ALLERHEILIGEN.

Den volgenden morgen worden wij door een echten orkaan wakkergeloeid. 't

Is 1 November, Allerheiligen, en het geluid der kerkklokken wordt, met

den kletsenden regen en de bulderende windvlagen, als één akelige

jammerklacht wild heen en weer gezweept.

Wat zullen we doen? Hier blijven of toch maar doorrijden? Van kasteelen

zien kan zelfs geen sprake meer wezen.

Tóch maar doorrijden! Wij hebben allen haast nu om aan 't eind te zijn.

Mijn dames verlangen vurig naar Parijs, en ik verlang naar 't einde.

De auto zwalpt nu als een schip door volle modderzee. Het is geen rijden

meer, 't is op- en neerbonzen en plassen, waarbij het slijk tot hoog

over de kap heenzweept. Arme, forsche chemineau der vrije ruimten, waar

zijn de groene, idyllische zonnelanden van de Pyreneeën?

Een eindelooze, grauwe vlakte zonder boomen: la Beauce. Hier slaat de

onbeteugelde regen dwars door alles heen en de orkaan tilt letterlijk

den wagen op en rukt mij bijna 't stuur uit handen.

O, die dorpjes van la Beauce, die sombere, vervallen krotten, waarin de

griezelige personages van La Terre: de Fouan's, de Buteau's, de la

Grande's zeker nog hun dierenbestaan leven! Ze staan daar laag tegen den

grond gedrukt, van dezelfde kleur als de doodkleurige aarde, en klaar,

als 't ware, om er onder te verdwijnen. Het groene mos groeit op de

grauwe strooien daken, geen borstel verf heeft ooit de gore muren of

vermolmde deuren opgefleurd, en 't puinig kerktorentje rijst er als een

supreeme desolatie midden tusschen op, iets om te huilen van

verlatenheid en opgefolterd wee.

Bij beken, bij watervallen stroomt de regen neer. Mijn arme dames zijn

ontoonbaar geworden, van 't hoofd tot de voeten één natte modderkluwen,

ondanks de beschuttende kap. Het is niet langer uit te houden. Nooit,

nooit zullen we Parijs bereiken; en het is wonder, wonder bóven wonder,

dat de kranige motor nog maar steeds met onvermoeiden adem door blijft

snorren. Er wordt beraadslaagd. Ginds verre, aan den grijzen

watereinder, verrijst, in de vroeg-dalende schemering, de imposante

kathedraal van Chartres. Zullen we daar maar ophouden en den nacht

doorbrengen. 't Is Allerheiligen; er zal een prachtigen, indrukwekkenden

dienst zijn in die schoonste en grootste kathedraal van Frankrijk; of

zullen de dames maar liefst dadelijk den trein nemen naar Parijs,

waarheen ik haar den volgenden dag per auto zal volgen?

--Parijs,.... Parijs,.... hoor ik zacht fluisteren. Mijn dames verkiezen

Parijs!

* * * * *

Ik heb haar aan het station gebracht. Hun moddermantels en plaids hebben

zij in den wagen gelaten en dan zijn ze mij alle drie frisch en lief

komen omhelzen.

Even een traan weggepinkt, een sigaret opgestoken, mijn wagen gegareerd,

en gansch alleen dan in 't halfduister naar de kathedraal, om er den

Allerheiligendienst bij te wonen.

* * * * *

Nog nooit heb ik een zaliger gewaarwording van rust en vrede over mij

voelen komen.

Het gansche schip, groot genoeg om een leger te bergen, was met een

stil-biddende menigte gevuld. Honderden waskaarsen brandden

zacht-knetterend op het hoogaltaar en in de zijbeuken; het orgel speelde

en mooie stemmen zongen, maar zóó verloren, zóó onwezenlijk verre in die

reuzen-kathedraal, dat men niet eens wist waar ze vandaan kwamen; en

door de hooge, hooge boogramen met de pracht-vitraux, waarin het

azuurblauw domineert, zeeg naar de diepte een wonderzacht en teeder

licht, iets als een transparant-blauw-mauve schijnsel van

edelgesteenten-atmosfeer.

Wat was het daar opeens gansch anders dan 't geen ik, sinds bijna een

maand, doorleefd had, en wat was het zalig-rustig, dat het zoo gansch

anders was! De innerlijke mensch kan nog eens ontwaken, en mijmeren en

peinzen. De mensch, die bijna een machine was geworden, voelde weer

dieper stemming, wijding en ontroering.

Hoelang duurde 't? Ik weet het niet. Ik weet alleen, dat het nog langer

had mogen duren. Ik had mijn oogen gesloten en toen ik ze weer opende,

was de teer-mystische atmosfeer, die door de hooge kleurenramen naar

beneden zeefde, tot een grijs-grauwe schemering vervaald. Het orgel

zweeg, de stemmen zwegen, de kaarsen werden uitgedoofd. In schuivende

drommen verlieten de menschen de kerk, en half bewust stond ik ook

eindelijk in 't laatste daglicht buiten, nietig-klein onder de

reuzentorens en gewelven, die als een forteres ten hemel oprezen.

Ik loosde een zucht en slenterde in mijn eenzaamheid naar het hôtel toe.

Nu maar weer verder in de gewone werkelijkheid voortleven: eten, rooken,

slapen, en morgen naar Parijs toe....

De vroolijke tocht · 第 39 / 41 题