TERUG.

De steven is naar 't Noorden toegekeerd, wij hebben 't verste punt

bereikt en gaan eindelijk terug.

De "Landes" strekken zich uit, onafzienbaar, in desolate eentonigheid,

rechts en links van den pijlrechten weg....

't Zijn bosschen en moerassen, en nóg eens bosschen en moerassen, zonder

eind. Meestal sparreboomen, waarvan hars wordt afgetapt. Iedere slanke,

bruine stam is op een meter hoogte van den grond diep ingekorven, en

daaronder hangt een blikken schaaltje, als een scheerbekken, waar de

hars langzaam in afdruipt. 't Zijn als gewonde soldaten, die een grijs

verband om hebben.

Alom, de doodsche, onbewoonde stilte, de absolute, eenzame verlatenheid.

Uren en uren rijden wij daar doorheen, zonder een huis te zien, zonder

een levend schepsel te ontmoeten.

Toch wel; opeens zien wij iets komen: een karretje met een paard. Het

gaat op zij van den weg en houdt daar stil. Een oud mannetje en een oud

vrouwtje kruipen met inspanning van onder 't dekzeil, gaan even op den

rand van 't woud, schijnen daar iets uit een zak te schudden, en stijgen

weer in 't karretje, dat sjokkend verder rijdt.

Wàt mogen ze daar wel hebben uitgeschud?

We zien het dadelijk. 't Is een poes, een ongelukkig klein poesje, dat

miauwend op den weg komt huppelen en even, als een hondje, 't karretje

poogt achterna te loopen. Maar 't karretje is nu reeds verre, en een kat

is geen dier dat zoo maar meeloopt; het blijft al spoedig staan, miauwt

klagelijk en dringt opnieuw naar 't woud toe.

Nog vóór mijn dames daartoe bevel geven, houd ik den wagen stil.

Poes, poes, poes, poes, poes! roep ik hem zacht-streelend toe, alsof 't

een nederlandsche poes was. Maar dadelijk mij bedenkend, tracht ik hem

in 't Fransch tot mij te lokken:

--Minette, minette, minette!

Helaas, de arme poes begrijpt in 't geheel mijn uitnemende bedoeling

niet. Zonder haast, maar blijkbaar met het onwrikbare voornemen zich

niet door mij in te laten halen, dringt hij, af en toe miauwend,

voorzichtig over modderplasjes schrijdend en zich onder neerhangende

bramen bukkend, steeds dieper door in 't onherbergzaam woud. Ik moet het

weldra opgeven, want hij verdwijnt in heesters, waar ik hem niet verder

kan volgen.

Rampzalig, stom dier! Wat moet er daar van hem worden? Hoelang zal hij

er rondzwerven, klagend, miauwend, dagen en nachten schreiend als een

verlaten kind, tot hij eindelijk van honger omkomt! In plaats van in de

auto met mijn dames mee te rijden! Wat zouden die hem geknuffeld en

vertroeteld hebben! Hij had sandwiches, schaaltjes suikermelk, koekjes

gekregen; zij hadden hem niet anders dan in goede handen ergens

toevertrouwd, of zelfs hem de geheele reis verder met zich meegenomen;

ja, hij was waarschijnlijk ons huisdier geworden, hij had de kookkunst

onzer verschillende, snel elkander opvolgende keukenmeiden leeren

waardeeren, en elk donzig-zacht dekbed of gemakkelijke leunstoel hadden

hem tot rust- of verblijfplaats gediend. Dom dier, dat zich daar in die

wildernis gaat zelfmoorden! Maar zoo gaat het helaas! Menschen en dieren

begrijpen elkander nog niet, of niet meer.

De vroolijke tocht · 第 36 / 41 题