En dan de vrouwen die aan het hoofd staan van een zaak? Hoe

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

VROUWENKIESRECHT

Handboekjes

Elck 't Beste

Onder leiding van L. Simons

Uitgegeven door De Maatschappij voor

Goede en Goedkoope Lectuur Amsterdam

Dr. ALETTA H. JACOBS

En

F. S. VAN BALEN-KLAAR

VROUWENKIESRECHT

HOOFDSTUK I.

INLEIDING.

"De afgevaardigde, die prijs stelt op zijn mandaat,

moet bewust of onbewust, letten op hen, die bij de

stembus invloed hebben, en het is onmogelijk dat de

Kamer doorgaand even goed kan letten op de belangen

van hen, die geen stem hebben."

_Van Houten._ Vragen des Tijds, 1881.

"Het is onmogelijk op onpartijdige wijze voor de

belangen van het geheele volk te zorgen, als de

Kamerleden niet de zekerheid hebben, dat alle deelen

van het volk zich van hun standpunt uit door middel

van het stembiljet in de Kamer kunnen uitspreken."

_Jhr. de Savornin Lohman._

Handelingen van de Tweede Kamer

1886/1887.

Deze twee uitspraken, door bekende Staatsmannen geuit, toonen duidelijk

het belang van het kiesrecht voor den bezitter aan. Gemakkelijk zouden

vele dergelijke uitspraken van buitenlandsche Staatslieden nog daaraan

toegevoegd kunnen worden, uitspraken die allen op de een of andere

wijze doen uitkomen, _dat de belangen van hen die geen kiesrecht

bezitten, gerust kunnen worden verwaarloosd_, omdat de niet-kiezers

op geenerlei wijze bij machte zijn de regeeringspersonen over die

verwaarloozing ter verantwoording te roepen.

Wel is waar mag de afgevaardigde bij de uitoefening van zijn taak

slechts letten op _het belang van den Staat_, wanneer hij zijn

stem gebruikt tot het invoeren van nieuwe, of het afbreken van

oude wetten en maatregelen, maar des heeren van Houten's uitspraak,

hier boven afgedrukt, maakt het in korte woorden duidelijk, dat een

Volksvertegenwoordiger, die prijs stelt op zijn mandaat, bewust of

onbewust heeft te luisteren naar de wenschen zijner kiezers, dat hij

die wenschen en belangen in de eerste plaats heeft te behartigen,

omdat hij anders kans loopt bij de volgende verkiezing zijn zetel

aan een ander te moeten afstaan. Men behoeft ook maar eenigen tijd

de verslagen van de Tweede Kamer en Gemeenteraadszittingen te volgen,

om voorbeelden in overvloed te hebben die bewijzen, dat de leden dier

lichamen, die daar zitten om voor 's lands of gemeentebelangen te

waken, daar in de eerste plaats--enkelen uitgezonderd--zorgen voor de

belangen van hen, aan wie zij bij de stembus hun mandaat danken. Op

_het belang_ dat de kiezer bij het kiesbiljet heeft, berust dan ook

in alle landen elke kiesrechtuitbreiding.

De groote beteekenis van het kiesrecht voor de bezitters, vooral

zoolang zij met uitsluiting van anderen, dit recht als een voorrecht

bezitten, wordt door de bezitters maar al te goed begrepen. De

tegenstand, dien meestal elke uitbreiding van kiesrecht van de

zijde der kiezers ondervindt, vindt hierin zijn oorzaak. Men deelt

een voorrecht niet graag met anderen, vooral niet als het daardoor

steeds meer van zijn waarde inboet. Hoe beperkter toch het kiesrecht,

des te grooter is zijn beteekenis. Uitbreiding van kiesrecht komt

alleen dan tot stand, wanneer door een groot aantal niet-kiezers

de uitbreiding dringend geeischt wordt en een of ander invloedrijke

politieke partij, die dan in den regel niet aan het bewind is, zich

er voor verklaart en later, als de regeering in hare handen komt,

wel gedwongen wordt de gedane belofte na te komen.

In den regel wordt overal elke kiesrechtuitbreiding zoo lang

mogelijk tegengehouden en wordt zij den regeerders als het ware

afgedwongen. Herhaalde malen ging zoo'n afdwinging met brandstichten

en bloedvergieten gepaard, of, zooals o.a. nog dit jaar in

België geschiedde, gaat men tot een algemeene werkstaking over,

die het land millioenen kost. Ons land heeft, dank zij den kalmen

aard onzer landgenooten, nooit zulke heftige tooneelen voor een

kiesrechtuitbreiding beleefd; ook hebben onze politici nooit tot het

uiterste oogenblik gewacht, voor zij een nieuwe groep kiezers tot de

stembus toelieten. Met langzaam tempo is het mannenkiesrecht in ons

land steeds uitgebreid en staat thans het algemeen mannenkiesrecht

hier voor de deur.

Elke uitbreiding van mannenkiesrecht maakt den toestand voor de vrouw

slechter. Dit ligt voor de hand. Door het leger der kiezers, der

machthebbenden, te versterken, maakt men de positie der uitgeslotenen

machteloozer. Met voorbeelden aan de praktijk ontleend, is dit

trouwens aantoonbaar. Niet alleen in andere landen is geconstateerd,

dat elke uitbreiding van mannenkiesrecht de rechten der vrouwen heeft

bekort en dat in de landen met algemeen mannenkiesrecht de wettelijke

positie der vrouwen het slechtste is, maar ook voor ons land geldt

dat--vooral met betrekking tot haar recht op arbeid, haar recht om in

eigen onderhoud te voorzien--de vrouw, telkens als een nieuwe groep

kiezers tot de stembus werd toegelaten, een deel van hare vrijheid

moest inboeten. Zoo werd zij uit een heele reeks beroepen, waarin zij

zich met moeite een plaats had weten te veroveren, verdreven en werden

andere, nog vóór zij er kon binnentreden, wettelijk voor haar gesloten.

Maar ook, hoe meer de vrouw in haar strijd voor kiesrecht

geïsoleerd staat, des te moeilijker wordt het voor haar dit recht

te veroveren. Niet alleen moet zij dan steeds meer kiezers winnen

voor haar eisch; moet zij een steeds grooter wordende schare mannen

overtuigen, dat het in het belang is der maatschappij als "alle deelen

van het volk zich door middel van het stembiljet kunnen uitspreken,"

maar zij vindt ook bij de Afgevaardigden in het Parlement niet zoo

gemakkelijk gehoor, eensdeels omdat die heeren dan zooveel meer tijd

noodig hebben om de grieven aan te hooren van hunne grooter groep

kiezers, immers "de afgevaardigde die prijs stelt op zijn mandaat

_moet_ letten op hen, die bij de stembus invloed hebben," anderdeels,

omdat de steeds dringender wordende eisch naar uitbreiding der sociale

wetgeving, dan nog meer tijd van de heeren zal in beslag nemen en

er nog minder gemakkelijk toe zal worden overgegaan om de wetgevende

machine voor een tijd lang stop te zetten, alleen om vrouwenkiesrecht

in te voeren. En het is juist die sociale wetgeving, die de meeste

vrouwen de oogen geopend heeft, om haar de waarde van het kiesbiljet

te doen zien. De groote beteekenis die het kiesrecht voor den bezitter

heeft, komt bij sociale wetgeving het duidelijkst aan het licht.

Wel wordt dikwijls door bezitters van het kiesbiljet beweerd, dat de

niet-bezitters er een te groote waarde aan hechten, dat de macht er van

schromelijk wordt overdreven, dat men door middel van het kiesbiljet

geen wet tot stand kan brengen, of de invoering van ongewenschte

maatregelen kan tegengaan, maar dezulken toonen alleen dat zij van hun

kiesbiljet nog nooit een goed gebruik hebben gemaakt. Wanneer men het

kiesbiljet uit een individueel oogpunt beschouwt en er een individueel

gebruik van maakt, dan kan er geen groote kracht van uitgaan. Een

enkel op zich zelf staand persoon kan met zijn kiesbiljet niet veel

tot stand brengen. Eerst als een min of meer groote groep kiezers

er een gezamenlijk gebruik van maken, komt de groote macht van het

kiesbiljet duidelijk aan het licht. Om daarvan een goed voorbeeld

te hebben, ga men slechts na wat de werklieden in ons land, sedert

zij in 1887 voor een deel en in 1896 voor een grooter deel tot de

stembus werden toegelaten, in dien betrekkelijk korten tijd met

dat stembiljet reeds tot stand hebben gebracht. Vóór dien tijd was

het alsof de regeering de belangen en behoeften der werkliedenklasse

niet kende, en wat sterker is, het was alsof de werklieden zelve toen

hunne belangen niet begrepen. Eerst na de werklieden, zij het dan nog

slechts voor een deel, tot de stembus werden toegelaten, begonnen

in ons land de vakorganisaties eenige beteekenis te krijgen. In

organisatie, in een gezamenlijk optreden voor gezamenlijke belangen,

wordt aan het kiesbiljet de kracht verleend. In zulk een organisatie

kunnen gemeenschappelijke belangen onderling worden besproken en

in duidelijk geformuleerde eischen worden belichaamd, die dan bij

de stembus gewicht in de schaal leggen, omdat zij dan komen van een

groote groep kiezers, die het gezamenlijk in de macht hebben om den

afgevaardigde zijn zetel te doen behouden of hem te doen vallen. De

reeks wetten en bepalingen, die de werklieden in ons land aan het

bezit van het kiesbiljet danken, hebben tal van groote verbeteringen

in hunne wettelijke en maatschappelijke positie aangebracht, terwijl

zij aan dat bezit ook danken, dat de regeering en de gemeenteraden,

waar die zelf als werkgever optreden, op weg zijn modelwerkgevers

voor hen te worden.

Doch buiten en behalve deze tastbare voordeelen, die het kiesrecht

met zich brengt, moet men er ook nog in anderen zin groote beteekenis

aan hechten. Zoo bezit het een groote opvoedende kracht. Al heel

spoedig ziet elke kiezer in, dat hij als alleenstaand persoon met

zijn kiesbiljet niet veel kan uitrichten, en daarom gaat hij er toe

over zich bij een bestaande organisatie aan te sluiten. En mocht hij

zelf dit belang niet spoedig genoeg inzien, dan zijn de organisaties

daar om hem er van te overtuigen, want elke organisatie wenscht

een groot aantal leden, vooral als deze het kiesrecht hebben en

bij de verkiezingen de macht der organisatie kunnen vergrooten. Het

is natuurlijk hier niet de plaats om in den breede aan te toonen,

waardoor het lid zijn van eene organisatie uit zich zelf al reeds

opvoedend werkt. In het gezin kan men tot huiselijke deugden worden

opgevoed, in het vereenigingsleven doet men meestal de indrukken op,

die iemand tot een goed maatschappelijk mensch vormen. Het "allen

voor een en een voor allen," dat zich verder moet strekken dan tot

eigen familiegroep, leert men in hoofdzaak alleen buiten het gezin

en het meest in het vereenigingsleven.

Men kan echter aan het kiesrecht ook nog eene symbolische beteekenis

toekennen. Het kiesrecht stempelt den bezitter tot een vrij, een mondig

burger. Het verheft hem boven zijn niet-kiesgerechtigden medeburger,

die als geestelijk minderwaardige, niet in staat wordt geacht zijn

kiesrecht naar behooren te kunnen vervullen.

Tot zulke niet-kiesgerechtigde burgers, tot zulke minderwaardigen

in den lande, behooren in Nederland alle vrouwen. Toch mag daaruit

niet de gevolgtrekking gemaakt worden, dat men de vrouwen in het

algemeen geestelijk zoo minderwaardig beschouwt, dat men haar niet

in staat acht het kiesrecht naar behooren te vervullen. Veeleer moet

het niet-kiesgerechtigd zijn worden toegeschreven aan het feit dat

de vrouwen, door den ontwikkelingsgang der maatschappij, buiten het

politieke leven zijn geraakt en dat er tot voor betrekkelijk korten

tijd geen sterke drang uitging van de vrouwen om er weder in te

worden opgenomen.

Wel waren er in de laatste eeuwen in alle landen vrouwen, die

inzagen van welk groot belang het voor de vrouw en de maatschappij

was als mannen en vrouwen samen de belangen van den Staat regelden,

maar dit waren altijd op zich zelf staande personen, die er niet in

slaagden genoeg geestdrift te wekken om vereenigd voor dit recht te

gaan strijden. Voor een deel was dit een gevolg van de toen bestaande

maatschappelijke toestanden, die zoo geheel anders waren als nu; de

vrouw was daardoor te veel aan haar huis gebonden om zich met zaken,

het algemeen belang betreffende, veel in te laten. Toch hebben in het

laatst der 18e eeuw reeds een aantal Fransche vrouwen, onder leiding

van de schoone, later onthoofde, _Olympe de Gouges_, eenigen tijd zeer

krachtig voor vrouwenkiesrecht gestreden. Uit dien tijd dateeren ook

twee geschriften, de een van den Franschen Staatsman, _Condorcet_,

die even als in zijn vlugschrift ook in het Fransche Parlement de

toelating der vrouwen tot de stembus op zeer deugdelijke gronden

verdedigde; de ander van _Mary Wollstonecraft_, die in Engeland voor de

rechten der vrouw een zeer krachtig schriftelijk pleidooi hield. Beide

geschriften zouden nog door de verdedigers der politieke rechten der

vrouw met vrucht kunnen worden aangehaald.

Toch moesten er blijkbaar nog andere dingen gebeuren om de vrouwen

te doen inzien dat zij tegenover de maatschappij verplicht waren,

medezeggenschap te verlangen bij het maken der wetten. En zoo duurde

het tot het midden der 19e eeuw alvorens er ergens een georganiseerde

vrouwengroep voor hare politieke ontvoogding begon te strijden. Amerika

ging voor. Het waren vrouwen, strijdende voor de afschaffing der

slavernij, die het eerst hare machtelooze positie voelden, zoolang

zij allen rechtstreekschen invloed op de wetgeving misten. Deze

vrouwen en zij die den oorlog aan de alkohol-dranken verklaard

hadden, wisten genoeg bezieling te wekken om den indruk van de eerste

openbare vergadering voor vrouwenrechten, die in 1848 te Seneca Falls

gehouden werd, blijvend te maken. Uit de eerste strijdsters voor

vrouwenkiesrecht in Amerika zijn de namen van _Lucretia Mott_, _Lucy

Stone_, _Elisabeth Cady Stanton_ en _Susan B. Anthony_ het best bekend.

Na Amerika volgde weldra Engeland. Het waren de gruwelen in den

Krimoorlog, door _Florence Nightingale_ aan het licht gebracht, en

later het lijden en de ontberingen in den opstand in Britsch-Indië

geleden, waardoor de oogen van sommige vrouwen in Engeland het eerst

geopend werden voor het belang van invloed op het staatsbeleid. Later,

toen in 1857 in het Engelsche parlement de wet op echtscheiding werd

aangenomen, die nog van kracht is, waarbij een ongelijke maatstaf voor

zedelijkheid voor man en vrouw werd afgekondigd, zoodat handelingen

door de vrouw bedreven reden tot echtscheiding geven, terwijl diezelfde

handelingen door den man ongestraft kunnen worden verricht, toen gingen

op eens de oogen van vele Engelsche vrouwen open en zagen zij in,

welk belang zij, ook voor eigen recht, bij het kiesrecht hadden. Van

dien tijd af dateert de georganiseerde vrouwenkiesrechtbeweging in

Engeland. In 1866 werd het eerste groote verzoek om invoering van

vrouwenkiesrecht, door 1,499 vrouwen geteekend, bij het Engelsche

gouvernement ingediend en in 1867 werd het eerste wetsvoorstel, tot

invoering van vrouwenkiesrecht, in het Engelsche parlement besproken

en met 73 tegen 196 stemmen verworpen.

Dat mijn, hier voren uitgedrukte bewering, dat met elke

kiesrechtuitbreiding der mannen de rechten der vrouwen worden

ingekort op feiten berust, blijkt uit de Engelsche geschiedenis

duidelijk. In de 19e eeuw werd het kiesrecht van de Engelsche mannen

drie keer uitgebreid, telkens werd het aantal kiezers ongeveer

verdubbeld. Het was in 1832, 1867 en in 1884 en tegelijkertijd of

kort daarna werden vrouwen eenige belangrijke rechten ontnomen. In

1835 werd door invoeging van het woord "mannelijk" het kiesrecht

voor de gemeenteraden, hetwelk de vrouwen vóór dien tijd bezaten,

haar ontnomen. In 1894 verloren zij het recht als "eigenaars" bij

verschillende aangelegenheden te stemmen en in 1899 verloren zij het

recht om in armbesturen te zitten. In 1902 ontnam men haar het recht

om in schoolbesturen te worden gekozen. Na een zwaren strijd hebben

zij nu al deze rechten herwonnen, maar de vele wetten, die in dien

tijd aangenomen zijn, waarbij vrouwen uit vele beroepen gehouden of

anderen voor hen gesloten worden, zijn legio en niet zoo gemakkelijk

te niet te doen.

Langen tijd waren Amerika en Engeland de eenige landen waar de

Vrouwenkiesrechteisch gehoord werd. Onder de Europeesche landen behoort

Nederland tot een der eerste landen, die dit voorbeeld volgden. Ook

in ons land ging de eerste eisch tot uitbreiding van mannenkiesrecht

gepaard met het ontnemen van dit recht aan de vrouw. De voorstellen

tot grondwetswijziging in 1881 ingediend, waarin de eisch voor het

uitgebreider mannenkiesrecht was geformuleerd, gaven tevens aan om dan

in elk artikel met betrekking tot kiesrecht en verkiesbaarheid voor het

woord "Nederlander" het woord "mannelijk" te plaatsen en ook daar waar

het woord "Nederlander" door het woord "ingezetene" is vervangen. Door

deze bijvoeging toonde men duidelijk aan, dat bij de oude grondwet de

vrouw niet van het kiesrecht was uitgesloten en dat Burg. en Weth. van

Amsterdam, het Kantongerecht in Amsterdam en de Leden van den Hoogen

Raad in den Haag, onwettig handelden, toen zij in 1883, toen nog de

oude grondwet van kracht was, afwijzend beschikten op een verzoek om

op de kiezerslijst geplaatst te worden van eene vrouw, die aan alle

eischen, aan een kiezer gesteld, voldeed. Bij de oude grondwet waren

de vrouwen niet van het kiesrecht uitgesloten, zij verloren dit recht

bij de eerste groote uitbreiding van mannenkiesrecht.

Toch duurde het nog tot 1894 alvorens in ons land eene

vrouwenkiesrechtvereeniging tot stand kwam. Het waren eenige leden van

de Vrije Vrouwenvereeniging die de mannen en vrouwen samenbrachten,

door wie in den aanvang van 1894 de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht

werd gesticht. Deze vereeniging die nu bijna 20 jaren gewerkt heeft

om de vooroordeelen te overwinnen, waarmede elke nieuwe beweging te

kampen heeft, bezit thans bloeiende afdeelingen over heel het land

en telt hare aanhangers bij duizenden.

Op dit oogenblik zijn er in alle werelddeelen en in bijna alle

landen van Europa vereenigingen, die strijden voor invoering van

vrouwenkiesrecht, en die aangesloten zijn bij den Wereldbond voor

Vrouwenkiesrecht. Alleen in Spanje, Griekenland en Perzië zijn

de vrouwen met hare organisaties nog niet zoo ver om zich bij den

Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht te kunnen aansluiten, maar het is

toch bekend dat ook daar reeds vele vrouwen samenwerken om invloed

te krijgen op het staatsbestuur.

Deze, thans in alle landen geuite, wensch der vrouwen om aan den

regeeringsarbeid deel te nemen, vindt zijn grond in hoofdzaak in de

tegenwoordige taak der regeeringen. Bij de sociale wetgeving, die thans

overal aan de orde is, wordt ten eerste de onderlinge verhouding der

menschen wettelijk geregeld en ten tweede beweegt de regeering zich

daarbij op een terrein, waar van oudsher de werkkring der vrouw lag. In

beide gevallen willen de vrouwen recht van medespreken hebben. Zij

meenen dat waar bijv. de verhouding geregeld wordt van werkgever tot

werknemer, de vrouwelijke deelnemers aan den arbeid mede gehoord dienen

te worden; dat waar de verhouding van man tot vrouw of van ouders tot

kinderen geregeld wordt, de vrouw als echtgenoote of moeder dient mede

te spreken; zij voelen het als een groote onrechtvaardigheid dat in

zulke gevallen de verhouding éénzijdig geregeld wordt, door aan een van

de beide partijen het recht van medezeggenschap eenvoudig te onthouden.

En waar de regeering zich tegenwoordig bemoeit met het verzorgen

van ouden, armen en zieken, met kinderbescherming, kinderopvoeding en

kindervoeding, met wetten voeding en huisvesting betreffende en nog tal

van andere moederlijke bemoeiingen meer, daar meent de vrouw, dat zij

zich de haar opgelegde taak op aarde, er de moederrol te vervullen,

niet verder uit handen mag laten nemen. Het ligt toch voor de hand

dat de vrouwen, die van oudsher zich met al deze zaken hebben belast,

die daarvoor eene roeping gevoelen en die zich ter wille van dit werk

hebben laten terugdringen van andere arbeidssferen, zich verplicht

gevoelen om bij de wettelijke regeling er van de moederstem te laten

medespreken.

De woorden, waarmede de heer Carl Bonde, Bisschop van de Luthersche

Kerk te Stockholm, tijdens het Congres van den Wereldbond voor

Vrouwenkiesrecht aldaar in 1911, zijne rede over dit vraagstuk

eindigde, dat "de tijd voor invoering van vrouwenkiesrecht reeds lang

is gekomen en de regeeringen in alle landen met deze invoering niet

meer te vroeg maar wel te laat kunnen komen," verdienen in parlementen

ernstig overwogen te worden.

Vóór men op het gebied van sociale wetgeving verder gaat, dient men

eerst de vrouwen het kiesrecht te geven.

HOOFDSTUK II.

HET BELANG VAN HET KIESRECHT VOOR DE ONGEHUWDE VROUW.

Wanneer men met anderen, hetzij mannen of vrouwen, spreekt over de

wenschelijkheid van de invoering van vrouwenkiesrecht, dan wordt

vrij spoedig toegegeven, dat althans de ongehuwde vrouw, die haar

eigen brood verdient, aanspraak zou mogen maken op het bezit van het

stembiljet. Laat mij er terstond bijvoegen dat men dan gemeenlijk

het oog heeft op de vrouwen uit den beschaafden stand, die in eene

ambtelijke betrekking, of in de z.g. vrije beroepen werkzaam zijn. De

reden waarom men aan die categorie van vrouwen het kiesrecht zou willen

geven, berust voor het grootste deel op het rechtvaardigheidsgevoel.

Waarom ook niet?

Waar bij post en telegrafie, in de regeeringsbureaux, ten stadhuize,

op belastingkantoren, de vrouwelijke ambtenares werkt naast haar

mannelijken ambtgenoot, waar de leerares naast den leeraar, de

onderwijzeres naast den onderwijzer voor de klasse staat, daar springt

wel allereerst de billijkheid in het oog van den wensch om bij gelijke

opleiding,--dus gelijke bekwaamheid--ook dezelfde staatkundige rechten

te bezitten.

Nog sterker sprekende voorbeelden zijn, van dit gezichtspunt uit

beschouwd, aan te voeren.

Wanneer men de vrouw uitsluit van het bezit van staatkundige rechten,

omdat zij niet de noodige bekwaamheid tot de uitoefening daarvan zou

bezitten, dan komt men tot de volgende dwaze tegenstellingen.

Daar is de directrice van een Hoogere Burgerschool voor meisjes,

die dus aan het hoofd staat van een groote onderwijsinrichting,

eene betrekking waarvoor veel studie werd vereischt, en voor de

vervulling waarvan allerlei andere bekwaamheden, als menschenkennis,

tact, organiseerend talent, enz. worden verlangd. Als het er echter op

aankomt een lid voor den gemeenteraad of een volksvertegenwoordiger

in de Tweede Kamer te kiezen, dan acht men den concierge van hare

inrichting daartoe beter geschikt dan haar, alleen omdat hij een

man is!

Daar is de vrouwelijke arts. Jaren van ernstige studie heeft zij

moeten doormaken, en vele menschenlevens worden aan hare bekwaamheid

toevertrouwd. Doch als er bestuurders van stad en land moeten worden

gekozen, dan geeft men haar koetsier, die het loon dat hem tot

kiezer maakt, bij _haar_ verdient, daartoe het recht, terwijl _zij_

mag toezien.

Nòg sterker komt de inconsequentie welke men begaat door de vrouw

van het kiesrecht uit te sluiten, uit in het volgende geval.

In ons land zijn reeds verscheidene vrouwelijke rechtsgeleerden

toegelaten tot de balie, en oefenen de rechtskundige praktijk uit

als advocaat en procureur. Door hare studie hebben zij natuurlijk

groote kennis opgedaan omtrent onze wetgeving en alles wat daarmede

in verband staat. Zij treden in de rechtszaal op, om de belangen te

verdedigen van hare cliënten, waaronder natuurlijk ook menigmaal

mannen zijn. Van hare bekwaamheid en kennis hangt het voor vele

menschen,--waaronder ook weer mannen--af, of zij een proces zullen

winnen of verliezen, of zij tot een kleine of groote straf zullen

worden veroordeeld, of wel in vrijheid gesteld. Doch men staat aan

diezelfde vrouwelijke rechtsgeleerden, aan wie toch zooveel ernstige

zaken worden toevertrouwd, niet toe, invloed te hebben op wetgeving en

regeering, alweder om haar _vrouw_-zijn, terwijl haar minst ontwikkelde

mannelijke cliënt, omdat hij nu eenmaal een _man_ is, wèl wordt in

staat geacht om de volksvertegenwoordigers te helpen kiezen.

En dan de vrouwen die aan het hoofd staan van een zaak? Hoe menigeen

onder haar heeft niet door groote werkkracht en energie een bedrijf

tot bloei gebracht en daardoor getoond over de noodige ontwikkeling

te beschikken om ook over andere aangelegenheden een oordeel te

kunnen uitspreken. Maar als het er op aankomt mee te beslissen hoe de

staatsgelden zullen worden besteed, die zij toch ook in den vorm van

belasting heeft helpen bijeenbrengen, als het er op aankomt wettelijk

de verhouding tusschen werkgever(ster) en werknemer te regelen, als

er sprake is van het maken van verzekeringswetten ten behoeve van het

personeel, dan wordt naar _hare_ meening niet gevraagd; dan heeft zij

eenvoudig aan de wet te gehoorzamen, terwijl haar kantoorbediende, haar

kellner, haar loopknecht, als kiezer een woordje kunnen meespreken,

alweer alleen om de eenvoudige reden dat zij zijn van het mannelijk

geslacht.

Genoeg voorbeelden om te doen zien, dat het, bij de positie

die tegenwoordig door de ontwikkelde, beschaafde vrouw in onze

maatschappij wordt ingenomen, in hooge mate onrechtvaardig is, haar

het kiesrecht te onthouden, en dat dit leidt tot groote wanverhoudingen

en inconsequenties.

Doch bovendien hebben al deze vrouwen _belang_ bij de wetgeving.

Het is immers een bekend en erkend feit, dat de belangen van

die groepen der bevolking het best worden behartigd, welke door

middel van het kiesrecht invloed hebben op de samenstelling der

vertegenwoordigende lichamen. Wie dacht er b.v. aan sociale wetgeving,

vóórdat het kiesrecht zoover was uitgebreid dat ook een breede schare

van arbeiders werd toegelaten tot de stembus?

Wie zal er omgekeerd aan denken de afzonderlijke vrouwenbelangen naar

eisch te behartigen, zoolang geen enkele vrouw het kiesrecht bezit?

En al de hierboven genoemde vrouwen hebben toch groot belang bij

de wetgeving. Daar is b.v. de bijna alom heerschende ongelijke

salarieering van mannelijke en vrouwelijke onderwijskrachten. Men

vindt het doodgewoon, dat de leerares aan een middelbare school of

een gymnasium minder salaris geniet, dan haar mannelijke collega; de

directrice van een gelijksoortige school krijgt minder traktement dan

een directeur. Waarom? Wel, men is zoo spoedig geneigd om een salaris

"heel mooi" te vinden voor een _meisje_ of voor een _vrouw_. Een

leeraar heeft immers een gezin te onderhouden, een leerares niet! Maar

als nu die leerares óók eens een gezin had te steunen, b.v. voor de

opleiding had te zorgen van jongere broers en zusters, of een ouden

vader en moeder had te verzorgen? Of als zij gehuwd was en haar

man werd ziek of invalide, en kon niet voor zijn gezin zorgen, of

verdiende misschien alleen niet genoeg? Dan had zij toch óók plichten

jegens anderen te vervullen, en behoefte aan een grooter salaris?

Niet anders is het gesteld bij het Lager Onderwijs. Ook daar verdient

in den regel de onderwijzer meer dan zijn vrouwelijke collega, en

men durft als eenig argument tegen deze ongelijke bezoldiging aan te

voeren, dat een meisje niet zooveel behoeften heeft als een jonge man!

Maar wat gaat het den Staat of de Gemeente aan, welke behoeften zijne

ambtenaren hebben? Wat zou het tot grove onbillijkheden en willekeur

leiden, wanneer men bij de bezoldiging van een ambt of betrekking ging

vragen welke speciale behoeften de bekleeder er van heeft? De eenige

maatstaf moet immers zijn, welk salaris de betrekking waard is en wat

men er redelijkerwijs voor beschikbaar mag en kan stellen. Doch dan

heeft men _nooit_ te vragen _wie_ het ambt bekleedt. Of dit een man

is of een vrouw mag daarbij niet van invloed zijn. Als de opleiding

gelijk is, als men aan de geschiktheid om de betrekking waar te nemen

dezelfde eischen stelt, als bovendien de praestaties gelijk zijn,

dan hebben nòch persoonlijke behoeften, nòch de sexe iets met de

bezoldiging te maken.

Doch zoolang de vrouw het stembiljet niet bezit, zal in dezen staat van

zaken geen verandering zijn te brengen, eenvoudig omdat de vrouwen

het middel missen om invloed te oefenen op de samenstelling der

wetgevende macht, en zij zelve haar belangen niet kunnen verdedigen

in gemeenteraad of Tweede Kamer.

Behalve deze ongelijke salarisregeling zijn er nog andere zaken

die den strijd om het bestaan voor de intellectueel hoog-staande,

werkende vrouw zwaarder maken. Zeker, er staan thans vele ambten voor

de vrouw open, doch van vele andere is zij nog uitgesloten, terwijl in

weer andere de hoogere rangen voor haar niet bereikbaar zijn. En hier

heeft men volstrekt niet te doen met verouderde wetten; integendeel,

waar voorheen de wetgever slechts sprak van Nederlanders die voor het

vervullen van een of ander ambt konden in aanmerking komen, heeft men

in onze dagen fluks het woord _mannelijk_ voor Nederlander gevoegd,

zoodat de deur flink op slot blijft voor de vrouw.

Dit gebeurde o.a. in 1904, toen de Gemeentewet werd gewijzigd. Bij de

opsomming der voorwaarden waaraan men moet voldoen om tot Burgemeester,

Secretaris of Ontvanger eener gemeente te worden benoemd, heeft

men de _nieuwe_ bepaling ingelascht, dat slechts _mannelijke_

Nederlanders voor deze ambten kunnen in aanmerking komen. Dat het

hier de vooropgestelde bedoeling was, om de vrouw te weren, ligt voor

de hand; immers de overige voorwaarden waaraan men wettelijk heeft

te voldoen om benoembaar te zijn tot genoemde functies zijn al zeer

weinige. Er wordt geen examen geëischt, er worden geen bijzondere

bewijzen verlangd dat men voor het ambt geschikt is; de betreffende

artikelen in de Gemeentewet spreken enkel als criterium voor de

benoembaarheid uit, dat men moet zijn: "_mannelijk_ Nederlander,

niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer,

over zijn goederen heeft verloren, noch van de verkiesbaarheid

is ontzet," dat men "den ouderdom van 25 jaar heeft vervuld (voor

secretaris is een leeftijd van 23 jaar voldoende) en ingezetene is

van de gemeente." Voor een burgemeestersbenoeming kan echter worden

afgeweken van de bepaling dat men ingezetene is van de gemeente;

voor de benoeming van secretaris of ontvanger bestaat zij niet.

Men ziet het, de wettelijke eischen zijn volstrekt niet onbereikbaar

voor vrouwen; zelfs die van het ontzet worden van de verkiesbaarheid

kan voor haar niet gelden! Dat daarentegen het niet-verkiesbaar zijn

(als volksvertegenwoordiger(ster) in eenig regeeringslichaam) een

beletsel zou kunnen wezen om de bedoelde ambten naar behooren te

vervullen, weet ieder die eenigszins bekend is met de werkzaamheden

die er aan zijn verbonden. Bovendien is het niet verkiesbaar zijn

geen schande; de ontzetting uit de verkiesbaarheid natuurlijk wel;

deze twee ongelijksoortige grootheden kunnen daardoor evenwel nimmer

op één lijn worden gesteld. Een vrouwelijke gemeentesecretaris kan men

zich dan ook evengoed denken als een mannelijke, vooral daar zéér vele

vrouwen getoond hebben uitstekend geschikt te zijn voor organiseerend

en administratief werk. En voor het beheer over geldmiddelen zijn de

vrouwen zeker niet minder geschikt dan de mannen; nauwkeurigheid en

zuinigheid zijn te allen tijde nog veel meer specifiek vrouwelijke

eigenschappen geweest dan mannelijke. En wat de vervulling van het

burgemeestersambt betreft: sedert eenige jaren staat in Engeland dit

ambt ook voor vrouwen open, en over die vrouwelijke functionarissen

schijnt men daar best tevreden te zijn. Willens en wetens heeft men

dus in 1904 de gemeentewet in het nadeel der vrouwen veranderd.

Evenzoo is in datzelfde jaar 1904 bij de herziening van de Wet op het

Notarisambt art. 23 gehandhaafd, waarbij bepaald wordt, dat een vrouw

geen getuige mag zijn bij het opmaken van een notarieele acte. Toch

waren er talrijke adressen bij den Minister van Justitie ingediend met

verzoek deze voor de vrouw zoo kwetsende bepaling te schrappen. En

al wederom rijst de begrijpelijke vraag: zou men ook aldus hebben

gehandeld indien de vrouw zich als kiezeres had kunnen doen gelden?

Eenzelfde opzettelijk uitsluiten van de vrouw geschiedde in 1912,

toen in de Beroepswet werd bepaald dat geen vrouwen kunnen zitting

nemen in de Raden van Beroep of in den Centralen Raad van Beroep. Toch

zijn er werkgeef_sters_ en arbeid_sters_, en zijn er eveneens vrouwen

te vinden, die voldoen aan de eischen die gesteld worden aan de leden

van den Centralen Raad van Beroep. Maar men heeft door de bepaling

dat enkel _mannelijke_ ingezetenen des Rijks benoembaar zijn, de

vrouwen aan den eenen kant belet om voor de belangen der vrouwelijke

werkgeefsters en der arbeidsters op te komen, en aan den anderen kant

een goed gesalarieerde betrekking voor haar onbereikbaar gemaakt.

Wat nu betreft het feit dat in vele ambtelijke betrekkingen slechts de

lagere rangen voor de vrouwen openstaan dient o. a. gewezen te worden

op de arbeidsinspectie, waar de adjunct-inspectrice in rang steeds

blijft beneden den adjunct-inspecteur. Men heeft in 1909 voor deze

vrouwelijke ambtenaren de examen-eischen verlaagd, zonder daarom

haar werkkring in belangrijkheid te doen verminderen. De lagere

eischen die men toen echter voor het examen aan haar ging stellen,

waren voldoende motief om haar salaris aanzienlijk te verminderen,

en veel lager te stellen dan dat van den adjunct-inspecteur. Verder

op den dienst bij Post- en Telegrafie, waar ook slechts de lagere

rangen door vrouwelijke ambtenaren kunnen worden bezet. Men is

in dezen tak van dienst zelfs op dit moment nog bezig om meerdere

belemmerende bepalingen ten opzichte van de vrouwen in het leven te

roepen. Konden tot nu toe de vrouwen nog werkzaam zijn als commies, en

konden zij het beheer hebben over kleinere post- en telegraafkantoren,

thans Juni 1913 is door den betrokken Minister het besluit genomen, en

door het Hoofdbestuur van Post- en Telegrafie gepubliceerd, dat in het

vervolg geen vrouwen meer zullen worden toegelaten tot het examen van

commies. Van 1914 af zullen dus ook de hoogere rangen, die tot nu toe

wél bereikbaar waren, nog bovendien voor de vrouwen zijn afgesloten.

Is er sterker bewijs te leveren voor de bewering dat enkel het

bezit van het kiesrecht de vrouwen zal kunnen vrijwaren voor een

dergelijk driest ingrijpen in hare bestaansvoorwaarden? Zelfs al

komt wellicht een andere regeering het besluit van den reactionnairen

minister te niet doen, zoo blijft de vrees toch steeds bestaan, dat

bij verandering van bewind de zaak weer opnieuw ten nadeele van de

vrouwen wordt geregeld.

Doch genoeg over deze zijde van het vraagstuk.

Hoe staat het echter met de vrouw die in de meer gangbare beteekenis

van het woord loonarbeidster is; heeft ook zij behoefte aan het

kiesrecht?

Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat wie belang heeft bij de

wetgeving, ook in staat moet worden gesteld er invloed op te oefenen,

dan heeft wellicht niemand meer dan juist de loonarbeidster behoefte

aan het stemrecht. Zij, die door den drang der omstandigheden

werd gedreven naar werkplaats en fabriek, kantoor of winkel,

eensdeels omdat in het gezin niet genoeg werk meer is te vinden

voor veel vrouwenhanden, (immers nam de groot-industrie een groot

deel van de vroegere taak der vrouwen over) anderdeels omdat bij de

noodzakelijkheid om datgene te koopen wat vroeger in het gezin werd

vervaardigd, het loon van den vader alleen niet meer voldoende was

om in de levensbehoeften te voorzien,--kwam daar binnenvallen op de

arbeidsmarkt, en haar deel opeischen van het werk, zonder dat er een

plaatsje voor haar open was. Dat gaf natuurlijk een geweldige botsing

en een strijd van belang. De vrouw werd door de mannelijke werkers

volstrekt niet met open armen ontvangen en had veel moeite zich een

bestaan te veroveren. Toch gelukte haar dit in zeer vele gevallen,

omdat zij arbeidzaam is en handig, en een zeer bruikbare werkkracht

bleek te zijn. Doch in vele gevallen kan ook de arbeidster slechts

werk krijgen of behouden, indien zij bereid is haar arbeidskracht voor

minder loon te geven dan haar mannelijke concurrent. Doet zij dit,

dan is zij dikwijls een zeer gewilde werkkracht voor den werkgever,

en de concurrentie tusschen mannen en vrouwen wordt heviger dan ooit.

Doch nu komt de arbeidswetgeving een woordje meespreken. De arbeid

van jeugdige personen en vrouwen wordt volgens wettelijke bepalingen

geregeld; men vindt dat deze arbeid bescherming behoeft. Uitstekend;

om uitbuiting te voorkomen en de volksgezondheid te bevorderen is het

goed dat de wetgever ingrijpt. Maar wat is voor de vrouw-arbeidster het

gevolg van al die bescherming, waarbij men haar oordeel niet vraagt,

waarbij zij geen stem heeft in het kapittel? Dat zij en haar arbeid

zóó hevig worden beschermd, dat het verkrijgen van goed betaald werk

haar in vele gevallen onmogelijk wordt gemaakt.

De voorstanders van de afzonderlijke bescherming van vrouwenarbeid

behoeven zich geen illusies te maken, dat zij daardoor de loonarbeid

der vrouw zullen doen verminderen, en dus, naar hun beweren althans,

de gezondheid der vrouwen zullen sparen. Integendeel: van de fabriek,

uit winkel of werkplaats verdreven, waar zij te voren een ordentelijk

loon genoot, waar de arbeidsinspectie zorgt voor licht en ruimte enz.,

zal zij moeten omzien naar ander werk, en dit veelal vinden onder

veel ongunstiger omstandigheden. En anders zal zij haar werkkracht

moeten geven aan de huisindustrie, en dáár zeker iederen kans op een

menschwaardig bestaan verliezen en hare gezondheid er bij inboeten.

Men begrijpe het toch goed, dat de vrouw niet uit liefhebberij naar

fabriek of werkplaats trekt. Zij moet toch in haar levensonderhoud

voorzien, evengoed als de man! En overal vindt zij belemmeringen. Niet

enkel dat de groot-industrie haar een goed deel van den gezinsarbeid

ontnam; in vele vroeger bij uitstek vrouwelijke vakken wordt zij door

den man verdrongen. Ziehier enkele voorbeelden.

Hoe staat het b.v. met boter en kaas maken, vroeger toch wel een

uitsluitend vrouwelijke bezigheid? Het is bij uitzondering dat

tegenwoordig op de boerderij boter en kaas gemaakt wordt, anders

dan voor eigen gebruik. De melk gaat in groote hoeveelheden naar

de zuivelfabrieken en wordt daar verwerkt tot boter en kaas of tot

margarine door.... _mannen_! Niet anders gaat het bij het inmaken en

conserveeren van groenten en vruchten in het groot. Wèl worden daar

voor sommige onderdeelen van het werk vrouwenhanden gevraagd, maar

het groote werk wordt in de conservenfabrieken door _mannen_ verricht.

Onze vensters worden gewasschen door mannen; zelfs neemt men mannen

aan voor het schoonmaken van winkels en magazijnen en laat door hen

in uur- en vakarbeid verrichten, wat voorheen door de dienstbode of

schoonmaakster in huisdienst werd gedaan.

In onze coöperatieve keukens bestaat voor een groot deel het personeel

uit mannen, en er moet heden ten dage nog strijd gevoerd worden om

het klaarmaken van den maaltijd, wanneer dit in het groot geschiedt,

evengoed aan vrouwen toe te vertrouwen als wanneer het in ieder gezin

afzonderlijk gebeurt!

Deze voorbeelden zouden ongetwijfeld met nog verscheidene andere

zijn aan te vullen. Genoeg echter om te doen zien, dat aan de vrouw

zeer veel echte vrouwenarbeid wordt ontnomen door den man. Wil zij

kunnen bestaan, dan _moet_ zij dus naar ander werk omzien. En in het

vinden daarvan wordt zij aan alle kanten bemoeilijkt door ongelijke

bescherming, minder loon, en slechter vakopleiding.

Ook tengevolge van deze laatste omstandigheid wordt menigmaal

de best betaalde arbeid aan de vrouw ontnomen. Daar is b.v. het

schoenmakersbedrijf. Wie zou beter geschikt zijn voor het vervaardigen

van het _fijne_ schoenwerk, dan juist de vrouw? Maar op de vakscholen

voor schoenmakers worden tot nu toe in den regel geen meisjes

toegelaten; gevolg hiervan is, dat deze tak van bedrijf voor haar

zoo goed als gesloten is.

De mode die het dragen van het tailor-made costuum begunstigt,

is oorzaak dat ook in het naaisters-vak dikwijls aan mannen de

voorkeur wordt gegeven boven vrouwen. Immers de man, met zijn betere

_vakopleiding_, kan meer voldoen aan de eischen welke men aan een

goedzittenden mantel stelt, dan de veelal ongeschoolde vrouw.

Doch ook om betere vakopleiding te verkrijgen, is het noodig, dat de

vrouw als kiezer(es) met meer klem dezen eisch kan doen hooren. Thans

kan zij niets anders doen, dan verzoekschriften indienen om op

de bestaande vakscholen voor jongens ook meisjes toe te laten. Is

de Regeering den vrouwenarbeid goed gezind, dan wordt het verzoek

misschien ingewilligd; wellicht zullen enkele Kamerleden een lans

breken voor het goed recht der vrouw, voor haar persoonlijk belang,

en voor het profijt dat het te verrichten werk zelf er van heeft,

als slechts vakkundigen het ter hand nemen. Maar de Regeering kan ook

_tegen_ vrouwenarbeid zijn; misschien zijn er te weinig Kamerleden wie

de zaak ter harte gaat, om er zich bijzonder druk over te maken. Is

de toestand zóó, dan helpt het dringendst gestelde verzoekschrift niet.

Hoe anders zou het echter gaan wanneer de Kamerleden achter zich

wisten de vrouwelijke kiezers, wanneer het bestaan van hun zetel

mede afhankelijk was van de wijze, waarop zij de vrouwenbelangen

hadden behartigd. Haast overbodig is het hier nog bij te voegen,

hoe vrouwelijke Kamerleden, het belang der meisjes meer gevoelende,

meer kennende ook, met meer warmte en kans op succes de zaak in

de volksvertegenwoordiging zouden bespreken en verdedigen. Eerst

dàn ook zou met eenige kans op succes kunnen worden aangestuurd op

het stichten van afzonderlijke vakscholen voor meisjes, waar een

bij uitstek vrouwenberoep dit noodig maakt, en waar de bestaande

industriescholen niet voldoende zijn.

Dat de loonarbeid van vrouwen niet gering is, moge blijken uit

enkele cijfers.

Volgens het vrouwenjaarboekje [1] zijn in ons land vrouwen werkzaam in

239 beroepen. Dit getal is zeer zuinig berekend, als men in aanmerking

neemt dat b.v. _alle_ textiel-arbeidsters daarbij in één beroep

zijn ondergebracht, terwijl daar juist zoo'n sterke onderverdeeling

in verschillende vakken bestaat. Volgens de beroepstelling van 31

December 1909 zijn in Nederland niet minder dan 540.987 vrouwen

in beroepen werkzaam, waaronder 414.615 ongehuwde vrouwen. Al

deze vrouwen hebben zich te onderwerpen aan alle wetten die op

eenigerlei wijze den arbeid regelen, wetten die zijn gemaakt _voor_

haar en die beschikken _over_ haar, zonder dat daarbij ooit naar

haar eigen meening werd gevraagd. Hoe lang zij zal arbeiden en waar,

en wat, welk loon zij zal genieten, hoe hare verhouding zal zijn tot

den werkgever, of zij zal deelen in de voorrechten van ouderdoms-,

invaliditeits- en ziekteverzekering, of zij onder de begunstigden bij

de ongevallenwet wordt gerekend,--men beschikt het alles buiten haar

om, omdat zij van het _kiesrecht_ dus van _alle medezeggenschap is

uitgesloten_. Zelfs de vakorganisatie kan haar niet voldoende helpen,

alweder omdat de wetgever in de eerste plaats slechts rekening houdt

met de _kiezers_. Van dit laatste zij het volgende sprekende voorbeeld

aangehaald.

In eene vergadering van vakvereenigingen te Lancashire in Engeland

zeide eens de secretaris van den Weversbond: "Mijn oordeel moet gewicht

in de schaal leggen, want ik vertegenwoordig hier de vereeniging met

het grootst aantal leden." Doch de secretaris van den Timmerliedenbond

voegde hem toe: "Welke kracht gaat er van uwe vereeniging uit, het

zijn enkel vrouwen. Mijn bond mag niet groot zijn, maar al de leden

hebben het kiesrecht, dat is meer waard."

Dat de wetten, welke buiten medewerking van de vrouw worden gemaakt,

in verreweg de meeste gevallen in haar nadeel zijn, daarvan zijn

voorbeelden genoeg te noemen. Bij de ouderdomsverzekering wordt

zij eenvoudig buitengesloten; bij de arbeidswetgeving drukt haar de

ongelijke bescherming; bij de ongevallenwet vallen een groote categorie

van loontrekkende vrouwen buiten hare bepalingen, n.l. de dienstboden.

Eveneens zijn bij de thans door de Kamer aangenomen wet op de

ziekteverzekering de dienstboden uitgesloten.

Over het vakonderwijs werd hierboven reeds gesproken. Toch moge het

hier nog even worden herhaald, dat bij de regeling van dat onderwijs

steeds in de eerste plaats aan jongens wordt gedacht. Het afzonderlijke

vakonderwijs voor meisjes is nog zeer onvoldoende geregeld, terwijl de

ambachtsscholen nog maar bij groote uitzondering en ook dan gewoonlijk

eerst na veel onvermoeide pogingen van de zijde der vrouwen, voor

meisjes hare deuren openen.

Natuurlijk valt niet te bewijzen, en is het zelfs niet waarschijnlijk

dat alle vrouwen in ons land over de hierboven genoemde aangelegenheden

eene gelijkluidende meening zouden hebben. Zelfs is het mogelijk dat

vrouwen, konden zij zitting nemen in de Tweede Kamer, verschillend

over de wetsontwerpen die den arbeid der vrouwen regelen zouden

stemmen. Doch eene gelijkgezindheid over enkele bepaalde punten bestaat

bij de mannen evenmin; alleen, men vindt het alleszins billijk,

dat zij een woordje meespreken wanneer over hunne belangen, hunne

bestaansvoorwaarden wordt onderhandeld.

Ditzelfde recht werd tot op heden aan alle vrouwen onthouden en

wordt haar nog altijd door velen in den lande ontzegd. Voor de

vrouw geldt nog steeds in hooge mate het bekende woord van den

Franschen staatsman: "Wij zullen onderhandelen _over_ u, _bij_ u,

maar _zonder_ u." Dit nu is een groote onrechtvaardigheid, een grove

onbillijkheid, die in den tegenwoordigen tijd niet langer mag of

kan worden gehandhaafd. Er is voor het geven van kiesrecht aan den

man geen enkel argument aan te roeren, dat óók niet van toepassing

zou zijn waar het vrouwen betreft. Reeds daarom alleen zou zij

het kiesrecht moeten bezitten. Doch het feit dat de vrouw wat haar

arbeidsvoorwaarden betreft en in nog zoovele andere gevallen wettelijk

wordt achtergesteld bij den man, maakt dat zij _in nog meerdere mate

dan hij behoefte heeft aan het bezit van politieke rechten_. Het

stembiljet zal aan de vrouw haar recht op arbeiden verzekeren, en het

feit dat zij als kiezeres de macht zal verkrijgen om voor gelijk werk

gelijk loon te eischen, zal haar voor den man maken tot een eerlijke

en daardoor minder gevreesde mededingster. Mannen, het is óók in uw

eigen belang, wanneer gij medewerkt om aan de voor loon arbeidende

vrouwen het kiesrecht te bezorgen.

Al is het duidelijk dat in de allereerste plaats die categorieën van

ongehuwde vrouwen welke loonarbeid verrichten, behoefte hebben aan het

bezit van kiesrecht, omdat hare bestaansvoorwaarden daarmede zoozeer

samenhangen, zoo moet men niet meenen, dat het verkrijgen van het

stembiljet voor een andere schare van ongehuwde vrouwen, wier gunstiger

financiëele positie haar niet noodzaakt om met werken haar brood te

verdienen, een onverschillige zaak zou zijn. Vooreerst beheeren toch

de meesten van deze vrouwen haar eigen geldzaken. Reeds enkel daarom

zijn alle belastingkwesties voor haar van groot belang. Misschien volgt

wel niemand zoo goed als de rentenier de belastingwetgeving; ja zelfs

is wellicht niets van zoo grooten invloed op het uitbrengen van zijn

stem als het standpunt dat de candidaten voor Gemeenteraad of Tweede

Kamer innemen tegenover de belastingkwestie, of de wijze waarop zij de

gelden uit gemeente- of rijkskas wenschen te besteden. Alleen reeds

om in deze zaken invloed te kunnen oefenen, zou hij niet gaarne het

kiesbiljet missen; en met reden. Waarom zou dit dan anders zijn waar

het vrouwen betreft? Voor haar toch is het van niet minder belang, hoe

de vermogens- en successiebelasting geregeld worden; of beschermende

rechten de productiekosten en de prijzen der levensbehoeften zoodanig

zullen verhoogen, dat hare tot nu toe voldoende inkomsten aan renten

enz. in het vervolg ontoereikend zullen blijken te zijn. Het verschil

in sexe heeft toch met deze zaken niets te maken?

Doch ook verreweg de meesten van deze vrouwen, al moeten zij niet

werken om den broode, verrichten daarom wel arbeid. Zij zijn het

vooral die zich wijden aan filantropischen en socialen arbeid. En hoe

menigmaal komen zij juist op dit terrein in aanraking of in botsing

met de wetgeving!

Vrouwenkiesrecht · 第 1 / 7 段