Doch tot heden bleef men in gebreke dit te doen. Het is nu noodig

geworden dat de moeders zelve er voor opkomen om haar aloude rechten

met betrekking tot kinderverzorging en -opvoeding te behouden. Zij

mogen zich deze eerste moedertaak niet laten ontnemen en gevoelen

steeds meer, dat zij mede de verantwoordelijkheid hebben te dragen

voor het lichamelijk en geestelijk welzijn der toekomstige geslachten.

Evenwel, om deze verantwoordelijkheid te _kunnen_ dragen, om hare

moederplichten te blijven vervullen, óók nu deze zich overeenkomstig de

tijdsomstandigheden voor een goed deel verplaatsen van het huisgezin

naar de maatschappij, heeft de moeder het kiesrecht noodig. Hoe

zou zij anders krachtig genoeg invloed kunnen oefenen op de keuze

der volksvertegenwoordigers; hoe zou zij kunnen bewerken dat in

Gemeenteraad en Tweede Kamer vrouwen deelnemen aan de beraadslagingen

over alle zaken die betrekking hebben op onderwijs en opvoeding?

Te allen tijde heeft de vrouw deelgenomen aan den maatschappelijken

arbeid, en zij heeft dit gedaan op de wijze zooals dit van haar werd

verlangd, en zooals de omstandigheden het vereischten. Toen het

noodig was, dat zij het land bebouwde om het gezin van voedsel te

voorzien, heeft zij het gedaan. Later spon zij het garen waarvan de

linnen en wollen stoffen onder haar toezicht werden geweven; zij bakte

brood, brouwde het bier en maakte de kaarsen voor huiselijk gebruik;

zij bezorgde de wasch en de inmaak, bereidde geneesmiddelen tegen

allerlei vaak voorkomende ongesteldheden, kortom, zij kwam tijd te

kort om alles te verrichten van de groote massa arbeid die door haar

of althans onder haar leiding moest worden gedaan.

Thans wordt het grootste deel van dat werk op andere wijze

verricht en de hedendaagsche vrouw zou op een minderwaardig

bestaan zijn aangewezen, indien zij haar arbeidsveld niet elders

ging zoeken. Evengoed als vroeger wil de vrouw ook thans haar deel

hebben aan den arbeid ten behoeve van gezin en maatschappij; nu deze

echter steeds meer _uit_ het gezin gaat verdwijnen, moet zij hem in de

maatschappij vervullen. En allereerst zal zij daar als moeder hebben

te zorgen en te waken voor de belangen van het kind, voor haar eigen

kinderen en voor die van anderen. Dat zij dien arbeid niet naar eisch

kan verrichten wanneer zij haar volle burgerrechten niet bezit, dus

geen rechtstreekschen invloed kan oefenen op regeering en wetgeving,

zal ieder duidelijk zijn, die het hier boven geschrevene met aandacht

heeft gevolgd. De vrouw-moeder heeft thans in de wetgeving een deel

van haar taak te zoeken; de deur van deze nieuwe werkplaats is echter

nog voor haar gesloten, en slechts als zij den sleutel daarvan in

handen heeft--dat is het kiesbiljet--zal zij bij machte zijn die taak

naar behooren te vervullen. Zij kan dan naast den man er voor waken

dat het onderwijs op voldoende en practische wijze wordt gegeven;

zij kan er voor zorgen, dat zij haar deel krijgt van de contrôle en

het toezicht op dat onderwijs, zaken die nu voor het grootste deel

enkel in mannenhanden berusten, terwijl toch meisjes en jongens op

de schoolbanken zitten en vrouwelijke en mannelijke leerkrachten

aanwezig zijn.

En wanneer de staatszorg zich steeds verder uitstrekt en zijn

intrede doet in fröbelschool en kinderbewaarplaats, wanneer ook de

schoolhygiëne steeds vorderingen zal maken en consequenter toepassing

vinden, dan zal daarbij de hulp der moeders onmisbaar blijken.

Doch hierover spreken wij nog nader in een volgend hoofdstuk.

HOOFDSTUK IV.

WELK BELANG HEEFT DE MAATSCHAPPIJ BIJ DE INVOERING VAN

VROUWENKIESRECHT?

"Vrouwenkiesrecht strekt tot voordeel van _Allen_,

niet tot dat der Vrouwen alleen."

Dit motto--men zou het haast kunnen noemen het motto van de Vereeniging

voor Vrouwenkiesrecht, omdat het op de meeste van hare gedrukte

stukken staat--geeft reeds een stellig antwoord op de vraag welke dit

hoofdstuk tot titel draagt. Wanneer men iets beweert, dient men het

echter ook te bewijzen. Wij zullen dan thans trachten te bewijzen,

dat bovenstaand motto zuivere waarheid bevat.

Waar precies het belang der vrouwen ophoudt, en het belang der

gemeenschap begint, zal daarbij echter moeilijk zijn uit te maken,

omdat deze twee zaken op zoovele punten in elkander grijpen. Hoe kan

het ook anders, waar de maatschappij bestaat uit individuen, en dus

noodwendig de meerdere of mindere gunstige toestand van den enkeling

invloed moet oefenen op de gesteldheid van het geheel.

Evenwel zou het gemeenschapsbelang zeer onvolkomen worden gediend,

wanneer men zich tevreden stelde met de levensvoorwaarden en de

positie van elken persoon zoo gunstig mogelijk te maken. Er zijn

wel degelijk ook absolute gemeenschapsbelangen; om deze naar eisch

te dienen en te verzorgen, zal het zelfs menigmaal noodzakelijk zijn,

dat de enkeling iets van eigen vrijheid, van eigen welbehagen, ja zelfs

van eigen welvaart offert. Waar wij nu gaan bespreken het belang dat

de maatschappij heeft bij de invoering van vrouwenkiesrecht, hebben

wij zeer zeker deze absolute gemeenschapsbelangen op het oog.

Door vele tegenstanders van vrouwenkiesrecht wordt den vrouwen

verweten, dat zij gelijk willen zijn aan den man. Hoevele woorden

zijn er al niet gevallen, hoevele pennen zijn er niet in beweging

gebracht, hoevele hartstochten niet opgewekt en aangeblazen door dit

gelijkheidsprincipe! En toch--bij even nadenken--hoe dwaas klinkt

het ons eigenlijk. Alsof het een eer ware precies gelijk te zijn aan

een ander wezen, in stede het tot een eer te rekenen eigen aanleg en

wezen en zielsgesteldheid te behouden en aan te kweeken!

De ernstige strijdsters voor vrouwenrechten zullen zich dan ook

nimmer stellen op het standpunt van de gelijkheid der geslachten;

tegenstanders, die dit beweren, bezondigen zich gewoonlijk aan

een moedwillig niet willen begrijpen, of gaan af op de uitingen of

gedragingen van enkele vrouwen die, den schijn nemende voor het wezen,

tot buitensporigheden vervallen en de zaak, waarvoor zij heeten te

strijden, meer kwaad dan goed doen. Doch wie zich aan dezulken stoort,

doet dwaas; excessen komen in elke beweging voor, en men doet het

best er geen aandacht aan te schenken.

Waar de vrouwen echter wel degelijk aanspraak op maken is dit, dat zij

zullen worden beschouwd als volkomen _gelijkwaardig_ aan den man. Man

en vrouw, verschillend wat betreft lichamelijke kracht, sommige

levensfuncties, geaardheid, karaktereigenschappen ook menigmaal,

zijn bestemd om elkaar aan te vullen, en te zamen te vormen den

meest volmaakten mensch. Doch in hoeveel opzichten ook verschillend,

zoo hebben zij toch als deel van dien meest volkomen mensch gelijke

waarde; als volkomen gelijkwaardigen behooren zij invloed te oefenen

op de cultuur der volkeren, behooren zij haar stempel te drukken

op de ontwikkeling en de welvaart van haar land, op het welzijn der

komende geslachten.

Tot op heden is men in erkenning van de _gelijkwaardigheid_ van man

en vrouw veel te kort gekomen; op hunne _ongelijkheid_ wat de sexen

betreft baseeren de vrouwen echter juist haar eisch om volkomen erkend

te worden als staatsburgeres, om met en naast de mannen invloed te

oefenen op de maatschappelijke toestanden.

Het is zeer gemakkelijk om tot een goed begrip van deze zaken te komen,

wanneer men het groote huisgezin van den Staat vergelijkt met het

gewone gezin. Waar in een gewoon gezin de man of de vrouw ontbreekt,

is er iets defect. In de allereerste plaats zullen de kinderen

daarvan de nadeelige gevolgen ondervinden; zij missen òf den voor hun

opvoeding zoo noodigen invloed van den vader, wanneer deze ontbreekt,

òf--en dit is in vele gevallen nog erger--als er geen moeder meer is,

lijden zij sterk onder het gemis van moederliefde en moederlijke zorg,

en in de meeste gevallen zal heel hun volgend leven den stempel dragen

van dit gemis aan den eenen of anderen kant.

Niet anders zal het gaan in het groote huisgezin dat men Staat

noemt. Staat dit onder uitsluitend mannelijke leiding en mannelijken

invloed, dan moeten noodwendig de wetten waaronder de burgers, dat

zijn de leden van dat groote gezin, leven, eenzijdig zijn. In de vorige

hoofdstukken hebben wij reeds gezien, hoe deze uitsluitend mannelijke

invloed bij de wetgeving steeds werkt ten nadeele van de vrouw. Maar

behalve dit, werkt hij ook ten nadeele van de gemeenschap. Hoe zou dit

ook anders kunnen, wanneer men ten opzichte van deze aangelegenheid

afwijkt van het algemeen erkend en op waarheid gegrond principe,

dat een zaak er slechts bij kan winnen, wanneer zij van verschillend

standpunt wordt bekeken, dat veelzijdigheid van behandeling is te

beschouwen als een aanwinst.

Waar wij nu, bij erkenning van de volkomen gelijkwaardigheid van man en

vrouw, weten dat een vrouw juist door haar vrouw-zijn een anderen kijk

heeft op de dingen dan een man, spreekt het van zelf dat ook de wetten

veelzijdiger zullen worden behandeld, dus aan waarde zullen winnen,

wanneer zij worden gemaakt door mannen en vrouwen. En naarmate de

Staat zich meer ontwikkelt in modernen geest, d.w.z. zijn bemoeiingen

en zorg steeds verder uitstrekt, dieper ingrijpt in het particuliere

leven ten behoeve van het algemeen welzijn, naar die zelfde mate

zal het noodig zijn dat alle beschikbare krachten, alle verstand,

alle gevoel van barmhartigheid en liefde, alle gevoel voor recht,

worden te hulp geroepen, om de wetgeving zoo goed en zoo rechtvaardig

te maken als mogelijk is.

Hieruit volgt reeds van zelf, dat het dan ook niet te verdedigen valt,

indien eene regeering de hulp der vrouwen daarbij ongebruikt laat;

een gedragslijn, die, zoo men daarbij bleef volharden, zooveel te

sterker onze verbazing zou wekken, omdat men zich daardoor moedwillig

berooven zou van tal van geschoolde krachten.

Of zou men niet met recht mogen verwachten dat de vrouw, die jaar in

jaar uit in het huisgezin een praktische leerschool heeft doorloopen,

die geleerd heeft met een afgepast huishoudgeld te woekeren, die gewoon

is op alles acht te slaan en niets verwaarloost, deze eigenschappen

ook met gunstig gevolg zou toepassen in de huishouding van den Staat?

Bij het beheer der gemeente- of Staatsgelden zou zij ongetwijfeld

goed en practisch werk verrichten, vooral dáár, waar, door het in

acht nemen van een gepaste zuinigheid, veel onnut gelduitgeven kan

worden voorkomen. Denken wij daarbij in de eerste plaats eens aan het

onderhoud van rijks- en gemeentegebouwen; zou daarbij onder uitsluitend

mannenrégime niet wel eens onnoodig royaal worden huisgehouden?

Denken wij verder eens aan de voeding van de soldaten. Ondanks de vele

pogingen die steeds worden gedaan om deze te verbeteren, weet iedereen,

dat daaraan in werkelijkheid nog zeer veel ontbreekt. En toch wordt

er geld genoeg aan ten koste gelegd. Maar er wordt niet _gezorgd_,

zooals vrouwen dat plegen te doen.

Menigmaal laat de bereiding der spijzen te wenschen over; soms

beantwoordt de kwaliteit van de grondstoffen niet aan de eischen

die men met het oog op de betaalde prijzen mag stellen. In beide

gevallen is het gevolg dat de soldaat slecht wordt gevoed en dat zelfs

oorspronkelijk goed voedsel, omdat het door de slechte bereiding niet

te eten is, terecht komt in wat men in de kazerne noemt de "kiebelton,"

iets wat gelijk staat met onze vuilnisbak. Hoort men dan daarbij nog

feiten vertellen, zooals er onlangs in een van onze garnizoensplaatsen

eens voorviel, n.l. dat om een te kort in de voeding van zekeren dag

aan te vullen, aan de manschappen elk een half ei! werd uitgereikt,

dan begrijpt men dat practische vrouwen hier nog wel wat te doen

zouden vinden.

Zoo zouden op dezelfde wijze onze opvoedingsgestichten er wèl bij

varen, wanneer daar tengevolge van de medewerking der vrouwen, naast

het veelal overheerschend militair régime ook wat moederzorg zijn

intrede deed.

Doch daar zijn nog zooveel andere takken van dienst die in hooge

mate de belangen der gemeenschap raken, waar het gebruik maken van

de in de praktijk des levens geschoolde vrouwenkrachten zegenrijk

zou werken. Wij zeiden het reeds: de hedendaagsche vrouw, die

haar werkkracht niet in het gezin kan plaatsen, die niet om den

broode behoeft te werken, wil toch haar aandeel hebben aan den

maatschappelijken arbeid. Zij wijdt zich veelal aan filantropie of

aan z.g. maatschappelijk werk, en ongetwijfeld vindt haar hand daar

zeer veel te doen. Bij armenverzorging, drankbestrijding, zorg voor

het verwaarloosde kind, woningtoezicht, volksgezondheid (daarbij

niet te vergeten de bestrijding van volksziekten als tuberculose en

lupus), bescherming van meisjes, verbetering der openbare zedelijkheid,

enz. enz., zijn honderden vrouwen op particulier terrein werkzaam. Dat

zij daar een schat van ervaring en practische kennis opdoen, zal wel

iedereen erkennen die niet met blindheid is geslagen. Doch wanneer

de Staat deze zaken ter hand neemt, doet hij dit tot op heden zonder

de hulp van de vrouwen, of laat haar hoogstens zeer ondergeschikte

functies vervullen, en berooft zich zelf daardoor moedwillig van de

voorlichting van ervaren deskundigen.

Onnoodig te zeggen, dat vooral ook ten opzichte van onderwijs

en opvoeding de medewerking van de vrouw aan de desbetreffende

wetgeving noodwendig van goeden invloed moet zijn. Het is hierboven

reeds gezegd, dat de Staat steeds meer ingrijpt in het gezinsleven,

door de geestelijke en lichamelijke verzorging van het kind wettelijk

te regelen, en aldus aan de moeders een deel ontneemt van het werk

dat haar door alle eeuwen heen is toevertrouwd geworden. Mag aan den

eenen kant de vrouw zich die aloude taak niet laten ontnemen, zoo zal

aan den anderen kant de overheidszorg slechts de goede uitwerking

kunnen hebben die men bedoelt, wanneer aan de vrouwen gelegenheid

wordt gegeven haar moederlijke zorg verder uit te strekken dan tot

eigen gezin, en daardoor ten goede te doen komen aan de gemeenschap.

Golden alle tot hiertoe aangehaalde voorbeelden van het belang,

dat de maatschappij er bij heeft als de vrouw kan deelnemen aan den

wetgevenden arbeid, slechts den directen invloed die daarbij van

haar zal uitgaan, nog grooter zal in den loop der tijden de indirecte

werking zijn van de erkenning der vrouw als volledig staatsburgeres.

Hierbij moeten wij in de eerste plaats denken aan de opvoedende kracht

van het stembiljet.

Men verwijt de vrouwen zoo menigmaal bekrompenheid, een zich

vastklampen aan conventioneele begrippen, een weinig ruimen blik. Kan

het anders, waar haar sedert eeuwen minder vrijheid was toegestaan dan

aan den man; waar men zich tot voor korten tijd weinig bekommerde

om hare ontwikkeling; waar men haar zorgvuldig hield buiten de

bespreking van de groote vraagstukken van den dag, omdat deze, zooals

men meende, buiten haar gezichtskring vielen, omdat "vrouwen daar

toch geen verstand van hadden"? Doch als de vrouw het stembiljet in

handen krijgt, zullen al deze dingen veranderen. Men zal er dan van

verschillende zijden belang bij hebben, de vrouwen de noodige kennis

bij te brengen. De kiesvereenigingen, de pers, politieke personen,

die allen zullen van de vrouwen belangstelling vragen voor zaken waar

men haar vroeger liefst buiten hield, en haar kennis trachten bij te

brengen omtrent allerlei gebeurtenissen van den dag op verschillend

gebied. Natuurlijk zal dit van grooten invloed zijn op de ontwikkeling

van de vrouw in het algemeen, het zal haar denken een andere richting

geven; de belangstelling, die eerst moest worden afgedwongen, zal

langzamerhand in haar zelf gaan wortelen en zij zal weldra uit eigen

beweging kennis gaan nemen van allerlei, wat haar vroeger koud liet,

en waarvan zij meende dat het uitsluitend mannenzaken waren.

Het natuurlijk gevolg van dit alles zal zijn, dat de gezichtskring

der vrouw zich aanmerkelijk uitbreidt. Bleef deze vroeger beperkt tot

eigen gezin en familie, voor de vrouw die kennis neemt van wat daar

omgaat in de groote menschenwereld, die de nooden en behoeften der

maatschappij heeft leeren kennen en begrijpen, moet die gezichtskring

zich verruimen. Zij zal meer en meer terugkomen van haar tot nu

toe ingenomen egoïstisch standpunt en worden opgevoed tot meer

altruïstische inzichten. Zij zal het verband leeren zien dat bestaat

tusschen gezin en maatschappij, en gaan begrijpen dat elk individu

zich voor een deel verantwoordelijk moet gevoelen voor de welvaart

en het geluk van de menschheid in haar geheel. De alleenstaande vrouw

zal gaan gevoelen, dat zij niet langer voor eigen genoegen en welzijn

mag leven, maar dat ook de gemeenschap recht heeft op een deel van

hare werkkracht.

Voor de moeder echter zal deze verruiming van inzicht nog veel verder

strekkende gevolgen hebben, die van onberekenbaar nut zullen zijn voor

de samenleving. Eerst wanneer de moeders beter begrip zullen hebben

gekregen van maatschappelijke verhoudingen en toestanden, zullen

zij tot het volle besef komen van de groote taak die op haar rust,

om voor de opvoeding van het komend geslacht te zorgen. Zij zullen die

taak meer en dieper gaan waardeeren naarmate zij er den omvang van gaan

beseffen, doch tevens de verantwoordelijkheid sterker gaan gevoelen die

op haar schouders is gelegd. Zij zullen gaan begrijpen, dat het niet

voldoende is dat zij haar kinderen lichamelijk goed verzorgen en hen

voor het kwade trachten te behoeden, maar dat zij hen hebben toe te

rusten en krachtig te maken voor het maatschappelijk leven. Daarbij

zullen zij leeren afstand doen van veel egoïsme en eigenwaan; het

besef zal bij hen doordringen, dat de kinderen niet moeten worden

opgevoed om ze te behouden voor gezin en familie in de enge beteekenis

van het woord, maar dat ook de gemeenschap recht op hen heeft.

De moeders die zelf deelnemen aan het maatschappelijk leven in den

uitgebreidsten zin, die de nooden en behoeften van haar tijd kennen,

zullen inzien, dat zij op geen krachtiger wijze de evolutie der

tijden in de goede richting kunnen helpen leiden, dan door aan de

maatschappij af te leveren goed opgevoede, goed toegeruste, ernstig

denkende en voelende jonge mannen en vrouwen, gezond en krachtig van

lichaam en geest.

Men vreeze daardoor geen verslapping der familiebanden

of vermindering van liefde in het gezin ten koste van het

gemeenschapswerk. Integendeel. Onze tegenwoordige tijd van overgang

schept menigmaal in de gezinnen toestanden van wrok en wantrouwen,

van bandeloosheid en anarchie. Het is niet te veel beweerd, wanneer

wij de schuld daarvan voor een groot deel schuiven op de moeders. Niet

omdat de moeders van thans slechter zouden zijn, dan die uit vroeger

tijden, maar omdat zij, althans wat de groote meerderheid betreft, in

hare ontwikkeling, in haar denken en voelen niet zijn medegegaan met

haar tijd. Het innerlijk wezen van deze tijden begrijpen zij niet, het

gaat buiten haar om; daardoor nemen zij den schijn voor het wezen, zien

alleen de oppervlakte der dingen en houden de uiterlijke verschijnselen

van ons tegenwoordig maatschappelijk leven voor dat leven zelf.

De jeugd wil meer vrijheid; het verbeterd onderwijs maakt dat jongens

en meisjes zich intellectueel spoedig boven hun moeder verheven

wanen. Met de voortvarendheid, ook wel eens de verwaandheid aan de

jeugd eigen, willen zij doorstormen; zij kunnen geen band verdragen,

erkennen geen gezag. De moeders voelen zich de teugels ontglippen;

zij willen die ongebreidelde zucht naar vrijheid bedwingen, aan den

eenen kant omdat zij die niet begrijpen, aan den anderen kant omdat zij

inzien en dikwijls nog meer gevoelen, hoe de jonge menschen er geen

goed gebruik van maken, hoe zij te dwaas doorhollen. Doch door haar

eigen onbekendheid met de groote maatschappelijke vraagstukken, door

haar veelal blijven voortleven in de gedachtensfeer van een vroeger

geslacht, missen zij de kracht en de kennis om in te grijpen als het

noodig is, om leiding te geven aan die zucht naar een vrijer leven. Het

gevolg is een botsing, of, zoo het niet zoover komt, een verkoeling

tusschen moeder en kinderen. De moeder zucht over de moderne tijden,

en meent dat zij nu alles maar moet laten gaan, omdat er toch geen

houden aan is; òf zij wil met ijzeren hand de oude tucht handhaven,

wat haar natuurlijk slechts gelukt tot de jeugd volwassen is geworden

en zich met bitterheid in het hart van de moeder afkeert.

Zonder nu te willen beweren dat het toekennen van kiesrecht aan de

vrouw in deze toestanden een plotselinge en algeheele verbetering zal

brengen, zoo is het toch zeker, dat het stembiljet grooten invloed

zal oefenen op de geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van

de vrouw. Juist doordat zij van verschillende kanten zal gedwongen

worden om kennis te maken met de vragen van den dag op economisch en

politiek terrein, kàn zij niet langer onwetend blijven ten opzichte

van de tijdsstroomingen en de eischen die het leven aan het opkomende

geslacht stelt.

Het kan niet anders of deze breedere algemeene ontwikkeling zal haar

kwaliteiten als opvoedster ten goede komen; de kinderen zullen er

profijt van trekken, en door deze weer de geheele maatschappij.

Doch er is meer. De erkenning van de vrouw als staatsburgeres zal

haar in maatschappij en huisgezin plaatsen _naast_ den man; er zal in

het publieke leven even goed met _haar_ rekening worden gehouden als

met hem. Deze openlijke erkenning van de vrouw als gelijkgerechtigd

wezen moet ook van invloed zijn op hare verhouding tot haar volwassen

kinderen. Niet natuurlijk in die gezinnen, waar ook zonder wettelijke

bepalingen de vrouw reeds thans de gelijkwaardige is van den man en

als zoodanig door hem en de kinderen wordt erkend. Gelukkig hebben er

steeds zulke gezinnen bestaan, en daar is ook steeds van de moeder

groote kracht en invloed uitgegaan. Maar in duizenden gezinnen,

waar men de moeder wel liefhad als de goede verzorgster, maar

vond dat zij zich niet had te mengen in de verder afgelegen zaken

"omdat vrouwen daar toch geen verstand van hebben," daar zal het

moederlijke woord van verder strekking en langduriger invloed zijn,

wanneer de volwassen kinderen haar alom erkend zien als iemand met wie

rekening moet worden gehouden. En dan zal er niet zoo spoedig worden

gelachen door de zoons om het ernstig vermanende woord van moeder,

wanneer zij de wereld intrekken. Dan zal waarschijnlijk haar stem den

jongen man langer in de ooren klinken, wanneer zij hem waarschuwt

voor afdwalingen op zedelijk gebied en hem aanspoort alle valsche

schaamte te laten varen, die hem menigmaal belet goed te blijven en

weerstand te bieden aan de verleiding.

Dan zal ook het volwassen meisje meer vertrouwen hebben in haar

moeder, waar deze haar dochter in het leven als een vriendin wil

terzijde staan.

Men verwerpe toch deze meening niet als zou zij te idealistisch

zijn. Al weet men dat geen enkel ideaal geheel en al verwezenlijkt kan

worden, daarom mag men toch niet alle idealisme terzijde stellen. Een

goed deel er van kan toch werkelijkheid worden, en hier is er alle

kans dat dit deel zeer groot zal zijn, zoo niet in eens, dan toch op

den langen duur.

Doch behalve ten opzichte van de opvoeding der kinderen, zal de

gemeenschap er voordeel van trekken, wanneer aan de vrouw, door de

toekenning van politieke rechten, wordt toegestaan mede te werken aan

den opbouw der moderne samenleving, of wanneer zij, ofschoon daartoe

nog niet den aandrang in zich zelf gevoelend, wordt gedwongen in die

richting te gaan. Steeds meer toch dreigen--althans in de gegoede

kringen der samenleving--vele vrouwen te vervallen tot een parasitisch

bestaan. Door gebrek aan ernstig werk, aan arbeid die _noodzakelijk_

door haar moet worden verricht, beginnen zij te verslappen, verliezen

alle energie en loopen gevaar langzamerhand te worden non-valeurs

voor de gemeenschap. Zelfs als voortbrengster van een nieuw geslacht

verliezen dergelijke vrouwen haar waarde; want wat mag men verwachten

van een nieuwe generatie die dergelijke moeders had?

Het is hoog tijd dat aan die vrouwen ander werk wordt gegeven, werk

dat haar weer belangstelling geeft en opgewektheid, arbeid die in staat

is de energie, die dreigde verloren te gaan, opnieuw aan te wakkeren,

die haar weer idealen voorhoudt, waarvoor het de moeite waard is te

leven en zich in te spannen.

Vrouwenkiesrecht · 第 3 / 7 段