HET NOORDEN IN.

Bordeaux grijs en zonnig, met hooge huizen en lange rechte straten,

Bordeaux met zijn groote plaatsen, zijn imposante monumenten en zijn

breede, woelige rivier ligt reeds een heel eind achter den rug, en nu

jagen wij maar voorwaarts, huiswaarts, met het gevoel dat de reis om

zoo te zeggen afgeloopen is. Even nog een blik op 't pittoreske

Angoulême, hoog op zijn heuvel, met zijn prachtige oude kathedraal, een

laatste vizie van het warme zuiden; en weldra zijn wij in een andere

streek, onder een anderen hemel, waarvan de grijze dofheid ons maar al

te welbekend is.

De boomen, die daar straks nog groen waren, of met rijke najaarstinten

overglansd, beginnen naakt en kaal te worden, met dorre, uitstekende

takken, als armen van geraamten. Het moet hier onlangs flink geregend

hebben, de weg ligt slijkerig, de voren in de bruine akkers glimmen en

zwarte en bonte benden kraaien drijven er droef-krassend overheen. 't Is

reeds de triestige najaarsverlatenheid van onze noorderstreken.

Maar toch nog even hier en daar een kleurige verrassing. De veemarkt van

Couhé-Vérac, bijvoorbeeld, was een schilderij. Die lag daar in de

diepte, even buiten het oud stadje, als 't ware midden in een bosch van

hooggekruinde, grijze, slankstammige boomen. Al het vee was uniform

warmbruin van kleur, al de kielen van de boeren waren blauw, sterkblauw

en al de hoeden, de typische, ouderwetsche, breed-gerande hoeden waren

zwart. Bruin, blauw, zwart, één woeling van drie kleuren door elkaar,

daar in de diepte, onder de hooge, slanke, grijze stammen, met, als

vaag-zichtbaren achtergrond, de grijze muren van 't verweerde stadje. 't

Was als een Rosa-Bonheur-schilderij.

Een schilderij ook, een koddige aquarel-schilderij, was het hoofdtooisel

der Poitou-boerinnen: een enorme witte, of wit-en-mauve muts met breede

linten, op die meestal ronde, dikke, bruin-gebrande koppen. Men zag geen

haar, niets dan die kolossale, lichte, bolle kappen, als wandelende

pompoenen tusschen de kleurlooze kleederdracht der mannen.

Toen zagen wij Poitiers, zoo oud, zoo grijs en zoo verweerd. Een

kathedraal nog prachtiger dan die van Angoulême, een door de eeuwen

gelijkmatig-afgesleten grijssteenen kantwerk van ontroerende schoonheid.

In die gelijkmatige versletenheid ligt een eigenaardige behoorlijkheid.

Een ruïne is meestal tragisch en geweldig, als een mooie en nog

krachtige grijsaard, die enkele van zijn ledematen heeft verloren; maar

een oude kathedraal als die van Poitiers behoudt in haar antieke

ongeschondenheid iets innig zachts en liefelijks, een afstomping van al

wat scherp of hoekig was, iets als de teere, berustende glimlach van een

schoone oude vrouw op wier gelaat de levensstormen wel veel uitgewischt,

maar bijna nergens ingevreten hebben. 't Is één en gaaf gebleven; 't is

verweerd maar onverwoest, er blijft een zachten glans van liefde en

levensweelde stralen, onder het grijze weemoedswaas der oude dagen.

* * * * *

Nog doffer en nog grauwer is de lucht geworden, nog droeviger krassen

de sombere raven en de laatste, afgerukte bruine blaadjes van de boomen

huppelen door wind en modder vóór ons heen, alsof zij ons den weg naar

't triestig Noorden willen wijzen.

't Begint weldra te regenen....

De kap moet op, de mantels worden dichtgeknoopt, de plaids over de

knieën uitgespreid. De avond valt, in kille, grauwe eenzaamheid.

Tours, 7 kilomètres!

Iets moedeloos komt over ons. Is dat de mooie Touraine, "le jardin de la

France", waarvan wij ook de oude, historische kasteelen willen zien?

De regen slaat tegen de voorruit aan, sijpelt in lange stralen, als van

stil-vloeiende tranen neer. Ik zie nauwelijks nog mijn weg, een weg van

slijk en modderplassen.

Daar twinkelen lichten in de verte. 't Is Tours, en als in een haven van

veiligheid en verkwikkende warmte, rijden wij weldra door de heldere

straten.

Vóór ons hôtel, een mooi hôtel, worden wij door den gérant verwelkomd.

--Zijn er goed-verwarmde kamers? Kunnen wij goed, warm eten krijgen?

Alles, álles kunnen wij krijgen. Verkleumd en huiverig, met stijve

beenen stappen wij uit, en vier paar handen gaan zich al spoedig, tot

gloeiens toe, aan de hel-brandende hall-kachel warmen.

We zitten in 't Noorden, in 't grijze, gure, akelige winter-Noorden.

De vroolijke tocht · 第 38 / 41 题