EEN NACHT TE CASTEL-JALOUX.

En aldoor verder strekken zich de "Landes" uit, steeds verder en steeds

verder, in hun eindelooze eentonigheid. En weer rijden wij uren en uren,

niets ziende dan den lijnrechten weg tusschen de moerassige bosschen,

waar de ingekorven sparren met hun grijzige harsbakjes, als ontelbare

zieken of gewonden staan te treuren. Komt er nog wel ooit een

afwisseling in of een eind eraan? Zullen we zoo doorrijden, in één

snellen, krachtigen motoradem door, tot aan Bordeaux?

Neen. De auto, de groote, vrije "chemineau" der wijde ruimten, houdt,

evenmin als zijn kleinere broeder, van te lange eentonigheid. In zijn

gecompliceerde ziel zijn vele snaren van afwisseling, en eensklaps, op

het onverwachtste oogenblik, doet hij er weer een trillen, een ál te wel

bekende, helaas! de luid-knallende snaar van een springenden band!

Een eigenaardige gewaarwording zoo'n springende non-slipping-band, onder

een snelheid van vijf en zeventig of tachtig kilometer per uur! Niet zoo

bizonder hard de knal--een flink pistoolschot--maar dat

schurend-klagend-slepen van den platten band over den weg, dat

langgerekt oewieoewieoewieoewie, als van een plotseling ter dood

gemarteld dier, dat zijn laatste adem uitkreunt!

Ja ja, daar staan we weer, en midden in de woeste eenzaamheid der

Landes. Gelukkig is het "Stepney" dadelijk aangeschroefd en rijden wij

weer verder. Maar wat blijkt nu spoedig: een niet-vermoede, broederlijke

sympathie, tusschen onze beide, vóór 't vertrek gelijktijdig opgelegde,

achterbanden! Geen twintig kilometer zijn wij doorgereden of daar knalt

opnieuw het korte "pan!" gevolgd door het langgerekte-schurend

"oewieoewieoewieoewie".

De tweede band, helaas! Zijn innige gehechtheid aan zijn tweelingbroeder

was zóó groot, dat hij zonder hem niet langer kon of wilde leven. Hij

heeft hem, ongetroost, in 't graf gevolgd. En wij....? Wij rouwen,

helaas! wij rouwen dubbel en dwars, in onze ziel en onze beurs.

Afwisseling hebben we nu meer dan genoeg, ondanks de doodsche

eenzaamheid der streek. Ik kijk beurtelings op mijn horloge, dat

ongeveer vier uur wijst, op de zon, die reeds een sterke neiging toont

om te gaan zien wat er in de diepte der bosschen gebeurt, en op mijn

landkaart, die mij duidelijk vertelt, dat wij op niet meer dan vijf en

twintig kilometer afstand zijn van een plaatsje dat Castel-Jaloux heet,

maar op nog meer dan honderd kilometer van Bordeaux. Om 's nachts, over

onbekende wegen, en thans zonder reserve-banden naar Bordeaux te rijden,

heb ik geen zin. Blijft Castel-Jaloux.

Castel-Jaloux! Eensklaps gaat mij als een prachtig licht op, en ik

herinner mij de verzen van den heldhaftigen poëet:

"Nous sommes les cadets de Gascogne

de Carbon de Castel-Jaloux

Menteurs et bretteurs sans vergogne...."

. . . . . . . . . . . . . . . . . . .

--Dames, roep ik juichend, wees over dit ongeluk gelukkig! Wij komen

vanavond niet in Bordeaux, wij blijven slapen in het heldenland door

uwen lievelings-poëet bezongen, ja, wij logeeren in het land Cyrano, bij

de "Cadets de Gascogne de Carbon de Castel-Jaloux!"

Tot mijn niet geringe verbazing ontmoet mijn juichkreet in 't geheel

niet de verwachte geestdrift. Integendeel: een soort van jammerkreet

gaat op.

--Zou daar wel een hôtel zijn? vraagt, bezorgd, een van mijn dames.

--Dat weet ik niet, maar wat komt het er op aan, wie bekommert zich om

zulke alledaagsche dingen in het Walhalla der ridderen! antwoord ik met

overtuiging.

--Ja, maar toch; hoeveel inwoners telt dat plaatsje wel?

--Hoeveel?.... bijna tweeduizend! Maar wat geeft dat? Cyrano alleen, met

zijn neus en zijn degen; onder 't balcon van Roxane....

Een algemeen gejammer smoort mijn woorden. Mijn dames zijn ondankbaar,

kunnen het heldhaftig-poëtische van 't geval maar niet naar waarde

schatten. Is me dat nu eenigszins gevoel hebben voor poëzie? Wat zou het

wel geweest zijn hadden ze toevallig in de boerderij van Chantecler

moeten overnachten? Neen, 't is werkelijk treurig.

Zoo bleef ik dus alleen om van de verrassing te genieten. Met schemering

kwamen wij in het wonderoord aan en reden rechtstreeks naar de eenige

hôtellerie.

--Wat lijkt het hier alles somber en zwart! weeklaagden mijn dames.

--Wellicht, antwoordde ik, wellicht rouwt nog de gansche streek over den

dood van Cyrano.

Wij kregen zwarte bedden in zwarte vertrekken en, beneden, in de zwarte

eetkamer, gebruikten wij zwarte spijzen en dronken zwarten wijn uit

zwarte flesschen.

--'t Is hier verschrikkelijk! jammerden, geconsterneerd, mijn dames.

--'t Is de nacht, zei ik. De nacht is zwart en spreidt zijn duisternis

over alles uit.

--We zitten hier als schipbreukelingen, zuchtte één van mijn dames.

--Als tufbreukelingen, poogde ik te schertsen. Maar de grap, die

trouwens walgelijk flauw was, ging heelemaal niet op.

Wij keken elkander roerloos, met verstarde oogen aan.

't Was negen uur. Een stilte als die des grafs hing over het verlaten

plaatsje. De menschen van 't hôtel sloten de buitenluiken; een zwarte

poes, met groene oogen, kwam langzaam, uit de zwarte keuken, naar de

zwarte eetzaal toegeslopen.

--Ach, dat arme poesje uit de Landes! riep meewarig-verteederd een van

mijn dames.

Dat liet ons allen even mijmerend, in sombere gedachten.

--Miauw, miauw, miauw, liep de zwarte poes zanikend rond. En eensklaps

sprong zij midden op de zwarte tafel.

Met een noodgil sprongen mijn dames overeind.

--O! dat akelig, ákelig beest! schreeuwden zij, en vlogen de trappen op,

naar hun zwarte kamers.

Geheel alleen, met de zwarte poes die uit de zwarte potten likte, bleef

ik nog even aan de zwarte tafel zitten, eenige gast in het hôtel van de,

door den dichter ons zoo levendig-lawaaiend voorgestelde, "Cadets de

Gascogne de Carbon de Castel-Jaloux".

Toen ging ik, handentastend als een blinde, ook naar boven....

De vroolijke tocht · 第 37 / 41 题