armenwetgeving; zij zien wat er verbeterd moet worden ten opzichte
van volkshygiëne en van de woningtoestanden. Zij ook ondervinden bij
hun werken ten behoeve van de verwaarloosde of misdadige jeugd, hoe
de wetten menigmaal ontoereikend, of zelfs een belemmering zijn om te
helpen. In hun dagelijksch werk, bij huisbezoek enz. enz., leeren zij
de behoefte kennen aan goed geschoolde ziekenverpleegsters; zij zien
de ellenden van den alcohol, doen in zeer vele gevallen ondervinding
op omtrent onze verouderde en onrechtvaardige huwelijkswetgeving,
en leeren begrijpen dat zij slechts met het kiesbiljet in handen
krachtigen invloed zullen kunnen oefenen om afdoende verbetering te
helpen brengen in al deze toestanden. Ook deze vrouwen hebben dus het
kiesrecht noodig, in het belang van de uitoefening van haar dagelijksch
werk; zonder dat bezit gevoelen zij dat haar arbeid veelal vruchteloos
of althans zeer weinig afdoend zal zijn.
Het verlangen naar het bezit van politieke rechten moet bij deze
vrouwen vooral wel sterker worden, wanneer zij bij herhaling bemerken,
dat door regeeringslichamen weinig aandacht wordt geschonken aan
door hen ingediende verzoekschriften om verbetering te brengen
in bestaande toestanden, terwijl zij gelijktijdig de ondervinding
opdoen, dat overal in de eerste plaats rekening wordt gehouden met de
wenschen der _kiezers_. Van dezen immers hangt het af, of men zijn
mandaat voor Gemeenteraad of Tweede Kamer vernieuwd zal zien. Zelfs
al zouden deze vrouwen de macht van het stembiljet overschatten,
(iets wat tot nu toe volstrekt nog niet beweerd kan worden) zoo zou
dit volkomen gerechtvaardigd zijn door de ervaring welke zij telkenmale
als niet-kiesgerechtigden opdoen.
HOOFDSTUK III.
HET KIESRECHT EN DE GEHUWDE VROUW.
Hoe staat de gehuwde vrouw tegenover het kiesrecht?
Zeker geen overbodige vraag, waar de gehuwde vrouw als maatschappeling
zulk een eigenaardige positie inneemt in onze samenleving. Men zou te
haren opzichte zelfs kunnen spreken van een tweeslachtige positie. Een
feit is, het toch, dat de gehuwde vrouw in zeer vele gevallen juist
om haar gehuwd zijn hooger wordt geschat. In het gezelschapsleven
wordt zij zeer dikwijls met meer onderscheiding behandeld; bij vele
gelegenheden wordt _haar_ den voorrang geschonken boven de ongehuwde
vrouw. En al is de tijd voorbij, waarin men het leven der ongehuwde
vrouw als eenigszins mislukt beschouwde, tóch zet het gehuwd zijn nog
steeds aan de vrouw eenigen luister bij, zij het dan ook voornamelijk
in gezelschapskringen.
Zeer treurig is het daarentegen met hare rechtspersoonlijkheid
gesteld. Zeker, het huwelijk maakt de vrouw meerderjarig, ook
al heeft zij den daartoe bij de wet vereischten leeftijd nog niet
bereikt. Doch met die meerderjarigheid treedt tevens een toestand van
onmondigheid in, zooals geen ongehuwde vrouw ooit leert kennen. Voor
de wet verliest zij zoo goed als geheel haar eigen persoonlijkheid,
om deze te doen opgaan in die van haar echtgenoot.
Wij zullen op een andere plaats in dit hoofdstuk gelegenheid te over
hebben, om op dit punt terug te komen. Het constateeren van het
feit zij op dit oogenblik voldoende om te verklaren, dat in veler
oogen de gehuwde vrouw tegenover het kiesrecht een zeer bijzondere
plaats inneemt.
Bij mannen en bij vrouwen bestaat deze meening. Vandaar dan ook,
dat onder degenen die de billijkheid en noodzakelijkheid erkennen
van het verleenen van kiesrecht aan de ongehuwde vrouw, nog velen
zijn die het voor de gehuwde onnoodig of verkeerd achten.
Bij de kerkelijke partijen speelt hierbij de godsdienstige opvatting
van het huwelijk natuurlijk een groote rol. Zij bovenal zien in den
man het hoofd van het gezin; de vrouw is aan hem onderdanig en den
man gegeven "tot een hulpe". Deze opvatting is zóó diep geworteld,
dat een R. K. blad, den eisch voor Vrouwenkiesrecht bestrijdend, en
speciaal op het afkeurenswaardige van dien eisch wees voor de gehuwde
vrouw, de verzuchting slaakte: "Waar blijft dan de _onderdanigheid_
van de vrouw aan haar man!"
Evenwel komen steeds meerderen van die eerstgekoesterde meening terug,
óók onder de politici. Stond b.v. de Liberale Unie in het jaar 1908
nog op het standpunt, dat slechts aan de ongehuwde vrouw het kiesrecht
behoorde te worden verleend, reeds in Juni 1910 werd op dat besluit
teruggekomen en wil deze partij het thans evenzeer toekennen aan de
gehuwde vrouw.
Weliswaar voor een groot gedeelte om deze reden, dat men in de gehuwde
vrouw ziet de meest volledige vrouw, en van haar, als zoodanig,
de meeste invloed ten goede verwacht op de wetgeving, wanneer het
haar zal gegeven zijn, zitting te nemen in onze vertegenwoordigende
lichamen. Doch al valt ontegenzeggelijk deze veranderde opinie te
waardeeren, zoo betreft zij nog veel te veel in de eerste plaats
het passieve kiesrecht, terwijl de vrouw in de voornaamste plaats
behoefte heeft aan het actieve kiesrecht, waarbij de gehuwde evenveel,
zoo niet meer belang heeft als de ongehuwde.
Maar de belangen van de gehuwde vrouw liggen besloten in die van haar
echtgenoot, zoo hoort men beweren. Hij treedt op als vertegenwoordiger
van het gezin, en zal dus als kiezer voor de belangen daarvan opkomen,
bijgevolg ook voor die van zijn vrouw. Laat ons zien wat er van deze
bewering valt te aanvaarden.
Ongetwijfeld zullen--óók in de wetgeving--voor echtelieden vele
belangen parallel loopen. Doch niet steeds, en bij lange na niet
alle. Evenmin zal de man steeds in voldoende mate de belangen van zijn
vrouw behartigen. Ware dit zoo, dan was er reeds lang verandering
gekomen in onze huwelijkswetgeving, die, waren de zeden niet beter
dan de wetten, voor de vrouwen werkelijk ondragelijk zou zijn.
Weliswaar is ook het meerendeel der mannen de overtuiging toegedaan,
dat onze huwelijkswetgeving schromelijk verouderd is, en volstrekt
niet meer in overeenstemming met de tegenwoordige toestanden. Doch
niettegenstaande deze sedert jaren bestaande overtuiging, heeft men
in ons parlement nog nooit den tijd kunnen vinden om die zaak in
behandeling te nemen. De aandrang van de vrouwelijke kiezers zal
eerst gevoeld moeten worden, wil men met wetsvoorstellen komen.
Laten wij even in het kort nagaan, welke de voornaamste grieven zijn
die de gehuwde vrouw heeft tegenover hare wettelijke positie.
De vrouw is haren man gehoorzaamheid verschuldigd (art. 161 B. W.). Is
het een verhouding die gehandhaafd mag worden, dat van twee vrije
menschen, die een verbintenis voor het leven met elkaar aangaan,
de eene den anderen heeft te _gehoorzamen_?
De gehuwde vrouw volgt de nationaliteit van haar man; zij kan
geen verzoek tot naturalisatie doen. Dus, een vreemde vrouw die in
het huwelijk treedt met een Nederlander, is door deze daad vanzelf
Nederlandsche geworden; evenzoo verliest een Nederlandsche vrouw die
met een vreemdeling huwt haar recht op Nederlanderschap.
Dit is op zich zelf reeds erg genoeg; doch bij het aangaan van een
huwelijk met een vreemdeling kan de vrouw tenminste vooraf weten,
dat zij hare nationaliteit prijs geeft. Erger wordt het evenwel,
wanneer de man zich tijdens het huwelijk om de een of andere reden in
het buitenland vestigt en de nationaliteit van zijn nieuw vaderland
aanneemt. De vrouw moet dan zonder meer die andere nationaliteit
volgen, en kan zoodoende buiten haar wil gedwongen worden te leven
onder de wetten van een land welke voor de vrouwen slechter zijn dan
die van haar eigen land waren.
Zoo kan deze bepaling omtrent de nationaliteit van de gehuwde vrouw
niet alleen voor haar grievend zijn, omdat zij hare persoonlijkheid
wegcijfert, maar zij kan ook oorzaak wezen, dat zij wettelijk in een
nòg slechter positie geraakt, dan zij vroeger reeds was.
De vrouw kan niet in rechten verschijnen zonder bijstand van haar
man, zelfs niet al is zij buiten gemeenschap van goederen getrouwd,
of al is zij openbare koopvrouw.
Slechts als de gehuwde vrouw een arbeidsovereenkomst heeft, wordt
hierop een uitzondering gemaakt, art. 160 en 165 B. W. Doch waar
het strafzaken betreft heeft de vrouw den bijstand van haar man
niet noodig; dan verklaart de wet haar weer op eens voor mondig en
zelfstandig. Zonderlinge tegenstrijdigheid, inderdaad.
Een gehuwde vrouw mag geen erfenissen of legaten aanvaarden, geen
schenkingen aannemen.
Behalve bij de wet op het arbeidscontract--dus als zij in beteekenis
dier wet is werkgeefster of werkneemster--is de handteekening van de
gehuwde vrouw niet geldig; zij kan zonder schriftelijke toestemming
van haar man geen verbintenissen aangaan, zelfs niet al is zij buiten
gemeenschap van goederen getrouwd. Evenmin kan een gehuwde vrouw
schenkingen doen of goederen in bewaring geven, zonder toestemming
van haar man; art. 163 B. W. is voor haar steeds de groote hinderpaal.
De man heeft de beschikking over de bezittingen van zijn vrouw; behalve
wanneer zij onder huwelijksvoorwaarden is getrouwd, heeft hij het
recht op al hare inkomsten en op de opbrengst uit hare goederen. En
niet enkel op de opbrengst harer goederen; bij de nieuwe auteurswet
wordt den man zelfs de beschikking gelaten over het geld dat zijn
vrouw met geestelijken arbeid verdient. Een gehuwde schrijfster, een
schilderes, een beeldhouwster, een componiste, zij allen mogen het
verdiende honorarium niet als haar eigendom beschouwen, maar moeten
het volgens de wet storten in de gemeenschapskas, waarover de man
het wettelijk beheer heeft.
Dat bij het maken van deze auteurswet voor de intellectueele vrouw
geen rechtvaardiger voorwaarden waren te verkrijgen, stuitte af op
de bepalingen van ons huwelijksgoederenrecht. Althans, hierachter
verschuilden zich de tegenstanders van meerder vrijheid voor de
vrouw. En hare verdedigers legden zich maar al te gemakkelijk neer
bij de bezwaren van den minister. Immers, geen vrouwelijke kiezers
zouden hen ter verantwoording roepen!
Geeft ons huwelijksgoederenrecht ongetwijfeld tot de meeste klachten
aanleiding, waar het de rechtspositie der getrouwde vrouw geldt,
ook in andere opzichten heeft deze zich over de bepalingen in ons
burgerlijk wetboek te beklagen. Waar het de rechten tegenover de
kinderen betreft, staat de moeder nog verre achter bij den vader.
Zoo blijven b.v. de kinderen tot aan hun meerderjarigheid onder de
ouderlijke macht, doch de _vader_ alleen oefent deze macht uit. De
vader kan het kind aan de moeder ontnemen en het ergens anders
heenbrengen; de vader kan aan de arrondissementsrechtbank verzoeken
om een weerspannig kind in een rijksinrichting op te nemen; de vader
kan geld van de postspaarbank krijgen dat op naam staat van zijn
minderjarig kind. De _moeder_ kan dit alles _niet_ doen. En hoevele
gevallen doen zich niet voor, waarin het gewenscht zou zijn dat de
moeder kon handelen; denken we slechts aan gevallen waarbij de vader
langdurig van huis is, b.v. wanneer hij op zee vaart of zijn werk
buitenslands heeft.
Waren de zeden niet beter dan de wetten, schreven wij hierboven,
de toestand zou onhoudbaar zijn. Doch in zeer vele gevallen _is_
de toestand werkelijk onhoudbaar. Waar het in een huwelijk niet goed
gaat, waar de man in zijn verplichtingen tegenover zijn gezin te kort
schiet, waar hij speculeert, waar hij een dronkaard is, waar hij zich
niet voldoende laat gelegen liggen aan de opvoeding zijner kinderen,
zonder dat er termen zijn hem uit de ouderlijke macht te ontzetten,
in al deze gevallen staat de vrouw machteloos tengevolge van de
vigeerende wet. En men heeft het nog zoo pas kunnen zien bij de
auteurswet: zoolang de vrouw als kiezeres geen invloed kan oefenen
op de volksvertegenwoordigers, zoolang zal in dezen toestand geen
afdoende verbetering worden gebracht.
Geldt het bovenstaande voor _alle_ gehuwde vrouwen, in welke
maatschappelijke positie zij ook mogen verkeeren, de gehuwde
arbeidster, de gehuwde ambtenares in rijks- of gemeentedienst heeft
nog om andere redenen dringend behoefte aan het bezit van kiesrecht.
Tot op heden is bij elke wettelijke regeling van den arbeid
(uitgezonderd alleen de wet op het arbeidscontract, waarbij aan de
gehuwde vrouw wordt toegestaan zelfstandig een arbeidsovereenkomst
te sluiten, terwijl zij het verdiende loon als haar eigendom mag
beschouwen, mits zij het besteedt ten bate van het gezin) de gehuwde
vrouw in slechter conditie gekomen. Men regelt van hoogerhand haar
arbeidsuren, verbiedt haar des Zaterdagsmiddags en des Zondags te
werken, alles met de bedoeling haar te beschermen en haar tijd te
doen behouden ter verzorging van haar gezin. Doch al wederom heeft
men deze zaken behandeld _vóór_ de vrouw, doch _zonder_ haar. Men
heeft niet bedacht--misschien ook wel--dat die krachtige bescherming
voor de gehuwde vrouw-arbeidster in zeer vele gevallen beteekent:
arbeidsbelemmering. Door al die belemmerende bepalingen is voor vele
werkgevers de arbeid der gehuwde vrouw van veel minder waarde geworden,
zoodat zij òf wordt ontslagen, òf niet meer wordt aangenomen, òf zich
met slechter betaald werk moet tevreden stellen, in zeer vele gevallen
alweer naar de huisindustrie wordt gedreven. Waar nu in verreweg de
meeste gevallen de gehuwde vrouw slechts loonarbeid verricht uit
bittere noodzakelijkheid, dus omdat de man alleen niet genoeg kan
verdienen om in de behoeften van het gezin te voorzien, of omdat hij
ziek is, of invalide, of onbekwaam, en dus niet in staat tot werken,
daar zal het gezin, vooral ook de kinderen veel meer lijden onder de
beschermende maatregelen, n.l. doordat zij te kort komen aan voeding,
kleeding, enz. dan dat zij er voordeel van hebben dat de moeder eenige
uren langer te huis kan zijn.
Natuurlijk is het niet de bescherming van den arbeid waartegen de
gehuwde vrouw zich menigmaal moet verzetten, maar wel de _ongelijke_
bescherming waartegen zij opkomt. En waar de bescherming van de gehuwde
vrouw werkelijk in vele gevallen noodzakelijk is, daar heeft men tot nu
toe geen wettelijke maatregelen getroffen, waardoor die bescherming
voor haar geen loonderving behoeft te worden. Men zal bijv. door
moederschapsverzekeringen, door wettelijke bepalingen omtrent het
verschaffen van zooggelegenheid, door het op ruimer schaal en zoo
noodig van overheidswege oprichten van kinderbewaarplaatsen, het
voor de gehuwde vrouw mogelijk kunnen maken om den arbeid--die zij
_noodgedrongen_ buitenshuis moet verrichten--zonder schade voor haar
gezin te volbrengen. Doch zelfs al zoude men onder het uitsluitend
mannelijk régime een dergelijken wetgevenden arbeid ter hand nemen,
hoe zou men kunnen verwachten dat de daaruit ontstane wetten goed,
doeltreffend, billijk zouden zijn, zonder dat daarbij de vrouwen als
in de eerste plaats belanghebbenden waren gehoord en invloed hadden
geoefend, zonder dat zij als bij uitstek deskundigen er aan hadden
medegewerkt?
Evenmin als de gehuwde loon-arbeidster, kunnen de getrouwde ambtenares
en onderwijzeres het kiesrecht langer ontberen als middel tot
zelfverdediging. Wie kent niet het beruchte wetsvoorstel-Heemskerk
waarbij wordt voorgesteld aan de rijksambtenares en aan de
onderwijzeres ontslag te geven bij het aangaan van een huwelijk. Ook
deze wetsvoorstellen heetten te zijn ingediend ter bescherming van het
gezin, opdat de kinderen de moederzorg niet zouden behoeven te missen.
Doch wanneer er nu in zoo'n huwelijk eens _geen_ kinderen kwamen?
In dat geval mocht de bepaling minstens voorbarig heeten. Of alweder:
wanneer de man alleen eens niet genoeg verdiende, of ziek werd,
of indien door het geld dat de vrouw verdient de kinderen beter
lichamelijk verzorgd zouden kunnen worden, beter opleiding zouden
kunnen ontvangen en daardoor later krachtiger zouden staan in
den strijd om het bestaan, die ook hen wacht? Of,--en dit komt óók
voor--wanneer de vrouw eens absoluut geen aanleg had voor huishoudster
of kinderopvoedster, en door haar arbeid buitenshuis in staat zou
zijn dit werk aan meer bevoegde en bekwame handen toe te vertrouwen?
Hoe men de zaak ook beziet, een dergelijk wetsvoorstel is een driest
ingrijpen in de vrijheid, in de bestaanszekerheid van duizenden
volwassen, denkende, met verantwoordelijkheidsgevoel begaafde
menschen, een maatregel van geweld vooral, waar hij wordt genomen
tegenover weerloozen, die door het gemis van alle politieke rechten
geen middel tot verzet bezitten. Maar zelfs al stelt men zich op het
standpunt dat het noodig is om de gehuwde ambtenares naar het gezin
terug te wijzen--en ook onder de vrouwen zijn er, die deze meening
zijn toegedaan--gaat het dan wel aan om in dezen te handelen geheel
buiten de vrouwen om, en als van ouds te komen met het machtwoord: gij
zult dit of dat, gij moogt niet zus of zoo, in stede van te vragen:
hoe wilt gij dat deze zaken zullen worden geregeld, en de vrouw door
middel van het kiesbiljet in staat te stellen zelve invloed te oefenen
op de regeling van hare naaste belangen, zelve de hand te hebben in
de bepaling van haar levenslot?
Ongetwijfeld zal ook het beruchte wetsvoorstel-Heemskerk worden
begraven, nu de groote verkiezingen in vrijzinnigen geest zijn
uitgevallen; immers bevat o.a. het manifest van de vrijzinnige
concentratie in November 1912 uitgevaardigd, de volgende zinsnede:
"Zelfs wil men (n.l. het Ministerie-Heemskerk) door een algemeen
wettelijk voorschrift de vrouw-ambtenares die in het huwelijk treedt,
straffen met ontzetting uit haar betrekking in rijksdienst of bij het
onderwijs." Doch reeds vroeger werd door een vrijzinnig minister een
voor de gehuwde vrouw nadeelig Kon. Besluit ingetrokken, dat door
een reactionnair minister was uitgevaardigd, n.l. het Kon. Besluit
van 2 Maart 1904, waarbij aan vrouwelijke ambtenaren bij Post en
Telegrafie die in het huwelijk treden, ontslag wordt gegeven. Dit
Kon. Besluit werd uitgevaardigd onder het Ministerie-Kuyper, doch
weer ingetrokken in Oct. 1907 door Minister Kraus (Ministerie-De
Meester). Nadat echter het vrijzinnige kabinet was afgetreden, hebben
de vrouwelijke ambtenaren wederom voortdurend in een toestand van
onzekerheid geleefd. Zoo diende o.a. het Kamerlid Passtoors reeds in
December 1907 een motie in, waarbij de intrekking van het Kon. Besluit
van 2 Maart 1904 wordt betreurd, en waarin de wenschelijkheid wordt
uitgesproken, dat wettelijk zal worden vastgesteld de invloed dien
het huwelijk der vrouwelijke ambtenares zal hebben op de voortduring
van haar ambt.
Verder werd meer dan eens van regeeringwege goedkeuring verleend aan
gemeenteraadsbesluiten tot ontslag van eene gehuwde onderwijzeres,
zelfs wanneer Gedeputeerde Staten van het betrokken gewest hunne
goedkeuring aan de beslissing van den gemeenteraad hadden onthouden. En
zoo zal het steeds gaan, zoolang de vrouwen beroofd blijven van het
bezit van politieke rechten. Wat de eene regeering haar toestaat,
zal de andere haar weer ongestraft kunnen ontnemen; immers van de
vrouw-nietkiezer, hangt niet het behoud of het verwerven van een
Kamerzetel af, en men kan naar willekeur over haar welzijn beschikken,
zonder door haar ter verantwoording te worden geroepen.
Doch ook voor de gewone huismoeders, voor haar die zich uitsluitend
met de huishouding en de opvoeding der kinderen bezighouden, is het
stembiljet een niet langer te ontberen bezit geworden.
Over den aandrang die van de vrouwen zelve dient uit te gaan ter
verbetering van onze huwelijkswetgeving, en de hulp die zij daarbij
zullen hebben te verleenen, werd reeds in het begin van dit hoofdstuk
gesproken. Doch behalve deze, zijn er zooveel andere zaken die de
gehuwde vrouw ter harte gaan, en waarbij hare belangen gemoeid zijn.
Daar is onze belastingwetgeving. Hoe de gelden der gemeenschap
zullen besteed worden, daarbij heeft zij evenveel belang als ieder
staatsburger. Hoe de verdeeling der lasten zal zijn, daarvan hangt voor
een groot deel de welvaart van haar gezin af. Het was niet zonder reden
dat, toen de Tariefwet van Minister Kolkman dreigde, een krachtige
beweging onder de vrouwen ontstond om dit naderend onheil te helpen
afwenden, en dat bij tienduizendtallen (ruim 94.000 handteekeningen)
door haar werd geteekend op een adres aan de Tweede Kamer, waarbij
aan dit lichaam werd verzocht deze heillooze wet niet aan te nemen,
daar zij de welvaart van de groote meerderheid der gezinnen bedreigde.
_Zonder_ het kiesrecht konden deze vrouwen slechts verzoeken; _mèt_
het stembiljet gewapend, zouden zij aan hun verzoek ook _kracht_
kunnen bijzetten.
Eveneens heeft de gehuwde vrouw belang bij de sociale wetgeving. Het
kan haar niet onverschillig zijn of haar man schadeloos wordt gesteld,
wanneer hem in zijn werk een ongeval overkomt; zij heeft er belang bij,
hoe groot de premie zal zijn voor ziekteverzekering en of er, behalve
voor uitkeering van ziektegeld, ook wettelijk voor geneeskundige hulp
wordt gezorgd. Als er ouderdomspensioen zal komen, heeft zij er belang
bij of dit mèt of zonder premiebetaling zal zijn. Met het kiesbiljet
in handen, kan zij ook bij de oplossing van deze vraagstukken invloed
oefenen. Zonder kiesrecht heeft zij lijdelijk af te wachten wat over
haar en haar gezin besloten wordt. En als dan wordt besloten dat ook
voor de ouderdomsverzekering wekelijks weer een gedeelte van het loon
voor premiebetaling af moet, dan moet zij van het veelal karige loon
die percenten afzonderen en kan zij--weduwe geworden--haar alle rente
zien ontgaan en blijft haar geen andere keus dan bedelen of van de
openbare armenzorg afhankelijk zijn.
Juist het pas achter ons liggende tijdperk van wetgevenden arbeid
heeft zoo duidelijk in het licht gesteld, hoe men den kiezers naar de
oogen ziet. Om de regeeringsmacht te behouden, moest tot elken prijs
de sociale wetgeving worden afgeroffeld; men kon voor de kiezers niet
met leege handen komen! Andere belangen moesten daar maar bij achter
staan. Is het dan te verwonderen dat de vrouwen voor haar belangen
slechts bij uitzondering een welwillend luisterend oor zullen vinden,
zoolang zij deze niet als _kiezeres_ kunnen komen bepleiten?
Voor de moeder echter, die reeds om al de hierboven genoemde redenen
behoefte heeft aan het kiesrecht, doen zich nog veel krachtiger redenen
gelden die het bezit van politieke macht voor haar onontbeerlijk
maken; onontbeerlijker, naarmate de staatszorg zich steeds verder
gaat uitstrekken.
De moeder behoort in het gezin; zij is de opvoedster bij uitnemendheid
voor hare kinderen. Dit machtwoord klinkt alom, en men gebruikt het
te pas en te onpas. Doch terzelfder tijd komt de moderne wetgever
ingrijpen in dat gezinsleven en ontneemt steeds meer van dat
opvoedingswerk aan de moeder. Hij komt met de onderwijswetgeving en
bepaalt hoe en door wie het onderwijs zal worden gegeven. Hij beslist
over openbaar en bijzonder onderwijs; bepaalt wie het toezicht zullen
houden; regelt het vakonderwijs en zegt wat de kinderen noodig hebben
om goed toegerust het maatschappelijk leven in te treden. Hij komt met
de leerplichtwet en zegt hoe lang de kinderen verplicht zullen zijn de
lagere school te bezoeken. Er worden op de scholen maatregelen genomen
ter bevordering van de volksgezondheid; er zullen schoolartsen zijn
en schoolbaden. Er wordt gesproken over kindervoeding en -kleeding
van overheidswege. Zeer waarschijnlijk is de tijd niet ver meer,
waarop van regeeringswege ook het voorbereidend onderwijs zal worden
geregeld en er door de overheid wetten zullen worden gemaakt die
betrekking hebben op de verzorging van zuigelingen. Trouwens, in
andere landen is men reeds zoover; meermalen herdachten verschillende
propagandisten voor vrouwenkiesrecht met begrijpelijke ironie het feit,
dat in Parijs eerwaardige magistraatspersonen zich bezig hielden met
de bespreking hoe lang de slang van een zuigflesch behoort te zijn!
Ongetwijfeld is het uitstekend, dat de Staatszorg zich uitstrekt over
al deze belangrijke zaken; maar waarom blijft men nu niet consequent,
en roept hierbij de hulp in van haar, die men immers acht te zijn
kinderverzorgsters bij uitnemendheid--de moeders?