 20 jaar is er hier te lande op

krachtige wijze propaganda gemaakt voor vrouwenkiesrecht. Men deed

dit op verschillende wijze; maar de kern van die propaganda bestond

toch steeds hierin, dat men de vrouwen bekend maakte met wetten en

wettelijke toestanden, met de inrichting van den Staat en de werking

van de regeermachine. De vereenigingen die voor vrouwenkiesrecht werken

(de Vereeniging v. Vrouwenkiesrecht doet dit sedert 1894; de Ned. Bond

v. Vrouwenkiesrecht sedert 1907) hebben in hare talrijke afdeelingen

evenzoo vele middelpunten van waaruit kennis onder de vrouwen wordt

verspreid. Er worden daar cursussen gehouden, debating-clubs opgericht,

in huishoudelijke vergaderingen worden de partij-programma's besproken,

in openbare bijeenkomsten worden door bekwame spreeksters en sprekers

sociale en politieke vraagstukken behandeld, terwijl lectuur over

dit alles met ruime hand wordt verspreid of op gemakkelijke wijze

verkrijgbaar gesteld. [2] Bovendien worden door het zitting nemen in de

besturen tal van vrouwen practisch geoefend in het vereenigingsleven,

waardoor een groot aantal geschoolde krachten ontstaat. Door op deze

wijze te werken hebben de vrouwen elkander reeds gedurende tal van

jaren opgevoed voor de taak die haar onvermijdelijk eenmaal wacht. Het

is dus niet te veel beweerd, wanneer wij zeggen, dat, wanneer aan de

vrouwen het stembiljet wordt gegeven, het kiezerskorps nog nimmer te

voren met een zoo beduidend aantal goed toegeruste stemgerechtigden

is vergroot geworden.

Ten slotte dienen wij nog even stil te staan bij wat men zou mogen

noemen het practische bezwaar bij uitnemendheid, n.l. de vraag,

aan welke vrouwen voor het eerst het kiesrecht zal worden verleend.

Vrouwenkiesrecht · 第 4 / 7 段